IX. DE W.

Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere

rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien,

over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een

vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden

ingetrokken.

Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd,

totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein,

een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na

warrelende wiegeling weer uitstuurde.

't Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en

natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de

voorname winkelstraten.

De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders.

Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat

geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers,

al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging,

alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid

van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad.

't Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns

brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er

zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook

de stad in.

De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren

donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn

wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken.

Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen

voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog,

heel hoog, de sterren te zien--fijnstralende goudpunten in blauwzwarten

hemel--koele lichten der eeuwigheid.

Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes.

Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie!

Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid.

Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes

in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met

elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En

ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas

of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen.

Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat

sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden

van een paardekop.

En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een

jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie.

Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken.

Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van

zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe

slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me.

* * * * *

Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een

woordje van lof, en daarom zei ik: "Wat een mooie W! En wat branden ze

mooi!"

Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en

ik hoorde de heele geschiedenis.

Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar

latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en

die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote,

want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten

den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. "Hij is bijna zoo groot als

ik."

Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op.

En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel.

En vader had er de ijzertjes in gestoken--eerst gaatjes geboord--en

hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op de machine, drie

banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt.

Kind--dacht ik--wat ben jij gelukkig!

En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker

aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi.

Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn

zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar

dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt.

Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat

zeker een beetje te slapen. Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze

toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze

vond het ook prachtig.

Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had

en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij

kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde in _hem_ en genoot van

_hem_. Wat was hij? Maar die W!

Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten,

dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor

ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het

jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting

straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen.

* * * * *

Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu

stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo

rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind?

Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert

de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de

Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet

overschitterde--is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot?

Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze

levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd!

De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn

verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers,

omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat

duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame

jongetje.

Verspreide Opstellen, II · 第 20 / 55 题