Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere
rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien,
over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een
vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden
ingetrokken.
Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd,
totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein,
een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na
warrelende wiegeling weer uitstuurde.
't Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en
natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de
voorname winkelstraten.
De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders.
Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat
geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers,
al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging,
alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid
van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad.
't Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns
brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er
zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook
de stad in.
De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren
donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn
wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken.
Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen
voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog,
heel hoog, de sterren te zien--fijnstralende goudpunten in blauwzwarten
hemel--koele lichten der eeuwigheid.
Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes.
Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie!
Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid.
Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes
in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met
elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En
ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas
of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen.
Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat
sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden
van een paardekop.
En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een
jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie.
Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken.
Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van
zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe
slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me.
* * * * *
Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een
woordje van lof, en daarom zei ik: "Wat een mooie W! En wat branden ze
mooi!"
Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en
ik hoorde de heele geschiedenis.
Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar
latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en
die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote,
want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten
den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. "Hij is bijna zoo groot als
ik."
Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op.
En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel.
En vader had er de ijzertjes in gestoken--eerst gaatjes geboord--en
hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op de machine, drie
banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt.
Kind--dacht ik--wat ben jij gelukkig!
En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker
aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi.
Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn
zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar
dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt.
Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat
zeker een beetje te slapen. Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze
toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze
vond het ook prachtig.
Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had
en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij
kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde in _hem_ en genoot van
_hem_. Wat was hij? Maar die W!
Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten,
dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor
ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het
jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting
straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen.
* * * * *
Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu
stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo
rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind?
Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert
de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de
Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet
overschitterde--is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot?
Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze
levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd!
De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn
verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers,
omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat
duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame
jongetje.