XII

Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.

Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele

licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger

tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van

een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half

nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.

Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.

Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver

en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den

droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat

al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn

ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.

Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,

en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,

vele andere.

Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef

hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en

verwonderd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet

waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk

voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet

gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij denken moest.

'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen

niet meer doen.'

En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,

wat hij zocht.

Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees

Johannes een mensch uit de menigte.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek

werd en den man verschrikt nastaarde.

Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.

Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.

Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.

Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,

zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan

zouden zij er beiden wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden

lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest

gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht

zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat

hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en

duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en

als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen

tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij

zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes

was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij

moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering

bedierf hij hem.

Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn

de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten

hen onwetend hielpen in die taak.

'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en

hoe fijn en doelmatig gemaakt.'

'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van

die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden

vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'

'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde

Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet

dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.

Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,

bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde

inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij

voor den gek laat houden.'

Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.

Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de

onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende

dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het

walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte

vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die

gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een

parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk

lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker

heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden

lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet

deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,

dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun

natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich

volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun

niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem

blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms

voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'

'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken

zij moedwillig af van de natuur?'

'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat

spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur

kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is

schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de

alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'

'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'

'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet

pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn

is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was

niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.

Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is

week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die

wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen

van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'

En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En

in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong

en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.

Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het

liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn

droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk

scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet

meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn

verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode

gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,

hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat

geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn

verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat

liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog

geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo

werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.

Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet

herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.

Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar

Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de

menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,

waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde

gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte

was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van

hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen

menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide

Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die

droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te

worden.'

'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.

En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig

halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit

een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees

Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit

staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en

heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van

Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange

jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer

vandaan; maar het kan nog even lang duren.'

Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat

zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot

het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren

naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote

plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.

Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat

hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind

hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die

hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven

makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was

dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde

verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden

denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke

koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen

meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij

voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,

met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte

en trok.

Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet

komen en hem verpletteren?

Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand

begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.

'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat

bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij

niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,

een volmaakt mensch.'

'Ik wil niet, het is vreeselijk.'

'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het

vreeselijk? Word zooals hij is.'

Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid

en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden

en gelijkmoedig.

'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt

de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen

uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare

en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te

begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.

Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, dat kan ik niet helpen.'

Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en

onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij

werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.

't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de

straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn

dagelijkschen gang.

Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met

schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en

stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men

hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende

bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de

blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek

en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten

hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.

Zij knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar

Robinetta.'

'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon

meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je

hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de

anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'

De kleine Johannes · 第 16 / 19 题