HOOFDSTUK XII.

Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.

Gay.

In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene

gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de

krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane

beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond

helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op

den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame

schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden

te verdedigen, welke Richard's hoogmoed tot zijne vijanden had

gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van

den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de

oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe

onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier

had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet

om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij

hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne

eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift

als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare

omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand

tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de

onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet

langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt

worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als

ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet

meer onbekend en duister zijn.--Als hij op den hem aangewezen post

overvallen en gedood werd, zou zijn dood--en hij was overtuigd, dat

die roemrijk zou zijn--den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als

zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der

edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had

thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de

dwaas sterft.

Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke

hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien

wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en

hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht--moedig,

vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij

zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden

en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.

De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan

of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens

verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of

in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene

verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de

eenige metgezel van Kenneth's wacht, op wiens waakzaamheid hij rekende,

om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele

dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van

tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het

geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde

hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat

ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen

kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op

de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de

ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel

geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om

hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken,

door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder,

die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige

liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en

scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw

het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag,

tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.

"Wie is daar?" vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in

schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.

"In den naam van Merlin en Maugis," antwoordde eene heesche,

onaangename stem, "bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom

niet bij u."

"En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?" vervolgde

sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een

voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne

gedaante te kunnen onderscheiden. "Wees op uwe hoede--ik sta hier op

dood en leven."

"Neem uw langbeenigen satan bij u," zeide de stem, "of ik zal hem

met een pijl uit mijn handboog bezweren."

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog

gespannen werd.

"Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht," riep de Schot, "of

bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie

gij zijn moogt."

Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en,

zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen,

zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde

werpen,--een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit

wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich

echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit

de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt,

een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij

aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs

op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende,

die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik

bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien

buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij

dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde

zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.

Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van

zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam

hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk

maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was,

nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk

speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten

schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte

hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij

verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde,

vroeg hij op scherpen en vergramden toon: "krijgsman, waarom bewijst

gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd

is?--Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?"

"Groote Nebectamus," antwoordde de ridder, die de kwade luim van den

dwerg wilde doen bedaren, "dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u

maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op

mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het

voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht

te komen, of zich van mijn wapentuig meester te maken. Het zij u

voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel

onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats

vermag."

"Dit zal voldoende zijn," hernam Nebectamus, "zoo gij mij dadelijk

vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te

roepen."

"Groote heer," hervatte de ridder, "ook hierin kan ik u geen voldoening

geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den

dag bij deze banier te blijven--dus verzoek ik u, om mij ook in deze

zaak te verontschuldigen."

Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top;

maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek

ontsnappen.

"Kom," zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg

te versperren, "gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u

vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon,

wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid

den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon."

Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders

op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat

de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper

zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: "Ga voort,

Nebectamus--zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze

verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan de houri,

met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?"

"Hoe! verwaand ridder," antwoordde de dwerg, "meent gij, dat de

meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze

grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om

een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd

wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier

hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie

hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam

of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft,

u die op te leggen."

Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge

waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor

dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame,

aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het

teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door

den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd

was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens

had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigen livrei aannemende, die

doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.

Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handen

zag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot,

wanstaltig hoofd schuddend uitriep: "Weiger nu mijne bevelen--laat nu

eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen--twijfel nu nog, dat

ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele

Britsche ridderschap het bevel te voeren."

"In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit

teeken?" vroeg de ridder; "breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest

voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon,

door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap--en

let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts."

"Verliefd en dwaas ridder," antwoordde de dwerg; "wilt gij meer van

deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd

wordt, die door een koning worden overgebracht?--Wij hebben geen lust

om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht

van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut

verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid."

"Goede Nebectamus, bedenk u," hernam de ridder, "kan mijne dame

weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?--Is zij bewust,

dat mijn leven--o, waarom van mijn leven te spreken--maar dat mijne

eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te

bewaken--en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al

was het dan ook om haar te bezoeken!--Het is onmogelijk, de prinses

gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last

te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een

bode gekozen heeft."

"Nu, behoud uw geloof," hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof

hij de hoogte wilde verlaten, "er ligt mij weinig aan gelegen, of

gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame

zijt.... dus, vaarwel."

"Blijf, blijf--ik bid u, blijf," riep sir Kenneth; "beantwoord mij

slechts ééne vraag--is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij

deze plaats?"

"Wat doet er dat toe?" antwoordde de dwerg; "moet men de trouw

berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier,

die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald

wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone

eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal

gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als

deze onze boog een pijl kan brengen."

De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen,

dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.--"Zeg

mij," vroeg hij aan den dwerg; "wordt mijne tegenwoordigheid voor

een langen tijd vereischt?"

"Tijd!" antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: "wat noemt

gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet--het is slechts een

onbestemde naam--eene aaneenschakeling van ademhalingen, die des

nachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een

zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar

ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God

en zijne dame verricht?"

"Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid," zeide de

ridder. "En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van

eene daad in haar naam en om harentwille?--en kan die niet eens de

weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?"

"Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk," antwoordde de

dwerg; "en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien

zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.--Luister, koelbloedig

en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,--zeg hem,

dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken."

Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in

sir Kenneth's brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem,

dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen,

hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht

mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe

besluiten om eene gelegenheid--misschien de eenige, die hem ooit zou

worden aangeboden--te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij

haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De

dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan,

dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.

"Wacht, wacht nog een oogenblik," zeide de ridder, en prevelde toen

verder in zich zelven: "Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning

Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht

bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen

gekomen met lans en zwaard?--Tot eer van onze heilige Maagd en mijne

voortreffelijke dame."

"De ring, de ring," riep de dwerg ongeduldig; "valsch en traag ridder,

geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan

te zien."

"Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus," hernam de ridder;

"stoor mij niet in mijne gedachten.--Zoo de Sarraceenen thans juist

onze liniën aanvielen--zou ik dan hier staan als een gezworen vasal

van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd,

of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En

naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.--En

toch, Richard's last--mijne eigen belofte--Nebectamus, ik bezweer u

te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden."

"Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,"

antwoordde Nebectamus, "de maan beschijnt den gouden kogel, die haar

dak kroont, en eens konings losgeld waard is."

"Ik kan in een oogenblik terugkeeren," zeide de ridder, zijne oogen

moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. "Ik kan van daar

het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert--ik

wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om

terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell,

zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok

werpend; "houd hier de wacht en laat niemand naderen."

De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem

verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den

mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij

het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.

"Kom nu, goede Nebectamus," zeide de ridder, "laten wij ons spoeden

om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen."

"Laat zich haasten wie wil," antwoordde de dwerg barsch; "gij hebt u

geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik

niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden--gij loopt

niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn."

Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te

overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene

slak vertraagde--voor giften had sir Kenneth geene middelen--voor

vleien geen tijd--in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op,

en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij

weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen

bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond

zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest

waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne

aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij

deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den

kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en

hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even

verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van

den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en

hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.

Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden

had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den

ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem

dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te

slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen

zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte

van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat

hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde--hij

achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen,

die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht;

maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerg

had getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste,

om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.

Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door,

en hoorde den dwerg fluisteren: "Blijf hier, tot dat ik u roep."

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 14 / 36 题