Den 18den Maart liep de stoomboot „Madoera” de monding van den Congo
binnen. Maar reeds gedurende het eerste eind van Matadi tot aan
Stanley-Pool leed de karavaan door desertie en ziekte groote verliezen,
en bagage, proviand en ammunitie smolten tot bijna op de helft in.
Daarbij veroorzaakte het verkregen van nieuwe voedingsmiddelen zeer
onverwachte moeilijkheden, en daarom moesten in geforceerde marschen
vruchtbare streken bereikt worden. Van Stanley-Pool zou het per schip
verder gaan, maar de bestuurder van het Zendingsstation was slechts na
langdurige onderhandeling bereid, zijn schepen aan de expeditie ter
beschikking te stellen, voor de vaart den Congo op tot aan Jamboeja,
aan de zijrivier Aroewimi.
Den eersten Mei begon de eentonige vaart. Dag aan dag hetzelfde
tooneel: boschrijk land, miriaden met bosch bedekte eilanden, en breede
kanalen met doodsch, stil water, die in den strakken glans der zon op
stroomen van kwikzilver geleken. Maar de inboorlingen leverden tamelijk
bereidwillig levensmiddelen en de gezondheid der expeditie bleef in het
begin uitstekend. Maar in Leopoldville moest reeds een deel der bagage
achter worden gelaten en in Bolobo bleef zelfs een deel der expeditie
liggen: honderd en vijf-en-twintig man, die reeds te uitgeput en ziek
waren. Te Jamboeja, waar de zendingsschepen terugkeerden en ook Tipoe
Tip zijns weegs ging, moest Stanley weer een keuze onder zijn
manschappen doen. En daar in het Oosten wachtte Emin pacha hevig door
de Mahdisten in het nauw gebracht op hulp! Voorwaarts dus, het koste
wat het wilde! Een voorhoede van gezonden en sterken baant den weg naar
het Albert-meer; wie niet mede kan, blijft bij de achterhoede onder
majoor Barttelot in Jamboeja. Hun taak is bagage en manschappen uit
Leopoldville en Bolobo te halen, en dan ondersteund door de door Tipoe
Tip beloofde dragers of in het ergste geval alleen, de voetsporen van
Stanley te volgen om zich na eenige maanden weer met hem te vereenigen.
De achterhoede betrok een bestaande kampplaats te Jamboeja, want het
verlies der achtergebleven manschappen en hun voor het grootste deel
voor Emin pacha bestemde bagage, zou een onherstelbaar verlies voor de
voorhoede wezen; men moest dus voorzichtig zijn tegenover de
inboorlingen en eveneens tegenover Tipoe Tip, voor het geval deze de
voorkeur er aan mocht geven, inplaats zijn loon te verdienen, zich de
schatten der expeditie kortweg toe te eigenen.
Den 28sten Juni begon nu de marsch der voorhoede van drie honderd
negen-en-tachtig man in de richting van het Albert-meer door een geheel
onbekend gebied en door vreemde stammen van inboorlingen. Weer nam een
ontzaglijk oerwoud de karavaan op en gedurende honderd en zestig dagen
moest zij zich onder ontzaglijke moeite met mes en bijl een pad banen,
door kreupelhout en struikgewas, zonder in al dien tijd, ook maar een
stuk grasland, zoo groot als de vloer eener kamer te hebben gezien! De
marsch ging langs den oever van de Aroewini, en af en toe kwam men in
de meegebrachte boot of in van de inboorlingen geroofde kano’s op
einden, die vrij waren van watervallen, sneller vooruit. Maar bijna nog
gevaarlijker dan de inboorlingen, waren de aanvallen der zwermen
wespen, wier nesten vastkleefden aan de over het water hangende takken;
vooral de naakte dragers wisten zich ternauwernood tegen hen te
verweren. Regen, vereenigd met stormachtige onweersbuien, bemoeilijkten
den marsch zeer, en meestal moest de karavaan zich tevreden stellen met
de meest schrale voedingsmiddelen, die zij langs den weg vonden. Want
de inboorlingen aan de dichtbevolkte oevers gedroegen zich, met enkele
uitzonderingen, vijandig of verlangden buitensporige prijzen voor een
paar bananen en maïskolven, want dikwijls leden zij ook zelf honger en
leefden zij van paddestoelen, wortelen, visschen, slakken of rupsen,
een menu, dat zij in het gunstigste geval door eenige porties
menschenvleesch van verslagen vijanden verbeterden.
Daarbij toonden velen van Stanley’s manschappen zich zoo weerbarstig en
lui, dat zij liever zouden zijn verhongerd, dan met eigen hand de boven
hun hoofd hangende bananen af te snijden. De mannen uit Zanzibar
toonden zich zeer onverschillig omtrent het verlies van hun bagage,
hetgeen noodlottig dreigde te worden voor het lot der geheele karavaan,
die in het oerwoud als begraven was. Op het water waren zij geheel
onbruikbaar en aan den oever tegenover de hen omringende gevaren van
dezelfde stompzinnige onverschilligheid. Ondanks dagelijksche, ja elk
uur, gegeven waarschuwingen zwierven zij zorgeloos in het bosch rond en
werden dan dikwijls door de vergiftige pijlen en speren der
inboorlingen in den rug doorboord. Indien een moedige wilde hen brutaal
tegemoet trad, dan wierpen zij het liefst het geweer weg om te vluchten
of zij verhandelden hun wapenen tegen een paar maïskolven; daardoor
werden de inboorlingen steeds brutaler en weldra moest elke schrede in
hardnekkig gevecht met de wilden veroverd worden. De veerkracht hunner
bogen was zoo groot, dat de pijlen op korten afstand een lichaam geheel
doorboorden, en het gift, waarmede de punten waren bestreken,
veroorzaakte na voorafgegane krampaanvallen bij de meeste verwondingen,
onder groote smarten den dood.
Bovendien ontmoette de karavaan nu roofzuchtige Arabieren en deze
ontmoeting demoraliseerde de troepen van Stanley nog meer dan ziekte en
honger het tot nu toe hadden gedaan.
De desertie nam toe, proviand, ammunitie en ruilwaren werden bij
massa’s gestolen en aan de Arabieren verkocht. Vele zieken
bemoeielijkten den marsch, vooral als de booten op het land getrokken
en voorbij watervallen gesleept moesten worden. De desertiekoorts stak
zelfs een der laatste ezels aan, ook hij ging op zekeren dag aan den
haal.
Intusschen was het nog een geluk voor de geheel uitgeputte en
ingesmolten karavaan, dat zij den 16den September in de nederzetting
van het Arabisch opperhoofd Oegarrowa aankwam, een voorpost der
slavenhandelaars, waar men Stanley vriendelijk ontving. Hij gaf daarom
zijn zieken aan de Arabieren ter verpleging; zij zouden, tegen
betaling, zoo lang in de nederzetting van Oegarrowa blijven, totdat de
achterhoede van majoor Barttelot hen zou bereiken. Door desertie en
dood had de voorhoede tot nu toe twee-en-zestig man verloren, en het
hoopje van hen, die zich nu gereed maakten verder te trekken, was zeer
verminderd.
De aanwezigheid der slaven- en ivoorjagers had bovendien de
inboorlingen in het rond verdreven. Zij hielden zich verborgen in
ontoegankelijke kreupelbosschen en levensmiddelen waren maar zelden te
krijgen. De woeste strooming der rivier maakte het onmogelijk de
vaartuigen te gebruiken en spoedig waren de dragers zoo verzwakt, dat
zij nog slechts op handen en voeten kropen. Weer moest een troep zieken
en uitgeputten achtergelaten worden, en niettegenstaande de
buitengewone volharding van Stanley begon deze nu te twijfelen aan de
redding der expeditie! Evenals de wilden leefde men van woudbananen,
kevers, rupsen, slakken en witte mieren, en een ezel werd zoo grondig
verorberd door de half uitgehongerden dat niets dan het vergoten bloed
en de haren overbleven. Op de rustplaatsen zaten de lieden dof voor
zich heen te staren of spraken met elkaar over het bange voorgevoel dat
zij omtrent het hun te wachten lot hadden.
„Weet gij dat die en die dood is; dat die verloren is en een derde
misschien vannacht te gronde gaat? De overigen zullen morgen omkomen.”
En na het gesprek riep de trompet weer allen op hun post om verder te
marcheeren en verder te strijden.
Daar stiet men eindelijk den 18den October weer op de
herkenningsteekenen der Arabieren en vond in hun nederzetting Ipoto
opname en redding. Maar deze vriendelijkheid der Arabieren was
gevaarlijker, dan wanneer zij de expeditie met de wapenen in de hand
tegemoet waren getreden.
Tegen levensmiddelen verkochten de mannen uit Zanzibar, wapenen en
bagage en vanaf Stanley tot aan den laatsten drager waren allen op het
punt weerloos in de handen der Arabieren te vallen! Toch bleef er niets
anders over dan om ook hier weer de zieken achter te laten, om nog maar
voorwaarts te komen.
Den 27sten October ging de marsch verder naar het Oosten. Het oerwoud
werd steeds meer onbegaanbaar. Het vreeselijkste waren de open plekken,
die gedeeltelijk door den storm waren veroorzaakt, gedeeltelijk door de
inboorlingen ter beschutting hunner dorpen waren gemaakt. In
schrikkelijke verwarring lagen stammen en boomen, de een op den ander;
verhieven zich de takken tot den eenen heuvel boven den anderen. In
deze woestenij van bosch groeiden in den grootsten overvloed bananen,
wilde druiven, palmen, rotangs en vele woekerplanten, en door dit alles
moesten de manschappen dringen, over neergevallen stammen balanceeren,
dan weer op den grond door een warnet van takken kruipen en door
moerassen en greppels voorttuimelen. En vooral dreigden, onder bladeren
verborgen, vergiftige houtsplinters, die de sluwe inboorlingen tot
verweer tegen de vreemdelingen rechtop in den grond plachten te steken!
Elken avond pakten zich wolken samen, en hoorde men het rollen van den
donder van alle kanten weerkaatsen in het woud; de bliksemstralen
flikkerden hier en ginds, braken dagelijks de kronen der boomen en
spleten een woud-patriarch van den top tot den wortel, en de regen viel
in stroomen neer. Maar gedurende den marsch was de Voorzienigheid weer
genadig, de zon scheen en wierp haar zacht licht in millioenen stralen
door de takken en wekte de gedrukte stemming der reizigers op,
veranderde de stammen der boomen in marmeren pilaren en den dauw en
regendroppels in fonkelende brillanten, vroolijkte de onzichtbare
vogels op, zoodat zij hun lied deden klinken, wekte de zwermen van
papegaaien tot vroolijk geschreeuw en gefluit, en de groote troepen
apen tot uitgelaten grappen, terwijl hier en daar een diep gebrul in de
verte verkondigde dat een soko- of chimpanseefamilie zich in hun
schuilhoek met de een of andere wilde sport vermaakte.
Een troep Arabieren diende op dezen marsch tot gidsen en de brutale
overmoed, tegenover de vreemdelingen, die zij reeds geheel in hun macht
zagen, werd voor de manschappen een onverdraaglijke marteling. Maar
zwak als zij waren, aan wandelende geraamten gelijk, moesten zij zich
alles laten welgevallen, totdat zij eindelijk Ibwiri bereikten, waar
zij zich weer aan een overvloed van levensmiddelen konden versterken.
Alsof zij met een tooverstaf werden aangeraakt, werkte hier op de
karavanen het bericht, dat de gevangenschap in het oerwoud op haar
einde liep en het grasland in het Oosten nog maar enkele dagreizen was
verwijderd. In Ibwiri wachtte Stanley, totdat zij, die in de laatste
kampplaatsen waren achtergebleven, zich met hem vereenigden, en toen de
voorhoede weer honderd vijf-en-zeventig man telde, zette hij den 24sten
November met nieuwen moed en frissche kracht den tocht voort.