Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.
Gay.
In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene
gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de
krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane
beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond
helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op
den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame
schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden
te verdedigen, welke Richard's hoogmoed tot zijne vijanden had
gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van
den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de
oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe
onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier
had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet
om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij
hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne
eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift
als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare
omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand
tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de
onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet
langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt
worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als
ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet
meer onbekend en duister zijn.--Als hij op den hem aangewezen post
overvallen en gedood werd, zou zijn dood--en hij was overtuigd, dat
die roemrijk zou zijn--den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als
zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der
edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had
thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de
dwaas sterft.
Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke
hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien
wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en
hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht--moedig,
vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij
zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden
en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.
De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan
of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens
verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of
in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene
verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de
eenige metgezel van Kenneth's wacht, op wiens waakzaamheid hij rekende,
om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele
dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van
tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het
geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde
hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat
ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen
kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op
de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de
ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel
geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om
hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken,
door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder,
die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige
liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en
scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw
het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag,
tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.
"Wie is daar?" vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in
schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.
"In den naam van Merlin en Maugis," antwoordde eene heesche,
onaangename stem, "bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom
niet bij u."
"En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?" vervolgde
sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een
voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne
gedaante te kunnen onderscheiden. "Wees op uwe hoede--ik sta hier op
dood en leven."
"Neem uw langbeenigen satan bij u," zeide de stem, "of ik zal hem
met een pijl uit mijn handboog bezweren."
Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog
gespannen werd.
"Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht," riep de Schot, "of
bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie
gij zijn moogt."
Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en,
zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen,
zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde
werpen,--een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit
wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich
echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit
de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt,
een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij
aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs
op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende,
die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik
bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien
buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij
dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde
zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.
Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van
zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam
hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk
maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was,
nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk
speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten
schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte
hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij
verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde,
vroeg hij op scherpen en vergramden toon: "krijgsman, waarom bewijst
gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd
is?--Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?"
"Groote Nebectamus," antwoordde de ridder, die de kwade luim van den
dwerg wilde doen bedaren, "dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u
maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op
mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het
voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht
te komen, of zich van mijn wapentuig meester te maken. Het zij u
voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel
onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats
vermag."
"Dit zal voldoende zijn," hernam Nebectamus, "zoo gij mij dadelijk
vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te
roepen."
"Groote heer," hervatte de ridder, "ook hierin kan ik u geen voldoening
geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den
dag bij deze banier te blijven--dus verzoek ik u, om mij ook in deze
zaak te verontschuldigen."
Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top;
maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek
ontsnappen.
"Kom," zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg
te versperren, "gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u
vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon,
wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid
den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon."
Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders
op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat
de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper
zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: "Ga voort,
Nebectamus--zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze
verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan de houri,
met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?"
"Hoe! verwaand ridder," antwoordde de dwerg, "meent gij, dat de
meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze
grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om
een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd
wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier
hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie
hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam
of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft,
u die op te leggen."
Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge
waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor
dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame,
aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het
teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door
den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd
was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens
had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigen livrei aannemende, die
doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.
Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handen
zag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot,
wanstaltig hoofd schuddend uitriep: "Weiger nu mijne bevelen--laat nu
eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen--twijfel nu nog, dat
ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele
Britsche ridderschap het bevel te voeren."
"In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit
teeken?" vroeg de ridder; "breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest
voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon,
door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap--en
let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts."
"Verliefd en dwaas ridder," antwoordde de dwerg; "wilt gij meer van
deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd
wordt, die door een koning worden overgebracht?--Wij hebben geen lust
om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht
van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut
verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid."
"Goede Nebectamus, bedenk u," hernam de ridder, "kan mijne dame
weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?--Is zij bewust,
dat mijn leven--o, waarom van mijn leven te spreken--maar dat mijne
eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te
bewaken--en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al
was het dan ook om haar te bezoeken!--Het is onmogelijk, de prinses
gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last
te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een
bode gekozen heeft."
"Nu, behoud uw geloof," hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof
hij de hoogte wilde verlaten, "er ligt mij weinig aan gelegen, of
gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame
zijt.... dus, vaarwel."
"Blijf, blijf--ik bid u, blijf," riep sir Kenneth; "beantwoord mij
slechts ééne vraag--is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij
deze plaats?"
"Wat doet er dat toe?" antwoordde de dwerg; "moet men de trouw
berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier,
die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald
wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone
eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal
gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als
deze onze boog een pijl kan brengen."
De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen,
dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.--"Zeg
mij," vroeg hij aan den dwerg; "wordt mijne tegenwoordigheid voor
een langen tijd vereischt?"
"Tijd!" antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: "wat noemt
gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet--het is slechts een
onbestemde naam--eene aaneenschakeling van ademhalingen, die des
nachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een
zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar
ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God
en zijne dame verricht?"
"Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid," zeide de
ridder. "En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van
eene daad in haar naam en om harentwille?--en kan die niet eens de
weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?"
"Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk," antwoordde de
dwerg; "en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien
zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.--Luister, koelbloedig
en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,--zeg hem,
dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken."
Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in
sir Kenneth's brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem,
dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen,
hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht
mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe
besluiten om eene gelegenheid--misschien de eenige, die hem ooit zou
worden aangeboden--te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij
haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De
dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan,
dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.
"Wacht, wacht nog een oogenblik," zeide de ridder, en prevelde toen
verder in zich zelven: "Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning
Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht
bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen
gekomen met lans en zwaard?--Tot eer van onze heilige Maagd en mijne
voortreffelijke dame."
"De ring, de ring," riep de dwerg ongeduldig; "valsch en traag ridder,
geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan
te zien."
"Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus," hernam de ridder;
"stoor mij niet in mijne gedachten.--Zoo de Sarraceenen thans juist
onze liniën aanvielen--zou ik dan hier staan als een gezworen vasal
van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd,
of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En
naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.--En
toch, Richard's last--mijne eigen belofte--Nebectamus, ik bezweer u
te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden."
"Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,"
antwoordde Nebectamus, "de maan beschijnt den gouden kogel, die haar
dak kroont, en eens konings losgeld waard is."
"Ik kan in een oogenblik terugkeeren," zeide de ridder, zijne oogen
moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. "Ik kan van daar
het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert--ik
wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om
terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell,
zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok
werpend; "houd hier de wacht en laat niemand naderen."
De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem
verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den
mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij
het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.
"Kom nu, goede Nebectamus," zeide de ridder, "laten wij ons spoeden
om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen."
"Laat zich haasten wie wil," antwoordde de dwerg barsch; "gij hebt u
geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik
niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden--gij loopt
niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn."
Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te
overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene
slak vertraagde--voor giften had sir Kenneth geene middelen--voor
vleien geen tijd--in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op,
en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij
weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen
bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond
zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest
waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne
aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij
deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den
kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en
hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even
verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van
den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en
hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.
Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden
had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den
ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem
dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te
slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen
zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte
van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat
hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde--hij
achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen,
die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht;
maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerg
had getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste,
om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.
Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door,
en hoorde den dwerg fluisteren: "Blijf hier, tot dat ik u roep."