67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN.

Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner

achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de provincie Aequatoria

ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over

zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den

18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door

Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische

regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land

te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel

strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische

officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond,

dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet

waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier

was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den

gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit

het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze

leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de

bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam,

werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet,

ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen

verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit

duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn

rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley

hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze

waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie

en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen.

Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en

spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur

om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven.

Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de

bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht.

Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de

soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur

gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze

jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats

van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!”

De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de

overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze

weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd

teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van

Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun

vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht,

maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met

gejubel ontvangen.

Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen

verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen

viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch

prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar

Toengoeroe terug.

In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk

weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het

zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten

Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij

hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan.

Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch

zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de

munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley

uit den weg te ruimen.

Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar

het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de

verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst

inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken

afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te

vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou

zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur

zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage

mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met

recht weerspannig werden.

Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf

voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de

redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten

gebruiken voor hun molensteenen om maïs te malen, en hun groote vaten

voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen.

Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden

volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij

zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin

pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke

studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich

bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten,

vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel

wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te

lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten

voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het

kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en

werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd.

Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van

Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen

waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat

overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen

gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens

allen getrouw, ze deserteerden bij troepen.

Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den

April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de

marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei

kon men verder trekken.

De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste

sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888

als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den

hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet

men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een

misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had

Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de

geheele karavaan aan koorts leed!

Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die

zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van

vijf maanden kwam een expeditie den 4den December te Bagamoyo tegenover

Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris

van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een

feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven

werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een

ongeluk, daar hij uit een raam viel!

Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche

rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn

bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën

in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en

volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En

thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het

binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den

23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der

wereldgeschiedenis.

Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was,

keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons.

Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we

ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit

over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om

tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo:

„tot weerziens!”

Van pool tot pool(#76913) · 第 73 / 75 题