„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan,
regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen.
Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij
zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van
veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije
letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die
de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin
Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote
verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen
bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed
te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij
geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend
is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik
u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw'
vader na.”
De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden
naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun'
vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene
geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de
eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg
geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde
hem beurtelings een der broeders.
Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun
avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar
schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog
ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den
zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen
kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt
gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer
goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld
kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u
behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne
gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en
de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen,
zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali,
„dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de
kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne
toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt
plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift
aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben
overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone
bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan
mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie
schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,”
zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed
met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt
is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het
vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote
huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe
rekening te maken ten koste van anderen.”
Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet
gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd.
„Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne
dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de
stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand
verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door
te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne
dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer
schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen
de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet
geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed
werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen
den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste
straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren
broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze
woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar
het zijne.
Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich
naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg
naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht
zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het
hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven,
die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang
waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den
weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld
en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen
bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en
vertrok.
Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië.
Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis
te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op,
die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen
zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali
af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door
de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem
een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote
eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed
als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die
door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne
tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.
De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen
zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt
voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn
paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!”
antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en
heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar
beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb
liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te
komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop
goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te
brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote
moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij
liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland
heeft verdreven, te doen vergeten.”
Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot
menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin,
en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van
eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn
zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn
leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij
eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij
welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen
hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet
kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij
lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne
dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te
nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester,
verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te
vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk
van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb,
zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens
het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”
Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en
edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten,
en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem
toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis,
en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren
maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste
hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren,
nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om
degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor
het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene
zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik
bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den
sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen
heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon,
dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen
gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde
alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen.
Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn
schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel.
Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft
tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der
gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef,
boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren,
en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met
genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn.
Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt
geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.
Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen
huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het
dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande
gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de
kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten
onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.
Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin
Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en
gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar
gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen,
en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug.
Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast
zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt
met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij
ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om
die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle
vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist
ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot
elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”
Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de
kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren
zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste
zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon,
dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet
mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin
zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft
opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die
oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard
met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds
ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne
dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen.
Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden
reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet
zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.
Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.
Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er
nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had
zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende
al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de
vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat
deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan,
op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie
dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had
weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd,
daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had
toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij
zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar
Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met
het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er
bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder
elders te zoeken.
Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij
besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der
voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat
zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na
verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te
Caïro van eene dochter.
Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora
een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier
van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen,
en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn'
kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne
tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om
Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de
vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.
De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van
zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert
niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met
veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne
tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van
den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn'
schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was
onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn
leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte
van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als
vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de
gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze
goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne
dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter
te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden.
Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en
dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.
Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader
hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig
zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en
vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.
Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo
goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin
Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met
allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar
had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer
behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen,
die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in
ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.
Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen
vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en
verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn'
eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van
zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid
werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan
ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt
muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij
zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide:
„Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts
dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij
er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te
verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang
zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als
braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst
aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe
meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den
braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u
nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en
gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal
ik u zulks vooraf mededeelen.
Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw
grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik
heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den
zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin
Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen,
en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus
verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden
in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne
borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het
op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van
mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te
weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen
dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den
toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden,
ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer
van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte
overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder
bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste
stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op
anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich
zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit
zult gij nimmer een goed staatsman worden.
De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo
zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen
als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en
verdraagzaamheid schuldig zijt.
De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten
gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is
vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen,
en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere
volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden.
Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het
sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet
gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert
en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar
het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.
De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele
ondeugden.
De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist,
zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet
echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de
gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom
haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt
dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar
zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik
maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”
Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te
geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote
pracht ter aarde besteld.
Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad
geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats
van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee
maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs
zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne
nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van
minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den
groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld,
ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te
begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan
voor hem te brengen.
De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te
volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars
van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de
menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om
zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem
op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn
vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne
voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij:
„Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd
opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen;
de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al
uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”
Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.
„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan,
en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde
de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek
dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich
van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat
te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar
heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke
hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder
ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht
ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door
te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat
Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande,
ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De
jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug.
Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette
hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de
vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat?
Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?”
„Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen.
Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen
blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed
op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide
de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het
is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt
gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het
is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam
met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf
een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer,
zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in
zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle
andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen
tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij
de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor
duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben
bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn
kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en
vertoonde die aan Bedreddin Hassan.
In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne
geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde
hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien
dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander
immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het
eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop
u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede
is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met
duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin
bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als
dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij
leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk
bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn'
gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje,
bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar.
Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.
_„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora
verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen,
die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner
schepen, dat in deze haven zal binnenkomen._
_Bedreddin Hassan van Balsora.”_
De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en
vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl
Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van
zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter
aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot.
„Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden?
Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen
van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg,
getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook
de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef
hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd
tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot
dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de
zerk neder, strekte zich uit en sliep in.
Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die
zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om
de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe
van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag
te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat.
„Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit
het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne
schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij
zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het
toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en
op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij:
„Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf
houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult
verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich
op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den
slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en
welgemaakter jongeling gezien dan deze?”
De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop
tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat
hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro
iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt
gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult
mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde
de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft,
Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige
dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel
Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge
meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige
dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene
huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks
immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht,
geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden
door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer
zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet
waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer
onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik
een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier
was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij
eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst
vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den
sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en
daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten
trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben
ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk.
Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer
uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele
andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met
uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze
afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer
gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem:
„Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil
vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij
genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan
een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft
geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de
geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij
den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd
naar zijne woning terug.
Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner
stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld,
en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb
eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen
gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter
met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne
tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De
toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op
dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk
met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten
daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in
statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel
gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde
hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de
zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”
Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt
zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge
dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met
u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle
waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd
is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als
wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en
dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij
hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige
denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak
van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne
dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn.
Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken,
in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om
den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en
het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt
hebben, hem naar elders te vervoeren.”
Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de
geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene
onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur
van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de
gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond
te wachten.
Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond
ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te
bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen,
waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den
schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel
in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de
deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar
men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij
hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de
beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van
gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te
strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te
doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe
nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit
ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg
uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets;
vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt
in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet
hebben.”
De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te
doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien
van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan
eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en
voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard
besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de
dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep
in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed
dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat
allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo
welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem
konden afwenden.
Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed,
die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid
bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen,
weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen
zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang
openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan,
tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der
slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan
overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die
zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige
te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij
hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der
deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien
aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal,
waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een'
prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.
De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon
gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke
droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was,
indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde
zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht
bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De
vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans
zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen
rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst
uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der
dames hield eene brandende waskaars in de hand.
Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem;
zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer,
dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was,
bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen
jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste
der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene
teedere genegenheid in haar hart mede.
Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden
stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene
ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen
jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde,
moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen
zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij
zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te
vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot
groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach
en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot
zwijgen.
Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die
de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden,
hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.
Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en
ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem
met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin
Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De
gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe,
die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg,
dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin
Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met
milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres
vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar
wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om
te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te
rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door
teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet
voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het
zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den
gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot
vermaak der aanschouwers.
Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had
plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen
en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet
volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden
zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in
een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden.
In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en
eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem
den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde
op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet,
gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel
kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en
verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of
de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar
wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de
zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer
der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat
gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan
zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen
gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden
schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest
zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet
moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze
bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet
terugkomt en u hindert.”
Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte,
wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest
ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich
aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene
verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat
willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van
de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met
vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich
allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de
bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen,
dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen
uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te
komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke
grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze
woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het
hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te
hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert
gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid
gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de
bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan
ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame
een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene
onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op
brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat
de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den
kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te
verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij
de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij
een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke
gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd
tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is
opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de
beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”
Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door
den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar
de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar
hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen
tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur
staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.
De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel,
Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid
aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat
op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen,
mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen
stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.”
„Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot
spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij
waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo
vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van
alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling,
mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn'
vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij
verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe
de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten
zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen
bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een'
schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want
gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal
komen.”
Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek
en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen;
maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van
vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking
werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij
op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven
ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar
ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig
is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.
Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de
toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de
taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen
wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe
taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”
De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust
waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met
verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij
kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot
het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op
den grond neder, en verwijderde zich met den geest.
Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten
getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd,
Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een
zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten,
dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een
ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas
heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten
gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een
nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen.
De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben;
stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had
wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind
zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo
verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet
van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was
niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene
hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met
nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt
de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?”
Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort
geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen
toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan
om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel
dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten
van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen
ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,”
zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo
welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden
hun' weg.
„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet,
wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan
gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van
hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,”
bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te
Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die
nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl
sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij
langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een
man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet
niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het
mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro,
en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed
wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam
Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad
Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die
vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles
gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem
reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den
geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt
gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben
gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost,
tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een'
afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven,
en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook,
wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is
geworden, die ik te Caïro had.”
Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken
werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den
spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij
eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen
hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in,
gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!”
Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene
deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin
omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens
wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de
woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een
spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende
volksmenigte te onttrekken.
De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende
Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te
plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus
had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen
gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg
hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte
wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker
ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in
zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht,
onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk
een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg
voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den
groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten,
en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in
slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden,
alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe
groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag,
zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen
vinden.
„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker,
„doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van
alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat
het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te
doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na
treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te
blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en
daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik
bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij
vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk
behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”
Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene
eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin
dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den
ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het
punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden,
nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij
Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn'
aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en
leerde het pasteibakken.
Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin
Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was
opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig
zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader,
de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging,
welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan
de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met
haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne
stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij
kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat
de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten
hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt
gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt
moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”
Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan
zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke
onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien
ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke
monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt,
dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat
hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn
ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel
Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?”
„Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den
jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van
wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld,
en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het
verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,”
hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.”
„Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”
„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht
zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik
herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik
u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man
geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van
denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man
met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in
haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in
plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing,
den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur
stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat
moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand
geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten
antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de
minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik
zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”
Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde
spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om,
en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,”
hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn
opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling
eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als
kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en
maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet
vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden,
en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem
bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten.
Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder
achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar
het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien
hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over
de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.
Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er
gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu,
bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting
geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?”
„Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen
ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van
mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten.
Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.”
Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De
vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een'
viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.”
Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij
eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen
papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed
aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te
bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het
papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder
Noureddin Ali, en las dit opschrift:
_„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”_
Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem
tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man
gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe
mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden
gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een
briefje, dat aan de beurs gespeld was:
_„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”_
En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van
Bedreddin Hassan scheidde:
_„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading
van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke
schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali,
zaliger gedachtenis.”_
Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in
onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen,
welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot
haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen.
Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij
naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het
bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en
thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in
deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder
gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij
u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op
het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde
het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit
geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien
lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen
verzoenen.”
Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen
van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van
de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn
huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog
daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder
gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde
over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf
zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze
onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam,
en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de
nakomelingschap bewaard mogte blijven.
Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van
zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen
te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar
hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem
vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon
Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het
vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij
wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst
overlaten.
In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte
de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de
staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer
van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit
zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de
beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit
zorgvuldig weg.
Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een'
zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te
passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib
zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem,
in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een'
leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem
dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige
jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen
in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij
regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van
den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft
liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de
scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd
daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne
makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets
wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een
zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te
verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja,
somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo
onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over
hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne,
om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in
het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te
verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat
Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een
middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u
daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school
zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan
een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan
spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te
doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen
niet met ons medespelen.””
Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib,
en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen,
jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet
weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook
Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond
en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden
hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne
moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin
Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een
schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en
gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit
zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder
elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen,
dat hij in tranen uitbarstte.
De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu
naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog
niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw
grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van
uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan
uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht,
maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is
ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met
minder trotschheid te behandelen.”
Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd
door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en
liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder,
welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de
reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en
met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne
moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in
staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te
deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als
ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe
kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed,
die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib
in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze
vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door
een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet
bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een'
beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.
Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed
binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide
hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier,
hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens
begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter
sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij
ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne
voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem
onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot
van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde
zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om
zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart
van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en
liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den
volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn
grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de
plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn'
vizier uit te leveren.
Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor
zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal
voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen
stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid.
Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te
hebben toegewenscht.
Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders
bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij
zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld
door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.
Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien
dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag
eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt
hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier,
welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De
vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust
wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude
voortzetten.
Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna
allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om
er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel
van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt
smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur,
een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat
hem niets kwaads overkwam.
Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een'
dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad
gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich.
Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te
zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op
straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem,
ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen
bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon
kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib
voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk
zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.
De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was
reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne
goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en
hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus
als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur
zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt
waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij
ontroerde.
Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de
verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een
teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des
bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon
geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne
bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone
jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn'
winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen
smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo
veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De
kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende,
zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik
gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en
zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat
gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen
gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.”
„Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel
hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel
gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot
den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen,
waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te
verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult
daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van
binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij
schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te
lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u
zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de
zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd
gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des
rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met
dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het
verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.
Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag,
en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes
te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben
zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke
dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men
komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene
roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels
over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf,
aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.
Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast
met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij
hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke
gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit
denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan
Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus;
maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen,
daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader
moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en
vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien,
hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.
Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald.
De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij
van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik
herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had,
die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet,
en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals
gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen
zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben
dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib,
„heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn
immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot
dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden
zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos
volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen
verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was
beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een'
banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven,
raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp
dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat
met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak
de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende,
liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden.
Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne
wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden,
te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn
huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet
hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik
iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde
verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich
op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger
waren dan hij.
Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus
bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden
dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat
overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst
liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen
rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde,
ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne
reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed,
„ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den
zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit
te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten
antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is,
dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling
is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel
moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder
echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.”
Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien
zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde
hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende
uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne
schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen,
vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn'
kleinzoon Agib.
De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar
man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met
marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet
op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene
marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te
lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam.
Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin
zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin
stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de
gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen,
dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin
Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht
te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien
beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in
eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te
hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend
als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had
bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne
schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter
was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het
handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had
gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel
van Schoonheid, voorstelde.
Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien
zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn,
verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij
stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van
Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen,
in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende:
„Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd
daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u
gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora
heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet,
of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan
beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt
dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te
worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”
De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en
liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen
verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om
afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en
gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags
daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over
Damaskus.
Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij
zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot
aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren
te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het
geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te
bieden.
Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste
en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem
in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn'
leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige
keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets
zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond
had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin
toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe
verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst
bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij
bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen
waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist
toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte
daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van
Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken.
„Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat
gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin
de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij
werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond
een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk
tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij
nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne
roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo
lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij
zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer
als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van
mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”
Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord:
„Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis
komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen
volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt,
kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader,
zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan
van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal
alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den
pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.
Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet
minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast
mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij
nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen.
„Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij
wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij,
dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde,
en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op
het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar
hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met
eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te
wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg
vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne
porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan,
zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze
elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en
gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood.
Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte
liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen
meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de
kom was verdwenen.
Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen
gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl
zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het
meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib
naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in
welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het
kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de
tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat
zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij:
„O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader
Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor
den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib
moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart
op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar
beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib
brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen
het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus
heette de slaaf) handelde even zoo.
De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar
kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt
gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk
zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin
Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke
lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib
onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene
lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een
pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo
even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”
Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan.
„Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over
mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan
eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf,
„wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem
gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te
eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn'
winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij
dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond
nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent
van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het
wangedrag van den slaaf mededeelde.
Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep
naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf
werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik
van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis
van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind
hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin
Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben,
dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons
daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel,
onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat
gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban
hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige
leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u.
Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne
tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de
waarheid gezegd hebt.”
Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef;
hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn'
mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter
al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en
daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling
van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des
slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze
gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren
schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af.
„Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een'
pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal
lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van
Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen
daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich
van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de
roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik
wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts,
en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld
geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat
wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde
Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende,
groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer
dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven,
dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult
uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en
versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf,
„ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld
ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven
is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood
ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker
ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een
stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond
gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.
Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze
uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te
snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van
Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit:
„Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn
zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”
Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin
Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe
onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die
deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot
haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld
geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw
zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers
zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze
maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik
ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt
heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap,
„wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.”
„Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze
blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven.
Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan
Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen.
Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder
door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te
Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze
terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende
als aangename ontmoeting te verschaffen.”
Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent,
en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn
gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg
Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In
diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de
pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo
vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke
kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks
toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed
gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste
leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”
Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met
stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met
spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en
begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels,
bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als
het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren.
Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten
hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden
toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt
gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?”
zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten
antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie
het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te
antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef
niet gespaard.
Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren
niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende
vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de
oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de
plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad
heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik
bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke
gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik,
en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige
behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer
aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten
het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den
rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.
De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu
echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik
verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen,
en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan
was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had
begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had.
De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over
geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer
te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en
zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en
naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat
de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou
terugkomen.
Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den
pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!”
sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin
ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij
het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?”
„Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?”
„Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed,
„gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart
gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik
hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken,
indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de
vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.”
Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend
gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel
zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter
dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij
weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch
de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te
vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.
Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed
hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin
werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt
had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles
gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en
den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond
liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge
gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men
echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne
vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in
zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de
twintig dagen, dat de reis duurde.
Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne
tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor
zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot
dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal
hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende,
„wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,”
antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen,
terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met
een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in
te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo
koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te
blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij
zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”
Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe
is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat,
mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil
hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb?
Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden
van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid
beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder
zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo
onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het
leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan?
Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur,
waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit
oogenblik stierve!”
De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de
galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit.
„O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en
smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal
of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets
anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”
Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn
schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe:
„Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij
zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier
last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard
gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel,
die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur
waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed
zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats
had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op
eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem
zonder zijn bevel te openen.
Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder
van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah
zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man
heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren,
hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht
doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks
toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij
mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het
overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar
vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier
zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin
Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van
Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las
hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten
plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten,
en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor
tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne
dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de
beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop
zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te
bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn
lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd
waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich
weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en
mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen
u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer
zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.
Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden
vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den
last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen
te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen
moesten laten, en de deur achter zich sluiten.
Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast
ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer
konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen
namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door
deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te
komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het
licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier
zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet
geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij
den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne
verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend
vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en
naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor
een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij
deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in
zich zelven, „droom of waak ik?”
Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne
verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het
ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op
teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij
moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks
ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin
wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom;
dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt
niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde
beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar
aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar
zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat
hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon
gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den
stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander.
„Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets
begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot
vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak
zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u
weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en
zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat
ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er
wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij
moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten
zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt;
ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt
mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik
nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van
u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen
kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is
mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is
mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid,
„zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep
Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en
ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen.
Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van
Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener
volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de
wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben
aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne
goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel
naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus
vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken
overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te
zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar
men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En
waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij
moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?”
„Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak
der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart
had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid
lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij
tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote
onregtvaardigheid aandeed.”
„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte
roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft
men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft
mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo
eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden
te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men
gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er
mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts
het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van
Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het
oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd
lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk
dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte
van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde
of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de
gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan
mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin
ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de
voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles
stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak,
zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier
Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen
trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.
Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden
man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met
het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem
vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo
onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog
gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De
vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde
hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling
van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt
was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne
dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het
handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns
broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om
berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij,
hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles,
wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde
u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij
op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost
het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst,
door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven
aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u
kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen,
gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te
Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt
gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem
bestaat.”
Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van
Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie
personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken
van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne
blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te
deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid
haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In
plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te
wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem
wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol
zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde
tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder,
zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom
Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem
de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro
aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men
anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.
Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om
hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo
ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die
deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren.
Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich
met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur
van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien
dag in vreugde door.”
* * * * *
Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus
ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid:
„Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te
verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij
aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen
toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om
hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van
eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen
met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem
genegen tot aan zijn' dood.