»Zooals gij wilt, master Burbank," antwoordde John Bruce. »Ik blijf

in ieder geval ter uwer beschikking...."

»Keert gij niet naar Jacksonville terug?"

»Neen, ik blijf bij u, voor het geval gij mijne hulp mocht behoeven."

»Dat blijft dan afgesproken," zei James Burbank, terwijl hij hem de

hand drukte.

De aanval, die thans in werkelijkheid begon, nam de geheele aandacht

van den eigenaar van Camdless-Bay in beslag.

Een vreeselijk geweervuur ontbrandde plotseling, zonder dat men de

aanvallers nog kon ontwaren, die zich zorgvuldig achter de voorste rij

boomen gedekt hielden. De kogels kletterden als een zware hagelslag

tegen de palissadeering, zonder daaraan wel is waar groote schade

aan te richten.

Ongelukkig konden James Burbank en zijne makkers dat geweervuur slechts

flauw beantwoorden, daar zij ternauwernood een veertigtal vuurwapens

ter hunner beschikking hadden. Maar daar zij in betere stellingen

stonden en betere gelegenheid hadden om rustig te schieten, waren

hunne schoten veel wisser dan die der militie-troepen, welke zich

aan het hoofd der aanvalskolonne bevonden. Het gevolg daarvan was,

dat een zeker getal der laatstbedoelden op de grens van het bosch

getroffen werd.

Dat gevecht op een afstand duurde ongeveer een half uur en viel

natuurlijk geheel in het voordeel van de verdedigers van Camdless-Bay

uit.

Nu ijlden de aanvallers naar de omwalling, om haar stormenderhand

te veroveren. Daar zij haar op verscheidene punten tegelijk wilden

aantasten, hadden zij een voorraad planken en balken, afkomstig van

de timmerwerven der plantage, die nu in brand stonden, medegenomen.

Die balken werden op twintig plaatsen tegelijk dwars over de

ringgracht geworpen en veroorloofden aan de aanvallers om den teen

der palissadeering te bereiken, evenwel niet zonder ernstige verliezen

aan dooden en gekwetsten ondervonden te hebben.

Toen klemden zij zich aan de palissaden vast, zij heschen elkander op;

maar zij slaagden er niet in om de omwalling te overschrijden. De

negers, die ten zeerste verbitterd tegen die brandstichters waren,

dreven hen met waren heldenmoed terug. Het bleek evenwel bij deze

gelegenheid helder als de dag, dat de verdedigers van Camdless-Bay

niet op alle punten, die door den overmachtigen vijand bedreigd werden,

tegelijk konden optreden.

Toch slaagden zij er in, om tot het invallen van den nacht den

weerstand te rekken. Weinige hunner waren gewond geworden en dan nog

niet eens ernstig. James Burbank en Walter Stannard, hoewel zij zich,

om het voorbeeld van stoutmoedigheid te geven, meermalen roekeloos

blootgesteld hadden, waren zelfs niet geraakt geworden.

Edward Carrol alleen werd door een kogel getroffen, die hem zeer

pijnlijk het vleezige gedeelte van den schouder doorboorde. Hij was

verplicht zich naar het heerenhuis te begeven, alwaar hij door mevrouw

Burbank, door miss Alice en door Zermah op de meest liefderijke wijze

verbonden en verpleegd werd.

Intusschen was de nacht gekomen en deze zou met zijne duisternis den

aanvallers ten goede komen.

Een vijftigtal der dappersten, van die gunstige omstandigheid gebruik

makende, konden tot bij de poterne naderen en begonnen dadelijk

haar met bijlslagen aan te tasten. De poortbladen waren evenwel

voldoende stevig en weerstonden dien aanval. Die poging zou voorzeker

schipbreuk geleden hebben, en nimmer zouden die mannen hebben kunnen

binnendringen, wanneer niet eene stoutmoedige daad eene bres voor

hen geopend had.

En inderdaad, eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van

Castle-House in brand, en de vlammen, die in dat droge hout, waaruit

die gebouwen bestonden, een gereed voedsel gevonden hadden, tastten

nu ook dat gedeelte der palissadeering aan, waartegen zij opgetrokken

waren.

James Burbank stormde naar dat verbrande gedeelte der omwalling,

niet zoozeer om het te blusschen, dan wel om het te verdedigen.

In dit oogenblik kon men bij het schijnsel der vlammen een man te

midden van den rook zien springen, naar buiten ijlen en de ringgracht

oversteken, langs de balken die daarover gelegd waren.

Dat was een der aanvallers, die er in geslaagd was het park, aan den

kant der Sint John, door te midden der biezen te kruipen, heimelijk

binnen te dringen. Zonder door iemand gezien te zijn, was hij een

der stallen binnengeslopen. En daar, op gevaar af van in de vlammen

om te komen, had hij eenige bossen stroo in brand gestoken, met het

doel om zoodoende dat gedeelte der palissadeering door het vuur te

doen vernielen.

Thans was de bres geopend en voor de aanvallers bruikbaar.

Tevergeefs poogden James Burbank en zijne makkers de opening te

verdedigen en het binnendringen te beletten. Een dichte drom van

aanvallers stormden er door en weldra was het park door een paar

honderd hunner bezet.

Aan weerszijden vielen toen velen, want men vocht toen man tegen

man. De geweerschoten weerklonken van alle kanten. Castle-House

was weldra aan alle zijden ingesloten, terwijl de negers, door den

overmachtigen vijand buiten het park teruggedrongen, genoopt waren de

vlucht te nemen naar de bosschen, die Camdless-Bay allerwege omgaven.

Zij hadden gestreden, zoolang zij konden. Zij hadden dat met

veel toewijding en met veel moed gedaan; maar nu de aanvallers

binnengedrongen waren, was verdere tegenstand totaal onmogelijk,

tenzij zij zich wilden laten neerhouwen. Neen, de partij stond te

ongelijk!

James Burbank, Walter Stannard, master Perry en zijne opzieners,

ook John Bruce, die even moedig gevochten had, en verder nog eenige

negers waren eindelijk genoodzaakt geweest eene toevlucht achter de

beschermende muren van Castle-House te zoeken.

Het was toen ongeveer acht uren in den avond. In het westen was

de duisternis zwart. In het noorden werd de gezichteinder nog

eenigermate verlicht door het schijnsel der vlammen van den brand,

die op verschillende punten der plantage gesticht was.

James Burbank en Walter Stannard traden in dit oogenblik het woonhuis

in allerijl binnen.

»Gij moet vluchten," sprak de eigenaar van Camdless Bay, »dadelijk

vluchten!"

»Mijn God!" kreet mevrouw Burbank.

»Hetzij die bandieten met geweld hier binnendringen," vervolgde James

Burbank, »hetzij zij buiten rondom Castle-House het oogenblik zullen

afwachten, dat wij door honger en gebrek genoodzaakt zullen zijn ons

over te geven; in beide gevallen blijft het gevaarlijk hier langer

te verwijlen!"

»Is het inderdaad zoo ver gekomen?" vroeg mevrouw Burbank jammerend

en handenwringend.

»Volgens mijn inzien, ja," antwoordde haar echtgenoot.

»Wat moet er dan gedaan worden?"

»De sloep ligt klaar! Het is tijd om te vertrekken," sprak de eigenaar

van Camdless-Bay, zoo kalm en bedaard als de omstandigheden slechts

gedoogden.

»O, God!... O, God!..." kreten de vrouwen.

»Kom, vrouwlief, moed! Alice, neem haar onder den arm en volgt

Zermah met Dy naar de Ceder-Rots! Daar zult gij in veiligheid wezen,

en... wanneer wij genoodzaakt worden Castle-House te ontruimen,

dan zullen wij ulieden daar komen opzoeken, dan zullen wij u wel

terugvinden..."

»Vader," sprak miss Alice tot Walter Stannard, »gij gaat immers met

ons mede, en gij ook mijnheer Burbank?"

»Ja!... James!..." riep mevrouw Burbank uit.

»Ik!" antwoordde de heer Burbank.

»Ja! James!... Kom met ons mede!" smeekte zijne echtgenoote.

»Ik!... Ik zou Castle-House ontruimen en in de macht van die

ellendelingen laten! Nooit!... zoolang tegenstand nog mogelijk zal

zijn!..."

»Maar.... James!"

»Wij kunnen nog lang in het heerenhuis stand houden!... En wanneer wij

het bewustzijn zullen bezitten, dat gijlieden in veiligheid zult zijn,

dan zullen wij ons sterker en krachtiger gevoelen, om de verdediging

te voeren!"

»James!..."

»Ga niet voort, vrouwlief!"

»James!..." hield mevrouw Burbank handenwringend aan.

»Het kan niet; wij moeten hier stand houden!"

Een verschrikkelijk gehuil werd in dit oogenblik vernomen. De poort

dreunde en weergalmde onder de bijlslagen, die haar door de aanvallers

toegebracht werden. Eene bende dier plunderaars viel thans de voorpoort

van Castle-House, naar den kant van de rivier gekeerd, aan.

»Kom, vertrekt!" riep James Burbank uit.

»Vertrekken!" gilden de vrouwen.

»Ja!... de nacht is reeds gevorderd. De duisternis is voldoende,

men zal u thans niet ontwaren!... Kom, vertrekt!"

»O, James!..."

»Gij verlamt door te blijven onze pogingen... In Gods naam, vertrekt

dan toch!"

Na veel wijfelens, gaven de vrouwen eindelijk aan dien aandrang gehoor.

Zermah stapte vooruit en hield de kleine Dy bij de hand. Mevrouw

Burbank moest zich geweld aandoen, om zich aan de armen van haren

echtgenoot te ontrukken. Zoo ging het ook met miss Alice, die een

toevlucht aan de borst van haren vader gezocht had.

Beiden verdwenen langs de trap, die naar de benedenverdieping geleidde,

alwaar de ingang was van de tunnel, die naar de Marino-Kreek voerde.

»En thans," sprak James Burbank, terwijl hij zich tot master Perry, tot

de opzichters en tot de weinige negers wendde, die hem niet verlaten,

maar met hem den terugtocht naar het heerenhuis aangenomen hadden. »En

thans, vrienden, zullen wij ons tot onzen laatsten snik verdedigen!"

Allen stapten met hem de groote trap van het woonhuis op en namen

stelling bij de ramen van de eerste verdieping. Van daar beantwoordden

zij de honderden geweerschoten, die op het voorfront van Castle-House

gelost werden en waarvan de kogels tegen de arduinsteenen gevels

knetterden. Hunne schoten waren lang zoo talrijk niet als die der

aanvallers, maar daarentegen waren die schoten juister gemikt en

werden op een vrij dichten drom afgevuurd, zoodat menigeen van den

woesten troep getroffen nederviel.

De belegeraars van Castle-House zagen dan ook ras in, dat het

zaak voor hen was, de poort open te krijgen, door bijlslagen of

door vuur. Ditmaal was er niemand om voor hen eene bres te openen,

die toegang tot het heerenhuis kon geven. Wat daar buiten tegen eene

houten palissadeering met welslagen ondernomen was geworden, zou hier

schipbreuk lijden tegenover die vuurvaste muren.

Intusschen naderden toch een twintig vastberaden kerels, die zich

zooveel mogelijk tegen de kogels der verdedigers dekten en van den

duisteren nacht gebruik maakten, het perron. De deur werd toen meer

krachtdadig aangetast, en zij mocht wel sterk en stevig heeten,

nu zij aan die tallooze bijlslagen en piekstooten weerstand bood.

Die poging kostte evenwel het leven aan verscheidene der aanvallers;

want door de aangebrachte schietgaten was het mogelijk een kruisvuur

op het aangevallen punt te richten.

Eene omstandigheid kwam in dit oogenblik den toestand nog

verergeren. De munitievoorraad spoedde ten einde. James Burbank,

zijne vrienden, zijne opzichters en de negers, die met geweren

gewapend waren, hadden gedurende de drie uren, dat die aanval duurde,

het grootste gedeelte der voorradige patronen verbruikt. En hoe zou

men nog langer weerstand kunnen bieden, althans wanneer de verdediging

nog langer gerekt moest worden, wanneer de laatste patronen verschoten

zouden zijn?

Zou men dan Castle-House moeten ontruimen en in handen van die

misdadigers laten?

Maar die zouden er slechts puinhoopen van laten overblijven!

En toch, er bleef niets anders te doen over, wanneer de aanvallers

er in slaagden, de deur, die reeds wankelde, open te breken. James

Burbank begreep den toestand maar al te goed; toch wilde hij nog

wachten. Kon toch niet ieder oogenblik eene afleiding geschieden,

waarvan dan partij te trekken zoude zijn?

Thans had men niet meer voor het lot van mevrouw Burbank, noch

voor haar dochtertje, de kleine Dy, noch voor miss Alice Stannard

te vreezen! En, mannen waren het aan zich zelven verplicht tot het

uiterste weerstand te bieden aan dat samenraapsel van moordenaars,

brandstichters, dieven en plunderaars.

»Wij hebben nog patronen voor een uur!" riep James Burbank

uit. »Vrienden, die moeten wij eerst verschieten en doelmatig

verschieten, alvorens Castle-House te ontruimen!"

Maar nauwelijks had James Burbank dien volzin geëindigd, toen de

doffe knal eener ver verwijderde losbranding vernomen werd.

»Een kanonschot!" riep hij uit.

Een tweede losbranding liet zich andermaal en ook evenals de eerste

in westelijke richting hooren. Blijkbaar kwam zij van de overzijde

van de rivier.

»Een tweede kanonschot!" zei master Walter Stannard.

»Luisteren!... Wij moeten luisteren!" zeide master James Burbank.

Een derde schot, dat door eene windvlaag naar Castle-House overgebracht

werd, klonk duidelijker dan de beide vorige losbarstingen.

»Zou dat een sein zijn?" vroeg master Walter Stannard.

»Welk sein?"

»Misschien om de aanvallers naar den rechter-rivieroever terug

te roepen?"

»Wie zal dat kunnen zeggen?"

»Misschien gebeurt daar iets..."

»Dat denk ik ook," zei master Perry, »en..."

»En... wat? Spreek vrij uit, Perry!" zei master James Burbank.

»En als die drie kanonschoten niet te Jacksonville gelost zijn,"

vervolgde de administrateur, »dan..."

Maar hij kon niet eindigen. Ieder had zijne gedachte geraden.

»Dan zijn zij door de federalistische vaartuigen gelost!" riep James

Burbank uit.

»Zou de flottilje van den Commodore Dupont eindelijk de monding van

de Sint John bemachtigd hebben en thans de rivier opstevenen?" vroeg

Walter Stannard.

Alles wel beschouwd, was het volstrekt niet onmogelijk, dat die

vlootvoogd thans meester van de rivier, althans van het benedengedeelte

van haar stroombekken was.

Toch was dat het geval niet.

Die drie kanonschoten waren van de landingsbatterij te Jacksonville

gelost geworden. Dat bleek al spoedig; want het bleef bij die drie

losbrandingen.

Er had dus geen gevecht plaats tusschen de vaartuigen der Noordelijken

en de troepen der geconfedereerden, hetzij op de Sint John, hetzij

in de vlakten van het graafschap Duval.

Weldra bleef er geen twijfel meer over, dat het een sein

tot terugroeping was voor de opperhoofden van het detachement

militietroepen. Toen toch master Perry een der zij-schietgaten genaderd

was, riep hij eensklaps uit:

»Zij trekken af!... Zij trekken af!..."

Niemand had te vragen wie aftrok. Die uitkomst kwam te zeer met aller

wenschen en verwachtingen overeen om niet terstond voor onbetwistbaar

waar aangenomen te worden.

James Burbank en zijne makkers traden dadelijk op het middenvenster

toe en openden dat.

De bijlslagen weerklonken niet meer op de deur. De geweerschoten

knalden niet meer en men bespeurde geen enkele der aanvallers

meer. Wel werd nog geschreeuw en gehuil vernomen, maar klaarblijkelijk

verwijderde zich dat al meer en meer.

Er was dus iets gebeurd, hetgeen de aan het roer zijnde autoriteiten

van Jacksonville genoopt had dien geheelen troep op den anderen

rivieroever van de Sint John terug te roepen. Ongetwijfeld was men met

elkander overeengekomen, dat drie kanonschoten zouden gelost worden,

wanneer de eene of de andere beweging van het noordelijk smaldeel de

stellingen der geconfedereerden mocht bedreigen.

De aanvallers hadden dan ook plotseling hunne laatste poging om

Castle-House te bemachtigen gestaakt.

Thans volvoerden zij door de verwoeste velden van de plantage, langs

dien weg, die nog door de vlammen van de gepleegde brandstichtingen

verlicht werd, den terugtocht, en een uur later bereikten zij de

plaats, waar hunne sloepen en vaartuigen op twee mijlen beneden

Castle-Bay, hen wachtten en staken zij de rivier over.

Hunne kreten verzwakten weldra in de verte en verstomden eindelijk

geheel. Op het luidruchtig geschreeuw en het geknetter van het

geweervuur volgde thans eene diepe stilte. Het was alsof het de stilte

des doods was, die op de plantage heerschte.

Het was toen ongeveer half tien des avonds. James Burbank en zijne

makkers daalden naar de hal, op de benedenverdieping gelegen, af. Daar

vonden zij Edward Carrol, op een divan uitgestrekt liggen. Hij

was slechts licht gekwetst en gevoelde zich maar wat zwak door het

bloedverlies.

Men vertelde hem wat er voorgevallen was en dat Castle-House ten

gevolge van het sein, van den kant van Jacksonville uitgegaan, voor

het oogenblik althans niets meer van de bende van Texar te vreezen had.

»Ja, ik hoop zoo," zei James Burbank, »maar intusschen heeft het ruwe

geweld en de vreeselijkste willekeur hier huis gehouden."

»Denk daar nu niet aan!" sprak Edward Carrol.

»Die Texar, die ellendeling, heeft besloten, dat mijne bevrijde negers

verspreid en uiteengejaagd zouden worden. En ziet, zij zijn heinde

en ver verspreid! Hij wilde uit wraakzucht de plantage verwoesten,

en ziet, er blijven slechts puinhoopen over!"

»James," antwoordde master Walter Stannard, »grooter onheilen en rampen

hadden ons kunnen overkomen. Niemand onzer is bij de verdediging van

Castle-House omgekomen; alleen Edward Carrol is licht gekwetst. Uwe

echtgenoote, uwe dochter en de mijne hadden in handen van die

onverlaten kunnen vallen. En wat ware dan hun lot geweest! En ziet,

zij bevinden zich in veiligheid!"

»Gij hebt gelijk, Stannard, en dat God geloofd en geprezen zij!" zei

James Burbank plechtig.

»Ja, dat God geloofd en geprezen zij!" herhaalden allen met aandoening

en dankbaarheid.

»Overigens," ging James Burbank voort, »wat op bevel van Texar

uitgevoerd is, zal niet ongestraft blijven. Ik zal wel zorgen, dat

er over het vergoten bloed recht gesproken worde!..."

»Wellicht is het thans te betreuren," zei Edward Carrol, »dat mevrouw

Burbank, miss Alice, de kleine Dy en Zermah Castle-House verlaten

hebben."

»Wat bedoelt gij?" vroeg James Burbank.

»Ja, ik weet wel, dat onze toestand toen vrij benard was... Toch zou

ik het thans wenschelijk achten, dat zij weer bij ons waren."

»Morgen, vóór dat de dag nog aangebroken zal zijn, ga ik naar haar

toe," antwoordde James Burbank.

»Dat is een goed voornemen," zei Walter Stannard.

»Zij moeten in doodelijke ongerustheid verkeeren," vervolgde James

Burbank. »Ik kan hen dan geruststellen. Ik zal dan beslissen of zij

naar Camdless-Bay teruggevoerd zullen kunnen worden, of dat zij nog

eenige dagen op Ceder-Rots zullen moeten verblijven!"

»Ja, niets mag met overhaasting geschieden," antwoordde master

Walter Stannard. »Misschien is alles nog niet ten einde... en zoolang

Jacksonville zich nog in de macht van Texar bevindt, hebben wij nog

alles te duchten."

»Daarom zal ik zoo voorzichtig mogelijk te werk gaan," hernam James

Burbank.

En zich tot master Perry, den administrateur, wendende, vervolgde hij:

»Zorg er voor, Perry, dat morgenochtend vóór het aanbreken van den

dag een vaartuig gereed ligt."

»Goed, master Burbank," antwoordde Perry. »Hoeveel roeiers wenscht

gij?"

»Ik geloof aan één man genoeg te hebben, om..."

Een angstverwekkende kreet, een wanhopig hulpgeschreeuw werd er in

dit oogenblik vernomen en brak den volzin van James Burbank af.

Die kreet kwam van den kant van het grasperk in den tuin, hetwelk

zich voor het heerenhuis uitstrekte.

Weldra werden deze woorden duidelijk vernomen:

»Vader!... Vader!..."

»God!... het is de stem mijner dochter!" riep master Walter Stannard

uit.

»O, God!... Een nieuw ongeluk!..." was de kreet van James Burbank.

Hij vloog naar de deur, opende die en allen stormden naar buiten.

Miss Alice stond daar op weinige passen afstand van het woonhuis bij

mevrouw Burbank, die op den grond uitgestrekt lag.

Noch Zermah, noch de kleine Dy bevonden zich bij haar.

»Mijn kind?... Waar is mijn kind?" riep James Burbank in den grootsten

angst uit.

Bij het hooren van die stem richtte mevrouw Burbank zich op.

Zij kon niet spreken... Met angstig gebaar strekte zij de hand naar

den kant van de rivier uit.

»Ontvoerd!..." sprak zij met schorre stem.

»Ontvoerd?" vroeg de vader, schier waanzinnig van ontzetting.

»Ja," knikte zijne vrouw.

»Door wien?"

»Door... Texar!..." antwoordde miss Alice.

En bij het uitspreken van die woorden zeeg het jonge meisje naast

mevrouw Burbank op den grond neder.

XII.

DE ZES VOLGENDE DAGEN.

Wat was er met de drie vluchtende vrouwen gebeurd? Ziehier:

Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard de tunnel intraden, die

van het heerenhuis naar de kleine Marino-kreek op den linkeroever

der Sint John-rivier voerde, stapte Zermah vooruit. Zij hield het

kleine meisje bij de hand. In de andere hand droeg zij eene lantaarn,

welker zwak schijnsel haren weg verlichtte.

Bij het uiteinde van de tunnel aangekomen, had Zermah mevrouw Burbank

verzocht haar te wachten. Zij wilde zich vergewissen, dat de sloep

en de twee negers, die haar naar Ceder-Rots moesten brengen, gereed

en op hun post waren. Zij opende de deur, die daar toegang tot de

tunnel verleende, en naderde de rivier.

Zij kon zich nog nauwelijks gedurende hoogstens eene minuut verwijderd

hebben, toen mevrouw Burbank en miss Alice, die den terugkeer van de

slavin ongeduldig afwachtten, ontwaarden dat de kleine Dy zich niet

meer bij haar bevond.

»Dy?... Dy?..." riep mevrouw Burbank met luide stem, op gevaar af

hare tegenwoordigheid te dezer plaatse te verraden.

Geen antwoord.

Het kind, gewoon om steeds Zermah te volgen, was met haar buiten de

tunnel getreden en begaf zich, zonder dat hare moeder het bemerkte,

naar den kant der kreek.

Plotseling werd gejammer vernomen. Een voorgevoel waarschuwde de arme

moeder, dat een nieuw ongeluk haar getroffen had; en zonder zich af te

vragen of zich rekenschap te geven, of zij zelve geen gevaar liepen,

vlogen mevrouw Burbank en miss Alice naar buiten, liepen naar den

rivieroever en kwamen helaas! nog juist bijtijds bij den waterkant,

om eene sloep in het duister van den nacht te zien verdwijnen.

»Help!... Help!..." riep Zermah met wanhopige stem. »Help!... Het

is Texar!"

»Texar!... Texar!..." riep Alice op hare beurt. »Ja,... het is Texar!"

En met de hand wees zij naar den Spanjaard, die rechtopstaande op de

achterplecht van het vaartuig, een oogenblik door het schijnsel van

de vlammen van een nog brandende keet van Camdless-Bay verlicht werd,

maar spoedig daarop in het donker verdween.

Daarna was alles stil.

De beide negers van de sloep lagen vermoord en akelig bloedend op

den grond.

Toen vloog mevrouw Burbank, waanzinnig van angst en ontzetting,

en gevolgd door miss Alice, die haar niet had kunnen weerhouden,

naar den rivieroever en riep met luide stem haar dochtertje. Geen

enkele kreet beantwoordde haar angstig geroep. Het vaartuig, dat

haar schat bevatte, was uit het gezicht verdwenen. Wellicht was het

achter een hoek der vele rivierkronkelingen voortgeschoten, of wel

was het den stroom overgestoken, om bij het een of andere punt van

den linkeroever aan te leggen.

Hare nasporingen duurden ruim een uur lang; maar waren natuurlijk

tevergeefs. Eindelijk viel mevrouw Burbank, wier krachten uitgeput

waren, op den oever neder. Miss Alice Stannard ontwikkelde toen eene

buitengewone geestkracht; zij slaagde er in de rampzalige moeder op

te tillen, haar te ondersteunen. Zij trok haar met zich voort, ja,

zij droeg haar schier. In de verte, in de richting van Castle-House,

donderde en ratelde het geweervuur en bij wijlen werd het vreeselijk

jankend gehuil van den aanvallenden troep vernomen.

En toch moesten die twee vrouwen in die richting voorwaarts treden!

Zij moesten pogen door de tunnel weer in het heerenhuis te geraken;

zij moesten trachten te bewerken, dat haar de deur geopend werd, die

van de benedenverdieping van het woonhuis toegang tot die onderaardsche

gang verleende.

Maar zou miss Alice, wanneer zij die deur met de ongelukkige moeder

bereikt zoude nebben, er in slagen om zich door de bewoners te

doen hooren?

Zij trok, zij sleurde als 't ware mevrouw Burbank, die geheel onbewust

was van hetgeen rondom haar voorviel, met haar voort. Terwijl

zij langs den rivieroever terugkeerden, waren zij verplicht zeker

wel twintigmalen stil te blijven staan. Beiden konden toch ieder

oogenblik in handen vallen van een dier benden, die op de plantage

overal rondzwierven om te plunderen en te vernielen, wat maar te

vernielen was.

De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage · 第 13 / 19 段