't Was de avond vóór 't groote toernooi van St. Jan.
Door ridders en knapen verlangend verbeid;--
De duisternis viel reeds, toen schreed door het kamp
Een page, een knaap nog te jong voor den strijd;
Hem zond de prinses van het schoon Benevent
Om te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.
Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,
En schamel blijkt 's ridders verblijfplaats te zijn.
Geen dienaren maken zijn rusting gereed.
Hijzelf staat aan 't aanbeeld en poetst alles rein;
Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. Jan
Dekt op morgen die rusting den dapperen man.
"Dus", zoo zeide de knaap, "spreekt een eed'le prinses
Tot u, onder ridders zoo need'rig in rang:"
--"Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,
Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.
Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheid
En gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.
Leg op morgen, zoo wil 't Beneventums prinses
Uw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;
Een linnen gewaad voor 't beschermende staal!
't Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;
En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,
Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard."
"De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel."
Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:
"Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,
En geen slag velt mij neer, die niet dood'lijk mij trof--
Maar blijf ik in 't leven, zeg dat uw vorstin.
Dan geef ze op haar beurt mij 't bewijs van haar min."