HOOFDSTUK XI.

Een ding is zeker in ons Noordsche land;

Moed, geest, geboorte, rijkdom en verstand

Geeft aan benijding zijn bezitter prijs;

Vervolgt hem als een speurhond op zijn baan,

En grijpt de kans tot zijn verdelging aan.

Sir David Lindsay.

Leopold, Aartshertog van Oostenrijk, was de eerste bezitter van

dat edele land, waaraan de vorstelijke rang toekwam. Hij was in

het Duitsche rijk door zijne nauwe bloedverwantschap met Keizer

Hendrik den Ernstige tot de hertogelijke waardigheid verheven, en had

onder zijn bestuur de schoonste landschappen, welke door den Donau

besproeid worden. Zijn karakter is in de geschiedenis door ééne daad

van geweld en trouweloosheid bevlekt geworden, die juist uit deze

gebeurtenissen in het heilige Land sproot en toch was de schande van

Richard gevangen genomen te hebben, toen hij zonder begeleiding en

verkleed door Leopold's staten trok, niet uit zijn natuurlijk karakter

voortgesproten. Hij was veeleer een zwak en ijdel dan eerzuchtig

of wreed vorst. De vermogens van zijn geest stemden overeen met de

eigenschappen van zijn lichaam. Hij was groot, krachtig en schoon,

met een gelaat, waarin rood en wit een sterk contrast vormden, en

had lange, fladderende lokken en mooi haar. Maar er was eene zekere

stijfheid in zijn gang, die scheen te getuigen, dat hij door geene

genoegzame veerkracht bezield werd, om zulk eene massa in beweging

te brengen; en ter zelfder tijd scheen hem ook de rijkste kleeding

niet goed te staan. Als vorst scheen hij te weinig met zijne eigen

waardigheid vertrouwd; en daar hij dikwijls verlegen was, hoe hij

zijn gezag zou handhaven, wanneer de omstandigheden dit vorderden,

rekende hij zich dikwijls verplicht, om door daden en uitdrukkingen van

ontijdig geweld den grond te herwinnen, dien hij op eene gemakkelijke

en zachte wijze door een weinig meer tegenwoordigheid van geest in

het begin van den strijd had kunnen behouden.

Niet alleen waren deze gebreken voor anderen blijkbaar, maar de

Aartshertog zelf kon somtijds niet nalaten een smartelijk besef

te gevoelen, dat hij niet geheel geschikt was, om den hoogen rang,

dien hij had verworven, te handhaven. Hierbij kwam nog het sterke en

somtijds zeer gegronde vermoeden, dat anderen hem daarom minachtten.

Toen hij zich in het eerst, met een zeer vorstelijk gevolg, bij den

kruistocht aansloot, had hij zeer gewenscht, Richard's vriendschap

en vertrouwen te verwerven, en had stappen gedaan, om diens achting

te winnen, die de Koning van Engeland uit verstandige staatkunde had

moeten aannemen en beantwoorden. Maar de Aartshertog, hoewel niet

ontbloot van moed, was zoo ver beneden Leeuwenhart in de vurigheid

van gemoed, welke het gevaar zoekt, als eene bruid, dat de Koning hem

weldra in zekere mate minachtte. Ook verachtte Richard, als Normandisch

vorst--een volk, dat de matigheid steeds betracht had--de neiging van

den Duitscher voor de genoegens van de tafel, en in het bijzonder diens

misbruik van wijn. Om deze en andere persoonlijke redenen, beschouwde

de Koning van Engeland den Oostenrijkschen vorst spoedig met een

gevoel van verachting, dat hij zich geen moeite gaf te verbergen of te

verzachten, en dat de achterdochtige Leopold dus weldra opmerkte en met

diepen haat beantwoordde. De oneenigheid tusschen hen werd aangeblazen

door de geheime en staatkundige kuiperijen van Filips van Frankrijk,

een der schranderste monarchen van dien tijd, die het vurig en trotsch

karakter van Richard vreesde, hem als zijn natuurlijken mededinger

beschouwde, en zich daarenboven beleedigd gevoelde door de gebiedende

wijze, waarop deze,--als vasal van Frankrijk, voor zijne bezittingen op

het vaste land,--zich tegen zijn landheer gedroeg, zijne eigen partij

zocht te versterken, en die van Richard te verzwakken, door dat hij

de vorsten van minderen rang, welke zich bij den kruistocht bevonden,

vereenigde tegen hetgeen hij het overweldigende gezag van den Koning

van Engeland noemde. Dit waren de staatkunde en de gevoelens, die de

Aartshertog van Oostenrijk koesterde, toen Koenraad van Montserrat

besloot, om zijne jaloezie tegen Engeland aan te wenden, als het

middel, om het verbond der kruisvaarders op te lossen of ten minste

losser te maken.

De tijd, dien hij voor zijn bezoek koos, was de middag, en het

voorwendsel, dat hij den Aartshertog eenige uitgezochte wijnen van

Cyprus, die onlangs in zijne handen gevallen waren, wilde aanbieden,

en de verdienste daarvan met die der wijnen van Hongarije en den Rijn

vergelijken wilde. Eene mededeeling van deze strekking werd natuurlijk

beantwoord door eene vriendelijke uitnoodiging, om aan de tafel van den

Aartshertog deel te nemen, en alles aangewend, om aan het gastmaal den

glans van een souvereinen vorst te geven. Nochtans zag de verfijnde

smaak van den Italiaan meer lastige verkwisting dan zwier of pracht

in de uitstalling der spijzen, waaronder de tafel zuchtte.

De Duitschers bezaten, weliswaar, nog steeds het krijgshaftig

en oprecht karakter van hunne voorouders, die het Romeinsche

rijk overweldigden; maar tevens hadden zij een groot gedeelte

van hunne barbaarschheid behouden. De gewoonten en beginselen der

ridderschap waren onder hen niet tot zulk een graad van verfijning

gebracht, als onder de Fransche en Engelsche ridders; ook namen

zij de voorgeschreven regelen der gezelligheid niet in acht,

die men bij deze natiën beschouwde als den hoogsten trap hunner

beschaving uit te drukken. Aan de tafel van den Aartshertog zittende,

werd Koenraad pijnlijk aangedaan en verlustigd door den klank van

Teutoonsche geluiden, die zijn oor van alle kanten troffen, ondanks

de plechtigheid van een vorstelijken maaltijd. Hunne kleeding scheen

hem even zonderling toe, daar verscheidene Oostenrijksche edelen hunne

lange baarden behouden hadden, en bijna allen korte, bonte wambuizen

droegen, die op eene in het westen van Europa geheel ongewone wijze

gesneden, versierd en bezet waren.

Een groot aantal bedienden, oud en jong, verrichtten hun dienst

in de tent, mengden zich nu en dan in het gesprek, ontvingen van

hun meester de overblijfselen van het gastmaal, en verslonden

die terwijl zij achter het gezelschap stonden. Narren, dwergen

en minnezangers bevonden zich daar in eene zeer groote menigte,

en maakten meer gedruisch, toonden zich meer indringend, dan men

hun in beter geordende gezelschappen vergunde te zijn. Daar zij

verlof hadden om wijn te drinken zooveel zij wilden, die in groote

hoeveelheid stroomde, werd hun losbandig gedruisch hoe langer hoe

erger. Gedurende al dien tijd en te midden van een geschreeuw en eene

verwarring, die beter voor eene Duitsche herberg bij eene kermis,

dan voor de tent van een regeerend Vorst zou gepast hebben, werd de

Aartshertog met in achtneming van alle vormen en met allen eerbied,

waaruit bleek, hoe angstvallig hij was, om den stand en het karakter,

waartoe zijn hooge rang hem het recht gaf, vol te houden. Hij werd

op de knieën en alleen door knapen van edel bloed bediend, at van

zilveren borden en dronk zijn Tokaijer en Rijnschen wijn uit een

gouden beker. Zijn hertogsmantel was prachtig met hermelijn versierd;

zijne kroon kon in waarde een koningskroon evenaren, en zijne voeten,

met fluweelen schoenen bekleed--wier lengte met de lange snebben twee

voet konden bedragen,--rustten op een voetschabel van echt zilver. Maar

het verried toch het karakter van den man, dat hij, ofschoon begeerig

om den markies van Montserrat, dien hij uit beleefdheid aan zijne

rechterhand geplaatst had, zijne opmerkzaamheid te betoonen, veel meer

aandacht schonk aan zijn spreukspreker, dat is, den persoon, die achter

den rechter schouder van den Hertog stond en het gesprek gaande hield.

Deze was goed gekleed in een mantel en een wambuis van zwart fluweel;

het laatste was met velerlei gouden en zilveren munten versierd,

die daar opgestoken waren als gedachtenissen van de Vorsten,

die hem deze geschonken hadden; voorts droeg hij een korten staf,

waaraan ook bundels zilveren munten met ringen waren vastgemaakt,

waarmede hij placht te schellen, om de aandacht tot zich te trekken,

wanneer hij op het punt was iets te zeggen, dat hij waardig keurde

gehoord te worden. De betrekking van dezen man in de huishouding

van den Aartshertog was eenigermate tusschen die van minnezanger en

raadgever; hij was beurtelings vleier, dichter en redenaar, en zij

die op goeden voet met den Hertog wenschten te staan, legden zich er

gewoonlijk op toe, om de gunst van den spreukspreker te winnen.

Opdat de al te groote wijsheid van dezen ambtenaar niet vervelend

mocht worden, was aan den anderen schouder van den Hertog zijn hofnar,

Jonas Schwanker, geplaatst, die bijna even veel gedruisch met zijne

zotskap, schelletjes en speeltuig maakte, als de redenaar of spreker

met zijn schellenstok.

Deze beide personen lieten afwisselend ernstigen en grappigen onzin

hooren, terwijl hun meester, die er om lachte of ze toejuichte, toch

het gelaat van zijn edelen gast zorgvuldig gadesloeg, om te ontdekken,

welken indruk deze vertooning van Oostenrijksche welsprekendheid en

geestigheid op een zoo volmaakten ridder maakte. Het is moeilijk te

beslissen, of de man van wijsheid of die van dwaasheid het meest tot

het vermaak van het gezelschap bijdroeg, of het hoogst in de achting

bij hun vorstelijken heer stond; maar de opmerkingen en invallen van

beide schenen uitstekend goed opgenomen te worden. Somtijds werden

zij mededingers in het gesprek, en lieten hunne schertsende wapenen

in bijna onrustwekkenden strijd tegen elkander kletteren; maar over

het algemeen schenen zij op een zoo goeden voet met elkander te

staan, en zoo gewoon te zijn om elkanders boert te verdragen, dat

de spreukspreker zich dikwijls verwaardigde om op de geestigheid van

den nar eene verklaring te laten volgen, ten einde die te beter onder

het verstand van de toehoorders te brengen; zoodat zijne wijsheid eene

soort van commentaar van de dwaasheid van den nar werd. En somtijds gaf

van zijne zijde de hofnar door eene pittige scherts aan het slot van

de vervelende voordracht van den redenaar daaraan nog zekeren nadruk.

Wat ook Koenraad's werkelijk oordeel mocht zijn, hij droeg zorg,

dat zijn gelaat niets dan tevredenheid teekende over hetgeen hij

hoorde, en hij lachte en klapte even ijverig, naar den schijn, als de

Aartshertog zelf, over de plechtige dwaasheid van den spreukspreker

of de snappende geestigheid van den nar. In werkelijkheid lette hij

zorgvuldig op, tot dat de een of de ander een onderwerp van gesprek

te berde mocht brengen, dat gunstig was voor het plan, hetwelk hem

het meest het hart vervulde.

Het duurde niet lang, of de hofnar bracht den Koning van Engeland ter

sprake, daar hij gewoon was om Richard van den braam (Dickon of the

broom) als een aangenaam en onuitputtelijk onderwerp van vroolijkheid

te beschouwen. De redenaar zweeg weliswaar, en slechts toen Koenraad

zich tot hem wendde, antwoordde hij: "de genista, of braam, is een

zinnebeeld der nederigheid; en het zou goed zijn, indien zij, die

het dragen, deze waarschuwing indachtig waren."

De toespeling op het beroemde symbool van Plantagenet werd hierdoor

duidelijk genoeg, en Jonas Schwanker merkte op, dat zij, die zich

vernederd hadden, verhoogd waren geworden.

"Eere wien eere toekomt," sprak de markies van Montserrat; "wij

hebben allen eenig deel in deze tochten en veldslagen gehad, en

mij dunkt andere vorsten mochten wel een weinig deelen in den roem,

waaraan Richard van Engeland alleen zich onder de minnezangers meester

maakt. Heeft niet een van de joyeuse science (vroolijke kunst) een

lied op den lof van den koninklijken Aartshertog van Oostenrijk,

onzen vorstelijken gastheer?"

Drie minnezangers traden naar voren en wedijverden met stem

en harp. Twee werden met moeite tot zwijgen gebracht door den

spreukspreker, die als opziener over de vermakelijkheden scheen te

fungeeren, en eindelijk verkreeg de bevoorrechte dichter gehoor,

die in het Hoog-duitsch coupletten zong, ongeveer aldus luidende:

Welk dapper hoofd geleidt de scharen

Die 't roode kruis te samen bracht?

De beste ruiters, beste paarden

Het fierste hoofd en vederpracht.

Hier viel de redenaar, met zijn staf schuddende, den zanger in de

reden, om het gezelschap te verstaan te geven, wat het misschien

anders niet zou begrepen hebben, dat hun koninklijke gastheer de

bedoelde held was, en een volle bekranste beker ging rond onder het

gejuich van: Hoch lebe der Herzog Leopold. Er volgde een ander couplet:

Vraag niet aan Oostenrijk waarom toch

Te midden van de vorstenschaar

Zijn vaan als 't hoogste en fierste wappert!--

Het hoogste toch stijgt de adelaar.

"De adelaar," zeide hij die de duistere spreuken toelichtte, "is het

zinnebeeld van onzen edelen heer den Aartshertog--van zijne koninklijke

Hoogheid, wilde ik zeggen--en de adelaar vliegt het hoogst en het

meest nabij de zon van de geheele gevederde schepping."

"De leeuw heeft een sprong boven den adelaar gedaan," zeide Koenraad

los weg.

De Aartshertog kleurde, en vestigde zijne oogen op den spreker terwijl

de redenaar na een oogenblik nadenken antwoordde: "de heer markies

zal mij vergeven--een leeuw kan niet boven een arend vliegen, daar

geen leeuw vleugels heeft."

"Behalve de leeuw van St. Markus," zeide de nar.

"Dat is de Venetiaansche banier," antwoordde de Hertog; "maar voorzeker

zal toch dit tweeslachtig ras van half-edelen en half-kooplieden niet

wagen, om zijn rang met den onzen in vergelijking te brengen."

"Neen, het was niet van den Venetiaanschen leeuw dat ik sprak,"

hervatte de markies van Montserrat; "maar van de drie stappende

leeuwen van Engeland--te voren waren het, zegt men, luipaarden,

maar nu zijn het in alle opzichten leeuwen geworden, en zij moeten

de voorkeur hebben boven dier, visch en vogel, of wee hem, die zich

daartegen verzet."

"Meent gij dat in ernst, genadige heer?" vroeg de Oostenrijker,

thans door den wijn verhit; "meent gij, dat Richard van Engeland zich

een voorrang boven de vrije Vorsten aanmatigt, die vrijwillig zijn

bondgenooten in dezen kruistocht geweest zijn?"

"Ik leid het slechts af uit de omstandigheden," antwoordde Koenraad;

"ginds hangt zijne banier alleen in het midden van onze legerplaats,

alsof hij Koning en opperveldheer van ons geheel Christenleger ware."

"En verdraagt gij dit zoo geduldig, en spreekt gij zoo koelbloedig

daarover?" vroeg de Aartshertog.

"Neen, uwe Hoogheid," antwoordde Koenraad, "het betaamt den armen

markies van Montserrat niet, om zich tegen eene beleediging te

verzetten, waaraan zich zulke machtige Vorsten, als Filips van

Frankrijk en Leopold van Oostenrijk, onderworpen hebben. Een hoon,

waaraan gij u verkiest te onderwerpen, kan geen schande voor mij zijn."

Leopold balde de vuist en sloeg met geweld op de tafel.

"Ik heb dit Filips al dikwijls gezegd," riep hij, "ik heb hem herhaalde

malen gezegd, dat het onze plicht was om de mindere Vorsten tegen de

aanmatigingen van dien eilander te beschermen.--Maar hij antwoordt mij

altijd met koele opmerkingen omtrent hunne betrekkingen tot elkander

als leenheer en vasal, en dat het onstaatkundig van zijn kant zou zijn,

indien hij juist in dezen tijd met hem wilde breken."

"De wereld weet, dat Filips wijs is," hernam Koenraad, "en zal zijne

onderwerping voor staatkunde houden.--Van de uwe kunt gij zelf alleen

rekenschap geven; maar ik twijfel er niet aan, of gij hebt goede

redenen om u aan de Engelsche heerschappij te onderwerpen."

"Ik mij onderwerpen!" riep Leopold verontwaardigd.--"Ik de Aartshertog

van Oostenrijk, een zoo gewichtig en edel lid van het heilige

Romeinsche rijk.--Ik mij onderwerpen aan dien Koning van een half

eiland--dezen kleinzoon van een Normandischen bastaard!--Neen, bij den

Hemel! Het leger en de geheele Christenheid zullen zien, dat ik mij

zelven recht weet te verschaffen, en of ik een duim breed gronds aan

den Engelschen bulhond wil afstaan.--Op! mijne leenslieden en lustige

knapen, op en volgt mij!--wij willen--en wel zonder een oogenblik te

verliezen--den Oostenrijkschen adelaar plaatsen, waar hij zoo hoog

zweven zal, als ooit het zinnebeeld van een Koning of Keizer wapperde."

Met deze woorden rees hij van zijn stoel op, en onder het luidruchtig

gejuich van zijne gasten en volgelingen, ging hij tot voor de deur

van zijne tent, en greep zijn eigen banier, die daarvoor geplant was.

"Neen, uwe Hoogheid," zeide Koenraad, veinzende dat hij tusschen

beide wilde komen; "het zal uwe wijsheid tot schande strekken, om in

dit uur een strijd in de legerplaats aan te vangen, en misschien is

het beter zich nog eenigen tijd aan de overweldiging van Engeland te

onderwerpen, dan te...."

"Geen uur--geen oogenblik langer," schreeuwde de hertog, en met zijne

banier in de hand, en gevolgd door zijn juichende gasten en dienaren,

begaf hij zich met snelle schreden naar de hoogte in het middelpunt,

waarop de banier van Engeland wapperde, en sloeg zijne hand aan den

vaandelstok, als of hij dien uit den grond wilde rukken.

"Mijn meester, mijn dierbare meester!" riep Jonas Schwanker, zijne

armen om den hertog slaande--"wacht u--leeuwen hebben tanden--"

"En arenden hebben klauwen," antwoordde de hertog, zonder den

vaandelstok los te laten, maar toch aarzelende om dien uit den grond

te rukken.

Maar de spreukspreker had, in weerwil van zijn beroep, somtijds

oogenblikken van gezond verstand. Hij schudde krachtig met zijn staf,

en Leopold wendde uit gewoonte zijn hoofd naar zijn raadsman.

"De adelaar is koning onder de vogels van de lucht," zeide hij,

"zoo als de leeuw onder de dieren des velds--ieder heeft zijn gebied,

even ver van een gescheiden als Engeland van Duitschland--doe, edele

adelaar, den vorstelijken leeuw geen schimp aan, maar laat uwe banieren

vreedzaam naast elkander wapperen."

Leopold trok zijne hand van den vaandelstok en zag naar Koenraad

van Montserrat om, maar hij bespeurde hem niet meer; want zoodra de

markies zag dat het onheil was gesticht, had hij zich uit het gedrang

verwijderd, terwijl hij eerst voorzichtig in tegenwoordigheid van

verscheidene onzijdige personen zijn leedwezen te kennen gaf, dat de

Aartshertog het uur na het middagmaal gekozen had, om een hoon te

wreken, waarover hij mocht meenen reden tot klagen te hebben. Zijn

gast niet ziende, tot wien hij zich meer bijzonder had wenschen te

richten, zeide de Aartshertog luid, dat, daar hij niet wenschte eenige

oneenigheid in het leger van het kruis te veroorzaken, hij slechts

zijne eigen voorrechten handhaafde, en het recht om op gelijken

voet met den Koning van Engeland te staan, zonder te verlangen, zoo

als hij had kunnen doen, dat zijne banier, die hij van de Keizers,

zijne voorouders, geërfd had, de voorkeur had boven die van een

eenvoudig afstammeling der graven van Anjou; te gelijker tijd liet

hij een vat wijn daarheen brengen en opensteken, om de omstanders te

onthalen, welke onder trommelgeslag en muziek menigen beker rondom

den Oostenrijkschen standaard ledigden.

Dit ongeregelde tooneel vond niet plaats zonder een gedruisch, die

de geheele legerplaats in oproer bracht.

Het beslissend uur was gekomen, waarop de geneesheer, volgens de

regelen zijn koninklijke lijder veilig kon gewekt worden, en met

dat doel de spons gebruikt. De geneesheer had nog niet veel meerdere

waarnemingen gemaakt, of hij verzekerde den baron van Gilsland, dat

de koorts zijn Koning geheel had verlaten, en dat de kracht van zijn

gestel zoo groot was, dat het niet eens, gelijk in de meeste gevallen,

noodig zou zijn, hem eene tweede dosis van het heilzame geneesmiddel

te geven. Richard zelf scheen van hetzelfde gevoelen te zijn, want,

terwijl hij zich in het bed oprichtte en zijne oogen wreef, vroeg hij

aan de Vaux, welke som gelds er voor het oogenblik in de koninklijke

kas was?

De baron kon hem dit niet juist zeggen.

"Het doet er niet toe," zeide Richard; "zij moge grooter of kleiner

zijn, schenk ze geheel aan dezen geleerden arts, die naar ik vertrouw,

mij aan den dienst van den kruistocht heeft teruggeschonken. Zoo het

minder is dan duizend byzantynen, geef hem dan juweelen, om dit bedrag

vol te maken."

"Ik verkoop de wijsheid niet, die Allah mij geschonken heeft,"

antwoordde de Arabische geneesheer; "en verneem, groote Koning,

dat de goddelijke artsenij, die gij gebruikt hebt, hare uitwerking

in mijne onwaardige hand zou verliezen, indien ik ze voor goud of

edelgesteenten weggaf."

"Hij weigert eene belooning!" zeide de Vaux bij zich zelven. "Dit is

meer te verwonderen dan dat hij honderd jaren oud is."

"Thomas de Vaux," zeide Richard, "gij kent geen anderen moed, dan

dien, welke tot het zwaard behoort, geene goedheid en deugd, dan die

welke in de ridderschap te pas komt. Ik zeg u, dat deze Moor in zijne

onafhankelijkheid, tot een voorbeeld zou kunnen strekken voor hen,

die zich de bloem der ridderschap achten te zijn."

"Het is belooning genoeg voor mij," zeide de Moor, zijne armen over

de borst vouwende, en te gelijk een eerbiedige en waardige houding

aannemende, "dat een zoo groot Koning, als Melek Ric, op deze wijze

van zijn dienaar spreekt.--Maar, laat ik u bidden, om u weder op uw

bed te leggen; want, ofschoon ik denk, dat de goddelijke drank niet

behoeft herhaald te worden, zou eene te vroege inspanning, eer nog

uwe krachten geheel hersteld zijn, nadeelig kunnen zijn."

"Ik moet u gehoorzamen, Hakim," antwoordde de Koning; "evenwel geloof

mij, mijn boezem gevoelt zich zoo vrij van het vernielende vuur, dat

zoo vele dagen lang hem verschroeid heeft, dat ik er niet om geef,

hoe spoedig ik die aan de hand van een braaf man blootstel.--Maar

luister! wat beteekent dat geschreeuw en die muziek in de verte in

het kamp? Ga, Thomas de Vaux, en verneem wat er gebeurt?"

"Het is de Aartshertog Leopold," zeide de Vaux, na eene afwezigheid

van een oogenblik terugkeerende, "die met zijne drinkgezellen een

optocht door het leger houdt."

"Die dronken dwaas!" riep Koning Richard, "kan hij zijne beestachtige

dronkenschap niet onder het zeil van zijne tent verbergen, en moet

hij zijne schande voor de geheele Christenheid tentoonspreiden? Wat

zegt gij daarvan, heer markies?" voegde hij er bij, zich tot Koenraad

van Montserrat wendende, die op dit oogenblik de tent binnentrad.

"Zoo veel, geëerde Vorst," antwoordde de markies, "dat ik uwe Majesteit

zoo wel en zoo ver hersteld vind; en dit is een lange redevoering voor

iemand, die aan de gastvrijheid van den Aartshertog van Oostenrijk

heeft deel genomen."

"Hoe! gij hebt met het Teutoonsche wijnvat gegeten", zeide de monarch;

"en welke lustige invallen hebben hem tot al deze rumoerige tooneelen

bewogen? Waarlijk, heer Koenraad, ik heb u altijd voor een zoo goeden

dischgenoot gehouden, dat ik mij verwonder, dat gij het spel verlaten

hebt."

De Vaux, die een weinig achter den Koning gegaan was, poogde nu den

markies door teekens en blikken te doen verstaan, dat hij Richard

niets zeggen moest van hetgeen er buiten voorviel. Maar Koenraad

begreep het verbod niet, of wilde er geen acht op slaan.

"Wat de Aartshertog doet," antwoordde hij, "is van weinig belang

voor iemand anders, en het minst voor hem zelven, daar hij denkelijk

niet weet, wat hij doet--evenwel, om de waarheid te zeggen, is het

een grap, waaraan ik niet gaarne deel zou willen nemen, daar hij de

banier van Engeland van den berg van St. George, ginds in het midden

van de legerplaats, rukt, en de zijne in hare plaats plant."

"Wat zegt gij?" vroeg de Koning op een toon, die de dooden had kunnen

opwekken.

"Neen," zeide de markies, "laat het uwe Majesteit niet vertoornen,

zoo een dwaas naar zijne dwaasheid handelt."

"Zeg mij niets," zeide Richard, van zijne legerstede opspringende,

en zijne kleederen met een spoed aantrekkende die wonderbaarlijk

scheen--"zeg mij niets, heer markies!--De Multon, ik beveel u mij

geen woord te zeggen--hij, die slechts eene syllabe over de lippen

laat komen, is geen vriend van Richard Plantagenet.--Hakim, zwijg,

ik gelast het u!"

Onder het uitspreken van die woorden kleedde de Koning zich haastig

aan, en bij het laatste woord greep hij zijn zwaard van de pilaar der

tent, en snelde naar buiten zonder eenig ander wapen te nemen, of eenig

gevolg te roepen. Koenraad, als ten prooi aan de hoogste verbazing

zijne handen ten hemel heffende, scheen voornemens met de Vaux een

gesprek te beginnen; maar sir Thomas snelde hem zonder omslag voorbij,

en zeide haastig, een der koninklijke stalmeesters roepende: "Vlieg

naar het kwartier van lord Salisbury, en laat hij zijne manschappen

verzamelen, en mij dadelijk naar den St. George's-berg volgen.--Zeg

hem, dat de koorts van den Koning zijn bloed heeft verlaten en in

zijne hersens is geslagen."

De verschrikte stalmeester, die deze haastige woorden van de Vaux

slechts onvolkomen gehoord had, en nog onvolkomener verstond,

vloog met zijne volgelingen haastig uit het koninklijk vertrek,

naar de tenten van de naburige edellieden, en verspreidde snel door

het geheele Britsche leger eene onrust, die even algemeen als de

oorzaak daarvan onbekend was. De Engelsche soldaten, verschrikt uit

de middagrust gewekt, die de hitte van het klimaat hen geleerd had

als eene soort van weelde te beschouwen, vroegen elkander haastig

naar de oorzaak van het gedruisch, en vulden, zonder een antwoord af

te wachten, door hunne eigen verbeeldingskracht het onvolledige van

de mededeeling aan. Eenigen zeiden, dat de Sarraceenen in het leger

waren; anderen, dat men een aanslag op het leven des Konings maakte;

sommigen, dat hij den vorigen nacht aan de koorts gestorven was;

verscheidenen, dat hij door den Hertog van Oostenrijk was vermoord. De

edellieden en officieren, even onthutst als de gemeenen, en buiten

staat om de ware oorzaak van de wanorde op te geven, trachtten slechts

hunne onderhoorigen onder de wapens in bedwang te krijgen, uit vrees

dat hunne onbezonnen drift het leger der kruisvaarders een of ander

groot ongeluk veroorzaken mocht. De Engelsche trompetten klonken luid,

schel en aanhoudend. De wapenkreet van "bogen en strijdbijlen--bogen en

strijdbijlen," liet zich van kwartier tot kwartier hooren, weergalmde

op nieuw en werd nogmaals beantwoord door de tegenwoordigheid der

slagvaardige krijgslieden en hun nationalen kreet: "St. George voor

het vroolijke Engeland."

Het alarm verspreidde zich door het aangrenzende gedeelte van het

leger, en er verzamelden zich mannen van al de verschillende natiën,

daar bijna ieder volk van de Christenheid zijne vertegenwoordigers

aldaar had, en alle trokken samen onder eene algemeene verwarring,

waarvan zij de reden noch het doel kenden. Het was echter gelukkig,

dat de Graaf van Salisbury te midden van een zoo dreigend tooneel,

en terwijl hij slechts met eenige weinigen van de vlugste Engelsche

gewapenden op bevel van de Vaux voortijlde, beval, dat het overige

van het Britsche leger in slagorde geschaard en onder de wapens

gehouden zou worden, om tot Richard's bijstand te kunnen aanrukken,

indien de nood dit vorderen mocht, maar onder behoorlijke aanvoering

en in eene gepaste orde, en niet met de onordelijke haast, die hunne

eigen ongerustheid en hun ijver voor de veiligheid des Konings hun

zou hebben kunnen ingeven.

Onderwijl vervolgde Richard, zonder in het minst acht te slaan op

het geschreeuw en geraas, dat rondom hem begon toe te nemen, met

zijne kleeding in de grootste wanorde en zijn ontbloot zwaard onder

den arm, zijn weg met de uiterste snelheid, alleen door de Vaux en

eenige dienaren van zijn huis gevolgd, naar den berg van St. George.

Hij kwam daar aan zelfs vóór den drom, die zijne onstuimigheid had

doen samenkomen, en trok door het kwartier van zijne eigen dappere

troepen van Normandië, Poitou, Gaskonje en Anjou, voor dat het alarm

hen bereikt had, ofschoon het getier, dat de Duitschers bij hun

maaltijd maakten, verscheidenen van de soldaten op de been gebracht

had, om daarnaar te luisteren. De kleine schaar van Schotten lag ook in

de nabijheid, en was evenmin door het oproer gestoord geworden. Maar

de ridder van den Luipaard bespeurde zoowel den persoon als de haast

van den Koning, en begrijpende, dat er gevaar op handen moest zijn,

en zich spoedende om daarin te deelen, greep hij schild en zwaard, en

voegde zich bij de Vaux, die met eenige moeite met zijn ongeduldigen

en vurigen meester gelijken tred hield. De Vaux beantwoordde een

nieuwsgierigen blik, dien de Schotsche ridder op hem wierp, door

zijne breede schouders op te halen, en zij volgden naast elkander de

schreden van den Koning.

Richard was spoedig aan den voet van den St. Georgeberg waarvan de

hellingen zoowel als de top thans omring en bezet waren, gedeeltelijk

door het gevolg van den Hertog van Oostenrijk, dat met een juichend

geschreeuw de daad prees, die het als eene verdediging hunner nationale

eer beschouwde; gedeeltelijk door omstanders van verschillende natiën,

die haat tegen de Engelschen of bloote nieuwsgierigheid bijeengebracht

had, om het einde van deze buitengewone gebeurtenis af te wachten. Door

dezen ongeregelden hoop baande Richard zich een weg, als een statig

schip met volle zeilen, dat de onstuimige baren doorklieft, en er

zich niet aan stoort, dat men zich achter zijn steven vereenigt en

in zijn weg voortbruist.

Op den top van den heuvel was eene kleine effen ruimte, waarop

de mededingende banieren geplant, en nog door de vrienden en het

gevolg van den Aartshertog omringd waren. In het midden van den

kring stond Leopold zelf, nog met zelfvoldoening de daad, die hij

verricht had, aanschouwende, en nog steeds naar de toejuiching en

het geschreeuw luisterende, waarbij zijne aanhangers hun adem niet

spaarden. Terwijl hij zich zelf aldus gelukwenschte, drong Richard

in den kring, weliswaar slechts door twee personen vergezeld, maar

door zijne eigen buitengewone kracht aan een onverwinlijk leger gelijk.

"Wie heeft," zeide hij, zijne hand aan den Oostenrijkschen standaard

slaande, en op een toon sprekende, als die, welke eene aardbeving

voorafgaat; "wie heeft dit ellendige vod naast de banier van Engeland

durven planten?"

Het ontbrak den Aartshertog niet aan persoonlijken moed, en hij kon

onmogelijk deze vraag hooren, zonder daarop te antwoorden. Maar hij

was zoo ontsteld en verrast door de onverwachte komst van Richard en

door den algemeenen schrik, dien zijn vurig en doortastend karakter

inboezemde, getroffen, dat de vraag tweemaal werd herhaald op een

toon, die hemel en aarde scheen uit te dagen, eer de Aartshertog

met zooveel vastheid, als waartoe hij in staat was antwoordde:

"Ik was het, Leopold van Oostenrijk."

"Dan zal Leopold van Oostenrijk," riep Richard, "dadelijk zien, op

welken prijs Richard van Engeland zijne banier en zijne eischen stelt."

Met deze woorden rukte hij den standaardstok uit, brak dien in

splinters, wierp de banier zelve op den grond, en zette zijn voet

er op.

"Zoo," riep hij, "treed ik op de banier van Oostenrijk. Is er een

ridder onder uwe Teutoonsche ridderschap, die het waagt, om mij wegens

mijne daad aan te klagen?"

Er ontstond eene kortstondige stilte; maar er zijn geene dapperder

mannen dan de Duitschers.

"Ik," en "ik", en "ik", riepen verscheiden ridders uit het gevolg

van den Hertog; en hij zelf voegde zijne stem bij diegene, welke de

uitdaging van den Koning van Engeland aannamen.

"Waarom dralen wij dan nog?" zeide Graaf Wallenrode, een reusachtig

krijgsman van de grenzen van Hongarije. "Broeders en edele heeren,

de voet van dezen man staat op de eer van uw vaderland.--Laat ons

die van het geweld bevrijden, weg met den hoogmoed van Engeland!"

Dit zeggende trok hij zijn zwaard, en deed een slag naar den Koning,

die noodlottig had kunnen worden, zoo de Schot dien niet met zijn

schild opgevangen had.

"Ik heb gezworen," riep Koning Richard--en zijne stem liet zich boven

al het gedruisch hooren, dat nu wild en luid begon te worden--"nooit

iemand met mijn zwaard te treffen, die het kruis op zijne schouders

zou dragen; daarom leef, Wallenrode--maar leef om aan Richard van

Engeland te denken."

Bij deze woorden greep hij den grooten Hongaar om het midden, en,

daar hij zoo min in het worstelen als in andere krijgsoefeningen zijn

gelijken had, slingerde hij hem met zulk een geweld van zich, alsof de

massa uit een krijgswerktuig geworpen werd, niet alleen door den kring

van toeschouwers, die getuigen van dit zonderling tooneel waren, maar

over den rand van den berg zelven, langs den steilen kant van welken

Wallenrode hals over kop naar beneden rolde, tot dat hij eindelijk

met zijn schouderbeen uit het lid neerkwam, en daar als dood liggen

bleef. Deze bijna bovennatuurlijke betooning van kracht moedigde noch

den Hertog noch een zijner volgelingen aan, om een persoonlijke strijd

te hernieuwen, die met zoo weinig goed gevolg begonnen was. Zij, die

het verst afstonden, sloegen wel op hunne schilden en schreeuwden:

"houwt den Engelschen bulhond in stukken!" maar degenen welke

naderbij waren, bewimpelden misschien hunne eigen vrees onder eene

geveinsde achting voor de orde, en riepen voor het grootste gedeelte:

"vrede! vrede! de vrede van het kruis--de vrede van het heilige

kruis--de vrede van de heilige kerk, en onzen vader den Paus!"

Dit verschillend geschreeuw der aanvallers, die elkander tegenspraken,

getuigde van hunne besluiteloosheid; terwijl Richard, met den voet nog

steeds op de Aartshertogelijke banier staande, om zich heen zag met

een oog, dat een vijand scheen te zoeken, en waarvoor de verbitterde

edelen vol schrik terugdeinsden, als voor den dreigenden greep van een

leeuw. De Vaux en de ridder van den Luipaard hielden hunne plaatsen

naast hem; en ofschoon hunne zwaarden nog in de schede rusten, was

het duidelijk, dat zij gereed stonden, om Richard's persoon tot op

het uiterste te verdedigen, en hunne grootte en aanzienlijke kracht

liet genoeg verwachten, dat die verdediging wanhopig zoude zijn.

Salisbury en zijne lieden rukten thans ook aan, met getrokken zwaarden,

opgeheven bijlen en reeds gespannen bogen.

Op dit oogenblik kwam Koning Filips van Frankrijk, vergezeld door

een of twee zijner edellieden, op de platte ruimte, om naar de

reden van deze ongeregeldheden te vernemen, en gaf alle teekenen

van verbazing, toen hij bevond, dat de Koning van Engeland van zijn

ziekbed was opgestaan, en in eene zoo dreigende en beleedigende

houding tegenover hun gemeenschappelijken bondgenoot, den Hertog van

Oostenrijk stond. Richard zelf bloosde, toen hij zoo door Filips,

wiens schranderheid hij even hoog achtte als hij zijn persoon haatte,

in eene houding betrapt werd, die voor hem noch als monarch noch

als kruisvaarder paste; en men bespeurde, dat hij zijn voet, als het

ware bij toeval, van de onteerde banier terugtrok, en zijn blik van

hevige ontroering in een van geveinsde bedaardheid en onverschilligheid

veranderde. Leopold beproefde evenzeer eenige kalmte te verkrijgen, hoe

gekrenkt hij ook was, dat men hem zich lijdzaam aan de beleedigingen

van den driftigen Koning van Engeland had zien onderwerpen.

Filips, in het bezit van vele van die koninklijke eigenschappen, waarom

zijne onderdanen hem den bijnaam van "l'Auguste", den verhevene,

gaven, kon de Ulysses van den kruistocht genoemd worden, zoo als

Richard ongetwijfeld de Achilles daarvan was. De Koning van Frankrijk

was scherpzinnig, wijs, bedachtzaam in den raad, vast en bedaard in

het handelen, de maatregelen ten nutte van zijn koninkrijk duidelijk

doorziende, en die standvastig doorzettende--waardig en koninklijk

in zijne houding, dapper van persoon, maar veeleer een staatsman dan

een krijgsman. De kruistocht was geene vrijwillige onderneming van

zijne zijde geweest, maar de geest was besmettelijk, en de onderneming

werd hem opgedrongen door de kerk en den algemeenen wensch van zijn

adel. Onder andere omstandigheden of in eene eeuw waarin zachter

reden heerschten, zou zijn karakter hooger gestaan hebben, dan dat

van den avontuurlijken Richard Leeuwenhart. Maar in den kruistocht,

op zich zelf eene zeer zinnelooze onderneming, was gezond verstand

de hoedanigheid, die het minst geacht werd, en aan de ridderlijke

dapperheid, die zoowel de eeuw als de onderneming eischte, werd meer en

meer te kort gedaan, zoo ze met den minsten zweem van bescheidenheid

vermengd was. Zoo vertoonde de verdienste van Filips, vergeleken bij

die van zijn trotschen mededinger, zich als de heldere, maar kleine

vlam eener lamp, geplaatst naast den glans van eene groote, flikkerende

toorts, die tien malen meer indruk op het oog maakt, ofschoon zij

niet de helft van het nut der eerste bezit. Filips gevoelde hoe hij

in de openbare meening beneden Richard werd gesteld en de hooghartige

vorst leed daaronder; het is daarom niet te verwonderen, dat hij elke

gelegenheid, die zich aanbood, aangreep, om zijn eigen karakter in

een voordeeliger licht met dat van zijn mededinger te plaatsen. De

tegenwoordige scheen eene dier gelegenheden, waarin voorzichtigheid

en kalmte met recht konden doen verwachten, dat zij de zegepraal over

hardnekkigheid en hevig geweld zouden behalen.

"Wat beduidt deze onbetamelijke twist tusschen broeders die trouw

gezworen hebben aan het kruis--zijne koninklijke Majesteit van Engeland

en den vorstelijken Leopold? Hoe is het mogelijk, dat zij, die de

opperhoofden en steunpilaren van dezen heiligen krijgstocht zijn...."

"Staak uwe vertoogen, Koning van Frankrijk," zeide Richard, inwendig

vergramd, omdat hij zich in zekere mate gelijkgesteld zag met Leopold,

en toch niet wetende, hoe zijne gevoeligheid te kennen te geven,--"deze

hertog of prins of pilaar, zoo als gij wilt, is onbeschoft geweest,

en ik heb hem getuchtigd--dat is alles.--Hier heeft een oploop plaats,

omdat men een jachthond een schop heeft gegeven."

"Uwe Majesteit van Frankrijk," hervatte de hertog, "ik beroep mij

op u en alle souvereine vorsten tegen de schandelijke beleediging,

die ik ondervonden heb. Deze Koning van Engeland heeft mijne banier

neergerukt--verscheurd en vertreden."

"Omdat hij de stoutheid gehad heeft, om die naast de mijne te planten,"

hernam Richard.

"Mijn rang gaf mij daar evenveel recht op als u de uwe," hervatte de

hertog, door de tegenwoordigheid van Filips stout geworden.

"Beweer zulk eene gelijkheid voor uw persoon," antwoordde Koning

Richard, "en bij St. George, ik zal uw persoon behandelen, zoo als

ik uw geborduurden doek behandeld heb, die slechts voor de minste

diensten geschikt is."

"Geduld maar, broeder van Engeland," zeide Filips; "en ik zal den

hertog van Oostenrijk dadelijk overtuigen, dat hij ongelijk in deze

zaak heeft.--Denk niet, edele hertog," vervolgde hij, "dat wij,

de onafhankelijke vorsten van de kruisvaart, eenige minderheid

beneden Koning Richard erkennen, door dat wij hem vergunnen, dat de

standaard van Engeland de hoogste plaats in het kamp inneemt. Het

zou dwaas zijn, dit te denken, daar zelfs de oriflamme, de groote

banier van Frankrijk, waarvan Koning Richard zelf wegens zijne Fransche

bezittingen slechts vasal is, voor het tegenwoordige aan de Leeuwen van

Engeland is onderworpen. Maar, als gezworen broeders van het kruis,

krijgshaftige pelgrims, die, met ter zijde stelling van de pracht

en praal der wereld, met onze zwaarden den weg naar het Heilige

Graf banen, hebben ik zelf en de andere vorsten aan Koning Richard,

uit hoofde van zijn naam en zijne groote wapenfeiten, dien voorrang

afgestaan, dien wij hem anders en om andere redenen niet zouden hebben

ingewilligd. Ik ben overtuigd, dat, wanneer uwe koninklijke Hoogheid

dit zal overwogen hebben, gij uw leedwezen zult verklaren voor het

planten van uwe banier op deze plek, en dat zijne Majesteit de Koning

van Engeland u dan voldoening voor de aangedane beleediging zal geven."

De spreukspreker en de nar hadden zich beide op veiligen afstand

begeven, toen het tot slagen scheen te komen, maar keerden terug,

toen woorden hunne eigene wapenen, weder aan de orde van den dag

schenen te komen. De man der spreuken scheen zoo voldaan over de

staatkundige redeneering van Filips, dat hij bij het slot ervan met

zijn stok rammelde, als het ware om hem kracht bij te zetten, en de

personen, in tegenwoordigheid van wie hij zich bevond, zoo ver scheen

uit het oog te verliezen, dat hij luid zeide, dat hij zelf in zijn

geheele leven niets verstandigers gezegd had.

"Dat kan zijn," fluisterde Jonas Schwanker, "maar wij zullen gegeeseld

worden, als gij zoo luid spreekt."

De hertog antwoordde norsch, dat hij zijn twist aan den algemeenen

raad van den kruistocht zou onderwerpen--een voorstel dat Filips ten

hoogste goedkeurde als meest geschikt om een schandaal uit den weg

te ruimen, dat allerschandelijkst voor het Christendom was.

Richard, dezelfde onverschillige houding bewarende, luisterde naar

Filips, totdat diens welsprekendheid uitgeput scheen, en zeide toen

luid: "Ik ben slaperig--deze koorts zit mij nog in de leden. Broeder

van Frankrijk, gij kent mijn karakter, en dat ik ten allen tijde maar

weinig woorden spreek--weet derhalve, eens en vooral, dat ik eene

zaak, die de eer van Engeland betreft, aan prins, paus noch raad wil

onderwerpen. Hier staat mijne banier--welk vaandel ook drie schreden

van daar zal opgericht worden--ja, al ware het de oriflamme zelve,

van welke gij, zoo als ik meen, zoo even gesproken hebt, zal als dat

onteerde vod behandeld worden. Ook zal ik geen andere voldoening geven,

dan die welke deze arme leden in het strijdperk aan ieder vermetel

uitdager kunnen verschaffen--ja, al ware het tegen vijf kampioenen

in plaats van tegen éénen."

"Nu," zeide de nar fluisterende tot zijne makker, "dat is een zoo

volkomen stuk van dwaasheid, alsof ik het zelf gezegd had--maar ik

geloof, dat er in deze zaak een nog grooter gek is dan Richard."

"En wie zou dat zijn?" vroeg de man der wijsheid.

"Filips," antwoordde de nar, "of onze eigen koninklijke hertog, zoo

een van beide de uitdaging aannam.--Maar o, allerwijste spreukspreker,

welke voortreffelijke koningen zouden wij beide geworden zijn, daar

zij, aan wier hoofd deze kroonen te beurt zijn gevallen, den redenaar

en den nar even volmaakt als wij kunnen spelen."

Terwijl deze waardige personen hunne ambten onder elkander vervulden,

antwoordde Filips bedaard op de bijna beleedigende uitdaging van

Richard: "Ik ben niet herwaarts gekomen om nieuwe twisten aan te

stoken, tegen den door ons gezworen eed en de heilige zaak, waartoe wij

ons verbonden hebben. Ik scheid van mijn broeder van Engeland zoo als

broeders scheiden moeten, en de eenige strijd tusschen de Leeuwen van

Engeland en de Leliën van Frankrijk zal voortaan zijn, welke van beide

het verst in de gelederen der ongeloovigen zullen gevoerd worden."

"Dat neem ik aan, mijn koninklijke broeder," zeide Richard, zijne hand

uitstrekkende met al de openhartigheid, die in zijn oploopend maar

edelmoedig karakter lag; "en mogen wij spoedig gelegenheid hebben,

om dezen dapperen en broederlijken twist te beslissen."

"Laat dezen edelen hertog ook in de vriendschap van dit oogenblik

deelen," zeide Filips; en de hertog naderde, half ontevreden, half

gewillig, om in eenige schikking te treden.

"Ik denk aan dwazen en hunne dwaasheid niet," zeide Richard

onverschillig, en de Aartshertog, hem den rug toekeerende, verwijderde

zich.

Richard zag hem na.

"Er is eene soort van glimworm en moed," zeide hij, "die zich slechts

in den nacht vertoont. Ik moet deze banier in de duisternis niet

onbewaakt laten--bij het daglicht zal de blik van den leeuw alleen

haar verdedigen. Hier Thomas van Gilsland, ik stel den standaard

onder uwe hoede--bewaak de eer van Engeland."

"Het behoud van Engeland is mij nog dierbaarder," antwoordde de Vaux,

"en het leven van Richard maakt het behoud ervan uit.--Ik moet uwe

Hoogheid in uwe tent terug hebben, en dat zonder verder talmen."

"Gij zijt een ruw en heerschzuchtig ziekenoppasser, de Vaux," hernam de

Koning glimlachend, en vervolgde toen, zich tot Sir Kenneth wendende:

"dappere Schot, ik ben u een dank schuldig, en zal dien rijkelijk

betalen. Daar staat de banier van Engeland--bewaak die, als een

nieuweling zijne wapenrusting, in den nacht, vóór dat hij tot ridder

geslagen wordt.--Ga geene drie speren er van af, en verdedig haar met

uw lichaam tegen alle beleediging en elken schimp.--Blaas op uw horen,

zoo gij door meer dan drie tegelijk aangevallen wordt. Neemt gij den

last op u?"

"Gaarne," antwoordde Kenneth; "en ik zal dien op straffe van het

verlies van mijn hoofd vervullen.--Ik wil mij slechts wapenen en

dadelijk hier terugkeeren."

Daarop namen de koningen van Frankrijk en Engeland een plechtstatig

afscheid van elkander, terwijl beide, onder een vriendelijk

voorkomen, de redenen tot klachten, die zij tegen elkander hadden,

verborgen--Richard tegen Filips wegens zijne, naar het hem voorkwam,

voorbarige tusschenkomst in zijn twist met den Hertog van Oostenrijk,

en Filips tegen Leeuwenhart wegens de minachtende wijze, waarop

door dezen zijne bemiddeling was ontvangen. Zij, welke deze

rumoerige tooneelen samengebracht hadden, verspreidden zich thans

in verschillende richtingen, en lieten den betwisten berg in zijne

eenzaamheid, die geheerscht had, totdat zij door de Oostenrijksche

pocherij verbroken werd. Ieder beoordeelde de voorvallen van den

dag naar zijn eigen partijdige inzichten. Terwijl de Engelschen den

Oostenrijker beschuldigden van de eerste aanleiding tot den twist te

hebben gegeven, stemden de mannen van andere natiën daarin overeen, om

den grootsten blaam op den trots van den eilander en het heerschzuchtig

karakter van Richard te werpen.

"Gij ziet," zeide de markies van Montserrat tot den grootmeester

der Tempeliers, "dat zachte wegen meer vermogen dan geweld. Ik heb

de banden losgemaakt, die dezen bundel van scepters en lansen aan

elkander hechten--gij zult ze binnen kort uit elkander zien vallen."

"Ik zou uw plan goedgekeurd hebben," hervatte de Tempelier, "zoo er

slechts één moedig man onder gindsche koudbloedige Oostenrijkers

ware geweest, om de banden, waarvan gij spreekt, met zijn zwaard

door te hakken;--een losgemaakte knoop kan weder vastgemaakt worden,

maar niet het koord, dat in stukken is gehouwen."

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina · 第 13 / 36 题