Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang in zijn
tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen.
"Monseigneur, Monseigneur," riep zij, "weet uw Hoogwaarde waar het
zilver-mandje is?"
"Ja," zei de bisschop.
"Goddank!" riep zij. "Ik wist niet waar het gebleven was." De bisschop
had het mandje van een bloembed opgeraapt en gaf het Magloire.
"Daar is het."
"Er is niets in," zeide zij. "En 't zilverwerk?"
"O! bedoelt gij het zilver?" hernam de bisschop. "Waar dat is, weet
ik niet."
"Goede God! 't is gestolen; de man van gisterenavond heeft het
gestolen."
Met haar gewone drift en voortvarendheid, liep de oude Magloire naar
de bidkamer; ging in de alkoof en keerde tot den bisschop terug. De
bisschop stond voorover gebogen en beschouwde zuchtend een plant
cochléaria, waarop het mandje was gevallen en die geknakt was. Hij
richtte zich op, toen Magloire riep:
"De man is weg, Monseigneur; het zilverwerk is gestolen."
Terwijl ze dit riep, richtte zij de oogen naar een hoek van den tuin,
waar men sporen van overklimming zag. De kalk was beschadigd.
"Zie," riep zij, "daar is hij over den muur geklommen, en in de
straat Cochefilet gesprongen. 't Is afschuwelijk! Hij heeft ons
zilverwerk gestolen!"
De bisschop zweeg een oogenblik, toen zag hij ernstig op en zeide
zachtmoedig tot Magloire:
"Maar behoorde ons dit zilver wel?"
Magloire wist niet wat te zeggen. Na een poos hernam de bisschop:
"Magloire, ik hield sinds lang ten onrechte dit zilverwerk in
bezit. Het behoorde aan de armen. Wie was deze man! Blijkbaar een
arme."
"Helaas!" hernam Magloire. "'t Is niet om mij of om mejuffrouw. 't Is
ons onverschillig. Maar 't is om Monseigneur. Waarmede zal Monseigneur
nu voortaan eten?"
De bisschop zag haar verwonderd aan en vroeg:
"Zijn er geen tinnen lepels?"
Magloire haalde de schouders op en zeide:
"Het tin riekt."
"IJzeren dan?"