17. EEN OVERWINTERING.

De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden,

geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans

Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich

eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het

open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van

mondvoorraad te zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en

binnenkort zou al het wild verdwenen zijn.

Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut.

Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een

aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als

dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit

maakte, was de bedekking van het dak ook in orde.

Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een

ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van

daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar

kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar,

of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een

doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf

wilde stooten, verdween hij in de diepte.

Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer

geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld

had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik

van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het

opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven

zou bijblijven.

Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit

naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo

voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als

slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op,

zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar

de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene,

witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende

snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te

moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de

eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks.

Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven

terug.

In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens

een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; de beide jongen

draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een

ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden

zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel

over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het

zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol

door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als

twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en

Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen

voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te

water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge

beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het

land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten.

Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En

bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de

oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit

nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij

dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed

en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong.

Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den

afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de

poolnacht een aanvang nam.

Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het

schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen

gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van

een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen

korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond

uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd

en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het

materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het

geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar

boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke

gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den

afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de

nieuwe hut, die hun gedurende den geheelen langen winter een veilig en

behagelijk onderkomen verschafte.

Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde

poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het

volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en

deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad

en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten

was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al

huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen

van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling,

dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben

willen missen.

Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele

winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en

verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De

maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het

maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde

het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte

uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans.

Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de

kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen

hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en

vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur.

Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en

dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden

in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op:

verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste

delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen

luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te

zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude

dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak

vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de

ijsberen in hun hol.

Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar

stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de beide mannen

schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard

waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen

en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart

haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig

graden vorst niet te denken!

Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut,

aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een

kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer:

van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang.

Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten

van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te

beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van

walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand

opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun

veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren

tocht voort te zetten.

Van pool tot pool(#76913) · 第 23 / 75 题