INHOUD.

#TWEEDE DEEL.#

~Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad~

Geschiedenis van Zobeïde 1

Geschiedenis van Amine 15

~Geschiedenis van Sindbad den Zeeman~ 30

Eerste Reis van Sindbad den Zeeman 34

Tweede „ „ „ „ „ 43

Derde „ „ „ „ „ 52

Vierde „ „ „ „ „ 64

Vijfde „ „ „ „ „ 77

Zesde „ „ „ „ „ 84

Zevende „ „ „ „ „ 95

~De drie Appelen~ 103

Geschiedenis van de Vermoorde Dame 109

Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan 116

+----------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: even als ik kunt beschikken. |

| C: even als ik kunt beschikken.” |

| B: voegde ik er bij „ik vrees veeleer; |

| C: voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; |

| B: als het uwe.” „Ik omhelsde haar, |

| C: als het uwe.” Ik omhelsde haar, |

| B: het andere, waar wat ik ik zocht, een |

| C: het andere, maar wat ik ook zocht, een |

| B: oog voor het sleutelgaat houdende, |

| C: oog voor het sleutelgat houdende, |

| B: De jongeling dus eenklaps gestoord, en |

| C: De jongeling dus eensklaps gestoord, en |

| B: verbazing aan. „Mijne geede dame!” |

| C: verbazing aan. „Mijne goede dame!” |

| B: mij u vooraf zegen dat deze stad |

| C: mij u vooraf zeggen dat deze stad |

| B: geschapen en al wat daar in is” |

| C: geschapen en al wat daar in is.” |

| B: onze inscheping betreking had. |

| C: onze inscheping betrekking had. |

| B: gebrek aan scheeps ruimte, achterlaten. |

| C: gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. |

| B: toon waarop hij sprak, genoegzaan |

| C: toon waarop hij sprak, genoegzaam |

| B: het mij bovolen heeft, is magtiger |

| C: het mij bevolen heeft, is magtiger |

| B: dan ergens anders. Ik liet mij geleiden, |

| C: dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, |

| B: en aan de hoogste galg hangen. |

| C: en aan de hoogste galg hangen.” |

| B: ook nog iets hebt te bevelen. |

| C: ook nog iets hebt te bevelen.” |

| B: welke zij verbeurd hadden. |

| C: welke zij verbeurd hadden.” |

| B: bewoner van dit paleis zijn? Om zijne |

| C: bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne |

| B: gezin te verdienen. terwijl deze gelukkige |

| C: gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige |

| B: deze wanhopige gedachten, verdiept, toen |

| C: deze wanhopige gedachten verdiept, toen |

| B: zulk een aanzieniijk gezelschap en de |

| C: zulk een aanzienlijk gezelschap en de |

| B: neër, en zeide op een' toon, |

| C: neêr, en zeide op een' toon, |

| B: mijne heeren! vervolgde hij, zich thans |

| C: mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans |

| B: zult waarschijnlijk slecbts bij gerucht |

| C: zult waarschijnlijk slechts bij gerucht |

| B: een getrouw verslag van geven Ik durf |

| C: een getrouw verslag van geven. Ik durf |

| B: oor te hebben verleend |

| C: oor te hebben verleend.” |

| B: Ik had van mijne familie |

| C: „Ik had van mijne familie |

| B: hoe dwaas het was, den kostbaren |

| C: hoe dwaas het was den kostbaren |

| B: had, antwoordde hij, „bij mij aan boord |

| C: had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord |

| B: kapitein, „ik luister wat hebt gij te |

| C: kapitein, „ik luister, wat hebt gij te |

| B: leven uit mijn geheugen te verbannen. |

| C: leven uit mijn geheugen te verbannen.” |

| B: het woord en zich tot zijn gezeldschap |

| C: het woord en zich tot zijn gezelschap |

| B: koos ik de wijsste partij; ik onderwierp |

| C: koos ik de wijste partij; ik onderwierp |

| B: arenden te verschrikken—Zoodra zij hen hadden |

| C: arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden |

| B: eigendom wilde ontrooven „Mijn goede vriend!” |

| C: eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” |

| B: schatten leidde ik een vrolijk leven. |

| C: schatten leidde ik een vrolijk leven.” |

| B: echter, „vervolgde Sindbad,” werd |

| C: echter,” vervolgde Sindbad, „werd |

| B: het dek stonden, en vervolgde; „Zie |

| C: het dek stonden, en vervolgde: „Zie |

| B: waarvan ik spreek: gij zoudt mij eene |

| C: waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene |

| B: dood had gehouden. Allah zij geprezen,” |

| C: dood had gehouden. „Allah zij geprezen,” |

| B: winst terug. |

| C: winst terug.” |

| B: lange reis, te Balsora binnen Van |

| C: lange reis, te Balsora binnen. Van |

| B: zonderlinge lotgevallen voort |

| C: zonderlinge lotgevallen voort. |

| B: De genoegens, die ik na mijne derde |

| C: „De genoegens, die ik na mijne derde |

| B: zij ons naar hunne woningen, |

| C: zij ons naar hunne woningen. |

| B: maar als inboorling van het eiland, |

| C: maar als inboorling van het eiland. |

| B: toestondt,” „Sire,” antwoordde ik, |

| C: toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, |

| B: „Maar, Sire-” hervatte ik „veroorloof mij |

| C: „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij |

| B: tussshen de zee en de stad. |

| C: tusschen de zee en de stad. |

| B: Allah te danken voor de genade. |

| C: Allah te danken voor de genade, |

| B: met hen en maakte goede sier. |

| C: met hen en maakte goede sier.” |

| B: aan land durven zetten. |

| C: aan land durven zetten.” |

| B: uw leven in gevaar brengen. Hij gaf |

| C: uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf |

| B: betalen. Ik bedankte hem voor zijn' |

| C: betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' |

| B: naar een eiland; waar de peper in |

| C: naar een eiland, waar de peper in |

| B: in een genoegelijk leven te vergeten. |

| C: in een genoegelijk leven te vergeten.” |

| B: geleden, kon besluiten. nieuwe gevaren |

| C: geleden, kon besluiten nieuwe gevaren |

| B: maken en te sterven. Deze woorden van |

| C: maken en te sterven.” Deze woorden van |

| B: dagen lang zagen wij elkander |

| C: dagen lang zaten wij elkander |

| B: gewond zou he ben. Van mijn' voorraad |

| C: gewond zou hebben. Van mijn' voorraad |

| B: naam tot mij: Dit is „eene hoogst |

| C: naam tot mij: „Dit is eene hoogst |

| B: daarbij was te vergelijkeu. |

| C: daarbij was te vergelijken. |

| B: mogt gaan.” Hij belastte een' zijner |

| C: mogt gaan. Hij belastte een' zijner |

| B: dezen brief den kalif Haroun-al-Rachid |

| C: dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid |

| B: van mijne vriendschap” Ik nam het geschenk |

| C: van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk |

| B: Haroun-al-Rachid._ |

| C: Haroun-al-Raschid._ |

| B: sterven! |

| C: sterven!” |

| B: een rijk geschenk vertrekken. |

| C: een rijk geschenk vertrekken.” |

| B: Na mijne zesde reis kwam het |

| C: „Na mijne zesde reis kwam het |

| B: naar hem toe. „De kalif, zeide hij, |

| C: naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, |

| B: Abdala Haroun-al Rachid, dien God tot |

| C: Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot |

| B: heeft u voor hunne voede |

| C: heeft u voor hunne woede |

| B: gelastte Haroun-al-Rachid den groot-vizier |

| C: gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier |

| B: zijn paleis moest bevinden „Vizier!” zeide |

| C: zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide |

| B: grijsaard zag: zeide hij. „Die man is zeker |

| C: grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker |

| B: dat met touwen omwonden was Nadat |

| C: dat met touwen omwonden was. Nadat |

| B: zal doen ophangen. „Beheerscher der geloovigen,” |

| C: zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” |

| B: leven op zulk eene wijze redden! |

| C: leven op zulk eene wijze redden!” |

| B: onzerzoek naar den misdadiger te doen |

| C: onderzoek naar den misdadiger te doen |

| B: een bode des kaliefs bij den |

| C: een bode des kalifs bij den |

| B: voor den kalief verscheen was diens |

| C: voor den kalif verscheen was diens |

| B: woningen werden gehaald, riep, op bevel |

| C: woningen werden gehaald, riep op bevel |

| B: Oppermagtige vizier, hoofd der emirs |

| C: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs |

| B: hof, toevlugt der armen? |

| C: hof, toevlugt der armen! |

| B: legde ze bij zich neer Inmiddels was |

| C: legde ze bij zich neer. Inmiddels was |

| B: waar gij dien appel hebt gekregen,” |

| C: waar gij dien appel hebt gekregen.” |

| B: rooden draad toenaaide, Eindelijk sloot ik |

| C: rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik |

| B: mij niet terruggeven. Ik volgde hem |

| C: mij niet teruggeven. Ik volgde hem |

| B: vader,” antwoorde het kind, „dat |

| C: vader,” antwoordde het kind, „dat |

| B: bedreigingen overging. Indien ik morgen den |

| C: bedreigingen overging. „Indien ik morgen den |

| B: vergezellen moest, zeide hij, zou ik u |

| C: vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u |

| B: Schemseddin-Mohammed stond den |

| C: Schemseddin Mohammed stond den |

| B: dat hij groot ge ijk had; terwijl |

| C: dat hij groot gelijk had; terwijl |

| B: waarna het gezeldschap uit een ging. |

| C: waarna het gezelschap uit een ging. |

| B: kleinste bijzonderheden De groot-vizier |

| C: kleinste bijzonderheden. De groot-vizier |

| B: „Dit is nu,” zeide hij, de vreemdste |

| C: „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste |

| B: van Bedreddin-Hassan. De groot-vizier van |

| C: van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van |

| B: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden |

| C: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden. |

| B: muselman te sterven. In deze voor hem |

| C: muzelman te sterven. In deze voor hem |

| B: uwe pligten als muselman en |

| C: uwe pligten als muzelman en |

| B: vervolgde Noureddin Ali, geboren in Egypte; |

| C: vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; |

| B: geboorte in vinden aangeteekend.” Dit te |

| C: geboorte in vinden aangeteekend. Dit te |

| B: zal er twist onstaan en de vijandschap |

| C: zal er twist ontstaan en de vijandschap |

| B: den dood van Noureddin-Ali had aangesteld, |

| C: den dood van Noureddin Ali had aangesteld, |

| B: dat in deze haven zal binnenkomen.”_ |

| C: dat in deze haven zal binnenkomen._ |

| B: _Bedreddin Hassan van Balsora,”_ |

| C: _Bedreddin Hassan van Balsora.”_ |

| B: toovergodin, dat de sultan van |

| C: toovergodin, „dat de sultan van |

| B: geringste en de mismaakste van mijne |

| C: geringste en de mismaaktste van mijne |

| B: „Heden,” vervolgde de toovergodin, |

| C: Heden,” vervolgde de toovergodin, |

| B: dit oogenklik bevinden zich al de |

| C: dit oogenblik bevinden zich al de |

| B: en gaf hem een', fakkel |

| C: en gaf hem een' fakkel |

| B: stallen van den sultan Voorop gingen de |

| C: stallen van den sultan. Voorop gingen de |

| B: de fakkels droegen, binnen te laten Zij |

| C: de fakkels droegen, binnen te laten. Zij |

| B: passende echgenooten was midden op eene |

| C: passende echtgenooten was midden op eene |

| B: rapen Zij betuigden hem bij herhaling |

| C: rapen. Zij betuigden hem bij herhaling |

| B: ik dit ontwetend, want ik wist waarlijk |

| C: ik dit onwetend, want ik wist waarlijk |

| B: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw¡” hernam Hassan, |

| C: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, |

| B: komen” |

| C: komen.” |

| B: om zich te kleeden. „Zie,” sprak een |

| C: om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een |

| B: hier voor de poort in slaap gevallen |

| C: hier voor de poort in slaap gevallen. |

| B: immers onmogelijk?” En evenwel is het |

| C: immers onmogelijk?” „En evenwel is het |

| B: Bedreddin Hassan, is even waar, als |

| C: Bedreddin Hassan, „is even waar, als |

| B: geest.” Ik weet heel goed, wat ik zeg.” |

| C: geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” |

| B: vinden.” |

| C: vinden. |

| B: kustte haren vader de hand, |

| C: kuste haren vader de hand, |

| B: riep hij toornig uit, verschijnt |

| C: riep hij toornig uit, „verschijnt |

| B: geworden. Schemseddin Mohammed, nu |

| C: geworden.” Schemseddin Mohammed, nu |

| B: geplaatst?’, De gebogchelde, den vizier |

| C: geplaatst?” De gebogchelde, den vizier |

| B: huwelijk betrekking had Ook maakte hij van |

| C: huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van |

| B: vol dwaze inbeelding Hij verlangde, dat |

| C: vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat |

| B: had zich tegen zijne dwingelaudij |

| C: had zich tegen zijne dwingelandij |

| B: hem te slaan. In één woord hij |

| C: hem te slaan. In één woord, hij |

| B: niet met ons medespelen.” |

| C: niet met ons medespelen.”” |

| B: voorzetten. |

| C: voortzetten. |

| B: opnemende, zeide hij; „Ik ben bezig met |

| C: opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met |

| B: wijd en zijd bij mij halen. Bij deze |

| C: wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze |

| B: bloed overdekt werd. Gij hebt slechts uw |

| C: bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw |

| B: op wereld eene menigte menschen |

| C: op de wereld eene menigte menschen |

| B: overtrok, door Mesopotamie, naar Balsora. |

| C: overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. |

| B: de naam van zijn, broeder met gouden |

| C: de naam van zijn broeder met gouden |

| B: schoot vol, en hij kustte dien |

| C: schoot vol, en hij kuste dien |

| B: geschikst zou voorkomen, om den |

| C: geschiktst zou voorkomen, om den |

| B: de paleispoort, die het digst |

| C: de paleispoort, die het digtst |

| B: bezagen zij de oude moskée der |

| C: bezagen zij de oude moskee der |

| B: het kamp terug te keeren.. Daar |

| C: het kamp terug te keeren. Daar |

| B: het niet waar was. Gij zijt een hardnekkige |

| C: het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige |

| B: waarheid gezegd hebt. |

| C: waarheid gezegd hebt.” |

| B: riep hij uit, het is waar, dat |

| C: riep hij uit, „het is waar, dat |

| B: er de beste uit.” Neem deze,” zeide |

| C: er de beste uit. „Neem deze,” zeide |

| B: een' gil en viel in onmagt |

| C: een' gil en viel in onmagt. |

| B: Bedreddin Hassan van Balsora” |

| C: Bedreddin Hassan van Balsora.” |

| B: zoon?” Ik ontken niet,” antwoordde |

| C: zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde |

| B: te doen. „Gaat en verliest geen' |

| C: te doen. Gaat en verliest geen' |

| B: „Ha, ongelukkige!” „antwoordde de vizier, |

| C: „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, |

| B: verdiensten doen straffen” hernam Schemseddin |

| C: verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin |

| B: en verkocht heb.” „Bij Allah!” |

| C: en verkocht hebt.” „Bij Allah!” |

| B: rug van een' kaneel geladen. Zoodra |

| C: rug van een' kameel geladen. Zoodra |

| B: u uit zal roepen. „Zie hier, hoe |

| C: u uit zal roepen: „Zie hier, hoe |

| B: te doen.” „Groote hemel!” |

| C: te doen.”” „Groote hemel!” |

| B: beroemen? Bij deze woorden borst |

| C: beroemen?” Bij deze woorden borst |

| B: wilde maken, schreeuwde hij het uit |

| C: wilde maken, schreeuwde hij het uit. |

| B: zijnen diensboden voor, hoe en |

| C: zijnen dienstboden voor, hoe en |

| B: zijn.” „Het is waar,” hernam |

| C: zijt.” „Het is waar,” hernam |

| B: wat ik hiervan moet denken Is |

| C: wat ik hiervan moet denken. Is |

| B: |

| C: (Inhoudsopgave ingevoegd) |

| |

+----------------------------------------------------------+

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel · 第 21 / 22 题