't St. Jans-feest getuigde van dappere daân
En veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;
Maar één ridder blonk ver boven d'and'ren toch uit
En vervulde elk met ontzag voor zijn moed;
Want geen pantser van staal was 't waarin hij verscheen,
Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.
Wel trof hem van sommigen menige slag,
Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:
Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,
Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,
Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,
Om te noemen dien ridder, als held van den dag.
Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,
Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;
Vol steken en kerven, doortrokken van bloed
Bracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.
Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,
Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.
"Dit teeken zendt de edele Thomas à Kent
Als bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.
Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;
Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;
Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,
Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt."
--"Ik hergeef", "spreekt mijn meester,"--"dit kleed dat ik droeg,
Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.
Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt."--
En zij kuste het, waar 't door zijn bloed was gekleurd;
"Zeg mijn ridder, dat hij en heel 't hof nu zal zien
Of ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien."
Toen de vorst'lijke stoet naar de kerk zich begaf,
Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaad
Maar daarover geworpen was 't bloedige hemd--
Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?
En toen voor haar vader ze aan 't gastmaal verscheen
Droeg zij weer over zijde en juweelen het heen.
Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aan
En sprak: "Veel gevergd is het, dat ik dit duld;
Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maakt
Zult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.
Als zijn egade voere deez' ridder u weg.
Daar ik beide u 't verblijf in mijn prinsdom ontzeg."
Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,
Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;
"Om te winnen uw dochter, mij 't liefste op aard'.
En haar met mij te voeren gaf 'k gaarne mijn bloed;
En niet lang zal ze treuren om 't schoon Benevent
Wordt ze in Eng'land geëerd als gravinne van Kent.
Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld
was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met
loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke
waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een
rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen
volgden dit koninklijk voorbeeld.
"Is onze nicht Edith," vroeg de Koning, "voor den klank der harp dien
zij eens beminde, ongevoelig geworden?"
"Zij dankt Blondel voor zijn lied," antwoordde Edith, "maar dubbel
de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf."
"Gij zijt boos, nicht," hernam de Koning; "boos omdat gij gehoord
hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij
ontsnapt mij niet.--Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent
der Koningin wandelen--wij moeten met elkander spreken, eer de nacht
in morgen is veranderd."
De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten
verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende
toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de
tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij
zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn
arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden,
zonder gehoord te worden.
"Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?" vroeg Richard. "De
Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen
op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen,
zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om
dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener
vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in
het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje
redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient--Welk antwoord,
nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn."
"Zeg hem," antwoordde Edith, "dat de armste der Plantagenets eer een
huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan."
"Zal ik zeggen met de slavernij, Edith?" zeide de Koning.--"Mij dunkt
dit komt nader bij uw meening."
"Er bestaat geene reden," hernam Edith, "voor den achterdocht,
dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams
had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te
verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de
leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal
nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf."
"Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken,
door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander
middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?" hervatte
de Koning.
"Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken,
omdat het in een gouden beker aangeboden wordt," antwoordde Edith.
"Edith," hernam Richard, "ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas
op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar
van Engaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet
beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met
een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen
zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van
den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël's in den schoot der
kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij
moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten
te belemmeren."
"Men kan rammen en geiten offeren," zeide Edith, "maar eer en geweten
niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was,
die de Sarraceenen in Spanje bracht--de schande eener andere is geen
waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven."
"Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?" vroeg de Koning.
"Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te
ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het
niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de
afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een
harem van heidensche bijwijven zou worden."
"Welaan, nicht," antwoordde de Koning na een poos, "ik mag niet met
u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand
meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben."
"Mijn Koning," hervatte Edith, "uwe Majesteit is waardig opgevolgd in
alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,--misgun
derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed."
"Op mijn woord, meisje," hernam de Koning, "gij hebt mij met dit
eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen en
vrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar,
zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen,
totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is."
"Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord," zeide Edith.
"Bij St. George, daar is bijna zekerheid van," antwoordde de Koning;
"want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen
nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige
zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik
durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven--en het minst
van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent
bereikt, en moeten scheiden--niet in onmin evenwel--neen, gij moet
het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith--het
is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen."
Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn
door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel's lied, die hij zich
herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.
Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches
gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met
het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.