DE BISSCHOP TEGENOVER EEN ONBEKEND LICHT.

Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief

deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad,

nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich

de roovers ophielden.

Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze

man,--om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen--was een

voormalig lid der conventie. Hij heette G.

In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met

een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets

schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men

alle rangen ophief en elkander eenvoudig "burger" noemde. Deze man

was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings

gestemd, maar 't scheelde niet veel. Hij was dus half en half een

koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst

der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank

gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;--er moet immers

barmhartigheid zijn?--maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men

zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij

een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over

den gier.

Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid

oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had,

was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in

Frankrijk mogen blijven.

Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver

van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd

gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen

buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde,

was het pad, 't welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men

sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.

De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar

een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde,

zeggende: "Daar woont een verlaten ziel!" En in gedachten voegde hij

er bij: "ik ben hem een bezoek schuldig."

Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in

den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja,

schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond

de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder

er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, 't welk aan

haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.

Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd

houden? Neen. Maar welk een schaap!

De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan

weder terugblijven.

Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een

jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende,

een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaar op sterven lag,

en hij den nacht niet zou doorkomen.--Goddank! zeiden sommigen.

De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok

tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om

den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.

De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het

onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het

hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over

een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin,

ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het

einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.

't Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een

wijnstok langs den voorgevel.

Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer,

een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.

Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude

een kom melk toereikte.

Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: "Ik dank u, ik heb

niets meer noodig." En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar

den knaap te richten.

De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen

hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing

uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.

"Sinds ik hier ben," zeide hij, "is dit de eerste maal dat iemand

mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?"

De bisschop antwoordde:

"Ik heet Bienvenu Myriel."

"Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen,

wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?"

"Die ben ik."

Half glimlachend hernam de grijsaard:

"Dan zijt gij mijn bisschop."

"Zoo gij wilt!"

"Ga binnen, mijnheer."

Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze

nam ze niet aan, hij zeide slechts:

"Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij

schijnt in geenen deele ziek!"

"Ik zal gezond worden, mijnheer," antwoordde de grijsaard; en na een

poos voegde hij er bij: "Binnen drie uren sterf ik. Ik ben eenigszins

een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn

beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij

hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is 't gedaan. 't

Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen

om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot

mij spreken, 't vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende

te komen bezoeken. 't Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen

hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den

dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren

overblijven. Het zal nacht zijn. 't Is trouwens om 't even. Sterven

is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet

noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven."

De grijsaard wendde zich tot den herder:

"Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt

vermoeid."

De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij,

als tot zich zelven sprekende:

"Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die

van het leven zullen goede buren zijn."

De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij

meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te

zeggen--want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten

evenzeer als het overige aangewezen worden--hij, die zoo dikwijls om

het "Hoogwaarde heer" lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat

hij niet "Monseigneur" werd genoemd, en was bijna in verzoeking met

"burger" te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende

gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt;

maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud

lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der

aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een

lust tot strengheid bij den bisschop op.

Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan,

waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer

past wanneer men op 't punt is, van tot stof weder te keeren.

De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar

zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het

oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling

echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich

in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der

conventie kwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten

de wet der liefde te staan.

G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was

een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering

brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun

tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven

beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de

teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste

stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in

verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel,

zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was

gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde

zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren

bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten

waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens

en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig

oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven

vleesch, van onder marmer was.

De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen,

zonder inleiding, op den toon der berisping:

"Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings

gestemd heb."

Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet

op te merken, die in het woord "ten minste" lag opgesloten. Maar de

glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.

"Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, want ik heb voor den

dood van den tiran gestemd," antwoordde hij ongevoelig op de stem

der strengheid.

"Wat bedoelt ge hiermede?" hernam de bisschop.

"Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor

den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in

't leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware

gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden."

"En door het geweten," voegde de bisschop er bij.

"Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap,

die in ons is."

Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor

hem nieuwe taal.

De oude man vervolgde:

"Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat

ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voel mij verplicht het

kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat

wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der

slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen

ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde

vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb

geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen

der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de

oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en

ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van

het menschelijk geslacht gestort werd."

"Een gemengd geluk," zei de bisschop.

"Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige

terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen

geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den

ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in

de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de

misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen

staat niet meer, schoon de wind er nog is."

"Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het

afbreken, wanneer het in toorn geschiedt."

"Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn

van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om 't even, en wat

men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het

menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft--een onvolledige stap

misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke

vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde,

verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de

wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de

wijding der menschheid."

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 26 / 177 题