Het Bisschoppelijk paleis te D. grensde aan het gasthuis.
Het Bisschoppelijk paleis was een groot, fraai hôtel, in 't begin
der vorige eeuw gebouwd door Monseigneur Henri Puget, docter
in de theologie bij de faculteit van Parijs en abt van Simore,
die in 1712 bisschop van D. was. Dit paleis was inderdaad een
wezenlijk vorstelijke woning. Alles had er een grootsch aanzien:
de bisschoppelijke vertrekken, de salons, de kamers, het eerplein,
dat zeer ruim en met booggangen in den ouden Florentijnschen stijl
omgeven was, tuinen met heerlijke boomen beplant. In de eetzaal,
een lange prachtige galerij, gelijkvloers, in den tuin uitkomende,
had Monseigneur Henri Puget den 29 Juli 1714 een plechtigen maaltijd
gegeven aan de prelaten Charles Brûlart de Genlis, prins-aartsbisschop
van Embrun; Antoine de Mesgrigny, kapucijn en bisschop van Grasse;
Philippe de Vendôme, groot-prior van Frankrijk, abt van St. Honoré de
Lerins; François de Berton de Grillon, bisschop en baron van Vence;
César de Sabran de Forcalquier, bisschop en heer van Glandève, en Jean
Soanen, priester van het oratorium, gewoon hofprediker, bisschop, en
heer van Senez. De portretten van deze zeven hoogeerwaarde personages
versierden deze zaal en de gedenkwaardige datum, 29 Juli 1714, was
er met gouden letters op een wit marmeren blad gegrift.
Het hospitaal was een eng, laag gebouw, van slechts één verdieping
en met een kleinen tuin.
Drie dagen na zijn komst bezocht de bisschop het hospitaal. Na dit
bezoek, liet hij den directeur verzoeken bij hem te komen.
"Mijnheer de directeur," zeide hij tot hem, "hoeveel zieken hebt ge
op dit oogenblik?"
"Zes en twintig, Monseigneur."
"Zooveel had ik er ook geteld," zei de bisschop.
"De bedden," hernam de directeur, "staan zeer dicht op elkander."
"Dit heb ik gezien."
"De zalen zijn slechts kamers en ze zijn moeilijk van versche lucht
te voorzien."
"Dat scheen mij ook toe."
"En, als de zon schijnt, is de tuin te klein voor de herstellenden."
"Dat kwam mij ook zoo voor."
"Bij epidemie--dit jaar hadden wij den typhus en voor twee jaren de
zweetkoorts--hebben wij soms honderd zieken, waarmede wij niet weten
wat wij zullen aanvangen."
"Zoo verbeeldde ik mij ook."
"Wat zal men zeggen, Monseigneur?" zei de directeur, "men moet zich
schikken."
Dit gesprek werd gevoerd in de groote beneden-eetzaal.
De bisschop bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, toen wendde hij
zich schielijk tot den hospitaal-directeur, en sprak:
"Hoeveel bedden, denkt ge, mijnheer, dat alleen in deze zaal kunnen
staan?"
"In de eetzaal van Monseigneur?" riep de directeur verbaasd.
De bisschop liet zijn blik door de zaal gaan en scheen ze met de
oogen te meten en de ruimte te berekenen.
"Er zouden wel twintig bedden kunnen staan!" zeide hij zacht,
als tot zich zelven, en vervolgens met verheffing van stem: "Hoor,
mijnheer de directeur, ik zal u iets zeggen. Er bestaat blijkbaar een
vergissing. Gij hebt voor zes-en-twintig personen vijf of zes kleine
kamers. Wij hebben hier met ons drieën plaats voor zestig menschen;
ik zeg u: 't is een vergissing, gij hebt mijn woning en ik heb de
uwe. Geef mij mijn huis terug; dit behoort u."
Den volgenden dag werden de zes-en-twintig arme zieken in het
bisschoppelijk paleis overgebracht, en de bisschop betrok het
hospitaal.
De heer Myriel bezat geen vermogen; zijn familie had door de revolutie
haar bezittingen verloren.
Zijn zuster had een lijfrente van vijfhonderd francs, die in de
pastorie voor haar persoonlijke behoeften voldoende was. Myriel
ontving als bisschop van den staat een inkomen van vijftien duizend
francs. Denzelfden dag waarop hij het hospitaal betrok, regelde
hij het gebruik dier som, eens voor al, op de volgende wijze. Wij
schrijven hier een nota over van zijn eigen hand.