Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner
achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de provincie Aequatoria
ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over
zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den
18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door
Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische
regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land
te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel
strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische
officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond,
dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet
waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier
was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den
gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit
het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze
leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de
bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam,
werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet,
ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen
verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit
duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn
rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley
hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze
waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie
en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen.
Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en
spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur
om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven.
Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de
bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht.
Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de
soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur
gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze
jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats
van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!”
De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de
overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze
weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd
teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van
Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun
vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht,
maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met
gejubel ontvangen.
Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen
verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen
viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch
prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar
Toengoeroe terug.
In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk
weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het
zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten
Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij
hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan.
Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch
zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de
munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley
uit den weg te ruimen.
Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar
het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de
verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst
inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken
afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te
vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou
zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur
zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage
mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met
recht weerspannig werden.
Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf
voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de
redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten
gebruiken voor hun molensteenen om maïs te malen, en hun groote vaten
voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen.
Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden
volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij
zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin
pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke
studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich
bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten,
vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel
wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te
lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten
voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het
kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en
werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd.
Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van
Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen
waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat
overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen
gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens
allen getrouw, ze deserteerden bij troepen.
Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den
April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de
marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei
kon men verder trekken.
De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste
sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888
als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den
hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet
men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een
misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had
Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de
geheele karavaan aan koorts leed!
Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die
zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van
vijf maanden kwam een expeditie den 4den December te Bagamoyo tegenover
Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris
van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een
feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven
werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een
ongeluk, daar hij uit een raam viel!
Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche
rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn
bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën
in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en
volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En
thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het
binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den
23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der
wereldgeschiedenis.
Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was,
keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons.
Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we
ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit
over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om
tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo:
„tot weerziens!”