Daar Gil Blas zich niet kan gewennen aan de zeden der tooneelspelers,
verlaat hij den dienst van Arsenia en vindt een fatsoenlijker huis.
Een restje eer en godsdienst, dat ik nog overgehouden had te midden
van de zoo verdorven zeden, deed mij besluiten niet alleen Arsenia te
verlaten, maar zelfs alle gemeenschap met Laura af te breken, hoewel
ik niet ophield haar te beminnen, ofschoon ik wel wist, dat zij mij
duizend maal bedrogen had. Gelukkig hij, die aldus kan profiteeren
van de verstandige oogenblikken, welke het genot, waaraan hij zich
al te zeer overgeeft, komen verontrusten. Op zekeren morgen pakte
ik mijn biezen zonder af te rekenen met Arsenia, die mij trouwens
bijna niets schuldig was en zonder afscheid te nemen van Laura. De
hemel beloonde mij al dadelijk voor deze goede daad. Ik ontmoette den
intendant van wijlen mijn meester, don Mathias, en deze vroeg mij,
toen hij mij herkende, waar ik thans was. Ik vertelde hem, dat ik
Arsenia verlaten had om mijn onschuld te redden. De intendant prees
mijn onbedorvenheid, alsof hij zelf ook zoo dacht, en zeide, dat hij
mij een voordeelige betrekking wilde bezorgen, daar ik een jongmensch
was met veel eergevoel. Hij kwam zijn belofte na en van dien dag af
kwam ik bij don Vincent de Guzmann.
Ik had geen beter huis kunnen vinden. Don Vincent was een zeer rijk
man, die sedert verscheidene jaren gelukkig leefde zonder proces en
zonder vrouw. Deze laatste hadden de geneesheeren weggenomen, door
haar te willen bevrijden van een hoest, die zij nog lang had kunnen
houden, als zij hunne geneesmiddelen niet had genomen. Inplaats van
aan hertrouwen te denken, wijdde hij zich geheel aan de opvoeding van
Aurora, zijn eenige dochter, die destijds twintig jaar oud was en kon
doorgaan voor een volmaakt persoontje: aan een buitengewone schoonheid
paarde zij uitstekende vermogens. Haar vader had weinig verstand,
maar bezat het talent zijn zaken goed te beheeren. Hij had een gebrek,
dat men aan oude heeren moet vergeven; hij hield van praten en wel
voornamelijk over veldslagen en oorlogen. Wanneer men in zijn bijzijn
dit thema aanroerde, kwam hij op zijn stokpaardje en de toehoorders
konden zich gelukkig achten wanneer zij er met het relaas van twee
belegeringen en drie veldslagen afkwamen. En daar hij twee derden
van zijn leven in dienst had doorgebracht, was hij onuitputtelijk
in herinneringen van verschillende feiten, welke ik met even groote
gretigheid aanhoorde als waarmede zij verteld werden. Overigens heb
ik nog nooit een heer gezien met zulk een goed karakter, altijd het
zelfde humeur, nooit koppig of grillig, ik bewonderde zulks in een
man van stand. Er waren verscheidene bedienden en drie vrouwen van
Aurora. Ik zag weldra dat de intendant van don Mathias mij een goeden
post had bezorgd, en ik wilde er blijven. Ik begon het terrein te
verkennen, bestudeerde de gewoonten van den een zoowel als van den
ander. Ik regelde mijn gedrag daarnaar en kwam zoodoende in de gunst
van mijn meester zoowel als van de dienaren.
Ik was reeds een maand bij don Vincent, toen ik meende te bespeuren,
dat zijne dochter meer opmerkzaamheid schonk aan mij dan aan de overige
bedienden. Telkens als zij mij aanzag, meende ik in haar oogen een
soort welgevallen op te merken, dat er niet in was wanneer zij de
overigen aankeek. Indien ik niet had omgegaan met tooneelspeelsters,
zou ik nooit op het denkbeeld zijn gekomen mij te verbeelden dat Aurora
aan mij dacht, maar ik was bij deze dames, waarvan zelfs de voornaamste
niet kieskeurig zijn, een weinig verwend. Wie weet, redeneerde ik,
of mijne meesteres niet is als een van die dames van stand, die er
somtijds een bijzondere neiging op na houden. Maar, voegde ik er
een oogenblik later aan toe, ik kan het niet aannemen. Zij is niet
een van die Messalina's, die de trots van hun geboorte afschuddend,
onwaardig haar blikken neerslaan tot in het stof, en zonder blozen
zich onteeren: zij is eerder eene dier deugdzame maar teedere meisjes,
die tevreden met de grenzen, welke haar deugd aan haar teederheid
voorschrijft, er niets in zien een zedigen hartstocht zelve te voeden
en bij anderen te veroorzaken, die even aangenaam als ongevaarlijk is.
Aldus oordeelde ik over mijne meesteres, zonder precies te weten
waaraan ik mij moest houden. Evenwel als zij mij zag, liet zij niet
na mij toe te lachen en hare blijdschap te betuigen. Zoo kwam het,
dat ik dacht dat Aurora zeer tevreden was over mijne deugden en ik
beschouwde mij slechts als een dier gelukkigen voor wie de liefde
de onderhoorigheid zoo veraangenaamt. Om eenigermate het goede, dat
mijn gesternte mij wilde verschaffen, waardig te zijn, begon ik meer
zorg aan mijn persoon te besteden dan tot dusverre het geval was. Het
eerste wat ik 's morgens deed, was mij kappen en parfumeeren om niet
en négligé te zijn als ik voor mijne meesteres moest verschijnen en
zoo besteedde ik aan linnen, pommade en essences al het geld dat ik
bezat. Door deze oplettendheden en door wat ik nog meer deed om mij te
behagen, vleide ik mij, dat mijn geluk niet verre meer was. Onder de
vrouwen van Aurora was er eene, die Ortis heette. Het was eene oude
heks, die reeds langer dan 20 jaar bij don Vincent diende. Zij had
zijne dochter opgevoed en vervulde nog de betrekking, maar zonder
de lasten daarvan te dragen. Integendeel: waar zij vroeger het
doen en laten van Aurora aan den dag had gebracht, deed zij thans
alle mogelijke moeite om het te verbergen. Zij bezat het volkomen
vertrouwen van Aurora. Op zekeren avond zei juffrouw Ortis tegen mij,
toen wij alleen waren, dat indien ik verstandig en bescheiden was,
ik mij om twaalf uur in den tuin moest bevinden, waar men mij dingen
zou mededeelen, welke ik gaarne zou willen hooren. Ik antwoordde de
duenna, terwijl ik haar de hand drukte, dat ik niet zou mankeeren. Ik
twijfelde niet of ik had bij de dochter van don Vincent teedere
gevoelens opgewekt en ik voelde een vreugde, welke ik ternauwernood
kon verbergen. Wat viel mij de tijd lang tot aan het avondeten en
daarna tot het naar bed gaan van mijn meester.
Het scheen mij toe alsof alles dien avond buitengewoon lang duurde. Tot
overmaat van ramp begon don Vincent, eenmaal in zijn vertrekken,
over zijn veldslagen in Portugal, waarmede hij mij reeds dikwijls had
gekweld. Maar wat hij nog nooit gedaan en voor dezen avond bewaard
had, hij noemde mij alle officieren, die zich hadden onderscheiden;
hij vertelde mij zelfs hun heldendaden.
Het kostte mij heel wat om tot het einde te luisteren. Eindelijk hield
hij echter op en ging slapen waarna ik naar mijn kamertje ging waar
mijn bed stond en van waar men langs een wenteltrap in den tuin kon
komen. Ik wreef mijn geheele lichaam met pommade in, nam een schoon
hemd na het te hebben geparfumeerd en toen ik niets had vergeten,
waardoor ik meende mijne meesteres aangenaam te kunnen zijn, ging ik
naar het rendez-vous.
Ik vond Ortis niet. Ik dacht dat zij het wachten moede, weer naar
hare kamer was gegaan. Ik was woedend op don Vincent en terwijl ik
zijn campagnes vervloekte hoorde ik het tien uur slaan. Ik dacht,
dat de klok in de war was, en dat het zeker reeds tegen één uur
liep. Ik vergiste mij evenwel want een goed kwartier later hoorde ik
een andere klok ook tien uur slaan. Goed, zei ik in mijzelf, ik heb
nog twee uur tijd. Men zal zich tenminste niet over mijn gebrek aan
nauwgezetheid beklagen. Ik zal hier maar op en neer blijven loopen en
de rol overdenken welke ik moet spelen; deze is nieuw voor mij. Ik weet
hoe men het aanlegt met grisetten en tooneelspeelsters. Gij behandelt
haar familiair en gij stort u ongegeneerd in het avontuur; bij iemand
van stand is een ander optreden vereischt. Het is naar mijne meening
noodig, dat de minnaar beleefd, welwillend, teeder en eerbiedig is,
zonder evenwel bedeesd te zijn. In plaats van zijn geluk te willen
verhaasten door bruusk optreden, moet hij het hebben in een oogenblik
van zwakheid. Aldus redeneerde ik en ik besloot deze gedragslijn ten
opzichte van Aurora te volgen. Ik stelde mij voor binnen weinig tijd
het genoegen te smaken mij aan de voeten van deze dame te werpen en
haar duizend hartstochtelijke woorden toe te voegen. Ik herinnerde
mij alle plaatsen uit onze tooneelstukken, waarvan ik mij in ons
onderhoud zou kunnen bedienen. Ik dacht ze goed te pas te kunnen
brengen en hoopte dat ik evenals sommige tooneelspeelsters van
mijne kennis zou doorgaan voor geestig, ofschoon ik slechts een goed
geheugen had. Aldus kortte ik mij den tijd en eindelijk sloeg het
middernacht. Eenige oogenblikken daarna verscheen even stipt, maar
minder ongeduldig juffrouw Ortis. "Sinjeur Gil Blas," zei ze, "hoe
lang is u hier reeds?" "Twee uur". "Zoo werkelijk," zei zij lachend,
"u is wel op tijd, het is een genoegen u 's nachts een rendez-vous te
geven. Inderdaad," voegde zij er ernstig bij, "kunt gij het geluk,
dat ik u ga meedeelen niet te duur betalen. Mijne meesteres wil een
particulier onderhoud met u hebben en gelastte mij u bij haar te
brengen. Meer zeg ik niet, het overige is een geheim, dat gij uit
haar eigen mond zult vernemen. Volg mij, ik zal u voorgaan." Bij deze
woorden nam de duenna mij bij de hand en leidde mij door eene kleine
deur in de kamer harer meesteres.