Geschiedenis van don Raphaël.
Ik ben de zoon van een actrice uit Madrid, bekend door haar
voordrachten, maar meer nog door haar galante avonturen; ze heette
Lucinde. Wat een vader betreft, zonder vermetelheid kan ik mij er
geen geven. Een voornaam heer was wel verliefd op mijn moeder toen
ik op de wereld kwam, maar dat is nog geen overtuigend bewijs, dat
ik aan hem mijn geboorte heb te danken.
Lucinde stoorde zich niet aan praatjes, ze liet mij in het geheim
opvoeden, maar vertoonde zich met mij aan de hand in den schouwburg
en overal elders zonder acht te slaan op de praatjes en hatelijke
glimlachjes, die mijn verschijning opwekte. In één woord, ik was haar
dierbaar en alle mannen, die bij haar kwamen, haalden mij aan. Men zou
zeggen, dat bij hen de stem des bloeds sprak. In de eerste twaalf jaar
van mijn leven had ik zeer veel amusementen. Lezen en schrijven leerde
men mij ternauwernood, godsdienst in het geheel niet. Wel leerde ik
goed dansen, zingen en guitaar spelen; dat was alles, wat ik kende,
toen de markies de Léganez mij vroeg om bij zijn eenigen zoon te komen,
die ongeveer van mijn leeftijd was. Lucinde stemde er gaarne in toe
en toen begon ik mij ernstiger bezig te houden. De jonge Léganez was
niet verder dan ik; dat heertje scheen niet voor de wetenschap geboren
te zijn; hij kende nog bijna geen letter van het alphabet, hoewel hij
sinds vijftien maanden een gouverneur had, zijn andere onderwijzers
hadden het niet verder gebracht, hij stelde hun geduld op een zware
proef. Weliswaar hadden zij de opdracht om geen strengheid tegenover
hem te gebruiken. Met, dat bevel en den slechten aanleg van den jongen,
waren alle lessen tamelijk nutteloos. Maar de gouverneur vond, zooals
ge zien zult, een goed middel om den jongenheer te treffen, zonder het
bevel van zijn vader te overschrijden; hij besloot mij af te ranselen,
als de kleine Léganez gestraft moest worden. Dat was niet erg naar mijn
zin. Ik liep weg en ging mij bij mijn moeder beklagen over zulk een
onrechtvaardige behandeling. Hoe goed ze overigens ook voor mij was,
had ze kracht om weerstand te bieden aan mijn tranen en daar ze het
als een zeer groot voorrecht beschouwde, dat haar zoon bij den markies
de Léganez kon zijn, liet ze mij er dadelijk weer heen brengen. Zoo
was ik dus overgeleverd aan de willekeur van den gouverneur en daar
hij merkte, dat hij eenig effect had met zijn methode, ging hij voort
met mij te slaan. Om nog meer indruk te maken, deed hij het zoo hard
mogelijk. Voor iedere letter van het alphabet, die de kleine Léganez
leerde, kan ik wel zeggen, dat ik honderd slagen heb gekregen.
Dat was echter nog niet het eenige onaangename wat ik in dat huis had
te verdragen. De dienstboden verweten mij steeds mijn geboorte. Dat
begon mij zoo tegen te staan, dat ik op een goeden dag de vlucht nam,
nadat ik het middel had gevonden om mij van alles meester te maken
wat de gouverneur aan contant geld had, ongeveer honderdvijftig
ducaten. Die wraak was, meen ik, gerechtvaardigd en ik geloof, dat
ik den man moeilijk zwaarder had kunnen treffen. Ik verliet Madrid
en kwam te Toledo, zonder dat men mij had kunnen aanhouden.
Ik ging toen mijn vijftiende jaar in. Wat een genot om op dien leeftijd
onafhankelijk te zijn. Weldra maakte ik kennis met jongelieden, die
mij ontgroenden en mij hielpen, om mijn ducaten op te maken. Vervolgens
associeerde ik mij met eenige chevalliers d'industrie, die mij zooveel
leerden, dat ik, dank zij mijn goeden aanleg, na eenigen tijd, tot
de sterksten van het gilde behoorde. Na verloop van vijf jaren kwam
de lust tot reizen in mij op. Ik ging naar Alcantera, maar voor ik
er aankwam, vond ik nog een gelegenheid om mijn talenten op de proef
te stellen, die ik niet ongebruikt liet voorbijgaan. Daar ik te voet
was en bovendien mijn bagage bij mij droeg, ging ik nu en dan onder
de schaduw van een boom aan den weg zitten rusten. Bij een van die
gelegenheden trof ik twee kinderen aan, die er uitzagen of ze tot een
goede familie behoorden. De oudste was nog geen vijftien jaar. Wij
raakten in gesprek en ze schenen daar genoegen in te vinden. Ze waren
beiden zeer onnoozel. "Mijnheer," zei de jongste, "wij zijn de zoons
van rijke burgers uit Plasencia. Wij vinden veel lust om Portugal eens
te zien en om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, hebben wij ieder
honderd pistolen van onze ouders genomen. Hoewel wij te voet gaan,
geloof ik niet, dat wij met die som ver zullen komen. Wat denkt u er
van?" "Goede hemel!" riep ik, "als ik tweehonderd pistolen had, zou
ik de heele wereld kunnen doortrekken. Het is een verbazend groote
som. Als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen tot Almerin, waar
ik de erfenis van een oom in ontvangst ga nemen, die daar ongeveer
twintig jaar heeft gewoond."
De jongelieden zeiden mij, dat mijn gezelschap hun zeer aangenaam zou
zijn. Zoo wandelden wij met ons drieën op naar Alcantara, waar wij 's
avonds aankwamen. Wij gingen in een goed hotel en vroegen een kamer,
men gaf ons er een met een kast, welke op slot kon. Wij bestelden
eerst avondeten en ik stelde mijn reisgezellen voor, om de stad nog
eens te gaan bezichtigen. Zij stemden toe en wij deden ons goed in de
kast, waarvan een der jongens den sleutel bij zich stak. Wij gingen de
kerken bezien en toen wij in een van de gebouwen waren, vertelde ik,
dat ik een boodschap te doen had. "Heeren," zei ik, "ik herinner mij
daar, dat ik even een koopman moet spreken, die hier dicht bij de kerk
woont. Wacht hier op mij; ik ben in een oogenblik terug." Ik liep naar
het hotel, brak de kast open en vond de pistolen. Ik liet den armen
kinderen er slechts één om hun logies te betalen. Daarop ging ik op
weg naar Mérida, zonder mij er om te bekommeren wat er van hen werd.
Dit avontuur stelde mij in staat om vroolijk te reizen. Hoewel ik jong
was, wist ik mij voorzichtig te gedragen; ik mag wel zeggen, dat ik
mijn leeftijd veel vooruit was. Ik besloot een muilezel te koopen en
deed dat in het eerste dorp; ook schafte ik mij een valies aan en ik
begon mijzelf een man van gewicht te vinden. Den derden dag ontmoette
ik een man, die langs den weg liep te zingen. Naar zijn uiterlijk
te oordeelen, was het een koorzanger. "Wel mijnheer!" riep ik, "dat
gaat best. U schijnt hart van uw vak te hebben." Hij antwoordde,
dat hij koorzanger was. Zoo kwamen wij in gesprek en ik merkte dat
ik met een geestige en aangename persoonlijkheid te doen had. Hij
was vier- of vijfentwintig jaar oud. Daar hij te voet was, liet ik
mijn muilezel stappen, om met hem te kunnen praten. Het gesprek kwam
op Toledo. "Ik ken die stad heel goed," zei de koorzanger mij; "ik
ben er lang geweest en had er zelfs vrienden." "En in welke straat
hebt gij in Toledo gewoond?" vroeg ik hem. "In de Nieuwstraat. Ik
woonde er met don Vincent de Buena Garra, don Mathias de Cordel [3]
en twee of drie andere nette heeren. Wij sliepen daar, aten er en
brachten den tijd aangenaam door." Die woorden verbaasden mij, want
hij noemde mij de namen van de slimmerts, met wie ik in Toledo had
samengewerkt. "Mijnheer de koorzanger," riep ik uit, "de heeren van
wie ge mij de namen noemt, zijn kennissen van mij en ik heb ook met
hen in de Nieuwstraat gewoond," "Dan zijt gij daar geweest, nadat ik
ben weggegaan, dat is drie jaar geleden," merkte hij op. "Eerst kort
geleden heb ik hen verlaten," antwoordde ik, "omdat ik lust kreeg in
reizen. Ik wil Spanje doortrekken. Wanneer ik meer ondervinding heb
opgedaan, zal ik meer waard zijn," "Zeker," stemde hij toe, "om zijn
geest te beschaven, moet men reizen. Daarom heb ik ook Toledo verlaten,
hoewel het mij er zeer goed beviel. Ik dank den hemel," vervolgde hij,
"dat ik een broeder ontmoet, nu ik er 't minst op rekende. Laten
wij met elkaar reizen en profiteeren van de gelegenheden, welke zich
zullen aanbieden, om onze bekwaamheid te toonen,"
Hij deed mij dat voorstel met zooveel vrijmoedigheid en zoo
vriendelijk, dat ik het dadelijk aannam. Hij won dadelijk mijn
vertrouwen en schonk mij het zijne. Hij vertelde mij, dat hij van
Portalegre kwam, waar een mislukte schelmenstreek hem gedwongen had
overhaast te vluchten in de kleeding, die hij nu droeg. Nadat wij
elkaar onzen levensloop hadden verteld, besloten wij naar Mérido te
gaan, om daar ons geluk te beproeven en indien wij er in slaagden een
goeden slag te slaan, daarna weer naar elders te vertrekken. Van dat
oogenblik af hadden wij al wat wij bezaten gemeen. 't Is waar, dat
Moralès, zoo heette mijn compagnon, er niet al te best bijzat. Hij
had niet meer dan vijf of zes ducaten en eenige kleeren in een zak;
maar had ik meer contant geld, hij was daarentegen meer bedreven in
de kunst, om de menschen te bedriegen. Wij bestegen om beurten mijn
muilezel en kwamen zoo te Mérida.
Wij namen onzen intrek in een hotel en mijn vriend trok andere kleeren
aan. Daarop gingen we de stad door, om het terrein te verkennen en te
zien of zich ook ergens een gelegenheid aanbood om te werken. Terwijl
we zoo aandachtig rondkeken en wachtten tot het toeval ons gunstig
was, zagen we in een straat een heer met grijs haar, die, met den
degen in de hand, zich verweerde tegen drie mannen. Getroffen door de
ongelijkheid van den strijd, snelde ik den grijsaard te hulp. Moralès,
om mij te toonen, dat ik mij niet met een lafaard had geassocieerd,
volgde mijn voorbeeld en wij joegen de drie mannen op de vlucht.
Nadat ze verdwenen waren, putte de grijsaard zich uit in
dankbetuigingen. Ik zei, dat het ons zeer veel genoegen deed, dat we
hem hadden kunnen helpen en dat wij zeer gaarne zouden weten wien wij
liet geluk hadden gehad ter zijde te kunnen staan en waarom de drie
mannen hem hadden willen vermoorden. "Mijne heeren," antwoordde hij,
"ik heb te veel verplichting aan u, om uw nieuwsgierigheid niet
te bevredigen. Ik heet Jérôme de Moyadas, [4] en leef van mijn
renten in deze stad. Een van de moordenaars, van wie ge mij hebt
bevrijd, heeft mijn dochter lief. Hij liet mij haar dezer dagen
ten huwelijk vragen en daar zijn wensch niet bevredigd werd, heeft
hij zich op deze wijze willen wreken. "En mag ik vragen," zei ik,
"welke redenen u hadt om uw dochter niet aan dien heer ten huwelijk
te willen geven?" "Ik zal het u zeggen," antwoordde hij. "Ik had een
broer hier in de stad, die koopman was, hij heette Augustijn. Voor
twee maanden was hij te Calatrava, gelogeerd bij Jean Velez de la
Membrilla [5], een handelsvriend. Zij waren intieme vrienden en mijn
broeder wilde dien band nog versterken, hij beloofde daarom de hand
van mijn eenige dochter aan den zoon van dien vriend, er niet aan
twijfelend, of ik zou daaraan mijn goedkeuring hechten. Toen mijn
broeder in Mérida terug was en van het huwelijk sprak, gaf ik dadelijk
mijn toestemming. Hij zond het portret van Florentine naar Calatrava,
maar heeft helaas niet de voldoening mogen smaken zijn werk voltooid
te zien; voor drie weken is hij gestorven. Stervende heeft hij mij
bezworen om de hand van mijn dochter aan niemand anders te geven dan
aan den zoon van zijn handelsvriend. Ik beloofde het hem en daarom
moest ik Florentine weigeren aan den man, die mij zoo juist aanviel,
hoewel hij een voordeelige partij was. Ik ben door mijn woord gebonden
en wacht ieder oogenblik den zoon van Juan Velez de la Membrilla,
om hem tot mijn schoonzoon te maken, hoewel ik hem nooit heb gezien,
evenmin als zijn vader."
Met de grootste belangstelling had ik dat verhaal aangehoord; er was
een gedachte bij mij opgekomen, ik veinsde een groote verwondering,
sloeg de oogen ten hemel en riep met veel pathos: "O! mijnheer de
Moyadas, hoe is het mogelijk, dat ik, te Mérida komende, zoo gelukkig
ben het leven van mijn schoonvader te redden!" Die woorden wekten een
groote verbazing bij den ouden heer en niet minder bij Moralès. "Wat
zegt gij mij daar?" riep de grijsaard, "Zijt gij de zoon van den
handelsvriend van mijn broer??" "Ja, mijnheer Jérôme de Moyadas,"
zei ik, terwijl ik hem omhelsde, "ik ben de gelukkige sterveling voor
wien de aanbiddelijke Florentine bestemd is. Maar sta mij toe, voor ik
de vreugde heb uw huis te betreden, dat ik hier eenige tranen stort,
ter gedachtenis aan uw broer Augustijn. Ik zou de ondankbaarste van
alle menschen zijn, indien ik niet levendig getroffen was door den dood
van iemand aan wien ik het geluk van mijn leven te danken heb." Nadat
ik dit gezegd had, omhelsde ik den goeden Jérôme nogmaals en maakte
een beweging, alsof ik mijn tranen wegveegde. Moralès, die dadelijk
begreep welk voordeel wij bij dit spel konden behalen, hielp mij. Hij
stelde zich voor als mijn bediende en putte zich uit in betuigingen
van leedwezen over den dood van mijnheer Augustijn. "Mijnheer
Jérôme!" riep hij, "welk een verlies moet de dood van uw broer voor
u zijn geweest! Wat een eerlijk man was hij! Een juweel, een volkomen
betrouwbaar koopman, zooals men er geen tweede vindt!"
Wij hadden met een onnoozel en lichtgeloovig man te doen. Verre van ons
te verdenken, liep hij er gemakkelijk in. "Maar waarom," vroeg hij,
"zijt ge niet dadelijk bij mij gekomen, ge hadt uw intrek niet in
een hotel moeten nemen!" "Mijnheer," zei Moralès, het woord voor mij
nemende, "mijn meester is vormelijk, hij heeft die fout en zal mij
vergeven, dat ik hem die verwijt. Het is overigens wel te excuseeren,
dat hij niet bij u is verschenen, zoodra hij in de stad kwam; wij
zijn namelijk bestolen geworden, men heeft ons op reis onze koffers
ontroofd." "Die jongeman zegt de waarheid, mijnheer de Moyadas,"
viel ik hem in de rede, "en dat is de reden waarom ik nog niet bij u
was. Ik durfde in dit toilet niet te verschijnen voor een dame, die
mij nog nooit gezien heeft en wachtte daarmee op de terugkomst van
een knecht, dien ik naar Calatrava heb gezonden." "Dit ongeval mag u
niet beletten om dadelijk mijn huis te betreden," zei de grijsaard,
"en ik ben er op gesteld, dat ge met mij meegaat."
Zoo sprekende, nam hij ons mee; voor wij aankwamen, spraken wij nog
over den beweerden diefstal en ik betuigde er mijn groot leedwezen
over, dat met mijn koffers ook het portret van Florentine was verloren
gegaan. De goede man zei me, dat ik mij over dit verlies maar moest
troosten en dat het origineel meer waard was dan een copie. Zoodra wij
in huis waren, riep hij zijn dochter, die niet ouder dan zestien jaar
en een mooi meisje was. "Hier," zei hij, "is de dame, die mijn broeder
u beloofd heeft." "O, mijnheer!" riep ik met geestdrift, "het is niet
noodig mij te zeggen, dat het de beminnelijke Florentine is, die zich
aan mijn oogen vertoont, haar bekoorlijke trekken zijn in mijn geheugen
gegrifd en meer nog in mijn hart. Het portret, dat ik verloren heb,
was maar een zwakke weergave van zooveel bekoorlijks." "Uw woorden
zijn al te vleiend voor mij," zei Florentine, "en ik ben niet ijdel
genoeg om mij in te beelden, dat die gerechtvaardigd zijn." "Ga maar
door met haar het hof te maken," viel de vader in de rede. En hij
liet mij alleen met zijn dochter, terwijl hij Moralès meenam. "Mijn
vriend," zei hij, "de dieven hebben al uw goed meegenomen en zonder
twijfel ook uw geld, want daar beginnen ze gewoonlijk mee." "Ja,
mijnheer," antwoordde mijn kameraad; "een groote troep roovers heeft
ons overvallen bij Castil-Blazo; men heeft ons niet anders gelaten
dan de kleeren, die wij aan ons lichaam hadden; maar wij zijn spoedig
een brief met geld te wachten en dan zijn we weer klaar."
"In afwachting van dien brief," hernam de grijsaard, en hij haalde
een beurs uit zijn zak, "zijn hier honderd pistolen, waarover ge kunt
beschikken." "O, mijnheer," riep Moralès, "mijn meester zou ze niet
willen aannemen. U kent hem niet. Mijn patroon is zeer fijngevoelig
in dit opzicht. Hij is niet een van die jongelieden, die alles maar
aannemen. Hij houdt er niet van, om schuld te maken, hoe jong hij ook
is. Hij zou liever bedelen dan een cent leenen." "Ik acht hem daar des
te meer om," zei de oude heer; "daar ik hem niet onaangenaam wil zijn,
moet ge maar niet van dit aanbod spreken," en hij wilde de beurs weer
in zijn zak steken. Moralès wilde dat voorkomen en zei: "Mijnheer, welk
een tegenzin mijn meester ook heeft om te leenen, geloof ik niet, dat
hij er bezwaar tegen zou hebben, om uw honderd pistolen aan te nemen;
het is maar de manier, waarop men het hem voorstelt. Van vreemden zal
hij niets aannemen, maar met zijn familie is het een ander geval. Van
zijn vader heeft hij ook wel geld gevraagd, als hij het noodig had
en u, mijnheer, moet hij als een tweeden vader beschouwen."
Door dergelijke praatjes maakte Moralès zich meester van de beurs
van den grijsaard, die ons daarna weer kwam opzoeken en zijn dochter
en mij in een levendig gesprek vond. Hij deelde aan Florentine mee,
hoe ik hem had geholpen en ik merkte, dat hij mij zeer erkentelijk
was. Ik wilde van die gunstige stemming profiteeren en ik zei, dat
hij mij het beste bewijs van zijn dankbaarheid kon geven, door mijn
huwelijk met zijn dochter te bespoedigen. Hij verzekerde mij, dat ik
binnen drie dagen de echtgenoot van Florentine zou zijn en voegde
er bij, dat hij inplaats van de beloofde bruidschat van zesduizend
ducaten er tienduizend geven zou, om mij te toonen hoezeer hij den
bewezen dienst waardeerde.
Moralès en ik werden zeer goed behandeld bij den ouden Jérôme de
Moyadas en genoten bij het vooruitzicht de tienduizend ducaten op
te steken, waarmee wij ons direct na de ontvangst uit Mérida wilden
verwijderen. In onze vreugde mengde zich echter de vrees, dat, voor
de drie dagen zouden zijn verstreken, de echte zoon van Juan Julez
de la Membrilla ons geluk zou komen verstoren. Onze vrees bleek
niet ongegrond. Na twee dagen kwam er bij den vader van Florentine
een soort van boer, met een valies. Ik was er niet bij, maar mijn
kameraad wel. "Mijnheer," zei de boer, "ik behoor bij den heer uit
Calatrava, die uw schoonzoon moet worden, bij mijnheer Petro de la
Membrilla. Wij komen zoo juist in de stad en hij zal in een oogenblik
hier zijn." Nauwelijks had hij uitgesproken, of zijn meester verscheen,
wat den grijsaard zeer verwonderde en Moralès een beetje van zijn
stuk bracht.
De jonge Pedro was een knappe jonge man, Hij sprak den vader van
Florentine aan, maar deze gaf hem geen tijd om uit te spreken en
zich tot mijn compagnon wendende, vroeg hij wat dat te beteekenen
had. Moralès, die in slimheid zijns gelijke niet had, zei op rustigen
toon: "Mijnheer, de twee mannen, die ge daar ziet, behoorden tot de
roovers, die ons onderweg hebben aangevallen, ik herken hen en vooral
dengeen, die de brutaliteit heeft, om te zeggen, dat hij de zoon is
van mijnheer Juan Velez de la Membrilla." De oude heer geloofde Moralès
dadelijk en overtuigd dat de nieuw aangekomenen schelmen waren, zei hij
tot hen: "Heeren, ge komt te laat, men is u voor geweest. Pedro de la
Membrilla is reeds bij mij." "Let op uw woorden," zei de jonge man uit
Calatrava, "men bedriegt u, ge hebt een indringer in uw huis. Weet
wel, dat Juan Velez de la Membrilla geen anderen zoon heeft dan
mij." "Vertel dat maar aan anderen," riep onze gastheer. "Herkent
ge dien jongeman niet en herinnert ge u niet, dat ge zijn meester
hebt bestolen op den weg van Calatrava?" "Wat, bestolen!" riep Pedro,
"als ik niet in uw huis was, zou ik dien vlegel, die de onbeschaamdheid
heeft mij voor dief uit te schelden, de ooren afsnijden. Dank zij uw
tegenwoordigheid, houd ik mijn toorn in, maar ik herhaal u, dat men
u bedriegt. Ik ben de man, aan wien uw broeder Augustijn de hand van
uw dochter heeft beloofd." "Wilt gij, dat ik alle brieven toon, die
hij aan mijn vader over dit huwelijk heeft geschreven of het portret
van Florentine, dat hij eenigen tijd voor zijn dood zond?" "Neen,"
antwoordde de oude heer, "het portret zal mij evenmin overtuigen als
de brieven. Ik weet op welke wijze ze in uw handen zijn gevallen en
ik zou u aanraden om Mérida zoo spoedig mogelijk te verlaten om te
ontkomen aan de straf, die gij en uw gelijken verdient."
"Dat is te veel!" riep de jonge man. "Ik zal niet dulden, dat men mij
straffeloos mijn naam ontrooft en nog bovendien voor een struikroover
wil doen doorgaan. In de stad ken ik eenige menschen; ik zal hen
gaan opzoeken en met hen terugkeeren, opdat ze geconfronteerd kunnen
worden met den bedrieger, die voor mijn persoon wil doorgaan." Hij
ging met zijn bediende weg en Moralès bleef triomfantelijk achter. Dat
avontuur nu gaf Jérôme de Moyadas aanleiding om te besluiten, dat ik
nog denzelfden dag met zijn dochter zou trouwen en hij ging daarvoor
dadelijk de noodige maatregelen nemen.
Hoewel mijn kameraad zeer verheugd was, dat de vader van Florentine ons
zoo gunstig gezind was, was hij niet geheel vrij van ongerustheid. Hij
vreesde voor de stappen, welke Pedro zeker doen zou en wachtte met
ongeduld op mij. Ik vond hem in gedachten verdiept. "Waarom zijt ge
zoo in gepeins verzonken, mijn vriend?" vroeg ik hem. Hij deelde mij
alles mee en zei: "Ge hebt ons door uw vermetel stuk in moeilijkheden
gebracht. De onderneming was schitterend, dat moet ik toegeven en
als ze geslaagd was, zoudt ge er alle eer van hebben gehad, maar het
heeft allen schijn, dat ze slecht voor ons zal afloopen en om alles
te voorkomen, geloof ik, dat wij maar het beste doen door de vlucht te
nemen, met de veer, die wij reeds van den ouden heer geplukt hebben."
"Mijnheer Moralès," zei ik, "ge deinst te spoedig voor moeilijkheden
terug. Ge doet weinig eer aan don Mathias de Cordel en aan de andere
heeren met wie ge in Toledo hebt gewoond. Wanneer men bij zulke
meesters in de leer is geweest, moet men zich niet zoo spoedig
ongerust maken. Wat mij betreft, ik wil in de voetsporen van die
heeren wandelen en toonen, dat ik een leerling ben hunner waardig,
ik zal mij verzetten tegen den tegenstand, die u verschrikt." "Indien
u dat gelukt," zei mijn compagnon, "zal ik u stellen boven alle groote
mannen van Plutarchus."
Toen Moralès dat gezegd had, kwam Jérôme de Moyadas binnen. "Ik kom,"
zei hij, "om alles gereed te maken voor uw huwelijk, vanavond reeds
zult ge mijn schoonzoon zijn. Uw bediende," voegde hij eraan toe,
"heeft u zeker reeds gezegd, wat er gebeurd is. Wat zegt ge wel van
den schelm, die mij heeft willen opdringen, dat hij de zoon was van
den handelsvriend van mijn broer?" Moralès was benieuwd hoe ik mij
uit die moeilijkheid zou redden en hij was niet weinig verbaasd,
toen hij mij op treurigen toon tot den ouden heer hoorde zeggen:
"Mijnheer, het hangt slechts van mij af, om u bij uw dwaling te
doen volharden en daarvan te profiteeren, maar ik ben niet geboren
om een leugen vol te houden. Ik ben de zoon niet van Juan Velez de
la Membrilla." "Wat hoor ik," riep de oude verbaasd, "zijt gij de
man niet aan wien mijn broeder...." "Pardon, mijnheer," viel ik hem
in de rede, "daar ik een eerlijk en getrouw verhaal begonnen ben,
moet ge mij tot het einde toe aanhooren. Sinds acht dagen bemin ik uw
dochter en mijn liefde heeft mij hier in Mérida doen blijven. Toen wij
u te hulp snelden, was het mijn plan u haar ten huwelijk te vragen,
maar gij sloot mij den mond, door te zeggen, dat ze voor een ander
bestemd was. U zei me, dat uw broeder u stervende bezworen had, haar
aan Pedro de la Membrilla te geven, dat ge gebonden waart door uw
woord. Die mededeeling, ik moet het zeggen, maakte mij diep ongelukkig
en door mijn liefde tot wanhoop gebracht, verzon ik een krijgslist,
waarvan ik mij bediende. Ik heb mijzelf daarvan een ernstig verwijt
gemaakt; maar ik heb geloofd, dat gij mij zoudt vergeven, wanneer u
dit ontdekte en wanneer ge zoudt weten, dat ik een Italiaansche prins
ben, die incognito reist. Mijn vader is souverein in eenige valleien,
die liggen tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye. Zelfs stelde ik
mij voor, dat het u aangenaam zou zijn, wanneer ik, na mijn huwelijk
met Florentine, u deze mededeeling omtrent mijn geboorte had kunnen
doen en ik verheugde mij erop het Florentine als mijn vrouw mede te
deelen. De hemel heeft mij die vreugde niet toegestaan. Pedro de la
Membrilla is verschenen; ik moet hem zijn naam teruggeven, hoeveel mij
dat ook kost. Uw gelofte beweegt u om hem tot schoonzoon te nemen. Ik
kan daarin slechts berusten; ik kan mij slechts beklagen; gij moet hem
boven mij de voorkeur geven, zonder te letten op mijn rang en stand,
zonder medelijden te hebben met den toestand, waarin ge mij hebt
gebracht. Ik zal u niet voorhouden, dat uw broeder slechts de oom was
van uw dochter, terwijl gij de vader zijt en het dus rechtvaardiger
zou zijn u, ten opzichte van mij, van uw verplichting te kwijten."
"Ja zeker, dat is rechtvaardiger!" riep Jérôme de Moyadas, "en ik
weifel dan ook niet tusschen u en Pedro de la Membrilla. Wanneer mijn
broeder Augustijn nog leefde, zou hij het niet afkeuren, dat ik de
voorkeur gaf aan iemand, die mij het leven gered heeft en bovendien
een prins is, welke zich verwaardigd tot ons af te dalen. Ik zou wel
een vijand moeten zijn van mijn eigen geluk en mijn verstand moeten
verloren hebben, indien ik u mijn dochter niet gaf en indien ik niet
aandrong op een, voor haar zoo voornaam huwelijk,"--"Mijnheer!" zei
ik, "handel niet onberaden, overleg eerst rijpelijk."--"Neen, prins,
ik aarzel geen oogenblik en zal mijn dochter dadelijk meedeelen welk
schitterend lot haar wacht."
Terwijl de goede man zich haastte om zijn dochter dit te gaan
vertellen, viel Moralès voor mij op de knieën en zei: "Mijnheer de
Italiaansche prins, zoon van den souverein van de valleien, die liggen
tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye, sta mij toe, dat ik mij aan de
voeten van uw hoogheid werp, om u mijn vereering te betuigen. Ik dacht,
dat ik de slimste gauwdief was, maar ik moet nederig betuigen, dat
gij het van mij wint, hoewel ge minder ervaring hebt." "Dus zijt gij
niet ongerust meer?" vroeg ik. "O, neen," antwoordde hij, "laat dien
mijnheer Pedro nu maar komen en doen wat hij wil," Wij spraken reeds
af welken weg wij zouden nemen, als wij het geld zouden hebben, maar
de afloop van het avontuur beantwoordde niet aan onze verwachtingen.
Spoedig zagen wij den jongen man van Calatrava terugkomen. Hij
was vergezeld door twee burgers van de stad en den Commissaris van
politie. De vader van Florentine was bij ons. "Mijnheer de Moyadas,"
zei Pedro, "ik breng u hier drie geloofwaardige personen; zij kennen
mij en zullen u zeggen wie ik ben." "Zeker," zei de commissaris,
"ik ken en verklaar aan ieder, die het weten wil, dat gij Pedro heet
en dat gij de eenige zoon zijt van Juan Velez de la Membrilla; wie
het tegendeel beweert, is een bedrieger." "Ik geloof u, mijnheer,"
zei de goede Jérôme de Moyadas. "Uw getuigenis is heilig voor mij,
evenals dat van de beide heeren kooplieden, die gij meebrengt. Ik
ben er ten volle van overtuigd, dat de jonge man, die u hier heeft
gebracht, de eenige zoon is van den handelsvriend van mijn broer. Maar
wat beteekent dat? Ik ben niet meer van plan hem de hand van mijn
dochter te geven. Ik ben van meening veranderd."
"O, dat is een andere kwestie," zei de commissaris. "Ik ben alleen
in uw huis gekomen, om u te verzekeren, dat deze jongeman mij
bekend is. Gij zijt zeker meester over uwe dochter en men zal u
niet noodzaken haar, tegen uw zin, uit te huwelijken." "Ik wil mij
ook niet aan den heer de Moyadas opdringen," zei Pedro, "maar hij
zal mij toch zeker wel toestaan, om hem te vragen, waarom hij van
meening is veranderd. Heeft hij zich in eenig opzicht over mij te
beklagen? Nu ik de hoop verlies zijn schoonzoon te worden, moge
het tenminste buiten mijn schuld zijn." "Ik beklaag mij niet over
u," zei de grijsaard; "Ik wil u zelfs niet ontkennen, dat het mij
spijt, dat ik in de noodzakelijkheid ben mijn woord te breken en ik
verzoek u mij dat te vergeven. Maar ik ben ervan overtuigd, dat gij
het billijken moet, wanneer ik de voorkeur geef aan iemand, die mij
het leven heeft gered. Gij ziet hem hier," zei hij, op mij wijzende,
"dat is de heer, die mij aan een groot gevaar onttrokken heeft en om
mij nog meer bij u te verontschuldigen, kan ik u zeggen, dat hij een
Italiaansche prins is, die, niettegenstaande de ongelijkheid van stand,
wil trouwen met Florentine, op wie hij verliefd geworden is."
Bij die laatste woorden bleef Pedro verlegen staan. De twee kooplieden
zetten groote oogen op en schenen zeer verlegen. Maar de commissaris,
gewoon om de zaken van de donkere zijde te bekijken, vermoedde, dat er
wat achter dit avontuur stak. Hij keek mij oplettend aan en toen het
hem bleek, dat mijn trekken hem onbekend waren, beschouwde hij mijn
kameraad met evenveel attentie. Ongelukkigerwijze herkende hij Moralès,
dien hij in de gevangenis te Ciudad-Réal had gezien. "Ah!" riep
hij, "ik herken een van mijn klanten en geef u de verzekering,
dat die jongeman een van de grootste schelmen is in het koninkrijk
Spanje." "Maar mijnheer de commissaris," zei Jéróme de Moyadas,
"het is een bediende van den prins." "Dat kan wel," zei de man van
de wet, "maar ik beoordeel den meester naar den knecht, en zeg u,
dat het twee avonturiers zijn, die u bedrogen hebbn." "Maar," zei de
grijsaard, "al is de knecht een deugniet, daarom behoeft de meester
het toch niet te zijn. Het is niets nieuws een schelm in dienst van
een prins te zien." "Praat toch niet van den prins!" zei de andere,
"Die jongeman is een intrigant en ik neem hem evengoed gevangen als
den ander. Ik zal hun een tête-à-tête verschaffen met den rechter
en ze zullen ondervinden, dat nog niet alle zweepslagen verbruikt
zijn." "Hou op, Mijnheer de Officier," zei de grijsaard, "laten wij
de zaak niet zoo ver drijven. Gijlieden zijt nooit bang fatsoenlijke
menschen te beleedigen. Zou de knecht niet een bedrieger kunnen zijn
en de meester niet? Is het iets nieuws, dat vorsten schelmen in dienst
hebben?" "Wat praat gij toch van vorsten," viel de commissaris hem
in de rede. "Ik arresteer beiden. Gaan ze niet goedschiks meê, dan
heb ik maar te roepen; beneden heb ik twintig gewapende mannen."
Ik was zeer ontdaan over die woorden en Moralès niet minder. Aan
Jérôme de Moyadas zag ik, dat hij nu aan onze houding begon te
merken, dat wij bedriegers waren. Maar hij was een goed en eerlijk
man, daarom zei hij: "Mijnheer de commissaris, u kunt gelijk heben,
maar uw vermoedens kunnen ook valsch zijn. Laten wij ons daarin
niet verdiepen, maar ik verzoek u, geef dien twee mannen vrijheid
om heen te gaan, waar zij willen; ik vraag u dat, omdat ik groote
verplichtingen aan hen heb." "Indien ik mijn plicht deed, zou ik
hen moeten gevangen nemen, maar ter wille van u, wil ik hen laten
vertrekken," zei de commissaris. "Zie ik hen echter morgen nog hier
in de stad, dan zullen wij zien, wat er met hen gebeurt."
Toen wij hoorden, dat wij vrij waren, kwamen Moralès en ik weer
eenigszins op ons verhaal. Wij wilden flink van ons afspreken en
verklaren, dat wij zeer betrouwbare personen waren, maar de blikken van
den commissaris doorboorden ons en deden ons zwijgen. Ik weet niet,
waarom sommigen van die lieden macht over ons hebben. Wij moesten
dus Florentine en de bruidschat overlaten aan Pedro de la Membrilla,
die ongetwijfeld de schoonzoon werd van Jérôme de Moyadas. Mijn
kameraad en ik sloegen den weg in naar Truxillo en troosten ons
er mee, dat wij tenminste honderd pistolen bij het avontuur hadden
gewonnen. Tegen den avond kwamen wij in een dorp, maar wij hadden
besloten nog verderop een nachtverblijf te zoeken. Intusschen zagen
wij een hotel, dat er, voor die plaats, goed uitzag. De hotelhouder
en zijn vrouw zaten voor hun deur. Hij was een magere en bejaarde man
en tokkelde op een slechte guitaar, waarnaar zijn vrouw met genoegen
luisterde. "Heeren!" riep hij, "ik raad u aan hier op te houden en
niet verder te gaan, het naaste dorp is nog drie mijl weg en 't is er
niet zoo goed als hier. Gelooft mij, komt mijn huis binnen, ge zult
het goed en goedkoop hebben." Wij lieten ons overhalen en, toen wij
zaten, begonnen wij over verschillende onderwerpen te spreken. De
waard zei ons, dat hij tevens dienaar van den heiligen Hermandad was.
Ons gesprek werd afgebroken door de aankomst van twaalf of vijftien
ruiters, sommige op muilezels, andere op paarden en gevolgd door wel
dertig muilezels, die met allerlei pakken waren beladen. "Hemel!" riep
de waard, op het gezicht van zooveel menschen, "hoe moet ik die
alle herbergen!" In een oogenblik was het heele dorp vol mannen en
beesten. Er was gelukkig naast het hotel een groote schuur, waar
men de muilezels en de bagage kon opbergen. Maar 't scheen dien
mannen aanvankelijk meer om een goed maal te doen te zijn, dan om
een slaapplaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmaagd gingen dus
zoo hard aan het werk als ze konden.
Moralès en ik keken die heeren eens aan, die, op hun beurt, ons ook
opnamen. Eindelijk raakten wij in gesprek en wij spraken af met elkaar
te soupeeren. Zoo kwamen wij dus met elkaar aan tafel. Er was er een
onder hen, die orders gaf en door de anderen met een zekeren eerbied
werd behandeld. Het gesprek aan tafel liep o.a. over Andalousie en
toen Moralès Sevilla prees, zei de man van wien ik zooeven sprak:
"Mijnheer, ik hoor u vol lof spreken van de plaats, waar ik geboren
ben, dat is te zeggen, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, in
Mayrena." "Ik kan u hetzelfde zeggen," zei mijn metgezel, "ik ben
ook van Mayrena en daar ik er iedereen ken, zal ik uw ouders ook
wel kennen. Van wien zijt gij een zoon?" "Van een eerzamen notaris,"
zei de vreemdeling, "van Martin Moralès." "Van Martin Moralès!" riep
mijn kameraad met evenveel blijdschap als verrassing, "alle duivels,
dat is een zonderling toeval! Dus zijt ge mijn oudere broer Manuel
Moralès?" "Juist," zei de andere, "en gij zijt Louis, die nog in de
wieg lag, toen ik het ouderlijk huis verliet." De twee broers omhelsden
elkaar en bleven, ook na tafel, nog lang met elkaar zitten praten,
terwijl de anderen dronken en pleizier maakten.
Na hun lang onderhoud, riep mijn kameraad mij apart en zei: "Al die
mannen zijn bedienden van den graaf de Montanos, die door den koning
benoemd is tot onderkoning van Majorca. Zij gaan met al dat goed naar
Alicante, waar ze zich zullen inschepen. Mijn broer is als intendant
aangesteld en heeft mij voorgesteld hem te vergezellen. Toen ik zei dat
ik bezwaar maakte om u te verlaten, heeft hij mij beloofd u eveneens
een goede betrekking te bezorgen, als ge wilt meegaan. Waarde vriend,
ik raad u aan, dit aanbod niet af te slaan. Laat ons samen naar
Majorca gaan. Indien het er ons bevalt, kunnen wij er blijven en,
zoo niet, dan gaan we naar Spanje terug."
Ik nam het voorstel gaarne aan. Wij sloten ons bij de andere mannen
aan en verlieten voor zonsopgang het hotel. Spoedig bereikten wij
Alicante, waar ik een guitaar kocht en wij ons van betere kleeren
voorzagen. Ik dacht aan niets anders dan aan het eiland Majorca en
mijn vriend deed hetzelfde. Om de waarheid te zeggen, wilden wij bij
die lieden voor eerlijke menschen doorgaan en geen schelmenstreken
uithalen. Eindelijk scheepten wij ons in en hoopten spoedig op de
plaats van onze bestemming te zijn, maar nauwelijks waren wij uit de
golf van Alicante, of we werden door een hevigen storm overvallen. Ik
zou u hier een mooie beschrijving van den storm kunnen geven, de lucht
in vlammen, het knetteren van den bliksem, het huilen van den wind, de
hooge golven, etc. Maar ik zal dat achterwege laten en alleen zeggen,
dat het een verschrikkelijk onweder was en wij verplicht waren op
het eiland Capri te landen, een eiland, dat vrijwel verlaten is en
waar men een klein fort vindt, bewaakt door vijf of zes man en een
officier, die ons zeer beleefd ontving.
Daar wij er verscheidene dagen moesten blijven, omdat er veel reparatie
aan de zeilen en het touwwerk was, zochten wij verstrooiing, om de
verveling te verdrijven. Ieder volgde daarbij zijn eigen neiging,
sommigen speelden en ik behoorde tot hen, die veel wandelden. Wij
sprongen op dit ongelijke terrein vaak van rots op rots. Op zekeren
dag werden wij getroffen door een aangename geur en daarop afgaande,
vonden wij, tusschen de rotsen, een plateau, waarop de prachtigste
kamperfoelie groeide. Naar beneden gaande, vonden wij eenige beekjes,
die hun kristalhelder water van de rotsen kregen. Het kostte ons
moeite, om deze plaats te verlaten en wij besloten er den volgenden dag
terug te komen. Wij deelden onze ontdekking aan onze kameraden mee,
maar de commandant van het fort raadde ons aan er niet meer heen te
gaan. "Waarom niet?" vroeg ik. "Is daar dan iets te vreezen?" "Zeker,"
antwoordde hij. "De zeeroovers van Algiers en Tripolis komen daar
soms, om water in te nemen en bij een van die gelegenheden hebben
ze twee van mijn soldaten overvallen en als slaven meegevoerd." Hoe
ernstig de officier ook sprak, wij dachten, dat het maar gekheid was
en den volgenden dag ging ik er, met drie anderen, weer heen. Wij
waren zonder vuurwapenen en mijn vriend Moralès was niet meegegaan;
hij hield, evenals zijn broer, er meer van om kaart te spelen.
Wij hadden een paar flesschen wijn meegenomen en koelden die eerst
in het heerlijke water af. Daarna dronken wij en ik speelde wat op
mijn guitaar. Terwijl wij ons zoo aangenaam bezig hielden, zagen
wij plotseling, op de rotsen, verscheidene mannen komen, die lange
baarden en snorren hadden, een tulband droegen en op Turksche wijze
gekleed waren. Wij dachten eerst, dat het onze mannen waren, die een
aardigheid wilden hebben en ons bang maken, maar spoedig werden wij
ontgoocheld. "Geeft u over, honden," riep een van hen, "of ge zult
allen sterven!" Men dreigde ons met karabijnen en zou ons bij den
geringsten weerstand hebben neergeschoten, Wij verkozen de slavernij
boven den dood, gaven gewillig onze degens over en werden geketend
naar een schip gevoerd, dat daar dichtbij lag en met volle zeilen
koers zette naar Algiers,
Zóó werden wij er dus voor gestraft, dat we geen gehoor hadden gegeven
aan de waarschuwing van den officier. Het eerste wat de aanvoerder
van de zeeroovers deed, was ons te fouilleeren en ons alles te
ontnemen, wat wij aan geldswaarde bij ons hadden. Een goede vangst
voor hem! De twee honderd pistolen van de jongelieden uit Plasencia,
de honderd, die Moralès had ontvangen van Jérôme de Moadas en welke
ik ongelukkigerwijze ook bij mij droeg, alles werd zonder genade buit
gemaakt. Om ons te plagen, dronken de zeeroovers de flesschen wijn,
welke wij hadden meegenomen, op onze gezondheid uit.
Mijn metgezellen, die zich hadden voorgesteld op Majorca een aangenaam
leven te gaan leiden, waren zeer gedrukt. Ik voor mij besloot mijn lot
gelaten te dragen, kreeg spoedig mijn opgewektheid terug en dat beviel
den aanvoerder. Hij zei: "Jongeman, je manier van doen bevalt mij,
't is beter zich te schikken, dan om te zuchten. Ge draagt een guitaar,
speel daar eens een stukje op." Mijn armen werden losgemaakt en daar ik
goed thuis was op mijn instrument en ook een goede stem had, voldeed
het zeer, wat ik ten gehoore bracht. Het bleek mij, dat de Turken, op
het gebied van muziek althans, smaak hadden. De hoofdman fluisterde
mij in het oor, dat ik het als slaaf niet slecht zou hebben en dat,
met mijn talenten, mijn gevangenschap zeer goed te dragen zou zijn.
Die woorden deden mij wel eenig genoegen, maar zeer rooskleurig zag
ik mijn toekomst toch niet in. Toen wij de haven van Algiers naderden,
zagen wij een groot aantal menschen en wij waren nog niet ontscheept,
of ze begonnen luide vreugdekreten te uiten. Daarbij voegden zich
trompetten, Moorsche fluiten en andere in dat land gebruikelijke
instrumenten. Het geheel was een symphonie, die meer luidruchtig dan
welluidend was. De oorzaak van die vreugde was een valsch gerucht, dat
men in de stad verspreid had. Men had namelijk verteld, dat Méhémet
(zoo heette onze zeeroover) omgekomen was bij den aanval van een
schip uit Genua en nu bereidden hem zijn bloedverwanten en vrienden
zulk een feestelijke ontvangst.
Nauwelijks hadden wij voet aan wal gezet, of men geleidde mijn
kameraden en mij naar het paleis van den pacha Soliman, waar een
Christen-schrijver ons elk afzonderlijk ondervroeg naar onzen naam,
ons vaderland, onzen godsdienst en onze bekwaamheden. Toen Méhémet mij
aan den pacha toonde, prees hij mijn stem en zei hij, dat ik daarbij
verrukkelijk op de guitaar speelde. Soliman besloot mij voor zijn
dienst in den harem te bestemmen; de anderen werden naar de markt
gebracht, om daar volgens gewoonte, aan den meestbiedende te worden
verkocht. Wat Méhémet mij op het schip voorspeld had, werd bewaarheid,
ik had een gelukkig lot. Soliman bracht mij samen met vijf of zes
slaven van goede afkomst, die weder ingekocht zouden worden en aan
wien men geen zwaar werk gaf, het verzorgen van de oranjeboomen en
het begieten van de bloemen.
De Pacha was een flink gebouwd man van veertig jaar en voor een
Turk zeer beleefd. Voor favorite had hij een vrouw uit Cachemir,
die, door haar geest en schoonheid een bijna onbeperkte macht over
hem had. Hij beminde haar tot verafgoding toe. Iederen dag bijna gaf
hij voor haar een feest, nu eens een concert, dan weer een comedie,
op Turksche wijs, d.w.z, drama's in verzen, waarin de kuischheid en de
zedigheid niet meer geëerbiedigd worden dan de regels van Aristoteles.
De favorite heette Farrukhnar [6]. Ze was een hartstochtelijk
liefhebster van het tooneel en voerde dikwijls met hare vrouwen
Arabische stukken voor den pacha op. Zij bekoorde dan steeds
de toeschouwers door haar gratie en de levendigheid van haar
voordracht. Op een dag, dat ik, tijdens een voorstelling, onder de
muzikanten zat, beval Soliman mij op mijn guitaar te spelen en in
een entr'acte alleen te zingen. Ik had het geluk Soliman te behagen;
hij applaudiseerde, niet alleen door in de handen te klappen, maar
ook met luide stem en het scheen mij, dat de favorite mij met een
welwillend oog aanzag.
Den volgenden morgen, toen ik in de tuinen de bloemen begoot, ging er
een eunuch voorbij, die, zonder iets te zeggen, een brief voor mijn
voeten liet vallen. Ik raapte hem op, met een mengeling van genoegen
en vrees. Om niet gezien te kunnen worden door de vensters van het
serail, verschuilde ik mij achter een broeikast en opende daar den
brief. Ik vond er een diamant in van groote waarde en de volgende
woorden in goed Spaansch:
"Jonge Christen! Dank den hemel voor uw gevangenschap. De
liefde en de fortuin zullen die gelukkig voor u maken: de
liefde, wanneer gij gevoelig zijt voor de bekoorlijkheden
van een schoone vrouw en de fortuin, indien gij den moed hebt
alle gevaren te trotseeren."
Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of de brief kwam van de favorite;
de stijl en de diamant zeiden mij dat. Behalve, dat ik van natuur
niet beschroomd ben, deden de ijdelheid, om op een goeden voet te
zijn met de maitresse van een grooten heer en meer nog de hoop,
om van haar meer dan vier keer het bedrag van mijn losprijs te
krijgen, mij besluiten dit avontuur te wagen, welke gevaren er ook
aan verbonden zouden zijn. Ik ging voort met mijn werk, de middelen
bepeinzend, waardoor ik in de vertrekken van Farrukhnar zou kunnen
doordringen, of liever gezegd in afwachting, dat ze mij daartoe den
weg zou openen, want ik begreep wel, dat ze het niet bij dien brief
zou laten en dat zij meer dan de helft van de moeite zou doen. Ik
werd niet bedrogen. Dezelfde eunuch kwam, na een uur, terug en zei:
"Christen, ge hebt tijd gehad om na te denken; hebt gij den moed
mij te volgen?" Ik antwoordde van ja. "Welnu!" hernam hij, "de Hemel
behoede u! Morgenochtend zult ge mij zien. Houd u dan gereed om u te
laten leiden." Met die woorden vertrok hij. Den volgenden dag zag ik
hem 's morgens om acht uur. Hij gaf mij een wenk om bij hem te komen
en leidde mij in een zaal, waar hij met een anderen eunuch een rol
linnen van groote afmeting bracht, bestemd als decoratie voor een
Arabisch stuk, dat de sultane voor den pacha instudeerde.
De twee eunuchen, die zagen, dat ik bereid was om alles te doen,
wat men wilde, verloren geen tijd; ze rolden mij in het linnen, op
gevaar af van mij te laten stikken, vatten het ieder aan een eind en
namen mij op. Toen zij het weer afrolden, was ik in de slaapkamer van
de favorite, die in lachen uitbarstte, toen ze mij te voorschijn zag
komen. Hoe stoutmoedig ik ook van natuur was, toch was ik niet geheel
zonder vrees, toen ik mij daar zoo opeens gebracht zag in het geheime
vertrek van de vrouwen. De schoone dame scheen dat te merken en zei:
"Jongeman, ge hebt niets te vreezen. Soliman is naar zijn landgoed,
hij zal daar den geheelen dag blijven en dus kunnen wij ons vrij met
elkaar onderhouden."
Die woorden stelden mij gerust en ik was dadelijk weer geheel op mijn
gemak. "Ik voelde mij dadelijk tot u aangetrokken," vervolgde zij,
"en ik zal de hardheid van uw slavernij verzachten. Ik geloof, dat gij
de gevoelens, welke ik voor u opgevat heb, waardig zijt. Hoewel ge de
kleederen van een slaaf draagt, hebt ge een edel en galant uiterlijk,
dat mij zegt, dat ge geen persoon uit het gewone volk zijt. Spreek
openhartig met mij en zeg me wie ge zijt. Er zijn wel gevangenen,
die hun hooge afkomst verbergen, omdat ze denken dan goedkooper weder
vrijgekocht te kunnen worden, maar bij mij behoeft ge niets voor te
wenden; die voorzorg zou ik zelfs als een beleediging beschouwen, want
ik beloof u de vrijheid." Ik zei, dat ze goed gezien had en dat ik de
zoon was van een grande van Spanje. Misschien sprak ik de waarheid
wel; zij althans geloofde het, drukte er hare vreugde over uit,
dat haar oogen haar niet hadden bedrogen en gaf mij de verzekering,
dat wij dikwijls zouden samen zijn. Zelden heb ik een aardiger vrouw
ontmoet. Ze sprak verschillende talen en het Spaansch zeer goed. Toen
ze meende, dat het tijd was om te scheiden, kroop ik op haar bevel
in een groote teenen mand, ze bedekte mij met stukken zijde, die ze
zelf bewerkt had en riep de twee slaven weer, die mij wegbrachten,
als een cadeau, dat de favorite aan den pacha zendt en dat heilig is
voor ieder.
Wij vonden nog andere gelegenheden om elkaar te spreken en spoedig
boezemde deze bekoorlijke vrouw mij een even groote liefde in, als zij
voor mij had. Onze verstandhouding bleef zes maanden geheim, hoewel
het zeer moeilijk is, om, in een harem, zooiets lang verborgen te
houden. Op een goeden dag keerde de fortuin ons den rug toe. Ik was
binnengesmokkeld in een draak, die in een comediestuk moest worden
gebruikt, toen Soliman, die, naar ik meende uit de stad was, zoo
plotseling naar haar kamer kwam, dat de oude vertrouwde slavin, die
altijd op wacht stond, nauwelijks tijd vond om ons te waarschuwen. Ik
had nog minder den tijd om mij te verbergen.
Het eerste wat de pacha zag, was ik; hij scheen zeer verwonderd en
zijn oogen flikkerden van toorn. Ik beschouwde mijzelf als iemand
wiens laatste oogenblik is aangebroken. Wat Farrukhnar betreft, ook
zij was zeer verschrikt, maar inplaats van haar schuld te bekennen en
vergiffenis te vragen, zei ze: "Heer, verwaardig u mij aan te hooren,
voor ge uw vonnis uitspreekt. De schijn is tegen mij: ik beken, dat ik
dien jongen gevangene bij mij heb laten brengen, op de wijze alsof ik
een geliefde ontving en toch ben ik u in geen enkel opzicht ontrouw
geworden, de groote profeet is mijn getuige. Ik heb getracht dezen
christen-slaaf afvallig te maken en hem over te halen de geloovigen te
volgen. Zooals ik wel verwachtte, heb ik tegenstand bij hem gevonden,
maar ik heb dien overwonnen en hij heeft zich bereid verklaard onzen
godsdienst te omhelzen en Mahomedaan te willen worden."
Ik voelde wel, dat ik eigenlijk verplicht was om dit tegen te spreken,
maar, bevende voor het lot van de vrouw, die mij beminde en voor
dat van mijzelf, zweeg ik en de pacha leidde daaruit af, dat zij de
waarheid had gesproken. "Ik wil gelooven," zei hij, "dat ge mij niet
bedrogen hebt en dat de lust om een werk te doen, dat welgevallig
is in de oogen van den profeet, u tot deze onvoorzichtigheid heeft
geleid. Ik vergeef u die, mits deze jonge gevangene dadelijk den
tulband aanneemt." Er werd een Mohammedaansch priester geroepen en men
kleedde mij als een Turk. Ik liet alles toe, zonder mij te verzetten.
Na deze ceremonie verliet ik het serail, om onder den naam Sidy Hally
een betrekking te gaan vervullen, die Soliman mij had gegeven. Ik
zag de favorite niet weer, maar een van haar eunuchen kwam mij op
zekeren dag bezoeken. Hij gaf mij edelsteenen ter waarde van een paar
duizend gouden dukaten en een brief, waarin de sultane mij bedankte
voor mijn edelmoedigheid. Door Mohammedaan te worden, had ik haar
het leven gered. Door haar invloed kreeg ik ook spoedig een betere
betrekking en in minder dan zes jaar was ik een der rijkste mannen
van de stad Algiers.
Ge kunt u wel voorstellen welke grimassen ik trok, als ik deelnam aan
de gebeden van de Muzelmannen in hunne moskeeën en aan de andere
ceremoniën, welke hun godsdienst voorschrijft. Gaarne wilde ik
weer tot onze oude kerk terugkeeren en daarom stelde ik mij voor,
met de rijkdommen, welke ik verzameld had, naar Spanje of Italië te
gaan. In afwachting daarvan, maakte ik mij het leven zoo aangenaam
mogelijk. Ik woonde in een mooi huis, had prachtige tuinen, een
groot aantal slaven en in mijn harem had ik zeer mooie vrouwen. Wat
het gebruik van wijn betreft, dit is aan Mohammedanen verboden,
maar de meesten drinken dien in het geheim. Ik dronk zooveel als
ik lustte, zooals alle afvalligen doen. Met twee bekenden zat ik
dikwijls 's avonds en 's nachts aan tafel. De een was een jood en de
andere een Arabier. Ik was zeer familiaar met hen, daar ik meende,
dat het eerlijke menschen waren. Op een avond noodigde ik hen uit,
om bij mij te soupeeren. Er was dien dag een hond van mij gestorven,
waaraan ik zeer gehecht was. Wij wieschten het lichaam en bestelden het
ter aarde met alle ceremoniën, die bij de begrafenis van een geloovig
Mohammedaan worden in acht genomen. Het gebeurde niet zoozeer om met
den godsdienst te spotten, dan wel om ons, in een roes, te vermaken.
Maar die grap kwam mij duur te staan, zooals gij zult hooren. Den
volgenden dag kwam er een man bij mij, die me zei: "Mijnheer Sidy
Hally, een gewichtige zaak voert mij tot u. Mijnheer de kadi wenscht
u te spreken, wees zoo goed dadelijk bij hem te komen." "Zeg mij als
't u belieft wat hij van mij wil?" vroeg ik. "Dat zal hij u zelf wel
zeggen," kreeg ik ten antwoord. "Het eenige dat ik u zeggen kan is,
dat een Arabische koopman, die gisterenavond bij u gesoupeerd heeft,
hem eenige mededeelingen heeft gedaan omtrent de begrafenis van een
hond. Gij moet daarom vandaag bij hem verschijnen anders zult ge
gerechtelijk vervolgd worden," Toen hij weg was, dacht ik over die
sommatie na. Waarom zou die Arabier mij dat geleverd hebben? Hij had in
het geheel geen redenen, om zich over mij te beklagen. Den kadi kende
ik als een man, streng voor het oog, maar in werkelijkheid niet zeer
nauwgezet en voor alles een vrek. Ik deed tweehonderd goudstukken in
een beurs en ging den rechter opzoeken. Hij liet mij in zijn kabinet
komen en zei met een barsch gezicht: "Gij zijt een goddelooze, een
heiligschenner, een verschrikkelijke man! Gij hebt een hond begraven
als een Muzelman! Welk een profane handelwijze! Respecteert gij dan
onze heiligste ceremoniën niet? En zijt ge alleen Mahomedaan geworden
om onze godsdienstige gebruiken te bespotten?" "Mijnheer de kadi",
antwoordde ik, "de Arabier, die u mededeeling gedaan heeft van het
gebeurde, die valsche vriend, is medeplichtig aan mijn misdaad,
indien het er althans een is, om eer te bewijzen aan de stoffelijke
overblijfselen van een trouw dier, dat duizende goede hoedanigheden
bezat, dat veel hield van verdienstelijke mannen en zelfs stervende
hun nog bewijzen van zijn vriendschap heeft willen geven. Het heeft
een testament gemaakt, waarvan ik exécuteur ben. Aan den een zijn
twintig kronen vermaakt, den ander dertig en ook u, mijnheer de kadi
heeft hij niet vergeten, hier zijn tweehonderd goudstukken, die hij
mij opgedragen heeft u ter hand te stellen. Dit zeggende, haalde ik
mijn beurs te voorschijn. De kadi had onder het gesprek zijn streng
uiterlijk verloren; hij kon niet nalaten om te lachen en, daar wij
alleen waren, stak hij de beurs in zijn zak. "U kunt gaan, mijnheer
Sidy Hally," zei hij "en gij hebt goed gedaan door de laatste eer te
bewijzen aan een dier, dat eerlijke menschen zoo wist te respecteeren."
Zoo liep de zaak af en als ze mij niet wijzer maakte, ik werd er
althans minder goed van vertrouwen door. Ik noodigde den Arabier niet
meer bij mij uit en den jood ook niet. 's Avonds dronk ik nu dikwijls
met een jongeman uit Livorno, die Azarini heette en mijn slaaf was. Ik
was over het algemeen zeer goed voor mijn slaven en deed niet als
andere afvalligen, die hun christenslaven slechter behandelden dan
de Turken zelf, zoodat velen niet eens naar de vrijheid verlangden,
hoe aantrekkelijk die ook is voor menschen in slavernij.
Op zekeren dag keerden de schepen van den pacha terug met een goede
vangst. Meer dan honderd slaven brachten ze mee van beide geslachten,
opgelicht aan de kusten van Spanje, Soliman hield er maar een klein
gedeelte van, de overigen werden verkocht. Ik ging naar de markt
en kocht een Spaansch meisje van tien of twaalf jaar. Ze weende
onophoudelijk en was wanhopig. Ik zei haar in het Spaansch, dat
ze gerust moest zijn want dat ze een humanen meester zou krijgen,
hoewel hij een tulband droeg. Het kleine meisje was zoo vervuld
met haar verdriet, dat ze mij niet hoorde. Ze deed niets als
zuchten, klagen over haar lot en nu en dan riep zij aandoenlijk:
"O, moeder! waarom wil men ons scheiden!" en keek daarbij naar een
vrouw van vijf en veertig of vijftig jaar, die in stilte wachtte tot
zij verkocht zou worden. "Is dat uw moeder?" vroeg ik. Ze knikte en
ik zei: "Welnu, ge kunt bij elkaar blijven," Ik naderde de vrouw,
om over haar te onderhandelen. Ik had haar gezicht nog niet gezien,
of ik herkende, tot mijn groote aandoening, de trekken van Lucinde,
"Gerechte hemel," zei ik bij mijzelf, "dat is mijn moeder, ik kan er
niet aan twijfelen!" Zij herkende mij niet. Na haar gekocht te hebben,
bracht ik haar met haar dochter naar mijn huis, waar ik het genoegen
hebben wilde haar te zeggen, wie ik was.
"Mevrouw," zei ik tegen Lucinde, "hoe is het mogelijk, dat mijn
gezicht u niet treft. Ben ik door mijn tulband en mijn knevel zoo
veranderd, dat ge uw zoon Raphaël niet herkent?" Mijn moeder beefde
bij die woorden, keek mij goed aan en wij omhelsden elkaar teeder. Ik
omhelsde ook het meisje, dat wel even weinig geweten zal hebben,
dat ze een broer had, als ik wist, dat ik een zuster bezat. "Beken
maar," zei ik tegen mijn moeder, "dat ge in al uw comedie-stukken
nooit een herkennings-scène hebt meegemaakt, die zoo treffend was als
deze." "Mijn zoon," antwoordde zij zuchtend, "ik ben zeer blij u weer
te vinden, maar er mengt zich smart in mijn vreugde. Helaas, hoe moet
ik u weerzien! Mijn slavernij doet mij duizendmaal minder verdriet
dan deze verfoeilijke kleeding...." "Wel mevrouw," viel ik haar in
de rede, "ik bewonder uw fijngevoeligheid; ik mag die wel zien in een
actrice. Maar ge zijt wel veranderd, dat mijn gedaanteverwisseling u
zoo treft; inplaats van zoo vertoornd te zijn op mijn tulband, moet ge
mij maar beschouwen als een acteur, die een rol vervult in een Turksch
stuk. Ik ben even weinig Muzelman als ik het in Spanje zou zijn en
hecht nog altijd aan mijn godsdienst; als ge alle avonturen weet,
die mij in dit land overkomen zijn, zult ge mij verontschuldigen. De
liefde is oorzaak van mijn misdaad; ik heb aan dien god geofferd en
lijk in dat opzicht een weinig op u. Maar het zal u misschien genoegen
doen te vernemen, dat wij hier rijk en in overvloed kunnen leven,
tot zich de gelegenheid zal aanbieden, om veilig naar Spanje terug
te keeren. Herinner u het spreekwoord: "er is altijd een geluk bij
een ongeluk". "Mijn zoon," zei Lucinde, "daar ge van plan zijt naar
uw vaderland terug te keeren en het mohamedanisme af te zweren, ben
ik heelemaal getroost. Dank zij den Hemel, zal ik uw zuster Beatrix
veilig en wel naar Spanje kunnen terug brengen." "Ja mevrouw," riep ik
uit, "dat kunt ge. Wij zullen alle drie terugkeeren naar onze overige
familie, want ge zult in Spanje zeker nog wel andere bewijzen van uw
vruchtbaarheid hebben?" "Neen," zei mijn moeder, "ik heb maar twee
kinderen en Beatrix is uit een wettig huwelijk geboren." "En waarom,"
vroeg ik, "hebt ge mijn kleine zuster dat voordeel geschonken boven
mij? Hoe hebt ge er toe kunnen besluiten om te trouwen? Ik heb u in
mijn jeugd wel honderd maal hooren zeggen, dat ge het van een mooie
vrouw onvergeeflijk vond om te huwen." "Andere tijden, andere zorgen,
mijn zoon, de sterkste man verandert wel eens en zou dan een vrouw het
niet doen? Ik zal u," vervolgde zij, "mijn geschiedenis vertellen van
uw vertrek uit Madrid af." Daarna deed ze mij het volgende verhaal,
dat ik nooit zal vergeten en dat ik u niet wil onthouden.
"Het is nu," zoo begon zij, "ongeveer dertien jaar geleden, dat
ge den jongen Léganez verliet. Omstreeks dien tijd zei de hertog de
Medina Céli mij, dat hij een avond alleen met mij wilde soupeeren. Hij
bepaalde den dag, hij kwam en ik beviel hem. Hij verzocht mij, om mij
niet meer in te laten met andere heeren, indien ik dat soms deed. Ik
beloofde het hem, in de hoop, dat hij het goed met mij zou maken. Daar
ontbrak het niet aan, den volgenden dag reeds ontving ik prachtige
cadeaux, die door vele andere werden gevolgd. Hoewel ik vreesde,
dat ik hem niet lang zou kunnen boeien, daar hij met andere schoone
vrouwen altijd spoedig had gebroken, scheen hij steeds nieuw genoegen
in mijn gezelschap te vinden.
Het was reeds drie maanden, dat hij mij beminde en ik had alle hoop,
dat zijn liefde nog wel van langeren duur zou zijn, toen ik op zekeren
dag een uitnoodiging ontving van een vriendin, om mee te gaan naar
een concert, waar de hertog en zijn vrouw ook waren. Toevallig kwamen
wij dicht bij hen te zitten. De hertogin liet mij door een dame uit
haar gevolg verzoeken, mij onmiddellijk te verwijderen. Ik gaf een
brutaal antwoord terug en de hertogin beklaagde zich bij haar man, die
zelf bij me kwam en zei: "Ga weg Lucinde; wanneer groote heeren zich
hechten aan wezentjes zooals gij, dan moeten zij toch niet vergeten,
dat, al beminnen wij haar meer dan onze vrouwen, wij de laatsten
toch meer eeren en ge stelt u aan een onaangename behandeling bloot,
indien ge het waagt u met haar op één lijn te stellen."
Gelukkig sprak de hertog zoo zacht, dat hij door anderen niet gehoord
werd. Beschaamd verliet ik de zaal en ik weende van spijt over deze
beleediging. Tot overmaat van smart wisten denzelfden avond al de
acteurs en actrices bij ons reeds, wat er was gebeurd. Men zou zeggen,
dat er onder die lieden altijd een demon is, die er behagen in schept
het ongeluk van anderen ruchtbaar te maken. Den hertog de Médina-Céli
zag ik niet weer en ik hoorde eenige dagen later, dat een zangeres
hem veroverd had.
Wanneer een dame van het tooneel het geluk heeft in den smaak te
vallen, ontbreekt het haar nooit aan minnaars en de liefde van een
groot heer, al duurt die ook maar drie dagen, geeft haar nieuwe
waarde. Dus zag ik mij omringd door aanbidders, zoodra het in Madrid
bekend werd, dat de hertog mij niet meer bezocht. Onder hen was er een,
die mij met volharding het hof maakte. Hij zag er niet zeer beminnelijk
uit, het was een dikke Duitscher, die tot het gevolg van den hertog
d'Ossune behoorde; maar hij had in den dienst van zijn meester duizend
pistolen weten bijeen te brengen en besteedde die om mij attenties te
bewijzen. Hij heette Brutendorf. Zoolang hij veel geld voor mij uitgaf,
ontving ik hem vriendelijk, toen het op was, bleef mijn deur voor
hem gesloten. Dat verbitterde hem zeer, hij kwam in den schouwburg,
terwijl de voorstelling aan den gang was en kwam bij mij, achter
de coulissen, waar hij mij heftige verwijten deed; ik lachte hem in
zijn gezicht uit en hij gaf mij een slag in het gezicht. Ik uitte een
kreet, welke stoornis veroorzaakte op het tooneel en wilde mij bij
den hertog, die met zijn vrouw in den schouwburg was, beklagen over
deze Germaansche manieren van dien heer uit zijn gevolg. De hertog
gelastte, dat de voorstelling zou worden vervolgd en dat hij daarna
de partijen zou hooren. Later kwam ik dus bij hem, om op levendige
wijze mededeeling te doen van den ondervonden smaad. Wat den Duitscher
betreft, hij had slechts enkele woorden te zeggen, niet van berouw,
maar om te verklaren, dat hij lust had om weer te beginnen. De
hertog zei daarop tegen den Duitscher: "Brutendorf, ik ontsla u,
niet omdat ge een actrice een slag in het gezicht hebt gegeven, maar
omdat ge weinig eerbied betoond hebt voor uw meester, door in zijn
tegenwoordigheid en die van de hertogin de voorstelling te verstoren."
Die uitspraak verbitterde mij zeer. De Duitscher werd dus niet
weggejaagd, omdat hij mij beleedigd had. Ik had mij verbeeld, dat
een dergelijke beleediging van een actrice even streng gestraft zou
worden als majesteitsschennis. Daardoor ervaarde ik, dat de groote
wereld de acteurs niet verward met de rollen, welke zij op het tooneel
vervullen. Ik kreeg een afkeer van het theater en besloot Madrid te
verlaten. Als woonplaats koos ik Valencia en ik ging er incognito
heen, met een waarde van twintig duizend ducaten, welke ik bezat
aan geld en edelgesteente. Ik meende, dat die som voldoende was om
de rest van mijn dagen een ingetogen leven te leiden. Te Valencia
huurde ik een klein huis en nam voor mijn bediening een vrouw en
een page, die mij niet kenden. Ik gaf mij uit voor de weduwe van een
officier, had weinig conversatie en leidde een zoo geregeld leven,
dat niemand in mij een gewezen actrice vermoedde. Maar hoe stil ik
ook leefde, ik trok de aandacht van een edelman, die een kasteel had,
dicht bij Paterna. Hij was een knappe man van omstreeks veertig jaar,
maar had veel schulden, wat even dikwijls in Valencia als in andere
plaatsen voorkomt. Daar ik hem beviel en hij vernomen had, dat ik
vermogend was, verklaarde hij zich, bekoord door mijn schoonheid en
deugd, bereid mij voor het altaar te geleiden. Ik vroeg drie dagen
bedenktijd. Daar ik veel goeds van hem hoorde, besloot ik, hoewel de
staat van zijn vermogen mij niet onbekend was, hem mijn hand te reiken.
Don Manuel de Xerica, zoo heette mijn echtgenoot, bracht mij op
zijn kasteel, dat zeer antiek was en waarop hij niet weinig trotsch
was. Hij beweerde, dat een van zijn voorvaderen het had laten bouwen
en leidde daaruit af, dat er geen ouder huis in Spanje was. Hoeveel
reden hij ook had om trotsch te zijn op zijn bezitting, deze geleek
op sommige plaatsen wel op een ruïne. De helft van mijn geld werd
gebruikt om het gebouw te herstellen en de andere helft diende ons
om een schitterenden staat te voeren. Zoo werd ik dus een dame van
een kasteel. Welk een verandering! Maar ik was een te goede actrice
om niet schitterend mijn rang en stand op te houden. Ik deed zeer
voornaam en in het dorp geloofde men, dat ik het was. Wat zouden ze een
pleizier gehad hebben als ze geweten hadden, wie ik werkelijk was! De
edellieden uit de omgeving zouden mij beleedigd en vernederd hebben
en de boerenbevolking zou veel aan eerbied voor mij hebben verloren.
Er verliepen zes jaar, waarin ik zeer gelukkig met don Manuel
leefde. Toen stierf hij, mij mijn zaken in een zeer ontredderden
toestand en uw zuster Beatrix nalatende, die toen vier jaar
was. Onze eenige bezitting was het kasteel en wij hadden verscheidene
schuldeischers, waarvan de groote Bernard Astuto [7] heette. Hij
deed zijn naam alle eer aan en daar hij procureur was, begon hij
ons dadelijk te vervolgen met al de kennis van iemand, die gewoon is
om processen te voeren. In een onderhoud, dat ik met hem over deze
zaken had, scheen ik hem te bekoren. Ik deed mijn uiterste best om
zijn neiging aan te wakkeren en al spoedig zei me deze papierkrabber:
"Mevrouw, ik ben altijd zoo door mijn vak in beslag genomen geweest,
dat ik van liefde en galanterie niets afweet, maar indien u met mij
wilt huwen, zal ik alle stukken voor het proces verbranden, en uw
andere schuldeischers tevreden stellen. Gij zult dan de inkomsten van
uw goed hebben en uw dochter den eigendom." Het belang van Beatrix
en van mij veroorloofde mij niet te twijfelen, ik nam zijn voorstel
aan. De procureur hield zijn belofte, het kasteel was ons verzekerd
en dit was misschien de eerste maal in zijn leven, dat deze man de
belangen van een weduwe en een wees had gediend.
Ik werd dus procureursvrouw, zonder echter op te houden de Vrouwe van
het dorp te zijn, maar mijn huwelijk vernederde mij in de oogen van den
adel van Valencia. De aanzienlijke dames meenden, dat ik beneden mijn
stand was getrouwd en wilden geen conversatie meer met mij hebben. In
den aanvang hinderde mij dat zeer, maar spoedig troostte ik mij en werd
opgenomen in de kringen, waarin de vrouwen van de collega's van mijn
man gewoon waren zich te bewegen. Ik maakte kennis met een griffiers-
en twee procureursvrouwen, die een goed karakter hadden. Er was in
haar manieren iets belachelijks, waarmee ik mij zeer vermaakte. Deze
vrouwtjes vonden zichzelf heel bijzonder. Helaas, dacht ik dikwijls,
als ik hen zag, zoo is de wereld. Iedereen denkt, dat hij meer
is dan zijn buurman. Ik dacht vroeger, dat alleen de actrices zoo
waren. Ik wilde, dat men deze burgerdames dwong de portretten van
hun voorouders te bewaren. Op mijn woord, ze zouden ze niet in het
volle licht ophangen.
Na vier jaren werd Bernard Astuto ziek en stierf hij, zonder kinderen
na te laten. Met het landgoed en het vermogen, dat hij mij naliet,
was ik nu een rijke weduwe. Op dat gerucht kwam een Siciliaansche
edelman, genaamd Colifichini, af. Hij was nog geen vijfentwintig jaar,
welgemaakt, hoewel klein en ik moet bekennen, dat ik na het eerste
onderhoud, dat ik met hem had, al smoorlijk verliefd op hem werd. Het
liefst zouden wij maar dadelijk getrouwd zijn; dat kon echter niet,
omdat de procureur pas dood was. Hoewel ik bijna tweemaal zoo oud was
en de arme jongen zeer slecht bij kas, trouwden we toch spoedig en wij
leefden bijna twee jaar op mijn kasteel, meer als een paar beminden,
dan als getrouwde menschen. Ons geluk duurde helaas niet lang, een
longontsteking nam mijn besten Colifichini weg."
Hier viel ik mijn moeder in de rede. "Maar stierf uw derde man
dan ook al? Het moet een gevaarlijk werk geweest zijn om met u te
trouwen!" "Wat zal ik u zeggen, mijn zoon," antwoordde ze mij. "Kan
ik de dagen verlengen, die de Hemel heeft geteld? Twee van mijn
echtgenooten heb ik oprecht betreurd, den procureur niet, daar ik hem
slechts uit eigenbelang had gehuwd. Maar, om op Colifichini terug te
komen, hij had nog een kleine bezitting bij Palermo, die ik erfde. Ik
wilde die zelf gaan bezichtigen en scheepte mij met mijn dochter in
naar Sicilië. Wij werden overvallen door de schepen van den pacha
van Algiers en zeer gelukkig voor ons, heeft men ons naar de plaats
gebracht, waar we door u werden gevonden."
Zoo luidde de geschiedenis van mijn moeder. Ik gaf haar de mooiste
kamers van mijn huis en de vrijheid om te leven, zooals ze wilde,
wat haar zeer naar den zin was. Ze had het zich echter zoo tot een
gewoonte gemaakt om te beminnen, dat ze niet buiten een minnaar of een
man kon leven. Weldra trok een Griek, die Mohamedaan was geworden,
Hally Pégelin, een bezoeker van ons huis, haar aandacht. Zij vatte
voor hem nog meer liefde op, dan ze ooit voor Colifichini had gehad
en daar ze er geroutineerd in was, om de mannen te behagen, vond ze
ook het geheim om dezen Griek te bekoren. Ik deed alsof ik van die
verstandhouding niets merkte en dacht aan niets anders, dan om naar
Spanje terug te gaan. De pacha had mij al toegestaan om een schip te
bemannen, om daarmee op zeeroof te gaan. Die zaak hield mij druk bezig
en acht dagen voor ik klaar was, zei ik tegen mijn moeder, dat wij
spoedig op reis zouden gaan en de plaats verlaten, welke zij verfoeide.
Mijn moeder verbleekte bij die woorden en zweeg. Ik was daardoor zeer
onaangenaam getroffen. "Wat zie ik?" riep ik uit. "Hoe komt het, dat
ge zulk een verschrikt gezicht zet? Het schijnt wel, dat ge bedroefd
zijt inplaats van verheugd. Verlangt ge er dan niet naar, om weer
naar Spanje terug te keeren?" "Neen, mijn zoon," antwoorde ze mij,
"ik heb daar te veel verdriet gehad." "Wat een verandering!" riep
ik uit. "Toen u hier in de stad kwam, was alles verfoeielijk, maar
Hally Pégelin heeft uw stemming veranderd." "Ik ontken niet," zei
ze, "dat ik hem bemin en tot mijn vierden man wil maken." "Wat een
plan!" riep ik met schrik, "u, een Muzelman trouwen! Vergeet ge dan,
dat ge een christin zijt, of liever, zijt ge dat tot nu toe alleen
maar in naam geweest?"
Wat ik ook deed, om haar van haar voornemen af te brengen, het was
nutteloos; haar besluit stond vast. Ze bepaalde zich daartoe niet,
ze wilde ook Béatrix meenemen. Ik verzette mij daartegen. "Maar
ongelukkige, als niets u zelf van een onzinnige daad kan terughouden,
sleep dan toch in geen geval een jong onschuldig wezen mee!" Lucinde
ging weg en ik meende, dat een laatste straal van gezond verstand haar
brein had verlicht. Wat kende ik mijn moeder slecht! Een paar dagen
later zei een van mijn slaven mij, dat ik voorzichtig zijn moest en
dat een gevangene van Pégelin hem in vertrouwen mededeelingen had
gedaan, waarvan ik profijt kon trekken.
"Uw moeder is veranderd van godsdienst en, om zich op u te wreken,
dat ge Béatrix niet hebt willen afstaan, heeft zij het plan gevormd,
om den pacha van uw voorgenomen vlucht in kennis te stellen." Ik
twijfelde er geen oogenblik aan, of Lucinde was er de vrouw naar,
om te doen, wat de slaaf zei. Ik had tijd genoeg gehad om haar te
leeren kennen en ik had gezien, dat zij, door het spelen in bloedige
drama's, vertrouwd geraakt was met de misdaad. Zij had mij heel goed
levend kunnen laten verbranden en ik geloof niet, dat mijn dood haar
meer getroffen zou hebben dan een van de gebeurtenissen op het tooneel.
Ik wilde den raad, dien men mij gegeven had, niet in den wind slaan,
dus verhaastte ik mijn inscheping, mijn zuster Béatrix nam ik mee
en behalve van mijn eigen slaven, slechts zooveel Turken als noodig
was, om geen argwaan te wekken. Aan geld en edelsteenen had ik een
waarde bij mij van zesduizend ducaten. Toen wij in volle zee waren,
begonnen wij met ons van de Turken te verzekeren. Wij ketenden hen
gemakkelijk, omdat mijn slaven sterker in aantal waren. Wij hadden
een zeer gunstigen wind, bereikten spoedig de Italiaansche kust en
ontscheepten ons in de haven van Livorno, waar een groot deel van de
inwoners van de stad uitliep, om ons te zien landen. De vader van mijn
slaaf Azarini bevond zich daaronder. Hij keek aandachtig naar al mijn
gevangenen, die één voor één den voet aan wal zetten, maar hoewel
hij de trekken van zijn zoon zocht, was hij er niet op voorbereid,
dat hij hem terug zou zien. Welk een vreugde en omhelzingen volgden op
de herkenning! Zoodra Azarini hem had verteld wie ik was en waarom ik
in Livorno kwam, drong hij er zeer op aan, dat ik met mijn zuster bij
hem zou komen logeeren. Ik verkocht mijn schip, gaf al mijn slaven
de vrijheid en de Turken werden in de gevangenis bewaard, om tegen
Christenslaven te worden uitgewisseld.
Bij de familie van Azarini ondervonden wij veel vriendschap en de
zoon huwde later zelf met mijn zuster Béatrix, die geen slechte partij
voor hem was, daar zij de dochter van een edelman was en het kasteel
van Xerica bezat.
Nadat ik eenigen tijd in Livorno had vertoefd, wilde ik Florence
zien. De oude Azarini had mij vele aanbevelingsbrieven verschaft, ook
voor vrienden, die hij aan het hof van den groothertog had. Ik voegde
ook don voor mijn naam, zooals vele Spanjaarden zonder complimenten
in het buitenland doen. Ik liet mij dus don Raphaël noemen en zocht
slechts omgang met voorname heeren. Al spoedig werd ik aan den
groothertog voorgesteld; uit gesprekken met andere hovelingen had
ik afgeleid welk een man hij was en ik regelde mij daarnaar, zoodat
ik hem beviel. Ik had o. a. opgemerkt, dat hij er veel van hield,
om naar interessante verhalen en aardige invallen te luisteren. Door
mijn ondervinding, kon ik nog al veel vertellen en 's morgens zon
ik altijd op verhalen, een mengeling van waarheid en verdichting,
waarmee ik hem dan des middags vermaakte. Ter afwisseling maakte ik
soms ook verzen, waarin ik hem bezong en ze hadden niet beter door
hem kunnen worden ontvangen, al waren ze ook nog zoo goed geweest. Hoe
het zij, de groothertog schepte zooveel behagen in mij, dat de andere
hovelingen jaloersch werden en wenschten te weten, wie ik was. Ze
slaagden daarin niet.
Op zekeren dag, toen ik weer een reisverhaal had gedaan, dat hem
zeer had geboeid, zei hij mij: "Don Raphaël, ik gevoel voor u veel
vriendschap en ik zal u daarvan een bewijs geven door u deelgenoot te
maken van mijn geheimen. Ik moet u dan bekennen, dat ik verliefd ben op
de vrouw van een mijner ministers. Dat is de beminnelijkste dame van
mijn hof, maar tegelijkertijd de deugdzaamste. Ze gaat weinig uit en
is zeer gehecht aan haar echtgenoot, die haar aanbidt. Die verovering
is dus zeer moeilijk. Ik heb gelegenheid gevonden, om met haar zonder
getuigen te spreken en zij kent mijne gevoelens. Ik vlei mij niet,
dat ik haar liefde heb ingeboezemd, ze heeft mij geen enkele reden
gegeven om die gelukkige gedachte te koesteren. Maar toch heb ik hoop,
dat ik haar op den duur voor mij zal winnen door mijn standvastigheid
en stilzwijgen.
De liefde, welke ik voor haar koester, is alleen aan haar bekend. Ik
wil in deze zaak niet als souverein handelen, dat laat ik na ter wille
van Mascarini, haar man, die mij met ijver en toewijding dient. Alles
moet dus geheim blijven en ik heb u bestemd om de tolk van mijn
gevoelens bij Lucretia te zijn. Ik twijfel er niet aan of ge zult u op
uitstekende wijze van die taak kwijten. Knoop omgang aan met Mascarini,
tracht zijn vriendschap te winnen en beproef het zoover te brengen,
dat ge in zijn huis, vrij met zijn vrouw kunt spreken. Ziedaar wat
ik van u verlang en ik ben er zeker van, dat ge het met kieschheid
en discretie zult volbrengen."
Ik beloofde den groothertog, dat ik al het mogelijke zou doen, om te
beantwoorden aan het vertrouwen, dat hij in mij gesteld had en om zijn
geluk te bevorderen. Het kostte mij niet veel moeite, om mij aangenaam
te maken bij Mascarini. Het deed hem genoegen, dat zijn vriendschap
gezocht werd door iemand, die door den vorst steeds met zekere
onderscheiding werd behandeld en dus kwam hij mij tegemoet. Zijn huis
stond voor mij open en ik kon met zijn vrouw zooveel spreken als ik
wilde. Ik moet zeggen, dat hij weinig jaloersch was voor een Italiaan;
hij vertrouwde op de deugd van Lucretia. Al spoedig begon ik met die
dame over de liefde van den groothertog te spreken. Ze scheen niet
verliefd op hem, maar haar ijdelheid werd gestreeld. Ze luisterde met
genoegen toe, zonder te antwoorden. Ze was wel verstandig, maar bleef
vrouw en kon niet ongevoelig blijven bij het denkbeeld, een souverein
aan haar voeten te zien. De vorst kon dus hopen, dat Lucretia hem
eenmaal zou toebehooren, maar een gebeurtenis, die hij het minst had
verwacht, kwam zijn hoop vernietigen, zooals ge zult vernemen.
Ik was natuurlijk stoutmoedig in den omgang met vrouwen. Die
gewoonte, het moge een goede of een slechte zijn, had ik mij eigen
gemaakt bij de Turken. Lucretia was schoon. Ik vergat, dat ik een
afgezant was en begon voor mijzelf te spreken. Inplaats van mij een
vertoornd antwoord te geven, zei ze glimlachend: "Beken, don Raphaël,
dat de groothertog een pleitbezorger van zijn zaak heeft, die zeer
trouw en ijverig is. Ge dient hem met een kracht, welke niet genoeg
geprezen kan worden." "Mevrouw," zei ik, "laten wij daar niet dieper
op ingaan, ik laat mij leiden door mijn gevoel en ik zou niet de eerste
vertrouweling van een vorst zijn, die in een liefdesaangelegenheid zijn
meester bedroog." "Dat kan wel," zei Lucretia, "maar ik ben trotsch
en geen ander dan een vorst zal mij naderen. Gedraag u dus daarnaar,"
zei ze op ernstigen toon, "laten wij van dit onderwerp afstappen. Ik
wil vergeten, wat ge hebt gezegd, op voorwaarde, dat zulke woorden
u niet weer ontvallen, want dan zou het u berouwen."
Maar die waarschuwing doofde mijn hartstocht niet voor de vrouw van
Mascarini en ik was zelfs vermetel genoeg, om mij zekere vrijheden te
willen veroorloven. Zij dreigde mij daarop, dat ze den groothertog
mededeeling zou doen van mijn onbeschaamdheid en hem zou verzoeken,
mij daarvoor te straffen, zooals ik verdiende.
Ik werd op mijn beurt kwaad. Mijn liefde veranderde in haat en ik
besloot mij te wreken. Ik zocht haar man op en na hem een eed te
hebben doen afleggen, dat hij mij niet zou verraden, deelde ik hem
mee, welke verstandhouding er tusschen den groothertog en zijn vrouw
bestond. Daarbij verzuimde ik niet, om de scène interessanter te maken,
te doen voorkomen, of zij zeer verliefd was op haar aanbidder. De
minister nam afdoende maatregelen, hij sloot zijn vrouw dadelijk op in
een geheim vertrek en liet haar door een paar zeer vertrouwde personen
bewaken. Terwijl het haar dus onmogelijk was, om berichten aan mijn
meester te doen toekomen, zei ik met een bedroefd gezicht tot den
vorst, dat hij maar niet meer aan Lucretia moest denken. Ik opperde
de veronderstelling, dat de minister alles ontdekt had, hoewel ik
mij steeds zeer behendig had gedragen, dat zijn vrouw misschien zelve
alles aan hem had medegedeeld en dat ze zich nu, in overeenstemming
met hem, had laten opsluiten, om haar deugd beter te beveiligen. De
prins was zeer terneergeslagen door mijn mededeelingen en ik gevoelde
berouw over wat er gebeurd was, maar een volgend oogenblik had ik weer
een zekere kwaadaardige vreugde, bij de gedachte aan den toestand,
waarin zich de trotsche vrouw bevond.
Een tijd ging alles goed, toen de groothertog op zekeren dag,
dat ik met vijf of zes andere hovelingen bij hem was, tot ons zei:
"Op welke wijze, mijne heeren, oordeelt ge, dat men een man straft,
die misbruik gemaakt heeft van het vertrouwen van zijn vorst en
getracht heeft hem zijn maitresse te ontrooven?" De eene hoveling
zei, dat men hem door vier paarden van elkaar moest laten scheuren,
een ander wilde hem door stokslagen dood slaan en de derde, Italiaan,
die het minst wreed was, dacht, dat men hem van een toren moest laten
springen. De groothertog zei: "En don Raphaël, wat denkt hij ervan? Ik
ben overtuigd, dat de Spanjaarden in zulke zaken niet minder streng
oordeelen dan de Italianen." Ik begreep wel, zooals ge kunt denken,
dat Mascarini zijn eed niet had gehouden, of dat zijn vrouw een middel
gevonden had, om den vorst mee te deelen, wat er was gebeurd. Hoe
angstig ik ook was, ik antwoordde op vasten toon: "Heer, de Spanjaarden
zijn edelmoediger in zulke zaken. Zij vergeven hunnen vertrouweling
en doen door die goedheid in zijn ziel een eeuwige spijt ontstaan
over het gebeurde." "Welnu," zei de vorst, "ik gevoel mij tot die
edelmoedigheid in staat; ik vergeef den verrader; mijzelf maak ik er
een verwijt van, dat ik mijn vertrouwen heb geschonken aan een man,
dien ik niet kende en dien ik had moeten wantrouwen na alles, wat ik
over hem had gehoord. Don Raphaël," voegde hij eraan toe, "dit is de
wijze, waarop ik mij op u wil wreken. Verlaat oogenblikkelijk mijn
staten en kom mij niet weer onder de oogen." Ik ging dadelijk heen,
minder bedroefd door de ongenade, waarin ik gevallen was, dan verheugd,
dat ik er zoo goedkoop afkwam.
Den volgenden dag ging ik scheep naar Barcelona, maar ik bleef daar
niet lang, daar de lust mij bekroop, om Madrid, mijn geboorteplaats,
weer te zien. Het grootste gedeelte van mijn geld had ik toen al
uitgegeven. In Madrid ging ik toevallig logeeren in een hotel, waar ook
een dame, die Camilla heette, haar intrek had. Hoewel zij meerderjarig
was, was zij een zeer pikante verschijning, zooals ook de heer Gil
Blas, die haar te Valladolid heeft gezien, zal kunnen getuigen. Zij
had nog meer geest dan schoonheid en nooit had een avonturierster
meer talent, om slachtoffers aan te trekken. Maar zij was niet een
van die coquette vrouwen, die alleen maar aan haar voordeel denken;
als zij een rijke mijnheer had afgezet, deelde zij den buit met den
eersten armen drommel, dien zij aardig vond.
Wij beminden elkaar zoodra we kennis maakten en de overeenkomst van
onze neigingen verbond ons zoo nauw, dat wij weldra in gemeenschap van
goederen leefden. Om de waarheid te zeggen, bezaten wij niet veel en
in korten tijd was dat weinige verbruikt. Wij hadden ongelukkigerwijs
alleen aan ons genoegen gedacht, zonder het minste gebruik te maken
van de gaven, welke wij hadden gekregen, om ten koste van anderen te
leven. De armoede wekte ten slotte ons genie op, dat door het vermaak
was verdoofd. "Mijn waarde Raphaël," zei Camilla, "laat ons scheiden,
onze trouw ruïneert ons. Gij kunt een rijke weduwe het hoofd op hol
brengen en ik zal trachten een rijken ouden heer te bekoren. Indien
wij voortgaan met elkaar trouw te blijven, loopen wij twee fortuinen
mis." "Schoone Camilla," antwoordde ik, "gij voorkomt mij, ik wilde
u hetzelfde voorstel doen. Laat ons trachten nuttige veroveringen te
maken. Telkens, wanneer wij elkaar ontrouw zullen zijn, zal het een
triomf voor ons wezen."
Wij gingen aan het werk. Maar het schoot niet hard op. Camilla vond
in het begin slechts fatterige heertjes, die geen cent bezaten en ik
vrouwen, die liever ontvingen dan betaalden. Daar de liefde aan onze
behoefte niet voldeed, namen wij onze toevlucht tot oplichterijen. Toen
wij gevaar liepen met het gerecht in aanraking te komen, verwijderden
wij ons in stilte en trokken naar Valladolid. Ik huurde een huis, dat
ik met Camilla bewoonde, die ik voor mijn zuster liet doorgaan. Wij
bestudeerden eerst het terrein, voor wij ons aan een onderneming
waagden.
Op zekeren dag ontmoette ik op straat iemand, die mij beleefd
groette. "Don Raphaël," zeide hij, "herkent ge mij niet?" Ik antwoordde
van neen; daarop zei hij: "ik heb u aan het hof van Toscane gezien,
waar ik toen lijfwacht was van den groothertog. Sinds eenige maanden
heb ik den dienst verlaten. Ik ben in Spanje gekomen met een Italiaan;
wij wonen nu sinds drie weken te Valladolid, samen met een Spanjaard
en een Franschman, die, ik moet het zeggen, zeer knappe jongelieden
zijn. Wij leven van het werk van onze handen en verdienen veel. Indien
ge u bij ons wilt aansluiten, zal het ons aangenaam zijn, u als
confrater te begroeten, want gij hebt op mij altijd den indruk gemaakt
van een galant man, die niet bang is en op de hoogte van ons vak."
De openhartigheid van dien schelm wekte de mijne op. "Omdat ge zoo
vrij met mij gesproken hebt," zei ik, "zal ik dat met u ook doen. In
uw vak ben ik werkelijk geen nieuweling en indien mijn bescheidenheid
mij niet verbood u eenige van mijn verrichtingen te vertellen, zoudt
ge zien, dat ge mij goed beoordeeld hebt; maar ik bepaal mij er toe,
u mee te deelen, dat ik de plaats, welke ge mij wilt geven, zeer
gaarne aanneem en dat ik u toonen zal, die niet onwaardig te zijn."
Ik ging met hem mee, om kennis te maken met zijn kameraden en daar
was het, dat ik voor de eerste maal den beroemden Ambrosius de
Lamela ontmoette. De heeren ondervroegen mij over de wijze om zich
vlug het goed van zijn naasten toe te eigenen. Ik toonde hun eenige
handigheden, welke ze nog niet kenden en bewonderden. Daarop zei
ik, dat het werk van de handen eigenlijk maar van minderen aard was
en dat ik aan dat met den geest de voorkeur gaf. Als een staaltje,
verhaalde ik het avontuur met Jéróme de Moyadas. Zij vonden mij een
genie en benoemden mij tot hun aanvoerder. Indien wij vrouwelijke hulp
noodig hadden, zouden wij ons bedienen van Camilla, die verrukkelijk
alle rollen speelde.
In dien tijd ging onze confrater Ambrosius een reisje maken naar
Frankrijk en daarvan terugkomende bezocht hij Burgos, waar een
hotelhouder, die hem kende, hem een betrekking bezorgde bij den heer
Gil Blas de Santillano. "Mijnheer," vervolgde don Raphaël, zich tot mij
wendende, "gij weet op welke wijze wij u te Valladolid van uw valies
ontlastten. Ik twijfel er niet aan, of ge hebt vermoed, dat Ambrosius
de hoofdaanlegger van dien diefstal was en daarin hebt ge u niet
vergist. Maar ge weet het vervolg niet van dit avontuur. Ambrosius
en ik stalen uw valies en, op onze muilezels gezeten, sloegen wij
den weg in naar Madrid, zonder ons te bekommeren om Camilla en onze
kameraden, die wel even verwonderd geweest zullen zijn als gij,
ons den volgenden dag niet weer te zien.
Wij veranderden den tweeden dag van plan. Inplaats van naar Madrid
te gaan, dat ik niet zonder reden had verlaten, gingen wij naar
Toledo. Onze eerste zorg in die stad was, ons netjes te kleeden. Wij
gaven ons uit voor Franschen, twee broeders, die voor hun genoegen op
reis waren. Spoedig maakten wij met vele nette menschen kennis. Ik
was zoo gewend voor een grooten mijnheer door te gaan, dat men het
dadelijk geloofde en daar men gewoonlijk de menschen zand in de oogen
strooit door veel geld uit te geven, begonnen wij feesten te geven,
ter eere van de dames, die wij ontmoetten. Daaronder was er een,
die ik nader wilde leeren kennen. Ik vond haar schooner dan Camilla
en ook was zij jonger. Ik vernam, dat zij Violante heette en dat zij
door haar man verwaarloosd werd. Ze nam weldra een groot gedeelte
van mijn gedachten in beslag.
Zij bemerkte de verovering, die zij gemaakt had. Ik wilde haar
troosten over de trouweloosheid van haar echtgenoot en zond haar ook
verschillende brieven, die ze beantwoordde met de mededeeling, dat
haar man gewoon was elken avond bij zijn maitresse te soupeeren. Het
was duidelijk, wat dat bericht te beteekenen had en ik was 's
avonds aan haar venster, waar wij een lang en teeder onderhoud
hadden. Bij het scheiden spraken wij af, dat ik de volgende avonden
zou terugkomen. Deze ontmoetingen waren mij echter niet voldoende
en ik wilde trachten op een andere plaats samen te komen. Van plan
haar dit mee te deelen, zag ik 's avonds in de straat een man, die
mij nauwkeurig opnam. Het was, zooals later bleek, de echtgenoot van
Violante, die vroeger dan gewoonlijk van zijn maitresse teruggekomen
en iemand voor zijn huis ziende, argwaan kreeg. Ik kende dien heer
niet en hij kende mij niet. Na eenig nadenken ging ik naar hem toe en
zei: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, de straat eenigen tijd
voor mij vrij te laten, ik ben gaarne tot wederdienst bereid." Hij
antwoordde mij, dat hij mij een zelfde verzoek wilde doen, hij moest
twintig huizen verder zijn, waar een meisje woonde, dat hij liefhad,
maar dat streng door haar broeder bewaakt werd. "Dan behoeven wij
elkaar niet te storen," merkte hij op, groette en ging weg.
Na eenigen tijd verscheen Violante op het balcon; ik drong er op aan,
dat zij mij ergens een rendez-vous zou toestaan. Zij scheen daarop
voorbereid geweest te zijn, want zij haalde een briefje uit haar zak
en wierp mij dit toe. Nadat wij nog eenigen tijd gesproken hadden,
ging zij weer naar binnen, want de tijd naderde, waarop haar man
gewoon was thuis te komen.
Op korten afstand van het huis ontmoette ik den vreemdeling weer,
die mij vroeg of ik tevreden was, waarop ik antwoordde, dat ik alle
reden daartoe had. Hij vertelde mij daarop, dat ik dan gelukkiger
was geweest dan hij; al dien tijd had hij tevergeefs voor het huis
van zijn schoone heen en weer geloopen.
We bleven nog eenige oogenblikken in gesprek en spraken af, dat wij
elkaar den volgenden morgen op de groote markt zouden ontmoeten.
Hij was daar op tijd en begon mij een lang verhaal te doen van zijn
liefde, waardoor hij mijn vertrouwen uitlokte en ik hem alles omtrent
Violante meedeelde; ook las ik hem het briefje voor, dat ik van haar
had gekregen. Dit luidde:
"Morgen ga ik dineeren bij dona Inès. Ge weet, waar ze woont en
in het huis van deze trouwe vriendin wil ik een samenkomst met u
hebben. Ik kan u deze gunst, die gij waardig schijnt te zijn, niet
langer weigeren."
Hij wenschte mij geluk met mijn succes. Wat er verder gebeurde weet ik
niet; maar nauwelijks was ik met Violante samen in het huis van dona
Inès, of er werd hard aan de deur geklopt. Men vermoedde, dat het don
Balthazar was en noodzaakte mij door een achterdeur te vluchten. Zeer
ontevreden over den afloop van dit avontuur, liep ik 's middags in de
stad rond, toen ik den vreemdeling weer ontmoette, die mij vroeg of
ik bij dona Inès gelukkige oogenblikken had doorgebracht; waarop ik
hem mededeelde, wat er gebeurd was. Ik verzekerde hem echter, dat ik
mij niet uit het veld zou laten slaan en dat ik 's avonds weer voor
het huis van mijn geliefde zou zijn, waarin ze mij zou binnen laten,
indien het terrein vrij was. Echter gaf ik mijn voornemen te kennen,
om twee of drie vertrouwde vrienden mee te nemen, die ons zouden
behoeden voor een overrompeling. Mijn nieuwe vriend gaf mij daarin
gelijk en bood zich zelf aan, ook zou hij nog een vertrouwden kennis
meenemen, een ware Caesar, die veel van zulke avonturen hield. Zeer
dankbaar voor die bereidwilligheid, nam ik het aanbod aan.
Daarop ging ik Lamela opzoeken, wien ik mijn wedervaren
meedeelde. Hoewel ook hij wel een weinig verwonderd was over de
groote bereidwilligheid van mijn nieuwen vriend, had hij evenmin
achterdocht dan ik. Wij liepen met open oogen in den val. Voor een
paar slimme vogels zooals wij, moet ik wel zeggen, dat dit eigenlijk
onvergeeflijk was.
Ambrosius en ik verschenen 's avonds, gewapend met goede rapieren
en troffen de twee andere heeren op eenigen afstand van Violante's
huis aan. Don Balthazar stelde mij zijn zwager voor en zei: "Dit
is de edelman, wiens dapperheid ik tegenover u geroemd heb. Ga nu
naar uwe minnares en geniet zonder zorg van uw geluk." Ik klopte en
werd binnen gelaten. Op hetgeen achter mij gebeurde lette ik niet,
ik liep door naar een zaal, waar de schoone dame mij wachtte. De twee
verraders echter waren mij gevolgd en hadden de buitendeur zoo snel
weer gesloten, dat Lamela alleen op straat bleef staan. Eenmaal in
huis zijnde, riepen ze mij toe, dat ik verloren was, want dat zij don
Balthazar en zijn zwager waren. Maar ge begrijpt wel, dat men met mij
niet zoo gemakkelijk gewonnen spel had. Ik verweerde mij zoo heftig,
dat zij misschien berouw kregen over deze wijze van wraak nemen. Ik had
het geluk den echtgenoot te doorsteken, waarop de zwager de vlucht nam,
door de buitendeur, welke was opengemaakt door Violante en de oude
dienstbode, die mij had binnengelaten en met haar was weggesneld,
zoodra zij zag, dat wij begonnen te vechten.
Met Lamela ging ik naar ons logement; wij namen mee, wat wij aan waarde
bij ons hadden, bestegen onze muilezels en gingen 's nachts nog de stad
uit. We begrepen wel, dat deze zaak gevolgen kon hebben en dat men in
Toledo nasporingen zou doen, die wij maar liever moesten ontvluchten.
Den volgenden dag waren wij in Villarubia. We bleven er om uit te
rusten en tegen den avond kwam er een koopman uit Toledo aan, die met
ons mee soupeerde en ons den tragischen dood van den echtgenoot van
Violante vertelde. Hij deelde ons mee, dat men de schoone vrouw overal
zocht en dat de rechter, die een bloedverwant van don Balthazar was,
niets onbeproefd zou laten, om de moordenaars op te sporen.
Daar wij in dit gedeelte van het land dus niet veilig waren, besloten
wij ons, langs een omweg, naar Aragon te begeven. In de bergen bij
Cuença kende Ambrosius goed den weg. Hij was er zes jaren geleden ook
geweest en had er toen een ouden kluizenaar ontmoet, die hem met veel
liefde in zijn grot had opgenomen. Nu wij toch in de nabijheid waren,
wilde hij dien ouden man gaan opzoeken. Ik bleef in de nabijheid
op het mos uitrusten. Na een korten tijd kwam Lamela mij halen;
ik volgde hem naar een grot, waar een grijsaard lag uitgestrekt,
bleek en stervende. Met zachte stem zei hij:
"Wie ge ook moogt zijn, mijn broeders, leert van hetgeen zich nu aan
uw blikken toont. Veertig jaar heb ik in de wereld geleefd en zestig
jaar in de eenzaamheid. En op dit oogenbik schijnt mij den tijd,
welken ik aan mijn genoegens heb gegeven lang en dien, welken ik aan
boetedoening besteedde, kort. Helaas! ik vrees, dat het leven van
den kluizenaar broeder Juan de zonden niet heeft schoon gewasschen
van don Juan de Solis."
Nauwelijks had hij die woorden uitgesproken, of hij gaf den geest. Wij
waren zeer getroffen door zijn dood. Zelfs op de grootste vrijgeesten
maken zulke oogenblikken indruk. Spoedig echter waren wij dit weer
vergeten en wij begonnen den inventaris op te maken, waaraan wij,
zooals ge wel zult hebben gezien, niet veel werk hadden, aan eetwaren
vonden wij alleen een paar stukken hard brood en eenige noten.
Op tafel lag een stuk papier, gevouwen als een brief, waarin de oude
man hem, die deze regels zou lezen, verzocht, na zijn overlijden, zijn
rozenkrans en sandalen naar den bisschop van Cuença te brengen. Wat
dezen ouden vader kon hebben bewogen die voorwerpen aan den geestelijke
te willen schenken, konden wij niet raden.
Nadat wij een groot gat hadden gemaakt, om den kluizenaar te begraven,
kwam Lamela op een aardigen inval. Hij stelde mij voor, dat ik mij zou
verkleeden en voor broeder Juan spelen en dat hij broeder Ambrosius
zou wezen. We waren dan zeker, dat men ons spoor niet zou vinden en
hij had kennissen in Cuença, die ons wel verder zouden helpen. Ik
juichte dat denkbeeld toe en den volgenden morgen vroeg ging Lamela
op weg, hij verkocht onze muilezels te Toralva, kwam 's avonds terug
met levensmiddelen en valsche baarden en pijen om ons te vermommen.
Na drie dagen, waarin wij niemand zagen, kwamen er twee boeren, die
brood, kaas en uien brachten. Het was halfdonker in ons verblijf en ik
bootste de stem van vader Juan na, zoodat zij mij niet herkenden. Wel
waren zij eenigszins verwonderd, nu twee personen te vinden, maar
Lamela, die dat merkte, voorkwam hen. Hij zei, dat hij een kluizenaar
was uit Aragon, maar zijn woning had verlaten, om den eerbiedwaardigen
broeder Juan, die oud werd, gezelschap te blijven houden. De boeren
prezen broeder Ambrosius om zijn hulpvaardigheid en waren er trotsch
op, dat ze nu twee heilige mannen in hun streek hadden.
Lamela, die van de natuur een vroom gezicht had gekregen en de
begaafdheid bezit om op het gemoed van christelijke zielen te werken,
ging met een grooten bedelzak naar de stad Cuença, die iets minder
dan een mijl ver lag, en deze kwam gevuld terug. "Maar ik heb nog
andere dingen gedaan," zei hij. "Ik heb een nimf ontmoet, Barbe,
die ik vroeger bemind heb. Zij is zeer veranderd, evenals wij is
zij devoot geworden en woont samen met drie andere schijnheilige
zusters, die onder elkaar een prettig leven leiden. Zij herkende
mij eerst niet en toen ik haar mijn naam noemde, drukte zij groote
verwondering er over uit, mij in zulk een kleed te zien. "Door welk
avontuur zijt gij kluizenaar geworden?" vroeg zij. Ik antwoordde,
dat het verhaal een beetje te lang was om het dadelijk te doen, maar
dat ik den volgenden dag haar nieuwsgierigheid zou bevredigen en dan
broeder Juan zou meebrengen. Ze viel mij in de rede: "Wat? Broeder
Juan, die goede kluizenaar, die dichtbij de stad woont? Hoe komt ge
daarbij? Men zegt, dat hij wel honderd jaar oud is." "'t is waar,"
antwoordde ik, "maar sedert eenige dagen is hij veel jonger geworden,
zooals ge zult zien." Barbe, die wel begreep, dat er een geheim onder
schuilde, zei, dat hij maar moest meekomen.
Den volgenden dag bezochten wij de vrome zusters, die ons met een goede
tafel ontvingen. Wij ontdeden ons van onze vermomming, bleven bijna
den geheelen nacht aan tafel, amuseerden ons uitstekend en keerden
eerst tegen den morgen naar onze grot terug. Wij herhaalden dat bezoek
dikwijls, maar er schijnt iets uitgelekt te zijn, althans de politie
komt heden ons kluizenaarsverblijf met een bezoek vereeren, om zich
van onze personen te verzekeren. Toen Lamela gisteren in Cuença was,
ontmoette hij een van de zusters en deze zei hem: "Een vriendin van
mij heeft me dezen brief geschreven, dien ik u door een bode wilde
laten brengen. Toon hem aan broeder Juan en neem uwe maatregelen
daarnaar." Het is deze brief, heeren, door Lamela mij in uw bijzijn
overhandigd, welke ons heeft doen besluiten, onze eenzame woning
te verlaten."