CONSTANTIJN HUYGENS.

"Rusten maar", zei de dokter. "Rusten maar. Is veertien dagen niet

genoeg, dan een maand. Is een maand niet genoeg, dan drie maanden. Is

drie maanden niet genoeg, dan een halfjaar. Ja eigenlijk--zoo besloot

hij--eigenlijk moesten de menschen in dezen tijd, die 't wat erg druk

hebben, of--klonk het er ietwat verwijtend bij--die zich wat erg druk

maken, zoo om de zes jaar er eens een halfjaar uit, heelemaal eruit! Dat

zou ze opknappen!"

De patiënt, tot wien hij die kleine speech hield, lag maar geduldig

te luisteren en maakte onderdehand het plan, dat hij, als hij 't

eens voor 't zeggen kreeg, zoo'n halfjaar vacantie om de zes jaar zou

proclameeren. Maar om 't zoo ver te brengen, dat zijn invloed dit kon

bewerken, moest hij niet rusten, maar werken. En zijn onrustige geest

was al weer bezig.

"Neen", zei de dokter, "rusten is niet volslagen luieren, maar

onverplichten arbeid verrichten, arbeid, die niet van je geëischt wordt,

die je niet jaagt en drijft, en dien je kunt laten liggen als de ambitie

verflauwt. Rusten is: met kalmte en opgewektheid bezig zijn."

"Mag ik lezen?"

"Welzeker, maar nog liever boomen omhakken. Doch je mag ook wel lezen,

maar neem dan iets anders dan waarin je den laatsten tijd verdiept bent

geweest."

En de man van 't werkend rusten greep een deel van Huygens. Hij had al

meermalen ondervonden, wat kalme opgewektheid er in de verzen van dezen

zeventiend'eeuwer leeft en hoe die uit de verzen op den lezer overgaat.

De zakelijke Huygens, de man van het werkelijke leven, de blijmoedig

belangstellende dichter, die de mysteriën van 't aardsche leven vol

vertrouwen aan God overlaat en zich aan zijn dagelijksche plichten

wijdt, deze moest zijn invloed weer eens doen gelden op een der zonen

van den onrustigen nieuweren tijd. Kom, kloeke, kalme, krachtige

voorzaat, spreek nog eens tot een uwer "overspannen" nakomelingen en

giet hem iets in van uw vrede en sterkte.

Zullen we samen Hofwijck bezoeken? Daar is misschien het stille plekje,

waar we buiten de beslommeringen der Hofstad weer langzaam op adem

kunnen komen. Aanlokkender naam dan Hofwijck is er niet voor wie de rust

behoeft, geen prettiger gezelschap dan dat van Huygens voor wie het

leven, de natuur, 't menschelijk vernuft in gelijken mate bemint. Naar

Hofwijck dan. Terecht zingt de dichter zelf: "Eens moet het Hof_wijck_

zijn."

* * * * *

Zie, daar dwalen we al door de lanen van het rustige Buiten en zijn met

den gastvrijen eigenaar in gesprek. We klagen hem onzen nood, en klagen

daarbij de eeuw aan, die met zijn spoor en telegraaf, zijn boot en

telephoon, met zijn fluitende of bengelende stoomtram tot zelfs in de

afgelegenste hoekjes van 't land, den mensch nergens met rust laat.

Al dat krantengeschrijf, met ochtend en avond nieuwe emoties; al die

wereldberoeringen, dagelijks overgebracht in iedere huiskamer; al die

lectuur, die den dokter in zijn coupé en den reiziger in de trein

zelfs niet loslaat, en die straks de voetgangers op den openbaren weg

vergezelt en hen maakt tot lezende wandelaars en renners, die geen

seconde tijd ongebruikt willen laten voor hun geestelijke inwikkeling;

al dat gevecht in 's lands vergaderzaal en 's volks meeting--'t

vermoordt ons.

Lezend en tobbend over de Dreyfuszaak, zijn we bezig ons zelf tot

bannelingen te maken uit den kring van het rustige, vreedzame, kalme

leven; levend en strijdend in den boerenkrijg, laten we ons kwetsen en

dooden zonder een slagveld te hebben betreden.

Belangstellend in alle gewichtige feiten van den dag, verliezen we 't

belang van ons eigen leven uit het oog.

En zoo raken we ten slotte--overspannen.

Ja overspannen, dat is een woord en een kwaal van den nieuweren tijd.

Vroeger kende men dat niet.

Toen was 't leven gezonder.

Toen waren de menschen krachtiger van zenuw en spier, beter van bloed.

Toen groeide en bloeide een forsch geslacht van fiksche mannen en

blozende vrouwen en dartele, joelende kinderen.

Toen was 't de tijd voor bakkers en brouwers en kende men geen

specialisten voor allerlei kwalen, zenuwartsen, zenuwinrichtingen,

zenuwbaden, en de hemel weet wat gezenuw of gezemel nog meer!

Toen...

Doch de luisterende dichter legt onze ratelende tong een oogenblik het

zwijgen op; hij begrijpt uit dat onafgebroken gepraat wel, dat we

overspannen zijn, doch kalmeerend voegt hij erbij: "Ook ik,

'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten."

Maar nu staan we verslagen. Hoe? Hij? Hebben we wel goed verstaan? Een

der kloekste zonen van dat kloeke voorgeslacht, zou hij overspannen zijn

geweest?

Doch hij spreekt niet van "overspannen"--hij spreekt van

"over-reckt"--is dit mogelijk iets anders?

Doch neen, of we de snaar te sterk spannen of te sterk rekken, 't komt

beide op hetzelfde neer. Oorzaak en gevolg zijn ook in beide gevallen

dezelfde: we willen een hoogen, helderen toon doen klinken, en--

"de snaer, die heldste luijdt,

Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt,

Verkracht en over-reckt."

Willen we alle snaren van leven en luit zoo lang mogelijk behouden,

laten we dan--een toontje lager zingen!

* * * * *

Ja, laten we een toontje lager zingen.

We willen ook zooveel, en dat vele willen we zoo gauw.

We willen in ons huisgezin ideale ouders voor onze kinderen zijn, hen

opvoedend met liefde en wijsheid; we willen van die kinderen alles

nagaan, ieder trekje van hun aard kennen en de juiste middelen

aanwenden, om de zich openbarende gebreken reeds vroegtijdig den kop

in te drukken. Ideale ouders, ter vorming van ideale kinderen!

En we willen voortreffelijke onderwijzers zijn, die van ieder kind

der klasse een studie maken, en de fouten der leerlingen in den grond

trachten te verbeteren; onderwijzers, die van de tallooze kleinere en

grootere conflicten en mislukkingen de oorzaak steeds bij zichzelf

zoeken en dientengevolge gebukt gaan onder de neerdrukkende macht eener

onafgebroken zelfveroordeeling.

En we willen, ons ergerend aan allerlei misstanden en wanverhoudingen

in de organisatie der onderwijswereld, gruwend van de examenvloek

die een groot deel van ons onderwijs met lamheid slaat, walgend van

de methodiekvergoding met haar overschatting van de verstandelijke

ontwikkeling, verontwaardigd over de lakschheid en de lamlendigheid,

waarmede zoovelen voortgaan jaar in jaar uit de jeugd van een heel

geslacht te kwellen en te bederven, toornend over de zelfzucht en

de gemakzucht, waarmee dressuur gehandhaafd blijft tegenover den

schreeuwenden eisch der jonkheid naar een natuurlijken groei--we willen

gansch ons onderwijs hervormen en daartoe al wat zich aan 't onderwijs

wijdt bezielen met hervormingsijver.

En we willen nog meer. Ook buiten de school klinken ons noodkreten in 't

oor, en we mogen, we kúnnen ook daarvoor onze ooren niet sluiten.

De arbeider roept ons op, en vraagt, indien we hem dan waarachtig

goedgezind zijn, waarom we niet meewerken aan de opheffing van zijn

loonslavernij.

En de vrouw roept ons op, en vraagt, indien we dan waarachtig de

vrijheid van _elken_ mensch liefhebben, waarom we ons niet mede

aangorden tot den strijd voor háár recht, om ook in wettigen en

wettelijken zin meer te zijn dan een misdadiger of een idioot.

En de geestdriftige kampioen voor onthouding aller zin- en

zielbedervende prikkels, de liefdevolle en onvermoeide bestrijder van

drankgebruik--dat in elken vorm drankmisbruik is--hij wendt zich tot

ons met al de kracht van zijn overtuiging en al de warmte zijner

menschenmin, en vraagt, waarom we van verre blijven staan bij den strijd

tegen dien kanker der huiselijke eendracht en der volkswelvaart.

En zij, die niet het dier wenschen op te offeren aan den lust en de

luiheid van den mensch, maar die integendeel een deel van zichzelf

willen geven ten behoeve van het geminachte en mishandelde schepsel, dat

redeloos genoemd wordt door hen die 't in hun redeloosheid vertrappen,

ook zij vragen uw instemming, uw steun, uw medewerking.

En de vriend van den wereldvrede roept ons op, en overtuigt ons, dat we

niet slechts het zilver onzer beurs, maar ook de warmte van ons hart,

de scherpte van ons verstand, de kracht van ons woord aan de groote en

goede zaak der volkrenliefde moeten wijden.

Och, overal en altijd hooren we de noodkreten der lijdenden en zachtkens

daar tusschen door de teere liefde-klanken der helpers. En verwijtend

vraagt ons geweten, waarom we niet mee arbeiden door de stille werking

van ons voorbeeld, waarom we ons niet mede scharen onder de vaan der

moderne kruisvaarders en met hen optrekken naar het heilige land van

eendracht, liefde, geluk.

En we móéten luisteren en mede-arbeiden. We moeten luisteren en mede

optrekken. De lendenen omgord!

Liever bezweken op den donkeren, moeilijken weg, dan in zelfzuchtige

koestering het leven genoten!

* * * * *

Liever bezweken......

Liever bezweken? En zij dan, die in de eerste plaats recht op onze zorg

hebben, de kinderen, die wij in 't aanzijn hebben geroepen? Moeten die

dan maar aan hun lot worden overgelaten? Of aan de zorgen van anderen

opgedragen?

En de vrouw, die lief en leed met ons deelen zou en die we nu voor 't

leed alleen laten zitten?

Niet elke mensch heeft _recht_ om te bezwijken.

Wie eenmaal zekere ernstige verplichtingen op zich heeft geladen, dient

te zorgen, dat hij die verplichtingen kan nakomen. En trouw in het

kleine is beter dan mislukking in het groote.

Alleen hij, die de volle beschikking heeft over zichzelf, mag zijn

geheelen persoon wijden, desnoods opofferen aan het algemeen welzijn.

Doch ieder, die de belangen van andere personen of zekere instellingen

te behartigen heeft, dient _hiervoor_ in de eerste plaats zijn

krachten te besteden en te sparen. Wat hem, na _arbeid_ èn _rust_

èn _ontspanning_ dan nog aan krachten overblijft, mag hij--moet

hij--aanwenden ten behoeve dier tallooze misdeelden, wier nood zoo

dringend om zijn bijstand roept.

De wijsheid der Ouden: _Est modus in rebus_[4] geldt niet alleen bij de

bevrediging onzer lichamelijke behoeften en zinnelijke neigingen. Er

is onmatigheid in eten en drinken, doch er is ook onmatigheid in--'t

bestrijden der onmatigheid.

[4] Er is een maat in alle dingen.

Wie als vurig ijveraar voor de geheel-onthouding tenslotte zijn

gezondheid verwoest en zijn gezin dreigt te ruïneeren, zondigt door

onmatigheid. En de droevige gevolgen dezer zonden laten zich--als

altijd--niet wachten.

Wie de belangen van tallooze goede instellingen op maatschappelijk

gebied met zooveel kracht verzorgt, dat hij tenslotte zijn heel gewone

dagtaak niet meer met blijmoedigheid kan verrichtten, zondigt evenzeer

door onmatigheid. En er is iets tragi-komisch in, dat de man, die de

wereld hervormen wil, zijn eigen nederigen arbeid moet laten liggen,

niet door oorspronkelijk gemis aan kracht, maar door overschatting van

kracht.

Dit zijn heel nuchtere opmerkingen en overwegingen, doch de feiten

dwingen ons wel eens naar die overwegingen te luisteren en er ons

voordeel mee te doen. We kennen er te velen, die, wanend of wetend te

werken voor andrer heil, dien arbeid zagen uitloopen op eigen en andrer

onheil.

En onze tijd is in dit opzicht een gevaarlijke tijd, die 't op de snelle

slooping van ons levensmateriaal schijnt toe te leggen. Er is dan ook

geen twijfel aan, of naast de roepstemmen om hulp zullen straks steeds

meer en luider ook de waarschuwende stemmen klinken, dat de helpers zich

niet tot hulpbehoevenden mogen maken. Een ieder kenne zijn kracht.

Dat overigens ook vroeger eeuwen het euvel der overspanning hebben

gekend bewijst wel het woord van een zoo wijs en ervaren man als

Huygens. En niet minder treffend spreekt het uit den raad, ons door

Schiller gegeven:

Thue was Recht ist, mein Freund, und dabei lasz es bewenden,

Und enthalte dich, ja, alles was Recht ist, zu thun.[5]

[5] Vrij vertaald, luidt dit distichon:

Doe het goede, mijn vriend, en stel u daarmee tevreden,

En onthoud er u van, alles wat goed is te doen.

Is in deze regels onze fout niet volkomen naar waarheid gesignaleerd?

We zijn niet tevreden ermee, dat ons gewone werk de critiek van een

nauwgezet geweten kan doorstaan--ofschoon ons dat al moeite en strijd

genoeg kost--neen, we willen _al het goede_ doen. We willen niet ons

zelf en ons klein kringetje verzorgen, maar liefst de geheele menschheid

verheffen. We willen niet de bescheiden menschentaak vervullen, maar we

willen een Godsarbeid voor onze rekening nemen. En onze onvolmaaktheid

schiet jammerlijk te kort.

* * * * *

Maar wat zullen we dan? Onze ooren toestoppen, waar de nooden der

misdeelden om leniging of opheffing schreien? Onze oogen sluiten, waar

zij pijnlijk dreigen te worden aangedaan door de ellende van anderen?

Onze harten verharden, waar 't recht gekrenkt wordt en onze

naasten--toch immers maar "vreemden!"--daarvan 't slachtoffer worden?

Lijdzaam berusten in tal van voor anderen--maar dan toch onze

naasten!--noodlottige toestanden?

Er is een zinrijke legende, waarin de straf der liefdelooze

zelfgenoegzaamheid ons waarschuwend wordt voor oogen gesteld.

* * * * *

Petrus was in den hemel opgenomen. Doch de hemelsche zaligheid was voor

hem niet onvermengd, zoolang zijn moeder nog de pijnen der hel moest

doorstaan.

Toen smeekte hij Gods Zoon, dat Deze ook zijn moeder liet opvoeren. Maar

Jezus weigerde. Ieder bewerkt zijn eigen zaligheid. En de moeder van den

apostel zou niet gelukkig zijn, als ze te midden der zaligen verkeerde.

De wangunst van haar liefdeloos hart zou alle hemelvreugde vergallen.

Doch Petrus hield aan met smeeken, en eindelijk zond Jezus een engel

naar omlaag, om de vrouw te halen.

Toen de engel in de hel afdaalde en de moeder van Petrus onder de armen

nam, om haar met hem te doen opstijgen naar de zalige gewesten, klemden

zich vele verdoemden aan het lichaam en de kleederen der geredde vrouw

vast in hun wanhopig verlangen, om uit de hellesmart verlost te worden.

En de engel voerde ook hen mee, en steeg met die allen snel omhoog.

Maar de moeder van Petrus gunde dien anderen de zaligheid niet, die haar

deel beloofde te worden. En ze rukte een dier rampzaligen los en deed

hem in de diepte der hel nederploffen.

Toen verminderde de vaart van den engel merkbaar en met meer inspanning

dan te voren voerde hij zijn last omhoog.

Nogmaals wist de wangunstige vrouw een harer gezellen van haar kleed los

te rukken en te doen wegtuimelen in den afgrond.

Doch al weer vertraagde aanstonds daarop de vlucht van den engel, en

werd zijn vleugelslag zwaarder en moeilijker.

Toch, trouw aan zijn plicht, droeg hij de vrouw en allen die aan haar

kleed hingen, gestadig hooger, hoewel de kracht zijner blanke wieken

scheen te verzwakken naarmate de moeder van den apostel steeds meerderen

van zich wist af te slingeren. Zoolang zich echter nog één aan haar

kleederen vastklemde, zoolang leidde de tocht, zij 't ook immer

langzamer, naar den hemel.

Eindelijk naderden ze den hemelpoort. Bijna was de heilstaat bereikt.

Met zwaren wiekslag torste de engel nog twee doemelingen, de moeder van

Petrus en nog een, die zich met inspanning van alle krachten had weten

te beschermen tegen de woeste pogingen der helsche nijd. Doch ook dien

eenen kon de wangunstige niet in haar zaligheid doen deelen en op 't

laatste oogenblik nog wist zij de handen los te wringen van den

ongelukkige, waardoor deze in de diepte stortte.

Maar toen ook was de kracht van den engel gebroken. Aan den rand van den

hemel, kon hij zich geen handbreed meer omhoog heffen. Langzaam daalde

hij, doch spoedig al sneller en sneller, totdat hij, aan den ingang van

den afgrond teruggekeerd, de vrouw in de hel deed wegzinken.

In deze moeder van Petrus is de liefdeloosheid wel in haar gruwzaamste

vorm. 't Is niet de koude zelfgenoegzaamheid, die gevoelloos is voor het

leed en de vreugde van anderen, maar de vale nijd, die zelfs bij eigen

zaligheid de vreugde van anderen niet kan dulden. Maar die daarmee dan

ook eigen zaligheid verspeelt.

Dit is het treffende in deze legende, dat de vrouw den hemel zou zijn

binnengegaan, als zij ook maar een enkele had willen meedragen. Als in

haar hart dus _eenig_ liefdegevoel voor de mede-rampzaligen had geleefd.

En dit beseffen we zoo diep.

Niet de liefde, die ons betoond _wordt_, is de koesterende gloed van ons

leven. Doch de liefde, die wijzelf betoonen. Die ontwikkelt in ons de

inwendige warmte, zonder welke ons bestaan koud en vreugdeloos is. Geen

lijdelijk ontvangen van liefde schenkt blijvend geluk. Al bestraalt

de zomerzon den stillen vijver den ganschen dag, na een enkelen nacht

van duisternis is de watervlakte weer koel. Doch het borrelende en

bruischende, altijd werkende water der warme bronnen heeft geen

zonnekoestering van noode. Schoon diep verborgen in den donkeren grond,

het springt kokend en dampend naar omhoog, zingend het lied van zijn

eigen warme levensvreugde. Alleen het actief schenken van liefde werkt

in ons duurzame zaligheid.

Maar ook hierin dienen wij maat te houden. Er is ook inwendig vuur, dat

verteert.

Verspreide Opstellen, II · 第 27 / 55 题