Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen
weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar
vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij
zeide tot zijn zuster: "Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is
met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde
handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn
vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis."
Nog zeide hij des avonds vóór 't naar bed gaan: "vreezen wij
nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe
gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven;
de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat
is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij
alleen denken aan 't geen onze ziel bedreigt."
En zich tot zijn zuster wendende: "Lieve zuster, de priester mag nooit
voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet, veroorlooft
God. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een
ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder
niet om onzenthalve in zonde vervalle."
Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij
verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn
leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand
van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.
Wat van "den schat" der kerk van Embrun werd, men zou ons in
verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. 't Waren gewis zeer schoone,
verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der
ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft
van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van
den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen
overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren
van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien
op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: "'t is de vraag,
of het aan de hoofdkerk terug of aan 't gasthuis gegeven worden moet!"