De eilanden, die Nansen en zijn tochtgenoot tot nog toe gezien hadden,
geleken echter in ’t geheel niet op het bekende gedeelte van het Frans
Jozefs-land, zoodat Nansen niet meer precies wist, waar hij zich
eigenlijk bevond. Bovendien was ’t onmogelijk zich op de kajaks in het
open water te wagen: ’t was dus beter om voor het verzamelen van
mondvoorraad te zorgen. Want de poolnacht stond voor de deur, en
binnenkort zou al het wild verdwenen zijn.
Het eerste, waarvoor ze moesten zorgen, was een goede, bewoonbare hut.
Steenen en mos waren als bouwmateriaal genoeg voorhanden; een
aangespoelde balk, die ze aan den oever vonden, zou dienst doen als
dakvorst en toen men op een goeden keer weer eens twee walrussen buit
maakte, was de bedekking van het dak ook in orde.
Reeds spartelde daarbuiten een groote walrus in het open water. In een
ommezien waren de saamgebonden kajaks in het water geschoven en van
daaruit werd nu de kolos bestookt. De walrus dook in de diepte, maar
kwam onder de eene kajak weer naar boven, en ’t scheelde maar een haar,
of de geheele geschiedenis was omgeslagen. Eindelijk kreeg het dier een
doodelijke wond, maar juist, toen Nansen hem den harpoen in het lijf
wilde stooten, verdween hij in de diepte.
Bij twee andere, die zich op het ijs in slaap brulden, hadden ze meer
geluk. Nansen vertelde later, dat hij zich als een moordenaar gevoeld
had, toen hij ze moest doodschieten, en dat de smeekende, treurige blik
van hunne stervende oogen, toen ze, als zwaar zieke menschen, onder het
opgeven van bloed den laatsten adem uitbliezen, hem zijn geheele leven
zou bijblijven.
Daarna moesten de dieren gevild, het spek er af gesneden, en de buit
naar de hut gebracht worden. Maar welk een geluk, dat Nansen zoo
voorzichtig geweest was, om de kajaks mee te nemen. Want terwijl ze als
slagers met de dieren bezig waren, stak er een sterke landwind op,
zoodat de ijsschots waarop ze zich bevonden, los geraakte, en ze naar
de zee afdreven. Reeds waren ze omringd door de donkergroene,
witbekuifde golven. Er was geen oogenblik te verliezen, met razende
snelheid dreven ze af. Maar, om met leege handen weer naar de hut te
moeten terugkeeren, dat zou toch al te jammer zijn. Daarom sneden ze de
eene in tweeën en droegen de helft met het spek naar hun kajaks.
Doodmoe kwamen ze na een gevaarvollen tocht eindelijk in behouden haven
terug.
In den nacht kwam een ijsberen-mama met haar beide groote jongen eens
een kijkje nemen in de hut. Ze werd neergeschoten; de beide jongen
draafden naar de kust, plompten in het water, en zwommen naar een
ijsschol. Daar stonden ze te brommen op de menschen, en verwonderden
zich er over, waarom moeder zoo lang aan land bleef. Het eene jong viel
over den rand in het water, maar kroop weer naar boven, terwijl het
zoute water hem van den pels afdroop. Beiden dreven met de ijsschol
door den wind gedreven weg, en waren in korten tijd nog slechts als
twee witte stippen op het donkere water zichtbaar. Maar, Nansen en
Johansen hadden vleesch noodig, want de drie dieren hadden hun geheelen
voorraad walrussen-vleesch opgegeten; dus werden de kajaks weer te
water gelaten, en spoedig bereikten ze de schol, waarop zich de jonge
beren bevonden; ze dreven hen in ’t water en vervolgden ze tot aan het
land, waar eenige schoten een einde aan hun leven maakten.
Er was nu aan vleeschvoorraad geen gebrek. Drie beren tegelijk! En
bovendien kwam nog de walrus, die ze het eerst geschoten hadden aan de
oppervlakte, en terwijl deze gevild werd, kwam een tweede uit
nieuwsgierigheid kijken, en moest daarvoor met zijn leven boeten. Bij
dit onsmakelijk werk werden de kleederen der beide mannen zoo met bloed
en traan besmeerd, dat het kleverige vuil tot op hun huid doordrong.
Van alle kanten kwamen de meeuwen krijschend aangevlogen om gulzig den
afval te verslinden, voordat ze naar het Zuiden trokken, en de
poolnacht een aanvang nam.
Met het bouwen van het winterverblijf ging een week heen. Het
schouderblad van een walrus, aan den stok van een sneeuwschoen
gebonden, diende als schop, terwijl een walrussentand, aan de lat van
een slede bevestigd, als houweel dienst deed. Zoo verhieven zich binnen
korten tijd de muren van de nieuwe hut. Van binnen werd de grond
uitgegraven, en van steenen een gemeenschappelijke slaapplaats gebouwd
en met berenvellen bedekt. Twee buitgemaakte walrussen leverden het
materiaal voor dakbedekking. Wel is waar kwam er een beer die het
geheele dak naar beneden haalde, maar hij moest deze euveldaad zwaar
boeten, en later werd het dak door een laag steenen tegen dergelijke
gebeurtenissen beschermd. Een schoorsteen van ijs diende voor den
afvoer van den rook uit den open haard. Nu betrokken de beide mannen de
nieuwe hut, die hun gedurende den geheelen langen winter een veilig en
behagelijk onderkomen verschafte.
Den 15den October 1895 zagen ze de zon voor ’t laatst, en hun derde
poolnacht nam een aanvang. De beren verdwenen, om zich voor het
volgende voorjaar niet meer te laten zien. Slechts de vossen bleven, en
deze waren even brutaal als roofzuchtig. Ze stalen touw en staaldraad
en harpoenen, en vergrepen zich zelfs aan een thermometer, die buiten
was blijven liggen. Den geheelen winter liepen ze over het dak, al
huilend en knorrend en brommend en onderling vechtend. Deze teekenen
van leven vormden echter voor de bewoners een zoo welkome afwisseling,
dat ze die wilde bezoekers voor geen geld van de wereld zouden hebben
willen missen.
Of de dagen langzaam voorbij gingen? Dat nu juist niet: de geheele
winter was immers slechts één enkele nacht! Daarbuiten was ’t stil en
verlaten: een plechtige stilte heerschte in de windstille nachten. De
maan scheen helder, en de hut lag in de schaduw van een klip, het
maanlicht bedekte land en ijs als met een witte lijkwade. Vaak vlamde
het noorderlicht als een geheimzinnig vuur aan het inktzwarte
uitspansel, en de sterren fonkelden in onbeschrijflijken glans.
Slechts zelden was het stil weer. Gewoonlijk huilde de wind over de
kale rotsen, die reeds gedurende onafzienbaren tijd milliarden stormen
hadden getrotseerd, en de sneeuwstormen gierden er loeiend omheen en
vormden om de hutten der reizigers een geweldigen muur.
Zoo verliep de eindeloos lange nacht. Nansen en Johansen aten en
dronken, liepen in het donker rond om wat beweging te nemen, en vierden
in hun hut het Kerstfeest. Ze knapten het inwendige van de hut op:
verwijderden allen afval, en hielden een feestmaal van de laatste
delicatessen van de „Fram”. Naderhand bleef Nansen nog lang liggen
luisteren, alsof hij verwachtte in het vaderland de kerkklokken te
zullen hooren luiden. Toen kwam Nieuwjaarsdag, met een zoo felle koude
dat ze alleen om te eten hun neus buiten den slaapzak staken, en vaak
vier en twintig uur aan een stuk bleven voortdommelen, evenals de
ijsberen in hun hol.
Den laatsten Februari zagen ze eindelijk weer de zon, die met haar
stralen ettelijke kleine vogels aanlokte. Maar de beide mannen
schrokken, toen ze elkaar weer bij het daglicht zagen: haren en baard
waren ongestoord gegroeid; ze hadden zich al dien tijd niet gewasschen
en hun gezicht was roetzwart. De anders zoo blonde Nansen had pikzwart
haar; maar aan een bad viel natuurlijk bij een temperatuur van veertig
graden vorst niet te denken!
Spoedig verscheen ook de eerste beer. Hij krabbelde tegen de hut,
aangelokt door allerlei verlokkelijke geuren; maar hij werd met een
kogel ontvangen en ging op den loop; een tweede kogel velde hem neer:
van zijn vleesch leefden beide mannen zes weken lang.
Nu werden de dagen besteed voor de toebereidselen tot het voortzetten
van de reis. Er werden uit vachten lappen genaaid om de beenen te
beschutten, schoenen geflikt, touwen gesneden uit de huiden van
walrussen, nieuwe bovenstellen voor de sleden getimmerd, de proviand
opgeladen en den 19den Mei 1896 verlieten Nansen en zijn makker hun
veilig winterkwartier om in zuid-westelijke richting hun onzekeren
tocht voort te zetten.