»Die gedachte is toch ontmoedigend," sprak Walter Stannard.

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net/

Wonderreizen

Jules Verne

De strijd tusschen Noord en Zuid

Overrompeling eener plantage

Amsterdam

Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"

I.

AAN BOORD VAN DE STOOMBOOT »SHANNON".

Florida, die langwerpige strook gronds, welke zich als een overgroote

splinter tusschen den Atlantischen Oceaan en den Mexicaanschen

zeeboezem uitstrekt, en die in 1819 bij de groote Amerikaansche

federatie ingelijfd was geworden, werd eenige jaren later tot

bondgenootschappelijken Staat verheven.

Door die inlijving was het grondgebied der Groote Republiek met

zeven en zestig duizend vierkante mijlen vergroot geworden. Maar de

Floridasche ster schittert slechts met een glans van den tweeden rang

aan het firmament der zeven en dertig sterren, welke op de vlag der

Vereenigde Staten van Noord-Amerika prijken.

Dat Florida is slechts een smalle lage landtong. Hare geringe breedte

belet aan de rivieren, welke het landschap besproeien, zich over

eenige lengte van belang te ontwikkelen en eenige gewichtigheid te

erlangen. Hierop maakt evenwel de Sint John eene gunstige uitzondering.

Met eene zoodanige geringe terreinsverheffing als Florida bezit,

hebben de rivieren en beken te weinig verval om een sterken stroom

te verkrijgen.

De streek bevat geene bergen; slechts eenige reeksen van die »blufs"

of heuvels, welke in het centrum en het noordelijk gedeelte van de

Vereenigde Staten zoo veelvuldig aangetroffen worden.

Wat den vorm van het land betreft, men zou dien kunnen vergelijken

met een castorstaart, die in de zee zou hangen, hebbende ten oosten

den Atlantischen Oceaan en ten westen de Golf van Mexico.

Florida heeft dus geene grensburen, tenzij de Staten Georgië en

Alabama, die er in het noorden aan grenzen. Die grens vormt als

het ware eene breede landengte of beter landbasis, waardoor het

schiereiland aan het vasteland verbonden is.

Om kort te gaan, Florida doet zich voor als een bijzonder land, als

een vreemdsoortig land zelfs. Daar brengen de bewoners wel het hunne

toe bij. Zij zijn toch voor een derde Spanjaarden, voor een ander

derde Amerikanen, en voor het laatste derde Indianen. Deze laatsten

behooren tot den Seminolen-stam en verschillen zeer veel van hunne

rasgenooten uit het Far West.

De bodem is vrij droog, zandig en bijna geheel omzoomd door duinen, die

achtereenvolgens door den Atlantischen Oceaan op de zuidkust opgeworpen

zijn. In het noordelijk gedeelte is de streek bewonderenswaardig

vruchtbaar.

Die streek verdient den naam van Florida volkomen. Hare flora

is er prachtig, krachtig en van eene buitengewoon weelderige

verscheidenheid. Dat wordt ongetwijfeld daardoor veroorzaakt, dat

die streek door de Sint John besproeid wordt. Die stroom ontwikkelt

zich op breeden voet van het zuiden naar het noorden over eene

uitgestrektheid van twee honderd vijftig mijlen, waarvan er honderd en

zeven tot aan het Georges-meer gemakkelijk bevaarbaar zijn. De lengte,

welke de andere rivieren des lands missen, ontbreekt der Sint John

niet, die dat aan hare hoofdrichting van zuid naar noord te danken

heeft. Talrijke rio's en beken voeren haar heur water toe en vormen

menigvuldige kreken en haften op de beide oevers.

De Sint John is dus de slagader des lands. Zij, met hare levenwekkende

wateren, vervult waarlijk de rol van ader, die het bloed door het

aardlichaam rondvoert.

Op den 7den Februari van het jaar 1862 stevende de stoomboot Shannon

de Sint John af. Zij zou tegen vier uren 's avonds bij het kleine

gehucht Picolata aanleggen, na de hooger gelegen aanlegplaatsen der

rivier en de verschillende forten van de graafschappen Sint Jan en

Putnam aangedaan te hebben. Eenige mijlen lager zoude het vaartuig

op het grondgebied van het graafschap Duval aankomen, hetwelk zich

tot aan het graafschap Nassau uitstrekt, welk laatste door de rivier

van denzelfden naam begrensd wordt.

Picolata bezit uit zich zelve hoegenaamd geene belangrijkheid. Maar

hare omstreken bevatten rijke indigo-plantages, vruchtbare

rijstvelden, weelderige katoen- en suikerrietvelden, en onmetelijke

cypressenbosschen.

De bevolking ontbreekt er dan ook geenszins in den omtrek.

Hare ligging daarenboven verleent haar een zeker handelsverkeer,

waardoor koopwaren en reizigers hunnen uitweg daarheen zoeken. Niet

ver daarvan verwijderd--een twaalftal mijlen--wordt Sint-Augustijn

aangetroffen, een der voornaamste steden van Florida, die op de

oostkust, aan den Atlantischen Oceaan gelegen, en door het langwerpige

eiland Anastasia tegen de hooggaande deining uit volle zee beschut,

als de beste havenplaats in deze streken te beschouwen is. Een bijna

rechte weg verbindt Picolata met Sint-Augustijn.

Dien dag trof men in de nabijheid der aanlegplaats te Picolata een

grooter aantal reizigers aan dan gewoonlijk. Eenige vlugge rijtuigen,

eenige »stages", een soort vervoermiddel met acht zitplaatsen,

hetwelk met vier of zes muildieren bespannen is, die als dollen

over dien weg, welke door het moerassige land heenvoert, rennen,

hadden die reizigers van Sint-Augustijn aangevoerd. Het was zaak het

aanleggen der stoomboot niet mis te loopen, wilde men eene vertraging

van minstens acht en veertig uren vermijden, om de steden, dorpen,

gehuchten en forten stroomafwaarts gelegen te bereiken.

Inderdaad, de vaart van de Shannon was geen dagelijksche dienst om de

gemeenschap tusschen de beide oevers der Sint John te onderhouden. Op

dat tijdstip bestond er nog geene concurrentie en was die boot de

eenige om dien dienst te volvoeren. Men moest dus te Picolata zijn

op het oogenblik, dat zij aanlegde, anders was het mis. De rijtuigen

hadden dan ook reeds een uur te voren de passagiers afgezet.

In dit oogenblik bevonden zich een vijftigtal reizigers op het

aanleghoofd van Picolata. Men had kunnen opmerken, dat dezen zich in

twee groepen verdeelden. Was het eene belangrijke handelszaak, die

hen te Sint-Augustijn te zamen had gebracht, of wel eene staatkundige

beraadslaging?

Wat er van zij, zooveel is zeker, dat gerust beweerd kon worden, dat

de goede verstandhouding onder hen ontbrak. Zij waren als vijanden te

zamen gekomen, als vijanden gingen zij weer van elkander. Dat kon men

genoegzaam aan de blikken gewaar worden, die zij op elkander wierpen,

aan den afstand, dien de beide groepen onderling handhaafden, aan

eenige onvoegzame woorden, die weerklonken en waarvan de tartende

bedoeling voor niemand verborgen bleef.

Intusschen werd een schril gefluit vernomen, dat bovenstrooms de

lucht als het ware verscheurde. Weldra verscheen de Shannon bij de

ombuiging van een hoek op den rechter-rivieroever, op een afstand

van een halve mijl van Picolata. Dikke stoomwolken ontsnapten uit

hare beide schoorsteenen en dwarrelden door de kruinen van het zware

geboomte, die door den sterken wind heftig heen en weer geschud werden.

De naderende romp der boot werd voor het oog al grooter en grooter. De

eb begon door te staan. De stroom der rivier, die sedert drie of vier

uren ten gevolge van den vloed tegen was geweest, was nu gunstig en

voerde de wateren der Sint John thans naar hare zeemonding af.

De scheepsklok werd eindelijk vernomen. De raderen, die thans achteruit

sloegen, stuitten de vaart der Shannon, die het landhoofd op zijde

schoot en daaraan met trossen vastgemeerd werd.

De inscheping geschiedde toen met een zekere haast. Een der twee

groepen stapte de loopplank over, zonder dat de andere haar poogde

voorbij te ijlen. Dat was ongetwijfeld daaraan toe te schrijven,

dat deze nog een of twee passagiers wachtte, die niet op tijd waren

en die gevaar liepen de boot te missen.

Twee of drie mannen verlieten dan ook de groep, om tot op een punt van

de kade van Picolata te gaan, vanwaar men den weg naar Sint-Augustijn

overzien kon. Vandaar keken zij, blijkbaar in de meest ongeduldige

stemming, oostwaarts op.

En dat ongeduld had zijne oorzaak; want de gezagvoerder van de Shannon,

die reeds op de brug tusschen de beide raderkasten stond, riep:

»Aan boord!... Aan boord!..."

»Nog een paar minuten, kapitein," vroeg een der mannen van dat gedeelte

van de groep, hetwelk op het landhoofd was blijven staan.

»Ik kan niet wachten, heeren!"

»Slechts eenige minuten!"

»Eenige minuten?... Gij spreekt er gemakkelijk over!"

»Slechts twee, kapitein!"

»Neen, geen enkele!"

»Slechts een oogenblik!"

»Neen, onmogelijk! De eb is ingetreden; als ik nog draal, tref ik

geen diep water genoeg op de bank van Jacksonville aan."

»Daarenboven," merkte een der passagiers op, »er bestaat geen enkele

reden waarom wij aan de grillen van de te laat komenden zouden moeten

onderworpen worden!"

Hij die zoo sprak, behoorde tot de eerste groep, die reeds bij de

roef van het achterschip der Shannon plaats genomen had.

»Dat is ook mijne meening, master Burbank," antwoordde de

gezagvoerder. »De dienst gaat voor alles... Kom, heeren, aan boord;

want ik laat de meertrossen innemen!"

Reeds hadden een paar matrozen der stoomboot een boom gegrepen, om

haar van het landhoofd af te duwen, en reeds liet de stoomfluit een

schrillen gil hooren, toen een kreet weerklonk.

»Daar is Texar!... Daar is Texar!..."

Een rijtuig, dat in vollen ren voortjoeg, werd bij de ombuiging

van de kade van Picolata ontwaard en naderde snel. Weinige seconden

later stonden de muildieren, welke de bespanning uitmaakten, bij het

landhoofd stil. Een man steeg er uit. Zij, die tot op den weg gegaan

waren, om naar hem uit te kijken, stapten haastig naar hem toe,

waarna allen de loopplank der boot overschreden en zich inscheepten.

»Een oogenblik later,"... sprak een uit de groep.

»Nu, wat zou een oogenblik later?" vroeg de nieuw aangekomene.

»Dan waart ge niet meegegaan."

»Dat zou jammer geweest zijn," was het bedaarde antwoord.

»Ja, zeer jammer, en niet alleen jammer, maar ook teleurstellend."

»Zeker; want er zouden twee dagen hebben moeten verloopen,"

vervolgde een ander, »alvorens gij hadt kunnen vertrekken naar... Ja,

waarheen? Wij zullen het weten, als ge het ons zult willen zeggen."

»Wanneer de kapitein naar dien onbeschoften James Burbank geluisterd

had," viel een derde in, »dan zou de Shannon zich nu reeds op een

kwart mijl beneden Picolata bevinden!"

»Nogmaals, dat zou jammer zijn," antwoordde de nieuw aangekomene.

Texar had zich, vergezeld van zijne vrienden, naar het voorschip

begeven. Hij vergenoegde zich master James Burbank, van wien hij

slechts door de breedte der brug gescheiden was, aan te kijken. Neen,

hij sprak geen enkel woord; maar de blik, dien hij op hem wierp,

was voldoende om te doen begrijpen, dat er een onverzoenlijke haat

tusschen die beide mannen bestond.

Wat James Burbank betrof, deze draaide Texar, na hem vlak in het

aangezicht gekeken te hebben, den rug toe en nam plaats bij het

achtergedeelte der roef, alwaar zijne makkers reeds gezeten waren.

»Wat ziet die Burbank er ontevreden uit!" zei een van de makkers

van Texar.

»Hetgeen trouwens te begrijpen is," antwoordde een ander.

»Zijne leugens hebben hem niet gebaat en de recorder heeft zijne

valsche getuigenissen alle recht laten wedervaren."

»Maar de recorder heeft hem niet gevonnist..."

»Dat is waar, Texar."

»Welnu, met dat vonnissen belast ik mij," zei Texar.

De meertrossen waren middelerwijl losgegooid. Het voorschip was door

middel van lange boomstaken van het landhoofd afgeduwd geworden, de

schepraderen der boot volvoerden eenige omwentelingen, en weldra gleed

de Shannon snel met den stroomdraad, waarbij zij door de ingetreden

eb krachtig geholpen werd.

De beide oevers der Sint John gleden als met verbazende snelheid

voorbij.

De lezer weet misschien, hoe de stoombooten, die bestemd zijn

op de Amerikaansche rivieren en meren dienst te verrichten,

er uitzien. Het zijn ware huizen met verscheidene verdiepingen,

die met breede terrassen bekroond zijn. Zij worden beheerscht door

beide schoorsteenen der machine, en door een tweetal masten, die de

hoofdtouwen te dragen hebben, waaraan de spinnekoppen bevestigd zijn,

welke de zonnetenten uitgespreid moeten houden.

Die stoombooten zijn op de Mississippi ware vlottende paleizen, die

ieder de geheele bevolking van een vrij groot gehucht zouden kunnen

bevatten. Voor den dienst op de Sint John en voor de Floridasche

steden waren zulke paleizen niet noodig. Neen, de Shannon was slechts

een vlottend hôtel, hoewel zij zoowel door hare innerlijke inrichting

als door haar uiterlijk de meeste overeenkomst had met de Kentucky's

en met de Dean Richmonds.

Het weer was prachtig. Het donkerblauwe uitspansel was met eenige

lichte nevelvlokjes gevlekt, die hier en daar, langs het hemelgewelf

verspreid, zweefden. Het luchtgestel gedurende de maand Februari is in

de bedoelde streken der Nieuwe Wereld, gelegen onder den dertigsten

graad noorderbreedte, bijna zoo warm als dat van de streken der

Oude Wereld, op de grenzen der Sahara, die snikheete woestijn,

gelegen. Toch temperde een zachte bries, welke de zeewind van den

Atlantischen Oceaan toevoerde, dat klimaat eenigermate en belette,

dat het er onverdragelijk heet werd.

Het meerendeel der passagiers van de Shannon was dan ook op het

dek gebleven, om, tegelijk met de frischheid van het windje, de

doordringende geuren te genieten, welke het uit de oever-bosschen tot

hen overbracht. De schuin neerschietende stralen van de dagvorstin

konden hen onder het afdak der uitgespannen zonnetenten, die door

de luchtverplaatsing, door de snelheid der boot teweeggebracht,

als punka's heen en weer bewogen werden, niet bereiken.

Texar had met vijf of zes zijner makkers, die met hem aan boord

gekomen waren, goedgevonden naar de »dining-room" te gaan, die in

het benedenschip gelegen was. Daar bevochtigden zij hunne keelen, die

aan de sterke dranken der Amerikaansche bar's gewoon geraakt waren,

met boordevolle glazen gin, bitter en Bourbonwhiskey. Het waren,

om kort te gaan, ruwe kerels, die in hun uiterlijk niets voornaams

vertoonden, meer met lederen dan met lakensche kleeding gekleed waren,

uiterst onbeschaafd en onbehouwen in hunne uitdrukking en dan ook

eerder moesten geacht worden tot de oudere dan wel tot de Floridasche

steden te behooren.

Texar scheen eenig recht van meerderheid op hen uit te oefenen,

hetgeen waarschijnlijk zijn oorsprong zoowel in de geestkracht van zijn

karakter als in de belangrijkheid van zijn maatschappelijken toestand

of van zijn vermogen had. Toen dan ook Texar den mond niet opende,

bewaarden zijn volgelingen allen een stipt stilzwijgen en benuttigden

de gelegenheid om den tijd, dien zij niet met praten doorbrachten,

aan drinken te besteden.

Eindelijk ontviel evenwel aan Texar, die met verstrooiden blik een

der dagbladen ingezien had, welke op de tafels der dining-room ter

lezing lagen:

»Dat alles is oude kost!"

»Nogal begrijpelijk," antwoordde een zijner makkers.

»Hoe zoo?"

»Gij hebt eene courant in de hand, welke drie dagen oud is."

»En in drie dagen gebeurt zooveel," viel een ander van het gezelschap

in.

»Vooral sedert hier in de buurt gevochten wordt," vulde een ander aan.

»Hoe staat het met den oorlog?" vroeg Texar.

»Wat ons meer in het bijzonder betreft, Texar, ziehier de staat van

zaken: het federalistisch gouvernement zou zich, zooals algemeen

beweerd wordt, onledig houden met het uitrusten van eene expeditie

naar Florida. Het gevolg daarvan is, dat wij ieder oogenblik een

vijandelijken inval vanwege de Noordelijken te verwachten hebben."

»Is dat zeker?"

»Och, kom..." wilde er een tusschenbeide brengen.

»Dat kan ik niet zeggen," ging de berichtgever voort; »maar het gerucht

er van heeft te Savannah geloopen, en ik heb het ook te Sint-Augustijn

hooren bevestigen."

»Welnu, laat die federalisten maar komen, nu zij met aanmatiging

verkondigen, dat zij ons onderwerpen willen!" riep Texar uit,

terwijl hij met de vuist zoo op de tafel sloeg, dat flesschen en

glazen rinkelend opsprongen. »Ja, laat ze maar komen! Zij zullen

dan ontwaren, of de slaven-eigenaars van Florida genegen bevonden

zullen worden, om zich door die abolitionnistische dieven te laten

uitschudden en bestelen!"

Dat antwoord zou eene tweeledige inlichting verschaft hebben aan hen,

die niet op de hoogte waren der gebeurtenissen, waarvan Noord-Amerika

op dat tijdstip het tooneel was. Namelijk, vooreerst dat de secessie of

afscheidingsoorlog, die feitelijk verklaard was door het kanonschot

hetwelk op den 11den April 1861 op het fort Sumter gelost werd,

toen in zijn hevigst tijdperk was; want hij strekte zich toen bijna

tot aan de uiterste grenzen der Zuidelijke Staten uit; en eindelijk

dat Texar aanhanger van het stelsel van den slavenhandel was en

gemeene zaak maakte met de overgroote meerderheid van de bevolking

der slavendistrikten.

En juist bevonden zich dien dag aan boord van de Shannon verscheidene

vertegenwoordigers van de beide partijen in elkanders tegenwoordigheid.

Aan den eenen kant: Noordelijken, anti-slavenhouders, abolitionnisten

of federalisten, zooals zij gedurende dien oorlog gewoonlijk genoemd

werden; aan den anderen kant: Zuidelijken, slavenhouders, slavenhalers,

secessionnisten of geconfedereerden.

Texar en zijne tochtgenooten stonden een uur later, nadat zij meer

dan voldoende hunnen dorst gelescht hadden, van hunne zitplaatsen op,

om zich naar het bovendek der Shannon te begeven.

Men was reeds de Trent-kreek en de Zes-Mijlen-kreek voorbijgestoomd. De

eerste dier haftvormingen verleende toegang aan het water tot aan de

grens van een dicht cypressenbosch; de andere tot het uitgestrekte

moeras, de Zes-Mijlen-kreek genaamd, welker naam den omvang dier

moerassige oppervlakte aangeeft.

De stoomboot stevende toen tusschen twee oevers, overdekt met

prachtige bosschen van Virginische tulpenboomen, van magnolia's,

van pijnboomen, van cypressen, van altijd groenende eikenboomen,

van Adams-naaldboomen en van vele andere, die zich even prachtig

voordeden en welker stammen te midden van verwilderde azalea-struiken

en van onuitwarbare slingerplanten niet te bespeuren waren. Soms bij

het voorbijstevenen van de kreek-mondingen, waardoor de water-toevoer

naar de moerasachtige vlakten van de graafschappen Sint Jan en Duval

plaats heeft, werd eene sterke muskuslucht, die den dampkring als

het ware verontreinigde, ontwaard. Die doordringende geur was niet

afkomstig van sommige boomen of struiken, welker uitwasemingen in

dit luchtgestel zoo onaangenaam scherp kunnen zijn, maar wel van de

alligators, die bij het luidruchtig voorbijstevenen van het stoomschip

in allerijl eene toevlucht zochten te midden der lange biezen en

andere grasgewassen, welke de boorden van de rivier overdekten.

Wijders ontwaarde men velerlei soorten van vogels, zooals

bonte spechten, jacamars, reigers, roerdompen, duiven met witte

koppen, orpheeën, spotvogels en meer anderen met uiteenloopend

gevederte. Daaronder was voornamelijk de kat-vogel, die met

zijne buiksprekersstem alle mogelijke geluiden, die hij waarnam,

nabootst, zelfs die van den kraaghaan, welke een gekraai uitstoot

met metaalachtigen klank, schetterend als het getoet eener trompet

en wat op een afstand van vier of vijf mijlen vernomen wordt.

Toen Texar de laatste trede van de kajuitstrap opgestegen was om op het

dek op een vouwstoeltje plaats te nemen, was eene vrouw op het punt om

die trap af te dalen, welke ook naar het salon der boot voerde. Zij

trad haastig terug, toen zij zich tegenover dien man geplaatst

zag. Dat was eene mestische vrouw, die bij de familie Burbank in dienst

was. Haar eerste gebaar was dat van een niet te onderdrukken walging,

toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van dien aartsvijand van

haren meester bevond. Zonder zich te bekreunen over den giftigen blik,

dien Texar haar toewierp, sprong zij op zijde. Hij trok de schouders

verachtelijk op en keerde zich tot zijne makkers.

»Ja, dat is Zermah," riep hij uit, »een der slaven van dien James

Burbank, die er op snoeft geen aanhanger van de slavernij te zijn!"

Zermah antwoordde niet.

Zoodra de toegang tot de kajuitstrap vrij was, daalde zij naar het

salon van de Shannon af, zonder het minste gewicht aan die gesproken

woorden te hechten.

Texar van zijn kant begaf zich naar het voorschip van de stoomboot,

zette zich daar neder, stak eene sigaar aan en scheen zich, zonder

verder eenige aandacht aan zijne tochtgenooten, die hem gevolgd

hadden, te schenken, geheel en al te verdiepen in de nauwgezette

waarneming van den linkeroever der Sint John, die daar de grens van

het graafschap Putnam uitmaakte.

Middelerwijl ging ook het gesprek op het achterschip van de Shannon

zijn gang.

Natuurlijk was ook daar de oorlog het onderwerp van het gesprek.

Nadat Zermah zich naar het salon begeven had, was master James Burbank

alleen gebleven met de twee vrienden, die hem naar Sint Augustijn

vergezeld hadden. De een was zijn zwager, de heer Edward Carrol, de

andere was een Floridiaan, die te Jacksonville woonde en master Walter

Stannard heette. Ook zij spraken met eene zekere opgewondenheid over

den bloedigen strijd, waarvan de uitslag eene quaestie van leven of

dood voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika was. Maar zooals men

wel uit het vervolg van dit verhaal zal ontwaren, oordeelde James

Burbank, met het oog op de mogelijke gevolgen, geheel anders dan

Texar over dien oorlog.

»Ik heb haast," zei hij, »om te Camdless Bay terug te zijn."

»Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Walter Stannard.

»Wij zijn twee dagen geleden vertrokken," ging master Burbank

voort. »Wellicht zijn tijdingen van den oorlog ingekomen."

»Dat kan wel."

»Misschien zijn Dupont en Sherman reeds meester van Port Royal en in

het bezit van de eilanden van Zuidelijk Carolina."

»In ieder geval kan dat niet lang uitblijven," betuigde Edward Carrol,

»en het zou mij wel verwonderen, wanneer de president Lincoln er niet

toe overging om den oorlog naar Florida over te brengen."

»Waarlijk, het zal niet te vroeg zijn!" hernam James Burbank. »Ja! het

is meer dan tijd om den wil van de Unie aan al die Zuidelijken van

Georgië en Florida, die meenen, dat hunne Staten door den grooten

afstand onbereikbaar zijn, te beteekenen. Gij ziet tot welken graad

van onbeschoftheid die straffeloosheid kerels van het gehalte van

Texar kan vervoeren. Hij gevoelt, dat hij ondersteund wordt door de

slavenhouders der streek, en hij hitst hen op tegen ons mannen van

het Noorden, welker toestand al moeielijker en moeielijker wordt en

de wisselingen van den oorlog in hooge mate ondervinden!"

»Gij hebt gelijk, master James," hernam Edward Carrol, »het is noodig

dat Florida zoo spoedig mogelijk onder de autoriteit van het wettig

gezag te Washington terugkeere!"

»Ja, dat is noodig!" bevestigde Walter Stannard met nadruk.

»Ik ben dan ook ongeduldig," ging Edward Carrol voort, »om het

federalistische leger te zien opdagen, om er de wet te komen stellen,

anders zullen wij verplicht zijn onze plantages te verlaten."

»Volgens mij, waarde Burbank," antwoordde Walter Stannard, »kan dat

nog slechts eene quaestie van eenige dagen zijn. Voorgisteren, toen

ik Jacksonville verliet, begonnen de gemoederen zich te verontrusten

over de plannen, die aan den Commodore Dupont toegeschreven worden,

namelijk om de bank der Sint John te overschrijden. En dat heeft

aanleiding gegeven tot het uiten van bedreigingen jegens hen,

die andere denkbeelden toegedaan zijn dan zij, die aanhangers der

slavernij zijn. Ik vrees..."

»Vreest gij?... Maar, wat?"

»Ik vrees, dat door een oproer de autoriteiten der stad zullen

verjaagd worden en dat het bestuur in handen zal vallen van kerels

van de ergste soort."

»Dat zou mij niets verwonderen," antwoordde master James Burbank. »Wij

moeten er dan ook op bedacht zijn, dat wij bij het naderen van het

federalistische leger ernstige, ja kwade dagen zullen te doorworstelen

hebben."

»Zullen die niet te vermijden zijn?"

»Neen, dat is volgens mij onmogelijk!"

»Die gedachte is toch ontmoedigend," sprak Walter Stannard. »Zoowel

te Jacksonville als op andere punten van Florida, bevinden zich

verscheidene edele kolonisten, die eenstemmig met ons over het

vraagstuk van de slavernij denken. Zij zijn evenwel te weinig talrijk,

om zich tegen de buitensporigheden der secessionnisten te kunnen

verzetten. Voor onze veiligheid mogen wij slechts op de aankomst

van het federalistisch leger rekenen, waarbij gerust de wensch mag

gevoegd worden dat, wanneer tot militaire interventie besloten is,

zij zoo spoedig mogelijk uitgevoerd worde."

»Ja, waarlijk," antwoordde master James Burbank, »ik deel hetzelfde

gevoelen, en met u uit ik den wensch: dat zij komen! dat zij spoedig

mogen komen, master, om ons van dat slechte gespuis te verlossen!"

Men zal weldra zien, of die mannen van het noorden, welker familie-

of vermogen-belangen hen noodzaakten, wilden zij te midden eener

slavengezinde bevolking kunnen leven, zich naar de zeden van het

land te schikken, redenen hadden om zoo te spreken, redenen hadden

om alles te duchten.

Alles wat James Burbank en zijne vrienden van den oorlog dachten, was

zuiver waar. Het federalistisch gouvernement bereidde eene expeditie

voor, die de onderwerping van Florida in opdracht zoude hebben. Het

gold niet zoozeer zich van dien Staat meester te maken of hem door

de militaire macht te doen bezetten, dan wel om alle toegangen tot

dat gewest te sluiten voor de smokkelaars, welker handwerk daarin

voornamelijk bestond om de maritieme blokkade te verbreken, zoowel om

de binnenlandsche producten uit te voeren, als om wapenen en munitie

in te voeren.

De Shannon waagde zich er dan ook niet meer aan, om de zuidelijke

kusten van Georgië, die in de macht der troepen van de Noordelijken

waren, aan te doen. Het vaartuig ging uit voorzichtigheid niet verder

dan de grens, dat wil zeggen weinig buiten de riviermonding van de

Sint John, tot bij de noordelijke punt van het eiland Amalia, tot

bij de havenplaats Fernandina, alwaar de spoorwegbaan van Cedar Keys

een aanvang neemt en het Floridasche schiereiland in schuine richting

doorsnijdt, om bij de golf van Mexico te eindigen. Wanneer de Shannon

verder dan het eiland Amalia en de rio Sint Mary gestevend ware,

zou zij gevaar geloopen hebben, door de schepen genomen te worden van

het federalistische smaldeel, hetwelk dat gedeelte van het kustland

onverpoosd bewaakte.

Uit het medegedeelde volgt derhalve, dat de passagiers der

stoomboot voornamelijk uit Floridianen bestonden, die door hunne

zaken niet genoodzaakt werden zich buiten de grenzen van Florida te

begeven. Allen waren inwoners van de steden, dorpen en gehuchten,

welke op de oevers van de Sint John verrezen of op de oevers van hare

bijrivieren. Voor het meerendeel behoorden zij te huis hetzij te Sint

Augustijn, hetzij te Jacksonville. Bij die verschillende plaatsen

konden zij op de landhoofden ontschepen, die bij de aanlegplaatsen

opgericht waren, of konden zich van die houten staketsels bedienen,

van die »piers", welke volgens Engelsch model gebouwd waren, en de

ontschepingsvaartuigen der rivier noodeloos maakten.

Een der passagiers van de stoomboot zou haar evenwel middenstrooms

verlaten. Zijn voornemen was het vaartuig te verlaten, zonder te

wachten, totdat het een der voorschriftmatige aanlegplaatsen zou

aangedaan hebben. Hij wilde ontschepen op een gedeelte van den oever,

alwaar geen dorp, geen gehucht, zelfs geen enkele alleenstaande woning,

zelfs geen jagers- of visschershut in het gezicht was.

Die passagier was Texar.

Tegen zes uren in den avond liet de Shannon drie scherpe stooten van

hare stoomfluit vernemen. Hare raderen werden bijna onmiddellijk daarop

gestopt, terwijl het vaartuig zich met den stroom liet mededrijven,

die op dit gedeelte van de rivier volstrekt niet snel is.

Het bevond zich toen dwars van de Zwarte Kreek.

Die kreek is zeer diep in den linkeroever van de Sint John ingesneden,

terwijl een kleine rio, welke geen naam draagt, maar den voet van

het fort Steilman bespoelt, er in uitwatert. Deze rivierarm vormt de

grensscheiding tusschen de graafschappen Putnam en Duval. Hare smalle

monding wordt geheel en al bedekt door een gewelf van zware takken,

welker loof zich als een dicht netwerk ineenstrengelt. Die sombere

lagune is als het ware geheel en al onbekend aan de lieden van de

omstreken. Niemand heeft ooit gepoogd daarin door te dringen, en

niemand wist derhalve, dat zij tot verblijfplaats strekte aan dien

Texar. Die onbekendheid werd veroorzaakt, doordat de oever van de

Sint John bij de monding der Zwarte Kreek geene opening vertoont,

zoodat hij zich als onafgebroken voordoet.

Bij zoo'n staat van zaken, moest men dan ook uiterst bekend met het

vaarwater van die donkere kreek zijn, om er zich bij het vallen van

den nacht, die in deze gewesten zeer spoedig intreedt, met eene sloep

in te wagen.

Op het eerste schrille gefluit van de Shannon was dadelijk een kreet,

die tot drie malen toe herhaald werd, tot antwoord gegeven. Daarop

werd men eerst het flikkerend licht van een vuur tusschen de biezen

van den oever gewaar, hetwelk evenwel spoedig in beweging geraakte.

Dat was het bewijs dat eene sloep vooruitstevende, om bij de boot

aan te leggen.

Toen dat vaartuig dichterbij gekomen was, bemerkte men dat het slechts

een »squif" was, een kleine notendop van boomschors vervaardigd, die

door een enkele pagaai voortbewogen en bestuurd werd. Het vaartuigje

naderde snel en weldra was het nog slechts op eene halve kabellengte

van de Shannon verwijderd.

Texar naderde toen de valreepsopening in de verschansing van het

voorschip, en van zijn hand een soort scheepsroeper makende:

»Aoh!" praaide hij.

»Aoh!" kreeg hij tot antwoord terug.

»Ben jij het, Squambô?"

»Ja, meester!"

»Leg aan boord!"

De squif schoot langs zijde. Bij het schijnsel van de seinlantaarn,

welke aan den voorsteven vastgehecht was, kon men den man zien die

het vaartuigje stuurde. Het was een Indiaan met verward zwart haar,

die tot aan het middel naakt was. Het was, te oordeelen naar den romp,

die daar onder de lichtstralen van de seinlantaarn zichtbaar was,

een stevige pootige vent.

Texar keerde zich in dit oogenblik tot zijne makkers en drukte hen de

hand, terwijl hij hen een beteekenisvol »tot weerziens" toeriep. Daarna

daalde hij, na nog een dreigenden blik naar de zijde van master Burbank

geworpen te hebben, de valreeptrap af, welke achter de kast van het

bakboordrad geplaatst was en vervoegde zich bij den Indiaan Squambô.

Na weinige omwentelingen harer raderen, had de stoomboot zich van

de squif verwijderd, en niemand aan boord kon gissen, dat het lichte

vaartuigje eene toevlucht zou gaan zoeken onder het donkere loof van

den oever.

»Een schurk minder aan boord!" zei toen Edward Carrol, zonder er

zich in het minst om te bekreunen, of hij door de makkers van Texar

gehoord werd.

»Ja," antwoordde James Burbank, »een schurk, die tevens een gevaarlijk

boosdoener is."

Zijne reisgenooten keken hem vragend aan.

»Dienaangaande bestaat bij mij niet de geringste twijfel, hoewel

de ellendeling er altijd in geslaagd is, zich door inderdaad

onverklaarbare alibi's uit den pekel te redden."

»In ieder geval," zei master Walter Stannard, »wanneer dezen nacht

eene misdaad in de omstreken van Jacksonville bedreven wordt, dan

zal men hem niet kunnen beschuldigen, niet waar? daar hij de Shannon

verlaten heeft!"

»Ik wil er geen eed op doen, dat hij onschuldig zoude zijn!" antwoordde

master James Burbank. »Wanneer men mij verzekerde, dat men hem op dit

oogenblik, waarin wij te zamen spreken, heeft zien stelen en moorden op

vijftig mijlen hiervandaan, bij voorbeeld in het noorden van Florida,

zou ik waarachtig niet verwonderd zijn."

»Dat is sterk!" riepen eenige der omstanders.

»Ik moet er bijvoegen," ging James Burbank voort, »dat, wanneer

hij er in slaagde het bewijs te leveren, dat hij niet de bedrijver

der misdaad was, mij dat, na alles wat met hem gebeurd is, evenmin

zoude verwonderen. Maar wij doen dien kerel te veel eer aan, door

ons zoolang met hem bezig te houden."

»Dat is waar."

»Keert gij naar Jacksonville terug?"

»Dezen zelfden avond."

»Wacht uwe dochter u?"

»Ja, en ik ben inderdaad ongeduldig om bij haar te zijn."

»Dat begrijp ik," antwoordde James Burbank. »Maar tegen wanneer denkt

gij bij ons te Camdless Bay te komen?"

»Over eenige dagen."

»Kom zoo gauw als gij zult kunnen, waarde Stannard."

»Dat zal ik voorzeker doen, master James Burbank."

»Gij weet, wij staan aan den vooravond van zeer ernstige

gebeurtenissen, die bij de nadering der federalistische troepen nog

ernstiger zullen worden. Ik vraag mij dan ook vol bezorgdheid af,

of uwe dochter Alice en gij niet beter in veiligheid bij ons in

onze woning te Castle-House zoudt zijn, dan te midden van die stad,

alwaar de Zuidelijken in staat geacht kunnen worden tot de ergste

uitspattingen over te slaan."

»Mooi gezegd; maar, waarde Burbank, gij vergeet dat ik zelf een

Zuidelijke ben."

»Ongetwijfeld zijt gij dat, Stannard, maar gij denkt en handelt,

alsof gij een Noordelijke waart!"

»Ik zal uwe woorden in gezette overweging nemen, master Burbank. Eene

dadelijke beslissing kan ik evenwel niet nemen."

Een uur later stevende de Shannon onder den aandrang der eb, die al

sneller en sneller doorstond, het kleine gehucht Manderijn, hetwelk

op een kleinen steeds groenen heuvel gelegen was, voorbij. Ongeveer

vijf of zes mijlen lager hield het stoomschip bij den rechter-oever

der rivier stil.

Daar was eene inschepings-kade aangelegd, waaraan de schepen

vastmeeren konden, om zoo op de gemakkelijkste wijze te kunnen lossen

en laden. Iets meer bovenstrooms was een bevallige pier van hout

gebouwd, die in de buiging van twee gebogen ijzeren stangen door

middel van twee metalen kabels opgehangen was.

Dit was de ontschepingsplaats van Camdless Bay.

Aan het uiteinde van de pier stonden twee zwarten te wachten. Zij

waren van brandende lantaarns voorzien, want de nacht was zeer donker.

James Burbank nam afscheid van master Walter Stannard, en besteeg,

gevolgd door Edward Carrol, de pier.

Achter hem kwam de mestische vrouw Zermah, die reeds van uit de verte

eene fijne kinderstem beantwoordde:

»Daar ben ik, Dy!... Daar ben ik!"

»Waarlijk?" riep het kind.

»Ja, waarlijk!" antwoordde Zermah.

»En is papa er ook?"

»Ja, papa is er ook!"

De lantaarns verwijderden zich en de Shannon stoomde verder en stak de

rivier naar den linker-oever over. Drie mijlen voorbij Camdless Bay,

maar bij den anderen oever der rivier, stopte zij bij het landhoofd van

Jacksonville, om daar het meerendeel harer passagiers te ontschepen.

Daar stapte ook Walter Stannard, tegelijkertijd met drie of vier van

die lieden, welke Texar, die anderhalf uur vroeger, toen de Indiaan

Squambô hem met zijne squif van boord afhaalde, verlaten had, aan

wal. Toen bleef er hoogstens nog een dozijn reizigers aan boord van

de stoomboot over. Een gedeelte daarvan had tot bestemmingsplaats een

klein gehucht, Pablo genaamd, hetwelk bij den vuurtoren verrezen was,

die bij de mondingen der Sint John opgericht was. Een ander gedeelte

zoude zich naar het eiland Talbot begeven, hetwelk in volle zee, dwars

van de bedoelde mondingen gelegen is. Een ander gedeelte eindelijk

zou de reis tot de havenplaats Fernandina voortzetten.

De Shannon ging dus voort met de wateren van den stroom met hare

schepraderen te zweepen. Een uur later was zij zonder ongevallen over

de bank gestoomd en weldra bij de bocht van de Trout-Kreek, alwaar

de Sint John hare reeds sterk bewogen wateren in de deininggolven

van den Atlantischen Oceaan stort, verdwenen.

II.

CAMDLESS-BAY.

Camdless Bay, zoo heette de plantage, welke aan master James Burbank

toebehoorde.

Daar woonde die rijke planter met zijne geheele familie. De naam

Camdless was ontleend aan den naam eener kreek of inham van de

Sint John, welker monding iets boven Jacksonville, maar op den

tegenovergestelden oever der rivier gelegen was. Ten gevolge van die

nabijheid kon men zeer gemakkelijk met de Floridasche hoofdplaats

gemeenschap onderhouden.

Een goede zeilsloep, eene flinke noorder- of zuiderbries, het voordeel

van de eb bij het heenvaren of van den vloed bij het terugkomen,

ziet, met al die gegevens was er niet meer dan één uur noodig om de

drie mijlen af te leggen, die Camdless-Bay van genoemde hoofdplaats

scheiden.

James Burbank bezat daar een der fraaiste eigendommen van den

geheelen Staat. Hij was rijk, zoowel uit zich zelven als vanwege zijne

verwantschap. Zijn vermogen bestond daarenboven ook nog in uitgestrekte

bezittingen en landerijen, gelegen in den Staat New-Jersey, welke

aan den Staat New-York grenst.

De plaats, op den rechteroever van de Sint John, was zeer gelukkig

gekozen, om er eene onderneming van zeer groote waarde te stichten. Aan

de uiterst voordeelige gesteldheid van den bodem, door de natuur in

het leven geroepen, had de hand des menschen niets te veranderen of

te verbeteren gehad. Dat terrein was uit zich zelf geschikt voor de

meest uiteenloopende behoeften eener uitgestrekte onderneming.

De plantage van Camdless-Bay werd door een ijverig en kundig man,

in de volle kracht des levens, bestuurd. Hij werd in zijne taak ter

zijde gestaan door een talrijk en ontwikkeld personeel. Het geld,

om de onderneming te drijven en in de behoeften van werkkapitaal

te voorzien, ontbrak niet. Geen wonder dus bij al die elementen van

slagen, dat de onderneming in bloeienden staat verkeerde.

Zij had een omvang van twaalf mijlen en besloeg eene oppervlakte

van vierduizend Amerikaansche bunders, gelijkstaande met drieduizend

hectaren. Ja, er bestonden grootere ondernemingen in de Zuidelijke

Staten der Unie, maar eene beter bestuurde voorzeker niet. Het

woonhuis, de verblijven voor de bedienden, de stallen, zoowel voor

de paarden als voor het overige vee, de woningen voor de slaven,

de pakhuizen, bestemd tot opberging der producten, de magazijnen,

de gebouwen benoodigd voor de exploitatie, de keeten voor de

manipulatie, de werkplaatsen, de machinekamer, de railways,

die van den omtrek van het landgoed naar de kleine havenplaats

uitstraalden, de karrenwegen,--dat alles was uit een practisch oogpunt

bewonderenswaardig gebouwd en aangelegd.

Met een enkelen oogopslag zag men, dat een Amerikaan van het Noorden

die werken uitgedacht, overwogen en uitgevoerd had. Slechts de

voornaamste etablissementen van Virginia of van Noord- of Zuid-Carolina

hadden met de onderneming te Camdless-Bay kunnen wedijveren.

Daarenboven, de bodem van de plantage bevatte "high hummocks" of hooge

terreinen, die zich bijzonder voor het telen van granen eigenden,

"low hummocks" of lage terreinen, die meer in het bijzonder voor de

koffie- en cacao-cultuur geschikt waren, en "marshes" of eene soort

van gezouten savanen of vlakten, waar de rijst en het suikerriet zeer

voordeelig gedijen. [1]

Zooals men weet, zijn de katoensoorten van Georgië en Florida de

meest gewilde op de stapelmarkten van dat product in Europa en in

Amerika. Dat hebben zij te danken aan de lengte en het zijdeachtige

van hunnen vezel. De katoenvelden, met hunne regelmatig in rijen en op

bepaalde afstanden geplante struiken, welker loof van eene zachtgroene

kleur is en welker gele bloemen eene maluwachtige tint verraden,

stelden dan ook een der voornaamste inkomsten van de onderneming daar.

Tegen het tijdstip van den oogst, overdekten die velden, welke ieder

eene oppervlakte van een paar bunders hadden, zich met hutten, waarin

dan de slaven met vrouwen en kinderen woonden, wien het binnenbrengen

van het product opgedragen was.

Die arbeid bestond vooreerst in het plukken der zaaddoozen, om dezen

daarna te ontdoen van haren wolligen inhoud. Dit laatste was een zeer

teedere arbeid, daar vooral de vezel niet mag verbroken worden.

De verkregen katoen werd dan eerst in de zon gedroogd, daarna

door middel van getande raderen en rollen in molens gezuiverd en

eindelijk onder hydraulische persen te zamen geperst, om in balen met

ijzeren banden omgeven, verpakt en zoo in de magazijnen opgeschuurd

te worden. Het product was dan geheel tot verzending gereed. De

zeilschepen of stoomvaartuigen konden dan die katoenbalen bij de

kaden van de haven van Camdless-Bay komen inladen.

Met de katoen, teelde James Burbank ook koffie en suikerriet. Hier

ontwaarde men tuinen, die duizend tot twaalfhonderd koffiestruiken

bevatten, die vijftien tot twintig voet hoogte bereikten. Hun bloesem

heeft wel iets van de Spaansche jasmijn, maar hun geur is zachter

en oneindig fijner. Hunne vruchten of beter bessen, die wel ietwat

op kleine kersen gelijken, zijn in rijpen toestand donkerrood van

kleur en bevatten de beide zaden of welbekende boonen, met de platte

zijden tegen elkander gedrukt. Die bessen behoeven slechts gedroogd,

daarna van de roode en vervolgens van de hoornschil ontdaan te worden,

waarna de boonen in zakken verpakt worden en zoo ter verzending

gereed zijn. Elders zag men uitgestrekte velden, die met moerassen

konden vergeleken worden, welke met duizenden en duizenden van die

rietstengels overdekt waren, welke van negen tot achttien voeten

hoog worden en welker bloempluimen zich onder den invloed van den

wind als de vederbossen van een op marsch zijnd cavalerie-korps

bewegen. Dat suikerriet was het voorwerp van bijzondere zorg te

Camdless-Bay; want de geoogste stengels leverden de suiker onder

den vorm van eene vloeistof, welke in de raffinaderijen, die in de

Zuidelijke Staten groote vorderingen gemaakt hebben, tot de meest

volmaakte geraffineerde suiker herschapen werd. Als bijproducten werden

stroopsoorten gewonnen, die tot het vervaardigen van tafia, of van rum,

of van rietwijn gebezigd werden. Eene andere likeur werd verkregen door

het suikervocht te vermengen met het sap van ananassen of oranjeappels.

Hoewel die koffie-teelt en die suikerfabricatie, bij den

katoen-aanplant vergeleken, slechts eene tweede plaats innamen,

zoo leverden zij toch belangrijke inkomsten op.

Verder bestonden nog op de onderneming te Camdless-Bay eenige bunders,

beplant met cacaoboomen, anderen beplant met Turksche tarwe, met

jamswortelen, met pataten, met indisch koren, met tabak; terwijl eene

vrij aanzienlijke uitgestrektheid aan de rijstteelt afgestaan was. Dit

alles bij elkander leverde ook nog een belangrijk contingent aan de

inkomsten van James Burbank.

Maar eene andere exploitatie geschiedde naast de opgenoemde die niet

minder winsten afwierp dan de katoen-teelt. Dat was de ontginning

van de onuitputtelijke wouden, waarmede het grootste gedeelte van

de oppervlakte der plantage overdekt was. Zonder te gewagen van de

opbrengst der kaneelboomen, peperstruiken, oranjeboomen, citroenboomen,

olijfboomen, vijgeboomen, mangaboomen, broodboomen, zonder ook te

spreken van de opbrengst van de Europeesche vruchtboomen, die in

Florida uitstekend gedijen, wenschen wij hier meer de aandacht te

vestigen op de houtsoorten, die in de wouden voortkwamen en geregeld

uitgekapt werden. Welk een rijkdom aan campèchehout, aan gazuma's,

aan Mexicaansche olmen, welke thans voor zoo verschillende zaken

gebezigd worden, aan baobab's, aan koraalhout met zijn bloedroode

takken en bloemen, aan altijd groenende eiken, aan pijnboomen der

zuidelijke streken, die zoo geschikt zijn zoowel voor timmerwerk

als voor scheepsmasten en ra's, aan pavieren, eene soort van

geelbloeiende kastanjeboom, aan zwarte notenboomen, aan pachirieren,

welker zaaddoozen de zonnewarmte doet openbarsten met een ratelend

geluid, alsof vuurpijlen uit elkander springen, aan zonneschermvormige

pijnboomen, aan tulpboomen, aan dennensoorten, aan ceders, maar vooral

aan cypressen, eene boomsoort, die zoo talrijk op het Floridasche

schiereiland voorkomt, dat zij er bosschen vormt, die eene lengte

van zestig tot honderd mijlen bereiken.

James Burbank had verscheidene belangrijke houtzagerijen

op verschillende punten van zijne onderneming moeten

oprichten. Afdammingen, opgeworpen in verscheidene beken, welke

schatplichtig aan de Sint John zijn, hadden haren kalmen loop

in watervallen veranderd, en die watervallen verleenden op breede

schaal de noodige werkkracht om die zaagmolens in beweging te stellen,

welke die boomstammen in balken, delen en planken moesten veranderen,

en die jaarlijks aan honderden schepen bevrachting verschaften.

Bovendien moeten nog uitgestrekte vette weilanden vermeld worden,

waarin paarden, muildieren en groote kudden runderen graasden, welker

opbrengst in alle landbouwkundige benoodigdheden voorzag.

Wat het pluimgedierte betreft, hetwelk de bosschen bewoonde of in

de velden en de vlakten rondhuppelde, dat behoorde tot de meest

uiteenloopende soorten, en men zou zich moeielijk eene voorstelling

kunnen maken van hunne voorttelingskracht daar op dat landgoed te

Camdless-Bay, die evenwel in niets verschilde van die, welke door

geheel Florida waargenomen werd.

Boven de bosschen zweefden arenden met witte koppen, die eene breede

vlucht hadden, en wier scherpe kreet op het fanfaar-geschetter eener

gebarsten trompet geleek; valken van eene buitengewone wreedaardige

woestheid; reusachtige roerdompen met lange bekken, scherp als

bajonetten.

Tusschen de hooge biezen van den rivieroever en onder het

ineengestrengeld loof der reusachtige bamboestruiken leefden

rose-roode of scharlakenroode flamingo's; geheel witte ibissen,

die men zou meenen, dat van het een of ander Egyptisch monument

weggevlogen waren; pelikanen van buitengewone grootte, duizenden en

nog eens duizenden zeezwaluwen van allerhande soort; krabbenvangers,

versierd met groene kuif en kleed; vuurroode pluvieren met bruin

donzigen hals en met witte stippen gevlekt; Amerikaansche goudvogels;

gevlekte ijsvogels met vergulden weerschijn; eene geheele wereld van

duikereendjes, waterhoenders, »widgeons," eene soort van fluiteenden,

van talinkjes, grauwe pluvieren, zonder nog te rekenen de ontelbare

stormvogels, stormduikers, schaarbekken, marlpriemen, zeeraven,

meeuwen en stroostaarten, die gewoonlijk door een windvlaag tot binnen

de monding der Sint John gejaagd werden, waarbij dan zelfs vliegende

visschen waargenomen werden, die door de lekkerbekken op hoogen prijs

gesteld worden.

In de lage weilanden werden ontelbare troepjes van gewone snippen,

watersnippen en rietsnippen aangetroffen, zoo ook wulpen, gemarmerde

poelsnippen, sultane-kippen, met gevederte dat tegelijkertijd rood,

blauw, groen, geel en wit is, »colins-ouis", eene patrijssoort,

duiven met sneeuwwitte kopjes en vuurroode pootjes.

Eindelijk had men er natuurlijk ook viervoetige dieren, waarvan wij

slechts eenige eetbare soorten zullen opsommen, zooals: vliegende

eekhorentjes, langgestaarte tapijnen, eene diersoort, welke het midden

houdt tusschen het konijn en den haas in Europa, geheele troepen

damherten; eindelijk nog raccoons of Amerikaansche waschbeeren,

schildpadden, en ichneumons of spoorwezels.

Dat waren de vertegenwoordigers van het dierenrijk op dat fraaie

landgoed van Camdless-Bay.

Dat daar in die weelderige natuur de vergiftige slangen niet ontbraken,

zal wel niet behoeven verzekerd te worden.

Wanneer wij van de vertegenwoordigers van het dierenrijk spraken,

dan was dat natuurlijk ongerekend de negers, zoowel mannelijke als

vrouwelijke, die op de plantage hunne diensten te verrichten hadden. En

daarin hadden wij ongelijk; wij hadden hen onder de diersoorten

moeten brengen; want wat maakte die monsterachtige instelling der

slavernij toch van al die menschelijke wezens anders dan dieren,

die als slachtvee of als trekossen gekocht of verkocht werden?

Hoe kwam het toch dat master James Burbank, die een aanhanger was

der anti-slavenleerstellingen, die een Noordelijke was, die alles

van de overwinning der Noordelijken verwachtte, aan de slaven zijner

plantage de vrijheid nog niet gegeven had?

De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage · 第 1 / 19 段