Ten tweeden male het donkere oerwoud in! Den 8sten Juni was Stanley
reeds weder in het fort Bodo, waar hij alles in den besten toestand
aantrof. De gewassen waren uitstekend opgekomen, de oogst was
binnengehaald, en er was opnieuw gezaaid. De bevelhebber van het
garnizoen, luitenant Stairs, had de invaliden uit het kamp van
Oegarrowa gehaald, maar tengevolge van de schandelijke behandeling der
Arabieren, waren er van de zes-en-vijftig man slechts veertien levend
in het fort Bodo aangekomen!
Den 16den Juni begon de opmarsen naar Jamboeja, en weerklonk dagelijks
de waarschuwende roep der gidsen: „Roode mieren onderweg! Pas op, een
boomstronk, o! splinters! Een kuil, rechts! Pas op, links! Pas op,
doornen! Een wortel! Roode mieren in aantocht! Pas op de roode mieren!
Een boomstam! Splinters daaronder!”
Zoo ging het verder, van het eene kamp naar het andere. Toen Stanley
den 21sten Juni te Ipoto aankwam, waren de Arabieren aldaar niet weinig
geschrokken, daar ze bang waren voor een wraakoefening wegens de wijze
waarop ze zijn invaliden behandeld hadden. Maar Stanley hield zich in,
want eerst moest de achterhoede gered worden, en hij mocht het fort
Bodo met zijn bezetting van zestig man niet blootstellen aan een
overrompeling door Arabische roovers. Derhalve vergenoegde hij er zich
mee, een deel der geroofde wapenen te doen uitleveren, en trok toen
verder de Aroewini stroomafwaarts.
De lastdragers die hem door Emin medegegeven waren, hadden het meeste
van de vermoeienissen der dagmarschen te lijden; bij een heftigen
stortregen, vielen er plotseling drie dood neer, alsof ze door een
kogel getroffen waren, en dagelijks waren er meerderen die ditzelfde
lot deelden.
Den 13den Juli bereikte Stanley het kamp van Oegarrowa. Maar de plek
was als uitgestorven, alle bewoners waren stroomafwaarts getrokken. Met
behulp van talrijke kano’s, die men den inboorlingen ontnam,
achterhaalde men echter de mannen van Oegarrowa, en hier, in het kamp
der Arabieren trof Stanley eindelijk de vrijwilligers aan, die hij de
achterhoede tegemoet gezonden had. Van de twintig man waren er vier
gesneuveld, en van de overige zestien man was er slechts één enkele
zonder schot- of speerwond afgekomen! Ze hadden voor de vijandelijke
inboorlingen moeten wijken, en zich onder bescherming der Arabieren
moeten stellen. Ook de afgezanten die Oegarrowa in opdracht van Stanley
naar Jamboeja gezonden had, waren niet in staat geweest, zich door de
vijandelijke benden heen een weg te banen. Het lot der achterhoede was
dus nog geheel in het duister gehuld. Daar moest wel iets
verschrikkelijks gebeurd zijn!
Den 12den Augustus werd de marsch voortgezet. De bezwaren, die de weg
opleverde, bleven dezelfde, alleen werd de karavaan niet meer door de
inboorlingen lastig gevallen. De dicht bewoonde streken, waardoor men
zich bij den opmarsch met moeite een weg had moeten banen, waren thans
verlaten; de inboorlingen waren verdwenen, hun groote dorpen waren te
deele verwoest De slaven- en ivoorhandelaars hadden hier weer eens
duchtig huisgehouden!
Zoo brak de 17de Augustus aan. Na de opeenvolgende tooneelen van
verwoesting en verlatenheid aan beide oevers, vertoonde zich in den
lichten morgennevel een nog gespaard gebleven dorp, en toen men
naderbij gekomen was, werd een versterkte omheining zichtbaar. Witte
gewaden kwamen in ’t zicht, en in den morgenwind wapperde een roode
vaan met de halve maan. Weer een kamp der Arabieren! Hier was misschien
de achterhoede! „De majoor, jongens! Aan de riemen!” riep Stanley zijn
mannen toe, en onder luid hoera-geroep vloog de kano met razende
snelheid voort.
Een eind voor het dorp hield Stanley stil, en daar hij aan land een
troep vreemde menschen zag, riep hij:
„Tot wien behooren jullie?”
„We behooren tot Stanley’s mannen,” klonk het antwoord.
In enkele oogenblikken was Stanley aan land, en voor hem stond, als
eenige Europeaan, de arts Bonny.
„Wel Bonny, hoe gaat ’t? Waar is de majoor? Soms ziek?”
„De majoor is dood!”
„Dood? Goede God! Hoe is hij gestorven? Aan koorts?”
„Neen, hij is doodgeschoten!”
„Door wie?”
„Door de Manjema, de mannen van Tipoe Tip!”
„Genadige hemel! En waar is de plaatsvervangende officier?”
„Aan de Stanley-vallen!”
„Om Godswil! Wat doet hij daar?”
„Hij is daarheen gegaan om meer dragers te krijgen.”
„En waar zijn de andere officieren?”
„De eene is in Bangala, en de andere is al sedert lang ziek naar huis
teruggekeerd!”
Bij stukjes en beetjes vernam nu Stanley het lot van de achterhoede.
Majoor Barttelot had de instructies van Stanley niet opgevolgd, die hem
uitdrukkelijk gelast had, om slechts een tijdlang op de door Tipoe Tip
beloofde dragers te wachten; maar om dan, wanneer de Arabier zijn woord
niet zou houden, met al de bagage in kleine dagmarschen op te rukken,
om in elk geval dichter by Stanley te komen. Tipoe Tip had, zooals
Stanley wel voorzien had, zijn woord niet gehouden, en majoor Barttelot
had zich door de beloften van den sluwen Arabier volkomen om den tuin
laten leiden!
Deze had spoedig de benarde positie van den majoor bemerkt, en het was
zijn streven geweest om zich zijn hulp zoo duur mogelijk te laten
betalen. De rooftochten van zijn benden hadden de oevers van de
Aroewini verwoest en ontvolkt, en de achterhoede was nu voor de
proviandeering op de milddadigheid der Arabieren aangewezen. Dit was ’t
juist wat Tipoe Tip beoogde: op deze wijze kreeg hij voortdurend meer
van de kostbare bagage van Stanley in handen. Hoewel er geen
schermutselingen hadden plaats gehad, was de munitie-voorraad reeds tot
op de helft ingekrompen, de helft van het buskruit en meer dan twee
derden der kogels waren verdwenen; de slaghoedjes had men aan Tipoe Tip
moeten verkoopen!
Maar, nog erger! Tengevolge van ongunstige berichten omtrent het lot
van Stanley had Barttelot een groot deel der bagage naar Bangala
teruggezonden, zoodat Stanley thans aan alles gebrek had, en voor
zichzelf uit een stuk doek der tent, een soort van kousen moest maken!
Alsof dit alles nog niet voldoende was, had Barttelot ook een deel van
de Europeesche proviand, en bijna alle geneesmiddelen teruggezonden, en
dat nog wel terwijl zijn mannen van honger omkwamen, en het kamp meer
zieken dan gezonden bevatte! Van de 271 man sterke achterhoede waren er
nog slechts 101 in leven, en van dezen was nog de helft door honger en
ontbering ten doode opgeschreven. Kortom, de aanvoerder was bij al den
tegenspoed volkomen zijn hoofd kwijtgeraakt. En toen eindelijk, tien
maanden later dan afgesproken was, Tipoe Tip met een deel der beloofde
dragers aankwam, waren deze zoo onbruikbaar, dat de majoor zijn
zelfbeheersching volkomen kwijt raakte. Bij een twist, die hierover
ontstond, had een der Arabieren hem eenvoudig neergeschoten.
Zelfs de ijzeren energie van iemand als Stanley moest wel door het
verhaal van dezen rampspoed gebroken worden. De halve expeditie
vernietigd door de roekeloosheid van den aanvoerder! Niets dan moord en
dood, ziekte en zorg, kommer en gebrek. Welk een welkom voor deze
kleine heldenschaar! Dagen lang was Stanley als ’t ware versteend bij
den aanblik van al deze ellende.
Toen hij echter weer eenigszins tot zichzelve gekomen was, zorgde hij
er eerst voor, dat velen van de achterhoede die zichzelf met slecht
toebereide maniok vergiftigd hadden, weer op krachten kwamen; toen dit
het geval was, werd den 1sten September de terugmarsch ondernomen.
Alzoo ten derden male door de verschrikkingen van het oerwoud! En dat
met een karavaan waarin op één gezonde drie zieken voorkwamen. De
vreeselijkste ervaringen hadden de mannen nog niet verstandiger
gemaakt, en noch de vergiftigde pijlen noch de vlijmscherpe speren der
inboorlingen hielden de mannen er van af om zich van den troep af te
scheiden, en alleen op buit uit te gaan. Daarbij dag aan dag regen, die
de bezwaren van den tocht nagenoeg onoverkomelijk maakte! Meer dan eens
dreigde de hongerdood een einde aan de geheele expeditie te zullen
maken.
Den 15den December, in een kamp nabij het punt waar de Ihoeroe en de
Doei samenstroomen, wanhoopte zelfs Stanley er aan, den volgenden dag
nog te zullen beleven.
De uitgezonden fourageerders waren sedert dagen verdwenen; of
verzorgden zichzelf misschien in weelderige bananenaanplantingen,
zonder aan hun kameraden te denken. Van hen die in het kamp waren
achtergebleven, waren slechts weinigen in staat om in het woud bessen
of paddestoelen te zoeken. Wie nog gaan kon, volgde den aanvoerder om
de vermisten te zoeken. Het werd nacht, wellicht de laatste nacht, dien
ze zouden beleven! De sterren waren niet te zien, er brandde geen vuur,
want er was toch niets om te koken. Diepe stilte heerschte
rondom—slechts nu en dan een vertwijfeld steunen.
„Uit de pikzwarte duisternis,” zoo lezen we in Stanley’s dagboek
„doemden vage gestalten op, die het koortsgebied bevolken, er waart
door de lucht een gefluister van graven en eenige vergetelheid, een
demon fluistert de verhitte verbeelding in, dat het beter is te rusten,
dan met een gebroken hart te denken, en de wind in de toppen der boomen
van het duistere woud schijnt te zuchten en te steunen: verloren!
verloren! verloren! Vergeefs zijn uw arbeid en uw kommer! De eene
noodlotsdag na den anderen; stuk voor stuk zullen uw mannen den dood
ten prooi vallen, en dan zult ge alleen zijn!”
„Allah ho Akbar” weerklonk plotseling de roep van een man in het
duister. „God is groot”—een Muzelman herinnerde de Christenen er aan
hunnen God te gedenken!
Tegen den morgen sluimerde Stanley in, maar toen de dag nog nauwelijks
aangebroken was en het spookachtig licht zijn doodstille makkers deed
zien, sprong hij weer op. „Vooruit, jongens naar de bananen! Met Gods
hulp zullen we vandaag nog bananen hebben!” Allen stonden met
inspanning van hun laatste krachten op, en struikelend van zwakte
gingen ze in het grauwe morgenlicht achter elkaar aan.
Hoor! Was dat niet als het gerommel van stemmen in de verte? Neen, ’t
was reeds nabij! En komt daar niet als gedragen door de hand van een
schim een bundel groene bananen uit het struikgewas te voorschijn? Daar
zijn de fourageerders met schatten beladen! En op hetzelfde oogenblik
vergaten allen hun ellende, en jubelend stijgt hun dank ten hemel: „God
zij gedankt!” Snel werden vuren aangestoken, waarop de bananen
geroosterd werden, en toen men weer voldoende krachten had opgedaan om
zich op weg te begeven, gingen ze naar het kamp terug, om ook daar aan
de halfdooden weer nieuw leven te schenken.
Dit verschrikkelijkste avontuur van de geheele expeditie vond plaats op
een afstand van weinige dagreizen van het fort Bodo, waar Stanley op
den 20sten December aankwam. In het geheel had de marsch van Banalja
naar het fort honderd en zes menschenlevens gekost!
„In het fort Bodo alles wel!” Dit gelukkige bericht had tegelijkertijd
iets verbluffends voor Stanley. Immers, hij had er in ’t geheel niet op
gerekend de bezetting nog in het fort aan te zullen treffen.
Emin pacha en Jephson hadden, zoo luidde de stellige afspraak, een
expeditie tot ontzet zullen vormen! Maar er was van beiden niet het
geringste bericht tot hier doorgedrongen. Had dan alles samengespannen
om het doel dezer expeditie onmogelijk te maken? Er moest in het gebied
van den gouverneur wel iets zeer bijzonders hebben plaats gegrepen,
wanneer zelfs Stanley’s eigen officieren de strikste bevelen om het
fort te ontzetten niet hadden kunnen nakomen!