De sneeuwstormen loeiden om de beide reizigers heen. Hun tent hadden ze
prijs gegeven en ’s nachts kropen ze tusschen de sleden, waar ze een
zeil over heen gespannen hadden. Eenmaal liep Nansen op sneeuwschoenen
regelrecht het water in, en hij zou stellig verdronken zijn, wanneer
niet Johansen hem er nog tijdig uitgetrokken had. Het dunne ijs was met
een laag sneeuw bedekt, en was van water doortrokken: zoo kwam het, dat
ze slechts langzaam vorderden, want ze moesten eerst begaanbaar ijs
opzoeken. Reeds begon de proviand weer op te raken, maar gelukkig
krioelde het in ’t water van walrussen. Vaak waren de dieren, die in
troepen op ’t ijs lagen, zoo mak, dat Nansen dicht in hun nabijheid kon
komen om ze te fotografeeren. Zelfs wanneer er een neergeschoten werd,
verroerden de anderen zich in ’t geheel niet. Slechts wanneer er met
stokken op los geslagen werd, stonden ze log op, waggelden als eenden
achter elkaar naar het water en doken met de koppen naar beneden onder.
Eens was het ijs zoo glad, en de wind zoo gunstig, dat Nansen en
Johansen de zeilen heschen, zich op hun sneeuwschoenen er voor
plaatsten om te sturen en voort ging het, in suizende vaart, zoodat de
wind hen om de ooren floot!
Op een anderen keer zeilden ze met samengebonden kajaks en landden op
een eiland, om ruimer om zich heen te kunnen zien. De kajaks werden aan
een koord van walrussenhuid vastgelegd. Maar toen ze over het eiland
ronddwaalden, riep plotseling Johansen:
„Halt! Daar drijven de kajaks!”
Toen snelden ze naar het water, de wind woei krachtig zeewaarts en
dreef met de kajaks al hun bezittingen weg.
„Hier is mijn horloge!” riep Nansen, gooide snel zijn kleeren uit,
sprong in het ijskoude water, en zwom de schuiten achterna. Maar deze
dreven sneller dan Nansen kon zwemmen. Hij voelde reeds dat hij begon
te verstijven; maar hier te verdrinken was niet erger dan zonder de
booten terug te keeren! Vooruit dus, met inspanning van alle krachten!
Toen zijn krachten hem begonnen te begeven, ging hij een poos op zijn
rug liggen; intusschen liep Johansen in vertwijfeling op het ijs heen
en weer—maar daar zwom Nansen reeds weer, en ten slotte werd de afstand
geringer; Johansen uitte een vreugdekreet, en reeds op het punt van te
zinken, gelukte het Nansen nog juist om een der sneeuwschoenen, die
buiten de kajuit uitstaken, te grijpen; daaraan klemde hij zich vast en
kon tenminste een oogenblik op adem komen. Toen heesch hij zich met
moeite in de boot, en roeide terug, door en door verkleumd. Maar toch
kwam hij eindelijk aan land; Johansen pakte hem dadelijk in den
slaapzak, en dekte hem toe met alles wat voorhanden was. Na een paar
uur geslapen te hebben, was de ijzersterke Nansen weer zoo frisch als
een hoen, en deed het avondeten alle eer aan. Later bekende Johansen
dat het de angstigste oogenblikken geweest waren, die hij nog ooit had
doorgebracht.
Steeds meer zuidwaarts leidde hun weg, dwars door het ijs en de golven.
Het grootste gedeelte van hun tocht legden zij thans in de kajaks af.
Op zekeren dag kwam vlak naast Nansen’s kajak, een walrus aan de
oppervlakte, en had bijna de boot met de beide mannen in het zilte nat
doen verdwijnen. Toen het dier weer weggezwommen was, voelde Nansen dat
op den bodem plotseling alles drijfnat geworden was. Zoo vlug als hij
kon, roeide hij naar de naastbijgelegen ijsvlakte, waar de kajak,
gelukkig in ondiep water, snel begon te zinken. Om het lek te
herstellen hadden zij een geruimen tijd noodig.
Nansen’s tocht is een ongeëvenaard feit in de geschiedenis der
noordpooltochten. Van de honderd en dertig manschappen van den „Erebus”
en den „Terror” had niet één enkele er het levend afgebracht, hoewel ze
hun schepen niet verloren hadden, en hoewel ze vlak in de nabijheid
lagen van land, waar menschen woonden, en waar levend wild in overvloed
was. De Long was het slachtoffer geworden der ongunstige
omstandigheden. Deze beide koene Noren daarentegen, hadden het vijftien
maanden lang in de Poolzeeën uitgehouden, zonder daarbij hun leven in
te boeten, zonder dat hun ledematen bevroren waren, ja zelfs zonder
door uitputting en ontberingen te vermageren! Zelfs hadden ze het nog
wel geruimen tijd langer kunnen uithouden, maar—het oogenblik van hun
bevrijding was ophanden.