Maar och------

In een groot gebouw had men een werkvrouw, die de vloeren inderdaad

onberispelijk schrobde. Als zij een vloer gedaan had, was deze blank.

De vrouw werd eindelijk te oud en te zwak voor haar werk. Toen zocht men

jonge krachten, die haar taak konden overnemen. Men beproefde het met

frissche, jonge meiden, met jeugdige weduwen, zelfs met jonge mannen,

glazenwasschers van beroep. Maar niet één schrobde de vloeren blank. Ze

flodderden en dweilden, maar als den volgenden morgen de vloer droog

was, zat hij nog vol vuile strepen en vegen en plekken. En langs de

randen der muren was het één donkere lijn van vuil.

Al die jonge, krachtige menschen, die zich voor werkvrouw uitgaven,

waren niet in staat een vloer te schrobben. Ook niet de deskundige

glazenwasschers. En de oude werkvrouw bleek een unicum geweest te zijn.

Het goede doen? Er zijn zeker genoeg bereidwilligen.

Het goede _goed_ te doen? Dit geschiedt alleen door de zeldzame

uitzonderingen. De overgroote meerderheid is niet in staat, meer dan

zestig procent der eischen te voldoen.

* * * * *

Er was een arme jongen, die door het sterven van zijn vader al vroeg uit

geldverdienen moest. Hij werd loopjongen in een winkel. Pakjes bezorgen,

dat was inderdaad een uiterst bescheiden werk. Volgens sommigen heb je

daar geen verstand voor noodig, zooals b.v. voor het inschrijven van

bestellingen, optellen van posten, klaarmaken van rekeningen. Verstand

is pas noodig, zoodra er geschreven en gerekend moet worden. Maar onze

jongen bleek toch dat overbodige verstand te gebruiken. Eer hij uit den

winkel ging, keek hij opmerkzaam de adressen na, trok nog eens aan de

touwtjes, of ze behoorlijk toegeknoopt waren, sorteerde de pakjes,

zoodat hij er een paar meer kon dragen dan een ander, bepaalde een

vlugge route. Door dit alles was hij reeds vlug met zijn werk gereed.

Zelfs kon hij nu en dan vergissingen voorkomen, door tijdig de

onderstelling te opperen, of een zeker voorwerp wel aan dàt adres moest

worden bezorgd. Hij wist, door ervaring, hoe en waarmee bepaalde klanten

bediend moesten worden. Zijn aandacht zat in zijn werk en dwaalde niet,

onder 't loopen, naar alle gevalletjes, die buiten zijn taak lagen. En

zoo werd hij een nadenkende, eigenlijk een voordenkende loopjongen.

Natuurlijk sprongen zijn verdiensten gauw in 't oog. Een loopjongen,

die geen standjes behoefde te krijgen voor stommiteiten, dat was al

een wonder, maar een, die pluimpjes verdiende met verstandige zorg

en gewetensvolle trouw, dat was een mirakel. Onze vriend had zelf

geen aasje idee van eenige bijzondere verdienste; het sprak voor hem

vanzelf, dat hij zijn werk goed deed; het controleeren van adressen en

inpakkerijen kon hij eenvoudig niet nalaten; hij had er bovendien een

zeker plezier in, de kortste route te vinden en onderweg rekening te

houden met tal van bijzonderheidjes, zoo bijv. met het feit, dat meneer

A. op bepaalde uren niet thuis was of mevrouw B. het snelst hielp

tusschen tweeën en halfdrie. Zijn werk zat vol problemen, en zonder

dit als iets gewichtigs te beschouwen, was hij aanhoudend bezig, die

problemen te stellen en op te lossen.

Die jongen klom op tot winkelbediende, tot eersten bediende, tot chef

van een groot magazijn, tot directeur eener reusachtige zaak. Hij had

ook leger-commandant kunnen worden of eerste minister. Dat hing maar

van omstandigheden af. In welke richting hij zijn levensarbeid had

gevonden, hij zou er geslaagd zijn en een der hoogste trappen bereikt

hebben, terwijl zijn vroegere kameraden het niet verder hadden gebracht

dan van loopjongen tot loopknecht. Vele menschen maken alleen promotie

in leeftijd en als het van hen afhing, zouden ze niet eens ouder worden.

* * * * *

Er zijn mededingers naar allerlei betrekkingen, die het in een aantal

prachtige aanbevelingen zoeken. Ze leggen letterlijk een verzameling

van getuigschriften aan, alsof de leegte van een vacante plaats met

zoo'n pakket gevuld moest worden. Iedere sollicitatie wordt gerugsteund,

om niet te zeggen voortgeperst, door de dringende en haast dwingende

opsomming van hun deugden. Die getuigschriften lezende--als men er den

tijd voor af kan nemen--vraagt men zich met verbazing af, waarom al die

vroegere patroons toch zulk een rijkbegaafde hebben laten schieten. Men

zou zoo denken, dat iedere chef overgelukkig behoorde te zijn met zulk

een medehelper. Doch al de overige bezitters zijn blijkbaar niet

naijverig geweest op dit kleinood en hebben het in schitterende

verpakking doorgezonden.

Maar één getuigschrift is er, dat absolute waarde heeft: het

getuigschrift, dat een patroon iemand niet missen wil, omdat hij hem

bijna niet missen kàn. Ten slotte komt de ondergeschikte dan niet met

zijn verzoek bij de superieuren, maar komen dezen met hun aanbod bij

den ondergeschikte, in wien ze superieure gaven waardeeren.

Het heet, dat men in onzen tijd er komen moet met kruiwagen en reclame.

't Is mogelijk, dat in bureaucratische kringen, waar zelfstandigheid

niet gewenscht, zelfs niet geduld wordt, de aanbeveling het vaak wint

van de verdienste: machineraderen kunnen gemakkelijk een andere,

schijnbaar voorname plaats in het raderwerk innemen, ze passen overal.

Maar waar het maatschappelijk leven nog niet verbureaucratiseerd is,

waar nog gewerkt en geworsteld moet worden, waar persoonlikheden noodig

zijn en geen raderen, waar men niet slechts behoeft te "loopen", maar

genoodzaakt is te presteeren, daar helpt kruiwagen noch reclame, daar

zouden onbenullige middelmatigheden de zaak ten gronde richten, daar

baat slechts één aanbeveling, de aanbeveling van éígen werk, dat van

verstandelijke gaven getuigt; maar bovenal van den zedelijken dwang: het

goede _goed_ te willen doen.

Verspreide Opstellen, II · 第 25 / 55 题