XIII. "HEDEN OVERLEED PLOTSELING...."

Hoe dikwijls lezen we dat tegenwoordig in de doodsberichten. En hoe vaak

ook onder de nieuwstijdingen. Een spreker zinkt ineen in den katheder,

een dokter bij het ziekbed van een patiënt, een predikant bij de

geopende groeve, een minister bij een feestmaal. Terwijl ze gereed,

terwijl ze bezig waren anderen te bezielen, te genezen, te troosten,

ja, met een geestige tafelrede aan hun lippen te boeien, stonden ze

op den rand van 't graf. Ze wisten het niet, niemand wist het, en tot

ontroering der omgeving vielen ze, eensklaps, in den donkeren dood.

"Heden overleed plotseling..."

Zoo sterven er velen in dezen tijd van telegraaf en telefoon.

Lange brieven en lange ziekbedden, we hebben er geen tijd meer voor.

Even, heel kort, een zaak afhandelen met het andere einde der aarde, met

de andere zijde van 't graf.

Het leven en sterven in telegramstijl.

Hartverlamming--zeggen de doktoren.

O natuurlijk, wat zou 't anders wezen. Wanneer het hart niet verlamd was

en door bleef werken, zou het leven niet gevloden zijn. Ten slotte is

het altijd hartverlamming.

Maar hoe komt het, dat bij zoo velen, en dan menigmaal zoo vroeg, het

hart zijn diensten weigert? Wat is de oorzaak dier hartverlamming?

Het zijn niet oude, afgeleefde menschen, bij wie het hart na meer

dan zeventigjarigen arbeid zijn taak heeft verricht--dezen verlaten

ons langzaam, voetje voor voetje. Hun levensolie is opgebrand, het

vlammetje wordt flauwer en flauwer, de verkoolde pit knettert in zwakke

opflikkeringetjes en gloeiende vonkjes, en dan is het stil, rustig en

stil. Ze zijn heengegaan, moede, vredig. Het was hun tijd.

Het zijn ook niet kinderen, jongelingen, wier hart bezweek in den strijd

tegen een overmachtigen vijand, die 't bloed bedierf en niet wijken

wilde uit dit onmisbare levensvocht--zij strijden, strijden tot het

laatste oogenblik toe, en geven zich pas gewonnen als alle kracht

verbruikt is. Zij hebben zich geweerd met al de energie van hun jonge

leven, doch konden 't niet volhouden in den ongelijken kamp. Zij sterven

op het slagveld na soms schier eindelooze worsteling.

Maar 't zijn de mannen in de kracht van hun leven, weldoorvoed,

gespierd, blozend van gezondheid. Als door een verraderlijken bandiet

plotseling beslopen en met een dolksteek in 't hart getroffen, storten

ze neer. Niemand verwachtte het, ook zij zelf niet. Men noodigde hen uit

tot eervolle taak, droeg hun verantwoordelijken last op. Zij stonden op

hun post, fiksch, forsch, betrouwbaar. Wie zou ook maar in de verste

verte vermoeden, dat deze krachtige geest, dit gezonde physiek nog

slechts door een fijnen zijden draad aan het aardsche leven was

verbonden? Niemand immers? Vrouw, kinderen, vrienden, allen rekenden

op den man, die bijna nooit ziek was, alleen nu en dan wat nerveus,

wat prikkelbaar, wat overspannen door overmaat van werk, van

verantwoordelijkheid. En zie, daar valt hij uit hun midden weg.

* * * * *

Het wordt tijd, dat we leeren rekening houden met het onberekenbare, dat

we het onverwachte gaan verwachten. Waar de uitzonderingen zich

vermenigvuldigen, vormen zich nieuwe regels.

Wel heeft Jeremia al geklaagd, dat de mensch "vlucht als een schaduw"

en zong de Psalmist van de bloem, die "'s morgens bloeit en 's avonds

afgesneden wordt", wel waarschuwde Christus, dat "de ure komt als een

dief in den nacht", maar deze stemmen schijnen in het algemeen meer te

herinneren aan het kortstondige, vergankelijke van al het aardsche, dan

aan het plotseling sterven, gelijk dat uit de doodsberichten tot ons

spreekt.

Gewis, het scheidingsoogenblik heeft den mensch wel altijd verrast. We

leven zoo met heel ons hart in de dingen dezer wereld, dat de geest ze

nog vasthoudt en er mee blijft verkeeren, wanneer het lichaam zich reeds

bijna geheel van de aardsche verhoudingen heeft losgemaakt. Stoffelijk

wegstervende, blijft de geest nog gehecht aan de sfeer, die hij verlaten

moet. En dan komt de dood--niet het einde van het physieke leven, maar

het geestelijk loslaten van al het aardsche--wel altijd nog plotseling.

Het eensklaps breken echter van den levensdraad bij naar 't oog gezonde

en krachtige naturen, dit schijnt steeds meer te wijzen op een ziekte

van de nieuwere tijden. Het is een dood zooals het leven was.

Ons leven, is het niet een voortdurende snelle wisseling van denken,

doen, gevoelen? We denken niet rustig door, maar onze gedachten

verbrokkelen en verstrooien zich als telephoongesprekken. Snel vernemen,

vlug begrijpen, ras besluiten. En 't lichamelijk verkeer is vooral niet

minder veranderend dan het geestesleven. We vliegen met electriciteit

door de straten, door 't land, door de lucht. Alles gaat plotseling,

met onverwachte wendingen. Geen wonder, dat ook het gemoed zijn kalmte

verliest, vervreemdt van een vredige, gelijkmatige stemming, en leeft

bij schokken. Een _leven_ van plotselingheden--een plotseling _sterven_.

Het is in harmonie met elkaar. De laatste schok komt even onverwacht als

de vorige. Het is het telegram van den Dood, met "Antwoord betaald."

Zal de mensch zich accommodeeren naar het onrust-tempo, waarin de

verbijsterende zegepralen der techniek zijn leven hebben gezet? Zal hij

de kalmte van zijn geest, den vrede van zijn gemoed weten te bewaren,

desnoods te herwinnen, onder de telkens opjagende dwarrelwinden van de

moderne cultuur? Of zal de Dood voortgaan, zich aan te passen bij zulk

een schokbestaan?

"Bereid uw huis, want gij zult sterven." We kennen dit woord. Er is

in onze eeuw meer dan ooit reden, het in gedachten te houden. Doch we

zouden er gaarne een woord aan toevoegen: Bereid ook uw hart. En dit in

meer dan één opzicht.

Bereid uw hart, opdat het gereed zij wanneer de ure komt.

Doch ook: Bereid uw hart, opdat het bestand zij tegen de

levenswisselingen. Het leven wordt immer rijker, voller, sneller,

onrustiger, gejaagder. Te midden daarvan dient ons gemoed rustig te

blijven, of de levensduur vermindert met den levensrijkdom. We moeten

tegen de emotie-wekkende invloeden van daarbuiten een gemoedsvrede

ontwikkelen, die bestand is tegen de elkaar onafgebroken opvolgende

prikkels. Anders verkeert alle beschavingswinst in verlies.

De veer in het uurwerk stoort er zich niet aan, of dit uurwerk zelf

met bliksemsnelheid wordt voortbewogen, of het stijgt dan wel daalt,

onophoudelijk zwenkt of in regelrechte vaart voortstuift. Zij heeft haar

eigen spanning. Eenmaal opgewonden, weet ze alleen van een geleidelijk

afwerken van haar taak.

Er is reden te over, dat we de veer van ons fijnbewerktuigd organisme

leeren ontzien.

Hoe?

De hygiënisten zullen wel menigen goeden raad hebben: geen prikkelende

dranken, geen heftige emoties; wel geregelde rust, wel kalme

ontspanning.

Wij hebben er één raad bij: het door hooger levensopvatting aankweeken

van een gemoedsrust, die alle onrust der tijden verdraagt, trotseert,

onbewogen langs zich heen doet gaan. "Saevis tranquillus in undis".

Rustig te midden der woedende golven: De levensleus van den grooten

Zwijger.

Verspreide Opstellen, II · 第 28 / 55 题