Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.
Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele
licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger
tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van
een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half
nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.
Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.
Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver
en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den
droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat
al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn
ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.
Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,
en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,
vele andere.
Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef
hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?
Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en
verwonderd aan.
'Wat bedoel je?' vroeg hij.
Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet
waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk
voor zich!
'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet
gebeuren!'
En Johannes wist niet wat hij denken moest.
'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen
niet meer doen.'
En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,
wat hij zocht.
Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees
Johannes een mensch uit de menigte.
'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek
werd en den man verschrikt nastaarde.
Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.
Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.
Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.
Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,
zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan
zouden zij er beiden wel komen.
Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden
lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest
gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht
zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat
hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en
duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en
als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen
tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij
zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes
was dat duisternis.
Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij
moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering
bedierf hij hem.
Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn
de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten
hen onwetend hielpen in die taak.
'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en
hoe fijn en doelmatig gemaakt.'
'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van
die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden
vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'
'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde
Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet
dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.
Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'
'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,
bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde
inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij
voor den gek laat houden.'
Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.
Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de
onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende
dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het
walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.
'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die
gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een
parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk
lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker
heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden
lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet
deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,
dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun
natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich
volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun
niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem
blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms
voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'
'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken
zij moedwillig af van de natuur?'
'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat
spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur
kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is
schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de
alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'
'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'
'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet
pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn
is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was
niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.
Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is
week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die
wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen
van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'
En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En
in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong
en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.
Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het
liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn
droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk
scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet
meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn
verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode
gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,
hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat
geweest!
Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn
verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat
liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog
geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo
werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.
Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet
herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.
Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar
Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.
De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de
menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,
waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde
gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte
was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van
hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen
menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide
Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die
droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te
worden.'
'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.
En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig
halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit
een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees
Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit
staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.
'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en
heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van
Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange
jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer
vandaan; maar het kan nog even lang duren.'
Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat
zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot
het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.
Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren
naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote
plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.
Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat
hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind
hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die
hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven
makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was
dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde
verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden
denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke
koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen
meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij
voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,
met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte
en trok.
Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet
komen en hem verpletteren?
Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand
begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.
'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'
'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat
bestaat, eindeloos veel cijfers.'
'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij
niet meer zoeken, laat mij alleen!'
'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,
een volmaakt mensch.'
'Ik wil niet, het is vreeselijk.'
'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het
vreeselijk? Word zooals hij is.'
Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid
en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden
en gelijkmoedig.
'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt
de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen
uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare
en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te
begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.
Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'
'Maar dat kan ik nooit.'
'Ja, dat kan ik niet helpen.'
Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en
onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij
werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.
't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.
Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de
straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn
dagelijkschen gang.
Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met
schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en
stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men
hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende
bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de
blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek
en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten
hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.
Zij knikte eens, en nog eens.
'Wie is dat? ik ken haar.'
'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar
Robinetta.'
'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon
meisje.'
'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je
hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'
'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de
anderen.'
En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:
'Dat is het laatste, er is niets! niets!'