'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel
moois vertoonen kan als Windekind.'
En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te
komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij
toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde,
hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.
Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen
dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar
en bedompt was.
Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg,
dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend
geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen
wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en
bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige
schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende
rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal
van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend
en rusteloos werken.
'Wie zijn dat?' vroeg hij.
'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat
ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch
zijn, in hun soort altijd.'
En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal
leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen.
Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden,
lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo
klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij
zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met
verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen.
Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of
dom en onverschillig.
Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen
met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.
'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo
akelig en ellendig? Ook toen ik ...'
Hij durfde niet verder gaan.
'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en
ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom,
onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij
kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen!
Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen
huilen, die nooit het daglicht zien.'
En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch
huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag
hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met
geruischloozen tred.
'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg
te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'
Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind
flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen,
gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen
vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen
gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen
glans.
Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter
woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd,
die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem
niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte
van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd
en zweeg.
'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote
Licht?'
Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter
en drukkender om hem samendrong.
'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en
droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God
of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren
als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier
in 't donker laten.'
'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij,
dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.
'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen
lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet.
Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar
duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is
geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden,
en dat houdt nimmer, nimmer op.'
'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie
lichtjes op een groot donker veld boven mij.'
'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang
omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven
je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven,
noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend
menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet
meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een
dwaasheid.'
Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde
het.
'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij
tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen
tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel
uit vele, hooge vensters brak.
Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk
hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja!
Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het
vernis der wagens.
Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de
schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en
bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe
buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich
de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende
draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende
schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op
de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre
gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere
gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden
verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.
'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien
van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij
daarin?'
'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een
konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie
eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen!
En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter
wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij
zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en
schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo
schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd
half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en
boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.
'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.
'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat
verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende
gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen
en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar
als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren
zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen
elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft,
dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan
de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote
halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen
schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet
eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou
de partij gauw gedaan zijn!'
En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in
gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het
lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd
afgelegd.
'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen
moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'
Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de
welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den
hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden.
Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de
lichte zaal.
'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'
Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder
het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe
het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte
rilling vóór zich, staarde.
'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.
'Dat is mijn zaak,' zeide deze.
'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide
Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'
'Van avond?' vroeg de Dood.
'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is
altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'
'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den
naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg
vinden.'
Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de
gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen
de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en
verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.
Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een
luid en feestelijk lied.
Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in
de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op.
De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend
verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die
blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.
'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in,
jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en
opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de
klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even
gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch
het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'
Nogmaals verhief zich de jubelende galm.
'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in
een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat
peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen
gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken.
Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de
plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine
Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig
in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'
Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij
den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij
liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's
hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De
huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen,
met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen,
plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote
poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er
over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop.
Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van
boomen in 't ronde.
'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer
kan dan Windekind.'
Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed
huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind
voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.
En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de
kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht
belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met
beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep
van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.
'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.
Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende
den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn
fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige
duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in
zijn gang terug.
Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van
den aardworm toe.
'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden
puntneus!' riep Pluizer.
'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.
'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'
Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er
eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde
lijf verder naar de oppervlakte.
Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen
drongen.
'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te
dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar,
oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je
scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van
hout, dat rottend is.'
De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.
Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend
hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden.
Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel
verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een
gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze
laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop
zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf
nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar
Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen
einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de
oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang.
Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels
werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs
waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich
strekten als verstijfde slangen.
Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en
hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.
'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel
weten, die is hier te huis.'
'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.
Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand
en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar
was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en
het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.
'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een
oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen
voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de
opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard
en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw
ademen en wachtte in nameloozen angst.
Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.
'Hier Johannes, volg me!'
Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand
beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed
liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels,
Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich
vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.
'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.
Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en
rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte
vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.
De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij
omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.
Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte,
waarop hij stond, was het voorhoofd.
Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en
het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in
akeligen, stijven doodenlach geopend.
Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de
vochtige houtwanden.
'Dit is nu een verrassing, Johannes!'
De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij
schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen
in de zwarte mondholte.
'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een
elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen
lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'
Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes.
Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij
niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu.
Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden
zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven.
Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon
Windekind niet zeggen.'
Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de
afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange
wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien
schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu
vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'
De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de
bange tocht werd voortgezet.
Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een
oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot.
'Deze is hier al zeer lang.'
Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een
verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen
en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.
'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'
En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij
herkenden een soortgenoot.
'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog
hard.'
De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,'
zeide Pluizer zacht tot Johannes.
Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend
waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen,
dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij
toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo
ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'
Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit
haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met
groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.
'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen
bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij
was toch wel hier gekomen.'
En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met
strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.
'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'
'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.
Verder ging de tocht.
'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het
is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes.
jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'
En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van
Johannes bij zijn woorden zag.
'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'
'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.
'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met
beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'
Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne
aarde weg.
Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.
De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De
oorworm liet het licht vallen en ging terug.
'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.
'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte
splinters krakend uit het hout.
Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet
anders.
Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop
haastig naar binnen.
'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.
Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op
de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte
vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze,
hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange
nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den
wijsvinger.
Het waren zijn eigene handen.
'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken
je hem?'
Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan,
dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen
duisternis, en hij viel bewusteloos.