CRAVATTE.

Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over 't hoofd

mogen zien; want 't behoort tot dezulken, die het best aantoonen,

welk een man de bisschop van D. was.

Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten

van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers,

Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de

rest der bende van Gaspard Bès in het graafschap Nizza schuil, ging

vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk,

in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna

te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l'Aigle,

en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette

naar de gehuchten en dorpen.

Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en

beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den

omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens

ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele

booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op

een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried

hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder

doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven

van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.

"Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan," antwoordde de

bisschop.

"Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?" hernam de maire.

"Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen

een uur vertrek."

"Ge wilt vertrekken?"

"Ja."

"Alleen?"

"Alleen."

"Dat zult ge niet doen, Monseigneur!"

"In het gebergte," hernam de bisschop, "ligt een zeer kleine gemeente,

welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden,

vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden,

behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van

verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met

zes gaten. 't Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God

wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd

is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?"

"Maar de roovers, Monseigneur?"

"Ja," zei de bisschop, "ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik

kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren."

"Maar, Monseigneur, 't is een rooverbende, een troep wolven!"

"Mijnheer de maire, 't is misschien juist van dezen troep, dat Jezus

mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?"

"Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur."

"Ik heb niets."

"Zij zullen u vermoorden."

"Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou

't hun baten?"

"O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!"

"Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen."

"Ga niet, Monseigneur. In 's hemels naam! gij waagt uw leven!"

"Is het anders niet, Mijnheer de maire?" zei de bisschop. "Ik ben niet

in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden."

Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind

vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid

werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.

Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een

muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij

zijn "vrienden" de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte,

verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor

zijn vertrek wilde hij een plechtig Te Deum houden. Hij sprak er met

den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men

kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels

van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.

"Om 't even," zei de bisschop, "kondig maar het Te Deum van den kansel

af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken."

Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte

heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de

behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.

Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die

onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de

pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van

goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk

kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke

versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te

Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden

stonden geschreven: Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.

"Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!" zei de

bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: "wie zich met het koorhemd

van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk

koorkleed."

"Monseigneur," mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend,

"God--of de duivel?"

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 19 / 177 题