HOOFDSTUK II

De beraadslaging, die don Raphaël en zijn hoorders samen hielden en

het avontuur, dat hen overkwam, toen zij het bosch wilden verlaten.

Toen don Raphaël had opgehouden met het vertellen van zijn

geschiedenis, welk verhaal mij een weinig lang had geschenen,

bedankte uit beleefdheid don Alphonse hem ervoor met de betuiging,

dat hij ons zeer veel genoegen had gedaan.

Daarna nam Ambrosius het woord en zei tot zijn kameraad: "Don Raphaël,

denk eraan, dat de zon ondergaat. Het is tijd om te beraadslagen,

wat wij te doen hebben. Wat mij betreft, meen ik, dat wij dadelijk

moeten opbreken, vannacht Reguena moeten probeeren te bereiken en dan

morgen naar Valencia gaan, waar wij ons handwerk kunnen aanvangen. Ik

heb een voorgevoel, dat wij daar een goeden slag zullen slaan." Zijn

vriend, die dit voorgevoelen onfeilbaar achtte, stemde toe. Wat don

Alphonse en mij betreft, wij lieten ons door de anderen leiden.

Er werd dus besloten, dat wij den weg naar Requena zouden inslaan en

wij maakten ons daartoe gereed.

Daar het donker was, moesten wij voorzichtig loopen, om het bosch uit

te komen. Wij hadden nauwelijks een paar honderd pas gedaan, of wij

ontdekten tusschen de boomen een licht. "Wat zou dat beteekenen?" vroeg

don Raphaël. "De justitie van Cuença zal ons toch niet op het spoor

zijn?" "Ik geloof het niet," zei Ambrosius; "het zijn, denk ik,

reizigers. De nacht zal hen hebben overvallen en nu wachten ze zeker

in het bosch den morgen af. Maar ik kan mij vergissen, dus zal ik gaan

verkennen, wat het is. Blijft alle drie hier, ik ben in een oogenblik

terug." Bij die woorden ging hij onhoorbaar in de richting van het

licht, dat niet ver meer verwijderd was. Rondom een vuur zag hij vier

mannen zitten, die juist klaar schenen met eten en een wijnflesch

lieten rondgaan. Op eenigen afstand waren een heer en een dame aan

boomen vastgebonden en stond een draagkoets met twee muilezels. Die

vier roovers schenen allen evenveel lust te hebben, om de dame te

bezitten, die in hunne handen was gevallen, en spraken er over om

het lot te laten beslissen. Lamela kwam ons dat alles vertellen.

"Heeren," zei don Alphonse, "die heer en dame, welke de roovers

aan boomen hebben vastgemaakt, zijn misschien personen van hoogen

stand. Zullen wij toestaan, dat zij de slachtoffers worden van de

brutaliteit en de barbaarschheid van deze struikroovers? Wij moeten die

bandieten verslaan."--"Ik ben het met u eens," zei don Raphaël. "Tot

een goede daad ben ik even bereid als tot een slechte." Ambrosius

betuigde daarmee in te stemmen, en ik durf zeggen, dat het gevaar

mij bij deze gelegenheid niet afschrikte.

Om de waarheid te zeggen, was het gevaar niet groot, daar Lamela

ons gerapporteerd had, dat de wapens van de dieven allen op een hoop

lagen, op tien of twaalf passen afstands van hen. Dus was het ons niet

moeilijk ons plan te volvoeren. Ons paard bonden wij aan een boom

en zonder geraas naderden wij de plaats, waar de roovers zaten. Zij

spraken luid en dus was het ons gemakkelijk ons ongestoord van hun

wapenen meester te maken, hen daarna te overvallen en neer te schieten.

Gedurende dat werk was echter het vuur uitgegaan en wij bevonden

ons in de duisternis, wat ons echter niet belette, om den heer en

de dame los te maken, die zoo verschrikt waren, dat ze niet eens de

kracht hadden, om ons te bedanken voor hetgeen wij voor hen hadden

gedaan. 't Is waar, dat zij nog niet wisten, of zij ons als hunne

bevrijders moesten beschouwen, of dat ze in handen van andere roovers

waren gevallen. Wij stelden hen echter gerust en beloofden hen naar

een hotel te brengen, dat, naar Ambrosius verzekerde, niet ver weg

lag. Daar konden zij dan alle noodige voorzorgen nemen om veilig verder

te gaan. Na die verzekering schenen zij gerust, ze stapten weer in,

wij maakten ook de paarden van de roovers los, die wij meenamen en

nadat de twee ex-kluizenaars nog de zakken van de gevallen bandieten

hadden doorzocht, begaf de stoet zich op weg.

Het duurde nog wel twee uur, voor wij bij het hotel aankwamen, waar

alles in diepe rust was. Wij klopten hard aan de deur en nadat de

waard gezien had, dat wij met een rijtuig aankwamen, was dadelijk

het geheele huis verlicht. Don Alphonse hielp de dame uitstijgen. Wij

waren niet weinig verwonderd, toen wij een oogenblik later vernamen,

dat het de graaf de Polan en zijne dochter Séraphine waren, die

wij bevrijd hadden. Men kan zich denken hoe die dame en niet minder

hoe don Alphonse verrast was, toen zij elkaar herkenden. De graaf

lette er niet op, zoo was hij bezig met andere zaken. Hij vertelde

ons hoe de roovers zijn dochter en hem hadden aangegrepen, nadat ze

zijn postiljon, een page en een knecht hadden gedood. Hij betuigde

ons zijn groote dankbaarheid en hij noodigde ons uit hem in Toledo,

waar hij over een maand zou zijn, te komen bezoeken, opdat hij die

zou kunnen toonen.

De dochter bedankte ons eveneens voor haar gelukkige bevrijding en

daar Raphaël en ik meenden, dat wij don Alphonse een genoegen zouden

doen door hem in de gelegenheid te stellen een oogenblik met de jonge

weduwe te spreken, wisten wij den graaf zoolang bezig te houden.

"Schoone Séraphine," zei de jongeman zacht, "ik beklaag mij niet

meer over het lot, dat mij veroordeeld heeft als een banneling uit

de beschaafde wereld te leven, omdat het mij in de gelegenheid

heeft gesteld mee te werken tot den gewichtigen dienst, welke u

bewezen is." Zuchtend antwoordde zij: "Gij zijt het dus, die mij

het leven en de eer heeft gered; aan u zijn mijn vader en ik zooveel

verschuldigd. O, don Alphonse, waarom hebt gij mijn broeder gedood?" Ze

zeide niet meer, maar hij begreep voldoende door die woorden en door

den toon, waarop ze werden uitgesproken, dat hij bemind werd.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 64 / 67 题