HOOFDSTUK I

Daar Gil Blas zich niet kan gewennen aan de zeden der tooneelspelers,

verlaat hij den dienst van Arsenia en vindt een fatsoenlijker huis.

Een restje eer en godsdienst, dat ik nog overgehouden had te midden

van de zoo verdorven zeden, deed mij besluiten niet alleen Arsenia te

verlaten, maar zelfs alle gemeenschap met Laura af te breken, hoewel

ik niet ophield haar te beminnen, ofschoon ik wel wist, dat zij mij

duizend maal bedrogen had. Gelukkig hij, die aldus kan profiteeren

van de verstandige oogenblikken, welke het genot, waaraan hij zich

al te zeer overgeeft, komen verontrusten. Op zekeren morgen pakte

ik mijn biezen zonder af te rekenen met Arsenia, die mij trouwens

bijna niets schuldig was en zonder afscheid te nemen van Laura. De

hemel beloonde mij al dadelijk voor deze goede daad. Ik ontmoette den

intendant van wijlen mijn meester, don Mathias, en deze vroeg mij,

toen hij mij herkende, waar ik thans was. Ik vertelde hem, dat ik

Arsenia verlaten had om mijn onschuld te redden. De intendant prees

mijn onbedorvenheid, alsof hij zelf ook zoo dacht, en zeide, dat hij

mij een voordeelige betrekking wilde bezorgen, daar ik een jongmensch

was met veel eergevoel. Hij kwam zijn belofte na en van dien dag af

kwam ik bij don Vincent de Guzmann.

Ik had geen beter huis kunnen vinden. Don Vincent was een zeer rijk

man, die sedert verscheidene jaren gelukkig leefde zonder proces en

zonder vrouw. Deze laatste hadden de geneesheeren weggenomen, door

haar te willen bevrijden van een hoest, die zij nog lang had kunnen

houden, als zij hunne geneesmiddelen niet had genomen. Inplaats van

aan hertrouwen te denken, wijdde hij zich geheel aan de opvoeding van

Aurora, zijn eenige dochter, die destijds twintig jaar oud was en kon

doorgaan voor een volmaakt persoontje: aan een buitengewone schoonheid

paarde zij uitstekende vermogens. Haar vader had weinig verstand,

maar bezat het talent zijn zaken goed te beheeren. Hij had een gebrek,

dat men aan oude heeren moet vergeven; hij hield van praten en wel

voornamelijk over veldslagen en oorlogen. Wanneer men in zijn bijzijn

dit thema aanroerde, kwam hij op zijn stokpaardje en de toehoorders

konden zich gelukkig achten wanneer zij er met het relaas van twee

belegeringen en drie veldslagen afkwamen. En daar hij twee derden

van zijn leven in dienst had doorgebracht, was hij onuitputtelijk

in herinneringen van verschillende feiten, welke ik met even groote

gretigheid aanhoorde als waarmede zij verteld werden. Overigens heb

ik nog nooit een heer gezien met zulk een goed karakter, altijd het

zelfde humeur, nooit koppig of grillig, ik bewonderde zulks in een

man van stand. Er waren verscheidene bedienden en drie vrouwen van

Aurora. Ik zag weldra dat de intendant van don Mathias mij een goeden

post had bezorgd, en ik wilde er blijven. Ik begon het terrein te

verkennen, bestudeerde de gewoonten van den een zoowel als van den

ander. Ik regelde mijn gedrag daarnaar en kwam zoodoende in de gunst

van mijn meester zoowel als van de dienaren.

Ik was reeds een maand bij don Vincent, toen ik meende te bespeuren,

dat zijne dochter meer opmerkzaamheid schonk aan mij dan aan de overige

bedienden. Telkens als zij mij aanzag, meende ik in haar oogen een

soort welgevallen op te merken, dat er niet in was wanneer zij de

overigen aankeek. Indien ik niet had omgegaan met tooneelspeelsters,

zou ik nooit op het denkbeeld zijn gekomen mij te verbeelden dat Aurora

aan mij dacht, maar ik was bij deze dames, waarvan zelfs de voornaamste

niet kieskeurig zijn, een weinig verwend. Wie weet, redeneerde ik,

of mijne meesteres niet is als een van die dames van stand, die er

somtijds een bijzondere neiging op na houden. Maar, voegde ik er

een oogenblik later aan toe, ik kan het niet aannemen. Zij is niet

een van die Messalina's, die de trots van hun geboorte afschuddend,

onwaardig haar blikken neerslaan tot in het stof, en zonder blozen

zich onteeren: zij is eerder eene dier deugdzame maar teedere meisjes,

die tevreden met de grenzen, welke haar deugd aan haar teederheid

voorschrijft, er niets in zien een zedigen hartstocht zelve te voeden

en bij anderen te veroorzaken, die even aangenaam als ongevaarlijk is.

Aldus oordeelde ik over mijne meesteres, zonder precies te weten

waaraan ik mij moest houden. Evenwel als zij mij zag, liet zij niet

na mij toe te lachen en hare blijdschap te betuigen. Zoo kwam het,

dat ik dacht dat Aurora zeer tevreden was over mijne deugden en ik

beschouwde mij slechts als een dier gelukkigen voor wie de liefde

de onderhoorigheid zoo veraangenaamt. Om eenigermate het goede, dat

mijn gesternte mij wilde verschaffen, waardig te zijn, begon ik meer

zorg aan mijn persoon te besteden dan tot dusverre het geval was. Het

eerste wat ik 's morgens deed, was mij kappen en parfumeeren om niet

en négligé te zijn als ik voor mijne meesteres moest verschijnen en

zoo besteedde ik aan linnen, pommade en essences al het geld dat ik

bezat. Door deze oplettendheden en door wat ik nog meer deed om mij te

behagen, vleide ik mij, dat mijn geluk niet verre meer was. Onder de

vrouwen van Aurora was er eene, die Ortis heette. Het was eene oude

heks, die reeds langer dan 20 jaar bij don Vincent diende. Zij had

zijne dochter opgevoed en vervulde nog de betrekking, maar zonder

de lasten daarvan te dragen. Integendeel: waar zij vroeger het

doen en laten van Aurora aan den dag had gebracht, deed zij thans

alle mogelijke moeite om het te verbergen. Zij bezat het volkomen

vertrouwen van Aurora. Op zekeren avond zei juffrouw Ortis tegen mij,

toen wij alleen waren, dat indien ik verstandig en bescheiden was,

ik mij om twaalf uur in den tuin moest bevinden, waar men mij dingen

zou mededeelen, welke ik gaarne zou willen hooren. Ik antwoordde de

duenna, terwijl ik haar de hand drukte, dat ik niet zou mankeeren. Ik

twijfelde niet of ik had bij de dochter van don Vincent teedere

gevoelens opgewekt en ik voelde een vreugde, welke ik ternauwernood

kon verbergen. Wat viel mij de tijd lang tot aan het avondeten en

daarna tot het naar bed gaan van mijn meester.

Het scheen mij toe alsof alles dien avond buitengewoon lang duurde. Tot

overmaat van ramp begon don Vincent, eenmaal in zijn vertrekken,

over zijn veldslagen in Portugal, waarmede hij mij reeds dikwijls had

gekweld. Maar wat hij nog nooit gedaan en voor dezen avond bewaard

had, hij noemde mij alle officieren, die zich hadden onderscheiden;

hij vertelde mij zelfs hun heldendaden.

Het kostte mij heel wat om tot het einde te luisteren. Eindelijk hield

hij echter op en ging slapen waarna ik naar mijn kamertje ging waar

mijn bed stond en van waar men langs een wenteltrap in den tuin kon

komen. Ik wreef mijn geheele lichaam met pommade in, nam een schoon

hemd na het te hebben geparfumeerd en toen ik niets had vergeten,

waardoor ik meende mijne meesteres aangenaam te kunnen zijn, ging ik

naar het rendez-vous.

Ik vond Ortis niet. Ik dacht dat zij het wachten moede, weer naar

hare kamer was gegaan. Ik was woedend op don Vincent en terwijl ik

zijn campagnes vervloekte hoorde ik het tien uur slaan. Ik dacht,

dat de klok in de war was, en dat het zeker reeds tegen één uur

liep. Ik vergiste mij evenwel want een goed kwartier later hoorde ik

een andere klok ook tien uur slaan. Goed, zei ik in mijzelf, ik heb

nog twee uur tijd. Men zal zich tenminste niet over mijn gebrek aan

nauwgezetheid beklagen. Ik zal hier maar op en neer blijven loopen en

de rol overdenken welke ik moet spelen; deze is nieuw voor mij. Ik weet

hoe men het aanlegt met grisetten en tooneelspeelsters. Gij behandelt

haar familiair en gij stort u ongegeneerd in het avontuur; bij iemand

van stand is een ander optreden vereischt. Het is naar mijne meening

noodig, dat de minnaar beleefd, welwillend, teeder en eerbiedig is,

zonder evenwel bedeesd te zijn. In plaats van zijn geluk te willen

verhaasten door bruusk optreden, moet hij het hebben in een oogenblik

van zwakheid. Aldus redeneerde ik en ik besloot deze gedragslijn ten

opzichte van Aurora te volgen. Ik stelde mij voor binnen weinig tijd

het genoegen te smaken mij aan de voeten van deze dame te werpen en

haar duizend hartstochtelijke woorden toe te voegen. Ik herinnerde

mij alle plaatsen uit onze tooneelstukken, waarvan ik mij in ons

onderhoud zou kunnen bedienen. Ik dacht ze goed te pas te kunnen

brengen en hoopte dat ik evenals sommige tooneelspeelsters van

mijne kennis zou doorgaan voor geestig, ofschoon ik slechts een goed

geheugen had. Aldus kortte ik mij den tijd en eindelijk sloeg het

middernacht. Eenige oogenblikken daarna verscheen even stipt, maar

minder ongeduldig juffrouw Ortis. "Sinjeur Gil Blas," zei ze, "hoe

lang is u hier reeds?" "Twee uur". "Zoo werkelijk," zei zij lachend,

"u is wel op tijd, het is een genoegen u 's nachts een rendez-vous te

geven. Inderdaad," voegde zij er ernstig bij, "kunt gij het geluk,

dat ik u ga meedeelen niet te duur betalen. Mijne meesteres wil een

particulier onderhoud met u hebben en gelastte mij u bij haar te

brengen. Meer zeg ik niet, het overige is een geheim, dat gij uit

haar eigen mond zult vernemen. Volg mij, ik zal u voorgaan." Bij deze

woorden nam de duenna mij bij de hand en leidde mij door eene kleine

deur in de kamer harer meesteres.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 51 / 67 题