Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht
op zijn stoel, en zeide zoo luid als 't een stervende vermag:
"Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd
jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte
zij los. Gij beschuldigt het onweder."
De bisschop voelde, misschien zonder 't zich zelven te bekennen, dat
iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:
"De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt
in naam der ontferming, welke niets anders is dan een hoogere
gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk
XVII?" voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.
De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des
bisschops. "Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige
kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun
mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche--een
onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd
opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad,
dat hij de broeder van Cartouche was--niet minder beklagenswaard
dan de kleinzoon van Lodewijk XV,--insgelijks een onschuldig kind,
dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om
de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.
"Mijnheer," riep de bisschop, "zulk een bijeenvoeging van namen bevalt
mij niet."
"Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht
geschiedt?"
Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier,
dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge
wijze aangedaan.
Het lid der conventie hernam:
"Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der
waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den
tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der
waarheid. Wanneer hij zeide: "Laat de kinderen tot mij komen!" maakte
hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld
hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander
te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De
onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is
even verheven in lompen als met het leliewapen!"
"Gewis," zei de bisschop zacht.
"Dit is niet alles," hernam G. "Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten
wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen,
alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere
standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij
hooger opklimmen dan tot 93, en 't is vóór den tijd van Lodewijk XVII,
dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der
koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent."
"Ik beween allen," zei de bisschop.
"Ik evenzeer," riep G. "Zoo de balans mocht overhellen, is 't naar
de zijde des volks. Het lijdt het langst."
Wederom ontstond een pauze. 't Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij
richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang
tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet,
wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den
doodsstrijd zijn blik op den bisschop. 't Was schier een uitbarsting,
waarmede hij vervolgde:
"Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles:
zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII
spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op
deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten
en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. 't Is waar, uw naam
is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen
ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige
lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat
wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord;
ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg
zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat
ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken
persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een
bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste
mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,--de bisschop
van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten,
te zamen 25000 fr.--met koks en livreibedienden,--een dier mannen, die
in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en
achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen
rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt
een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden,
lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de
anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of
te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke,
persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar
doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?"
De bisschop boog het hoofd en antwoordde: "Vermis sum." (ik ben
een worm.)
"Een worm in een koets!" bromde het oud lid der conventie.
't Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig
te zijn.
De bisschop antwoordde vriendelijk:
"'t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets, die ginds
achter 't geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die
ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe
mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat
weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest."
Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om
er een wolk van te verdrijven.
"Eer ik u antwoord," sprak hij, "verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven
ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben
u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij
niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen
en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb;
maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik
beloof u ze niet weder te gebruiken."
"Ik dank u," zei de bisschop.
G. hernam: "Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij
gevraagd hebt. Hoe was 't ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig
was geweest?"
"Ja, onbarmhartig," zei de bisschop. "Wat denkt ge van Marat, die de
guillotine met handgeklap toejuichte?"
"Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een Te Deum zong?"
Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een
werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden;
hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd
aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich
gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.
Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den
doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn
stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van
geest. Hij vervolgde:
"Ik wil nog enkele woorden over 't een en ander zeggen. Behalve de
revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van
de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar
onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een
bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville
is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is
afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als 't u belieft? Pater Duchène is
wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan
(Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de
markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en
koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaag ook de arme Hugenootsche
vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze
haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal
gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van
melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst
ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de
moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen
den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van
deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel,
mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn
zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit
haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk
geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,--en
bovendien--de dood nadert."
En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte
met deze weinige, kalme woorden:
"Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten
revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk
geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is
vooruitgegaan."
De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor
een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén
echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk
des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die
schier even norsch waren als de aanvang van 't gesprek:
"De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen
dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het
menschelijk geslacht."
De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij
sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het
ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak,
en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als
tot zich zelf:
"O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!"
De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na
eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:
"Het oneindige bestaat. 't Is daar! Zoo het oneindige geen IK had, zou
het IK zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden:
't zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een IK. Dat IK van
het oneindige, is God."
De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met de trilling
der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken
had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het
was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd,
die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene
gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.
De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen;
van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening
overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude
gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:
"Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou
zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?"
De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde
zich op zijn gelaat.
"Mijnheer de bisschop," sprak hij met een langzaamheid, die misschien
meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, "ik heb
mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik
was zestig jaar oud, toen mijn land mij riep en mij gebood, mij met
zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken,
ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan;
er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De
vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk
was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik
arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der
Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen,
wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te
scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat l'Arbre-Sec voor
twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte
de lijdenden. 't Is waar, ik heb het kleed van 't altaar gescheurd,
maar 't was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd
den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms
meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u,
mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op
dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden,
redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara
en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel
goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd,
bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat
vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze
haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor
als een verworpeling, en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de
eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig
jaar, en op 't punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?"
"Uw zegen," zei de bisschop.
En hij knielde.
Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den
grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.
Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen
nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige
nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te
spreken, wees hij slechts naar den hemel.
Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid
voor de geringen en lijdenden.
Telkens wanneer op den "ouden booswicht G." eenige toespeling gemaakt
werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning
van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch
geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.
Dit "herderlijk bezoek" werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken
in de kleine gezelschapskringen der plaats:
"Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een
bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze
revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat
heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest,
om een ziel door den duivel te zien weghalen."
Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke
zich geestig waant, tot hem:
"Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult
opzetten."--"O," antwoordde de bisschop, "dit is een ergerlijke
kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een
hoed vereeren."