De beraadslaging, die don Raphaël en zijn hoorders samen hielden en
het avontuur, dat hen overkwam, toen zij het bosch wilden verlaten.
Toen don Raphaël had opgehouden met het vertellen van zijn
geschiedenis, welk verhaal mij een weinig lang had geschenen,
bedankte uit beleefdheid don Alphonse hem ervoor met de betuiging,
dat hij ons zeer veel genoegen had gedaan.
Daarna nam Ambrosius het woord en zei tot zijn kameraad: "Don Raphaël,
denk eraan, dat de zon ondergaat. Het is tijd om te beraadslagen,
wat wij te doen hebben. Wat mij betreft, meen ik, dat wij dadelijk
moeten opbreken, vannacht Reguena moeten probeeren te bereiken en dan
morgen naar Valencia gaan, waar wij ons handwerk kunnen aanvangen. Ik
heb een voorgevoel, dat wij daar een goeden slag zullen slaan." Zijn
vriend, die dit voorgevoelen onfeilbaar achtte, stemde toe. Wat don
Alphonse en mij betreft, wij lieten ons door de anderen leiden.
Er werd dus besloten, dat wij den weg naar Requena zouden inslaan en
wij maakten ons daartoe gereed.
Daar het donker was, moesten wij voorzichtig loopen, om het bosch uit
te komen. Wij hadden nauwelijks een paar honderd pas gedaan, of wij
ontdekten tusschen de boomen een licht. "Wat zou dat beteekenen?" vroeg
don Raphaël. "De justitie van Cuença zal ons toch niet op het spoor
zijn?" "Ik geloof het niet," zei Ambrosius; "het zijn, denk ik,
reizigers. De nacht zal hen hebben overvallen en nu wachten ze zeker
in het bosch den morgen af. Maar ik kan mij vergissen, dus zal ik gaan
verkennen, wat het is. Blijft alle drie hier, ik ben in een oogenblik
terug." Bij die woorden ging hij onhoorbaar in de richting van het
licht, dat niet ver meer verwijderd was. Rondom een vuur zag hij vier
mannen zitten, die juist klaar schenen met eten en een wijnflesch
lieten rondgaan. Op eenigen afstand waren een heer en een dame aan
boomen vastgebonden en stond een draagkoets met twee muilezels. Die
vier roovers schenen allen evenveel lust te hebben, om de dame te
bezitten, die in hunne handen was gevallen, en spraken er over om
het lot te laten beslissen. Lamela kwam ons dat alles vertellen.
"Heeren," zei don Alphonse, "die heer en dame, welke de roovers
aan boomen hebben vastgemaakt, zijn misschien personen van hoogen
stand. Zullen wij toestaan, dat zij de slachtoffers worden van de
brutaliteit en de barbaarschheid van deze struikroovers? Wij moeten die
bandieten verslaan."--"Ik ben het met u eens," zei don Raphaël. "Tot
een goede daad ben ik even bereid als tot een slechte." Ambrosius
betuigde daarmee in te stemmen, en ik durf zeggen, dat het gevaar
mij bij deze gelegenheid niet afschrikte.
Om de waarheid te zeggen, was het gevaar niet groot, daar Lamela
ons gerapporteerd had, dat de wapens van de dieven allen op een hoop
lagen, op tien of twaalf passen afstands van hen. Dus was het ons niet
moeilijk ons plan te volvoeren. Ons paard bonden wij aan een boom
en zonder geraas naderden wij de plaats, waar de roovers zaten. Zij
spraken luid en dus was het ons gemakkelijk ons ongestoord van hun
wapenen meester te maken, hen daarna te overvallen en neer te schieten.
Gedurende dat werk was echter het vuur uitgegaan en wij bevonden
ons in de duisternis, wat ons echter niet belette, om den heer en
de dame los te maken, die zoo verschrikt waren, dat ze niet eens de
kracht hadden, om ons te bedanken voor hetgeen wij voor hen hadden
gedaan. 't Is waar, dat zij nog niet wisten, of zij ons als hunne
bevrijders moesten beschouwen, of dat ze in handen van andere roovers
waren gevallen. Wij stelden hen echter gerust en beloofden hen naar
een hotel te brengen, dat, naar Ambrosius verzekerde, niet ver weg
lag. Daar konden zij dan alle noodige voorzorgen nemen om veilig verder
te gaan. Na die verzekering schenen zij gerust, ze stapten weer in,
wij maakten ook de paarden van de roovers los, die wij meenamen en
nadat de twee ex-kluizenaars nog de zakken van de gevallen bandieten
hadden doorzocht, begaf de stoet zich op weg.
Het duurde nog wel twee uur, voor wij bij het hotel aankwamen, waar
alles in diepe rust was. Wij klopten hard aan de deur en nadat de
waard gezien had, dat wij met een rijtuig aankwamen, was dadelijk
het geheele huis verlicht. Don Alphonse hielp de dame uitstijgen. Wij
waren niet weinig verwonderd, toen wij een oogenblik later vernamen,
dat het de graaf de Polan en zijne dochter Séraphine waren, die
wij bevrijd hadden. Men kan zich denken hoe die dame en niet minder
hoe don Alphonse verrast was, toen zij elkaar herkenden. De graaf
lette er niet op, zoo was hij bezig met andere zaken. Hij vertelde
ons hoe de roovers zijn dochter en hem hadden aangegrepen, nadat ze
zijn postiljon, een page en een knecht hadden gedood. Hij betuigde
ons zijn groote dankbaarheid en hij noodigde ons uit hem in Toledo,
waar hij over een maand zou zijn, te komen bezoeken, opdat hij die
zou kunnen toonen.
De dochter bedankte ons eveneens voor haar gelukkige bevrijding en
daar Raphaël en ik meenden, dat wij don Alphonse een genoegen zouden
doen door hem in de gelegenheid te stellen een oogenblik met de jonge
weduwe te spreken, wisten wij den graaf zoolang bezig te houden.
"Schoone Séraphine," zei de jongeman zacht, "ik beklaag mij niet
meer over het lot, dat mij veroordeeld heeft als een banneling uit
de beschaafde wereld te leven, omdat het mij in de gelegenheid
heeft gesteld mee te werken tot den gewichtigen dienst, welke u
bewezen is." Zuchtend antwoordde zij: "Gij zijt het dus, die mij
het leven en de eer heeft gered; aan u zijn mijn vader en ik zooveel
verschuldigd. O, don Alphonse, waarom hebt gij mijn broeder gedood?" Ze
zeide niet meer, maar hij begreep voldoende door die woorden en door
den toon, waarop ze werden uitgesproken, dat hij bemind werd.