P.N. VAN EIJCK

[Illustratie: Foto Vinkenbos & Dewald--Haag P.N. VAN EIJCK (1914)]

(* 1889)

Uit de zacht-verhittende broeikas-atmospheer van het oudere Den Haag

trad ik teleurgesteld in een buurt van strakke en lange straten.

Mijn gemoedstoestand was dien middag aldus: Ik had mij voorgesteld dat

de dichter van "De getooide Doolhof" en "De Sterren" eenzaam woonde op

het land, in een grillig huisje, ergens aan de ruige Veluwe; of wel bij

eenvoudige boerenmenschen. En het hinderde mij, dat ik naar de stad

moest om hem, die innerlijk zooveel met mij gemeen heeft, te spreken.

Echter, in het vroege middaguur, voorloopig doelloos zwervend door het

oudere Den Haag, had ik mij getroost: De gekunstelde witte schittering

uit de winkels overstemde het trage licht van den najaarsdag; en

velerlei indrukken--hartstochtelijke gezichten en blijmoedig kwijnende

gezichten die mij voorbijgleden; de moderne vrouwenkleedij waarin

stijlige lijn met losbandigheid van bont en kanten pervers coquetteert;

de kundig genuanceerde geuren van toiletten en de reuk van overspannen

driften; suggestieve boektitels en heerlijk dwaze weeldezaken, achter

spiegelglas fluks bespeurd; en steeds weer die snel voorbij-schimmende

troniën: trotsch-verdorven maskers en geschminkte en ontzenuwde en

verlangende maskers, die in mijn phantasie hun histories schetsten en

mengden ... àl die overstelpend-prikkelende indrukken omgaven mij met

een atmospheer van verfijnde cultuur, die ik evenzeer bemin als het

leven op 't land in wijde overpeinzing. Ook in zulk een milieu kan een

werkelijk dichter tieren, mits hij een zeer sterken geest heeft....

Doch toen belandde ik in de nieuwe buurt met leege gerekte straten, waar

het onwillige najaarsdaglicht terug kitste op de kille pensions en

ambtenaarswoningen met haar snel-vergane conventioneele praal: en ik

bemerkte dat ik mijn dichter moest zoeken in, de langste van die

schijn-deftige, eentonige huizenrijën.

Geheel bekoeld, naar ik meende, kwam ik bij hem binnenvallen, en voordat

wij elkander eigenlijk hadden begroet of door onze so-easy's afdoende

hadden bekeken, moest ik 't zeggen, ik wilde niet en zei 't toch: Het

lijkt hier wel een studentenkamer!--Ons wereldstadje had mij als

gewoonlijk van streek gebracht, want zoo spontaan ben ik anders niet.

Mijn opmerking, waarin ik mijn indrukken had samengevat, deed hem

blijkbaar pijnlijk aan, en hij zeide dat men in een studentenkamer toch

zooveel mooie boeken meestal niet vond, en toen vroeg hij mij

welwillend-ingehouden een nadere verklaring. In het bewustzijn dat hij

mij zou hebben uitgedaagd als hij een Duitscher was, en blij dus dat we

in het degelijke Holland zaten, zei ik een paar vriendelijke woorden,

die hij niet hoorde. Maar later heb ik begrepen dat ik dit bedoelde:

In deze kamer met haar onverschillige en disparate meubels en tapijten

had zich door kleinigheden in schikking en versiering--verbeeld u, de

beeltenissen van Baudelaire en Stefan George stonden er op den

schoorsteenmantel (niet plechtig, als gravures, met eenige ontroering

gekocht, maar als ietwat verbleekte photographieën, men zou denken: van

verre familieleden, in banale lijstjes)--in deze kamer, zeg ik u, had

zich mij een sterke, jonge, strijdvaardige geest gemanifesteerd, men

voelde dat hier gewoonlijk naar den geest geleefd werd--al beeldde ik

mij in dat het "Gaudeamus igitur" er toch ook wel eens uit schorre kelen

had geschald. En dit maakte mij de kamer even eerbiedwaardig als de

smaakvol en kostbaar aus einem Guss gemeubelde schrijversheiligdommen,

die ik ken.

Terwijl hij nu met vele, overigens belangwekkende woorden het begin van

het "interview" trachtte te verschuiven, herwon ik snel mijn gewone

bedaardheid. Ik werd bijna vaderlijk, toen ik hoorde dat hij nog iets

jonger was dan ik--men zou dit laatste niet zeggen, want dit bleeke

gelaat deed mij zelfs een oogenblik (ten onrechte!) veronderstellen, dat

hij al vroeg aan de zinnen gevraagd had wat slechts de geest kan geven,

en ik glimlachte niet, toen hij mij later vertelde: Ik heb 't gevoel dat

ik al een eeuwigheid heb geleefd....

Ik had mijn gereserveerde kalmte zeer noodig. Hij kon maar niet tot

zichzelf komen, en bekende dat de gedachte, zich zoo voor mij binnenste

buiten te keeren hem werkelijk angstig maakte. Zijn wangen, die geen

jongenswangen meer waren, bloosden, hij struikelde over zijn woorden,

onderbrak zich telkens met een: Dat is nou beroerd.... Neen, laat ik dit

niet zeggen.... Och, waarom?--

Ik vertelde maar veel van mijn eigen opinie's en trachtte daarbij

zooveel mogelijk de zijne te ontmoeten, ik wilde hem niet loslaten, en

toen ik hem uitvoerig het schema had uiteengezet dat de lezer kent,

werd hij door mijn uiterlijke onaandoenlijkheid gewonnen.

Kalm is hij dien heelen middag niet geworden--vreemd toch, want hij leek

mij eer brutaal dan verlegen--voordat hij mij zijn mooie

bibliophiel-uitgaven vertoonde. Maar wél gaf hij mij gelegenheid, zijn

buitengewoon ree intellect (hij zal wel boos worden, als hij dit van me

leest! maar après nous le déluge) te bewonderen; en hij heeft me ondanks

alles vervuld van een bemoedigend enthousiasme.

Als ik (op zijn verzoek) een massa onvoltooide gedachtetjes en

overtollige woorden, waarmede hij de leegten aanvulde, weglaat, dan komt

hetgeen hij mij vertelde, zittend op zijn schrijftafel, de beenen op de

vensterbank, hierop neer:

--Ik was al begonnen met studies en verhalen te schrijven op ongeveer

vijftienjarigen leeftijd, toen ik, in verband met moeilijkheden in mijn

persoonlijk leven, in mijn 17de jaar plotseling in verzen los schoot.

Vóor dien tijd had ik al van mijn twaalfde jaar af rijmen, romannetjes

en novelletjes geschreven, maar toen werd ik bewust literator en begon

ik het ideaal van mijn leven te zien in het schrijversschap. Dat is

samengevallen met mijn eerste intree in de kunstwereld van de "Nieuwe

Gids", die de eerste jaren volkomen de mijne is geweest en waar ik mij

hartstochtelijk aan heb overgegeven, omdat hij in alle opzichten aan

mijn behoeften beantwoordde. Alles wat ik in dien tijd wilde voelde ik

in de "Nieuwe Gids"--vrij, zelfs losbandig innerlijk leven--leven voor

de schoonheid--je leven min of meer beschouwen als een gelegenheid om

altijd maar vol te zijn van enkel schoonheid. Vooral aan de lectuur van

Van Deijssel heb ik me hartstochtelijk overgegeven. Ik had de heele rij

boeken op den grond liggen, en zoodra ik thuis kwam, ging ik er bij

liggen om te lezen. Door de lectuur van Van Deijssel is mijn

individualisme met een jeugdige woestheid tot uiting gekomen, en ben ik

mij zelf, ook om ondervindingen, die zìj niet hadden, buiten de anderen

gaan stellen.

--Hebt u nu eigenlijk de "Nieuwe Gids" verlaten of overwonnen, vroeg ik;

met andere woorden: kunt u mij den logischen ontwikkelingsgang

aanduiden, die er op uitliep, dat u op een goeden dag niet meer in die

geesteswereld thuis behoorde?

--Toen ik rijper en ontwikkelder werd, ben ik gaan merken dat de "Nieuwe

Gids" mij onverschilliger werd en dat ik ergens anders moest heensturen.

Datgene wat ik voor mij zelf wilde worden--een centrale

persoonlijkheid--het klinkt een beetje aanmatigend, vindt u niet ... dat

is beroerd ... neen ... ik zal 't maar niet zeggen....

--Kom, zoodra men gedichtenbundels uitgeeft, werpt men zich op als

geestelijk leider van zijn volk en dan geeft het niet meer of men het

wil verbergen. Trouwens, als U de voorrede van mijn "Mannen van '80"

hebt gelezen, zult u weten dat u mij genoegen zult doen met nu verder te

gaan....

--Goed dan. Ik begon te voelen dat mijn persoonlijkheid anders gebouwd

was dan die van de Nieuwegidsers. Geestelijken inhoud hadden zij niet

voor mij, ik zeg voor mìj. Wat ik al vroeg ging zoeken, dat was den zin

van het leven, de vraag: wat ben ik eigenlijk, hoe is het leven, hoe

staan we tegenover de wereld? het gewone zoeken naar een

levensovertuiging. Naarmate die drang tot zoeken sterker in mij werd,

heb ik gezien dat ik in het leven van den typischen Nieuwegidser voor

mijzelf nooit antwoord zou vinden. Het is voor mij ten slotte gebleven

een beweging van buitengewoon interessante menschen, psychologisch en

artistiek, maar ze zijn voor mij nu, behalve om het mooie wat ze gaven,

vooral van belang, omdat onder hun handen de taal pas is geworden tot

een werktuig, in staat om het geheele moderne leven in zich op te nemen.

Hun beweging kreeg voor mij de beteekenis van een taalreactie, een

fijn-maken en los-maken van de taal. Ik had mij blindgestaard op die

hartstochtelijke jonge menschen die rondliepen in Amsterdam en hun leven

vulden met de Schoonheid, maar ik zag weldra de grenzen van deze

persoonlijkheden en hoe hun beweging verliep en verloopen _moest_. Ik

hield hen in het begin voor jonge Goden, en dacht dat nergens op de

wereld zoo iets was te vinden. Daarna, toen ik ouder werd en mij bij hun

werk onvoldaan bleef voelen, heb ik mij voornamelijk aan buitenlandsche

en oudere kunst gegeven, waarin ik een zoeken vond als het mijne en

waarin velen voor hún persoonlijkheid gevonden hadden, wat ík zocht.

Die opmerking van een andere letterkundige over de "Nieuwe Gids" waarvan

u daarstraks sprak, trof me.[9] Dat zij alleen het midden en niet het

einde kenden. Volkomen waar. Maar ik zelf, mijn diepste wezen voelt zich

niet voldaan wanneer ik bij een dichter niets anders vind dan den zang

van het oogenblikkelijke leven, ik _mis_ dan het begin en het einde. Ik

wil datzelfde oogenblikkelijke leven, maar voelbaar als de golf van een

vloed, niet als afzonderlijke golf. En ik mis er óók in: het begrip, de

aanvoeling van het geheele leven, waartoe de oogenblikkelijkheden zich

kristalliseeren, waardoor zij allen als facetten worden die te zamen het

ééne kristal van de Levens-idee vormen en die feitelijk in haar essentie

dezelfde is als het wezen van dien onderstroom, waaruit het

oogenblikkelijk leven opgolft, of oprimpelt. Dat miste ik in de "Nieuwe

Gids", en daarom konden zij voor mij geen geestelijke leiders zijn, en

het in schoonheid geestelijk leider zijn lijkt mij een van de

állerbelangrijkste dingen van het dichterschap, niet als tendenz er van,

maar als wézensdeel van het dichterschap.

--Maar u hebt voor u zelf toch wel een antwoord gevonden op de vragen,

die u straks noemde?

--Ik heb het soms gedacht, maar ik moet zeggen: Neen.

Mijn heele werk staat in het teeken van de zoekerij. In mijn

"Uitzichten" heb ik een afdeeling "Zoekers" geschreven, en ik heb daarna

later nog het gevoel gehad van volkomen "Bevrijding" uit die

onzekerheid, maar in den grond van de zaak ben ik gebleven in de periode

van de zoekerij, en dit vindt u dan ook in mijn geheele werk. Het is

misschien een veeg teeken voor mijn poëzie, dat ik na al die jaren van

zoeken nòg niet ben gekomen tot een levensinhoud, maar dichterlijk is

dit zoeken het motief van mijn werk, dus waarom zou ik het hier niet

zeggen?

Ik ben altijd gestruikeld over den tweespalt tusschen gevoel en

verstand. Mijn gevoel zegt zus--mijn verstand begint het dialectisch te

ontleden en zegt: Neen, niet zus. Het is bij mij uitgegaan van de

epicuristische grondbeginselen, en ik ben nooit tot een andere conclusie

gekomen, dan dat het leven is een koorddansen boven den afgrond. Een

typisch voorbeeld vind ik De Régnier, een man van geweldige melancholie,

zeker een van de meest pessimistische menschen die ik mij ooit kan

voorstellen, en het eigenaardige is nu, dat de eene helft van zijn werk

dit gevoel zuiver weergeeft en de andere helft bestaat uit verzen van

enkel plastische schoonheid. Hij is innerlijk overtuigd van de ijdelheid

van het geheele leven, maar zijn oogen vonden de uiterlijke schoonheid

van de wereld en zijn daarmede vervuld. Dit genot hebbend, schijnt hij

dan zijn droefgeestigheid te kunnen vergeten. Maar ìk kan niet inzien,

hoe men dat voortdurend knagende gevoel van de redeloosheid van het

leven tot zwijgen kan brengen met de schoonheid, alsof die een

narcotisch middel daartegen ware, alsof niet juist de schoonheid er

voortdurend aan herinnert, dat zij een begoocheling is over een leegte.

Ik kàn het niet inzien, ik ben er misschien nog te jong voor....

De inhoud van mijn werk is dus zoeken en nog eens zoeken. Natuurlijk

zijn mijn verzen ingegeven door bepaalde ondervindingen, maar

ondervindingen zijn voor mij nooit impressionistische gegevens. Het gaat

bij mij zoo, dat iets dat ik beleef plotseling aanleiding kan zijn om te

schrijven, en een boel van dezelfde levenservaringen in mij los maakt.

Men heeft allerlei ervaringen die nooit tot een gedicht doen komen, maar

een bijzondere aandoening die veel sterker is--maar dat hoeft

niet--treft je zoo, dat al die andere van vroeger in je hart worden

losgemaakt ... en dan komt het vers ... als een lied, niet van dat eene

ding, maar van al die dingen te zamen.... Ja, hoe kwam ik daar ook weer

toe, wat was het begin van dien zin....

--U zocht naar de beteekenis van het menschelijk leven. Mag ik u vragen:

bedoelde u daarmede de beteekenis van uw leven, de vraag, waarom

bepaalde wederwaardigheden juist u getroffen hebben ... met heel in de

verte een idee aan een voorzienigheid ... of de beteekenis van het

menschelijk leven in het algemeen ... met de daaraan vastgeknoopte vraag

naar een wereldbeginsel?

--Dat hangt samen. De groote grondstof, die het onderwerp is van de

poëzie, is het menschelijk leven. Ik word dikwijls aangezien voor een

aesteet, vooral vroeger was dat zoo, maar in de kunst is voor mij altijd

de mensch die er achter zat het belangrijkste geweest. Ik stel hooge

technische eischen, maar zoodra achter de kunst de mensch te voorschijn

komt, die zich krachtig of persoonlijk uit ... het moet natuurlijk geen

stumperen zijn ... dan kan de heele kunst me niet veel meer schelen, als

hij mij maar beweegt. Nietzsche zegt: ik ben eerst Schopenhaueriaan

geweest, maar toen ik de gebreken in het systeem ben gaan zien, heb ik

toch mijn liefde behouden, want: de groote philosoof staat voor honderd

philosophieën. Zoo mag ik zeggen: de groote dichter staat voor honderd

gedichten. Dat klinkt Heidensch, maar is 't niet. Want de naam "groote

dichter" vooronderstelt dat hij werkelijk dichter _is_, dat is vóór

alles een schepper.

Een van mijn grootste liefden is Dostojefski, die toch de meest

chaotische dingen gemaakt heeft, die ik mij kan denken. Maar welk een

rijkdom aan menschelijke ervaring en ontroering en philosophie! Voor mij

is hij een van de allergrootste figuren van de negentiende eeuw geweest,

gelijk Goethe dan van de achttiende. Zijn geheele werk behandelt het

zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd.

En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: Ge moet het leven liefhebben

boven den zin van het leven....

Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dàt noodig

heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en

geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het

leven niet gevonden heb.

Nu verhoudt mijn poëzie zich op een bijzondere manier tegenover mij

zelf. Onder het dichten zelf bereik ik, dat ik alle tweespalt geweken

voel. Daarom is het een hoogtepunt in mijn leven, ik voel mij als een

wijde organische eenheid, die geaard is als het leven zelf. Het is of

mijn gevoel zich dan meester gemaakt heeft van mijn intellect, of ze in

elkaar gevloeid zijn, en in elkaar gevloeid vereenigen zij hun

ervaringen, en soms zelfs het verhaal van mijn twijfel schrijvend, heb

ik een gevoel van vervuldheid, dat ik daarná dan weer moet missen. Dan

is de scheiding er weer, en dat het zoo gewéést is helpt mij niet, omdat

mijn verstand niet meer zeker is, _of_ het geen nederlaag geleden heeft

en _of_ dat gevoel van geluk geen valstrik was. Maar in zoo'n oogenblik

heb ik toch gevonden, heb ik het in mij, als gevoel....

--U verkondigt dus de levensbeschouwing dat...?

--Ik vraag mij natuurlijk af wat het belang van mijn werk is, wat ik de

menschen geef voor positief geestelijk voedsel behalve de poëtische

schoonheid--en dan kan ik niet zeggen dat ik dat op het oogenblik in

mijn poëzie geef ... maar wanneer ik werkelijk iets zal hebben bereikt

en gevonden--dan zal al wat eraan voorafgaat het belang hebben dat het

is de weg, waarop een moderne mensch tot zijn oplossing is gekomen....

Dit sluit in zich, dat ik over het innerlijk van mijn werk nog geen

bijzonder hooge gedachte heb....

--Maar u is het met mij eens, dat de sociologische beteekenis van den

dichter is, dat hij, zooals ik in mijn voorrede zeg, geeft het

voorgevoel van een levensbeschouwing?

--Inderdaad heeft de dichter een groote functie in de gemeenschap, omdat

hij altijd de essencie van het leven zelf geeft en als aanvoeler van het

leven de groote dingen des levens laat voelen en denken, het leven van

anderen dus intensiever maakt.

--Lezer, geen van de schrijvers die ik tot nu toe bezocht, heeft zich

zoo duidelijk met mij gesteld tegenover het ethisch agnosticisme, dat

naar ik meen de inhoud was van "De Nieuwe Gids". Ge kunt begrijpen dat

ik hier den jongen dichter onderbrak en met eenige spanning (in het

gesprek terug-grijpend) vroeg:

... Zoeken, toch met de zekerheid dat het antwoord gevonden _kan_

worden?

Maar ik viel uit de wolken:

--Ik zoek niet met de zekerheid dat gevonden kan worden, luidde het

antwoord, na lang peinzen gegeven, anders had ik het voornaamste al

gevonden. Als je weet dat de zin des levens er is, dan heb je hem al,

maar ik weet niet dat de zin des levens er is....

Ik kan mijzelf een gemeenschapsdichter noemen in een geheel anderen zin

dan de socialisten. Naar den schijn zoudt ge niet zeggen dat het zoo is,

maar in werkelijkheid is het zoo: De redeloosheid van het leven en het

verdriet van den mensen is mijn geheele aanleiding. Mijn geheele liefde

is voor het menschelijk leven, den mensch bezig zien in zijn doen en

laten is mijn grootste genot, al brengt het weer tot verdriet. Ik kan

mij niet uiten, zonder mij mensch onder de menschen te voelen, en het

kan niet anders of, wanneer ik mijn innerlijk leven uitspreek, spreek ik

ook voor de andere menschen. Ik voel me zelf niet als individu, maar als

mensch.

--Maar toch niet als dichter van de gemeenschap?

--Neen, tenminste wanneer u die uitdrukking in leerstelligen zin

gebruikt, want dan kom je precies op het verkeerde standpunt terecht.

Een dichter van de gemeenschap is voor mij bijna een onmogelijkheid.

Want de mensch heeft ongelooflijk veel aan een groote menschelijke

persoonlijkheid, en zoodra u spreekt van een dichter van de gemeenschap,

zoudt ge tot een poëzie komen die, wanneer ze werkelijk poëzie van de

gemeenschap wás, de opheffing van de persoonlijkheid des schrijvers zou

beteekenen. Poëzie wordt op die manier de grootste gemeene deeler op de

onderdeelen der gemeenschap. Wat blijft er dan over van haar hooge

idealiteit?...

Daarom ben ik het zoo vreeselijk oneens met Adama van Scheltema, wanneer

hij zegt, dat je zoo moet schrijven dat zooveel mogelijk menschen het

begrijpen. Dat is voor mij eenvoudig anti-poëtisch. Ik geloof dat je een

van de meest wezenlijke dingen van de poëzie ontkent, door dit te

zeggen. Neen, je moet zoo schrijven dat je denkt: Nu is mijn gevoel

volkomen tot uiting gekomen, en of het nu voor velen of voor weinigen te

begrijpen is, daar heb je niets mee te maken. Anders ga je, consequent

redeneerend, het hoogere, het diepere geestelijke leven uit de poëzie

sluiten. Het groote geestelijke leven is niet voor de meerderheid. Die

heeft daar geen behoefte aan en ook niet de capaciteiten om het te

doordenken. De uitslag zou worden, dat de poëzie maar een klein stukje

van het menschelijk leven beslaat, en het allerbelangrijkste er buiten

laat. Zinrijk heeft Goethe dan ook gezegd:

Wer den Dichter will verstehen

Muss in Dichters Lande gehen.

Dat is een wet van alle tijden voor de poëzie. Is wat je denkt en voelt

moeilijk en ingewikkeld, dan zal het gedicht ook niet makkelijk zijn en

is toch voor den grooten hoop niet te doorvoelen. Je kunt probeeren het

niveau van de meerderheid naar je op te trekken,--dat is zelfs het

heerlijke doel van de kunst--maar zeker moet je niet je eigen niveau zoo

laag zetten, dat je kan hopen dat een zoo groot mogelijke meerderheid

erheen zal gaan.

Een dichter moet in niets anders leven dan in de aandoening, in de idee

die hij aan het dichten is. Hij moet niet met zijn verstand een

geleidertje bij zijn werk zetten, dat toekijkt of hij wel zoo schrijft

dat vele menschen het zullen kunnen lezen. Dan is de toestand niet

zuiver meer en is de poëzie vertroebeld. De inhoud dwingt den vorm, die

dan zoo zeker al de eigenschappen van den inhoud aanneemt, dat zij niet

meer te scheiden zijn. Er is dus ook maar één goede vorm voor elk

gedicht, en het is dan ook niet aan den dichter, om dien willekeurig te

bepalen om redenen buiten het gedicht zelf.

Ik heb nooit begrepen wat de socialisten met hun socialistische poëzie

bedoelen. Ik kan niet inzien dat de stof van poëzie ooit iets anders zou

zijn dan vormen en verschijnselen van menschelijke ontroeringen, zooals

liefde, haat, angst, vreugde, en ik kan mij niet voorstellen dat die in

hun essentie ooit veranderen zouden. Zoo blijft het voornaamste element

in de stof van poëzie altijd hetzelfde, de kleuren, nuances alleen

veranderen, en daarmee blijft een van de bestanddeelen van poëzie, die

haar haar groote waarde geven, altijd gelijk. Het andere bestanddeel zit

in het poëtische wezen zelf, de scheppingskracht in het gedicht. Ik heb

daar al eens over geschreven in "De Beweging". Voor mij is een gedicht

niet een soort middelaar, waardoor een dichter zijn leven overgiet in

een lezer, maar een heel eigenaardig, onafhankelijk wezen, dat een

mysterieus, vruchtbaar leven heeft. Er is een inhaerente en latente

levenscheppende kracht in, de poëtische potentie van een vers heb ik dat

genoemd, die is onverwoestelijk in elk goed gedicht en kàn niet vergaan.

Wanneer je goed nadenkt, is de algemeene menschelijke ontroering in het

gedicht misschien zelfs maar een vóoronderstelling van de poëtische

potentie, omdat die als scheppende kracht hoofdzakelijk algemeene,

oergevoelens moet bewerken, al zijn die dan door een dichterhart

heengegaan en al hebben zij de trekken van zijn persoonlijkheid

gekregen. Ach, al die dingen bepalen elkander eigenlijk allemaal over en

weer, dat maakt de poëzie juist zoo iets vreemds. Maar dat alles zien de

socialistische dichters als Henriëtte Holst en Gorter over het hoofd.

Over burgerlijk leven spreken ze, en over burgerlijke ideeën....

Maar--als ideeën uit werkelijk gloeiend leven zijn opgekomen, dan hebben

ze altijd waarde, en zoo hebben de groote socialistische ideeën waarde

als de andere. Dat is het juist wat alle tijdelijke ideeën redt voor de

poëzie.... Zij leggen den klemtoon op het socialistische--ik op de

poëzie. Het socialisme is iets accidenteels en het essenciëele is de

poëzie. Ik geloof dan ook niet, dat ooit iets dat werkelijk poëzie is,

zijn waarde zal verliezen als eens een andere tijdsorde is aangebroken

met andere gedachten en andere verhoudingen. De groote waarde van de

kunst is juist dat ze al die tijdelijkheden overwint.

--Hiermede had Van Eijck de voornaamste punten van mijn schema

behandeld. Gevraagd of hij hier nog iets aan toe had te voegen, zeide

hij, even te willen spreken over zijn positie in de Nederlandsche

literatuur van onzen tijd:

--Ik ben--zoo begon hij--vaak uitgescholden (dat woord uitgescholden

deed het hier kostelijk!) voor volkomen richtingbewust. Ik ben dat in

zooverre, dat mijn streven er altijd op gericht is geweest ... och neen,

laat ik daar maar van zwijgen, daar heb ik straks al te veel van

gezegd..., en dat dan zuiver uit te drukken, maar men mag niet van me

denken, dat ik mijn geheele leven naar een intellectueel schema zou

opzetten, en daarvolgens zou leven en werken. Dat is absoluut niet

waar. Ik hèb geen intellectueel schema. Wanneer mijn werk wel eens den

indruk maakt van intellectualisme, dan komt dat, omdat in mijn

persoonlijkheid de intellectualiteit sterk werkt. Maar ik heb nooit een

gedicht geschreven dat niet een zuiver persoonlijke ervaring was. Ik wil

leven geven, en is in het menschelijk leven het intellect niet een van

de voornaamste factoren? Moet die dan buitengesloten worden? Ik begrijp

niet hoe Van de Woestijne altijd maar kan beweren, dat het, ik zal maar

zeggen ons, om bewuste reflectie en bewuste verbeelding te doen is. Hij

kan beter weten. Het intellect moet het gevoel bevruchten, en het gevoel

het verstand, en de vrucht zal dan zijn, dat warme, wijze, diepe

geestelijk leven, waarnaar ik verlang en waaraan eigenlijk de heele tijd

zoo'n behoefte heeft. Natuurlijk zal mijn poëzie anders zijn dan de

"Nieuwe Gids" ons heeft leeren te genieten en--men verwart zoo dikwijls

geestelijk leven met intellectualiteit. Ik ben voor mijzelf in de poëzie

zelfs zeer sterk een antipode daarvan. Ik word kriebelig, wanneer ik

intellectualistische poëzie lees.

Een groot geestelijk leven--dat is het wat ik voor mijzelf zou willen en

in anderen zoo bewonder en dat is ook mijn groote bewondering voor

Dostojefsky, omdat die in alle richtingen het leven heeft doorpeild met

zijn gedachten, ook in richtingen die tegengesteld waren aan de zijne.

Maar gedachten zijn bij hem hartstochten! Zijn figuren zijn geen

menschen die behalve een heele boel andere, ook nog den hartstocht van

hun gedachte hebben, neen, zij worden door die eenen hartstocht

verslonden en alles, alles van hen wordt dóór dien hartstocht bepaald.

Zulke persoonlijkheden hebben op de menschheid grooten invloed en naar

zulke dichters vraagt de menschheid. Hij heeft voor zichzelf een

positieve levensbeschouwing gevonden. Ik sta nog aan den kant van de

menschen die hij in zijn werk tegenover zich zelf stelt. Hij geeft zijn

positieve idealen en stelt daartegenover het geestelijke dat hij in alle

richtingen heeft doorleefd--want niemand heeft zooveel aan den Twijfel

geleden als juist hij.... Zijn Iwan Karamasoff is een figuur waarin ik

mijzelf weerspiegel. Hij heeft het probleem van het werkelijke

atheïsme--niet wat de liberale burgerman daaronder verstaat!--doorvoeld,

en dat heeft hij in zijn figuren levend gemaakt--niet als gedachten,

maar als brokken brandend leven! Maar boven de groote gevoelens van het

moderne leven, van hartstocht en twijfel en wanhoop, heeft hij een

ideaal gevonden dat hem, niettegenstaande al zijn ellende, is gaan

vervullen en de hoogte van dat ideaal is te meten naar de diepte van

zijn twijfel, waarvan hij het volle begrip behouden heeft.

Tegenover heel veel menschen met vaste levensopvattingen begin ik

sceptisch te staan, omdat ik niet weet uit welke basis die

levensopvatting is opgekomen--of er de groote Twijfel aan is

voorafgegaan--of er een diepe ziel achter zit,--maar wanneer ik

Dostojefsky's groote twijfelaars lees, dan weet ik uit welken ondergrond

zijn positief ideaal is opgerezen, en dat geeft mij ook de hoop en het

geloof dat ik voor mij zelf zal vinden. Vindt u het niet typisch, dat

bijna al die zelfkwellers van zijn boeken onder de dertig zijn? Dat

beteekent voor mij véél, want hij schreef ze toen hij veel ouder was....

En ik weet, dat wanneer ik heb gevonden, ik niet heb gevonden voor

mijzelf alleen--maar voor duizenden.

En wanneer ik dan talent genoeg heb--dan zal ik een geestelijk leider

kunnen zijn. Daar zit geen hoovaardigheid in--want er zijn twee

praemissen: Ten eerste dat ik zou vinden; ten tweede dat ik talent zou

hebben. Ik hoop op den goeden weg te zijn naar dit ideaal, en dat ik

bewust de dingen wil die voor den sterkeren dichter noodzakelijk zijn,

is voor mij van belang. Men moet toch reiken, wil men iets _be_reiken.

In den bouw van mannen als Kloos en Gorter ontbreken die elementen en

dit maakt dat ze nooit tot een van de groote leiders van de menschheid

konden worden, al was Kloos toch een groot dichter. En nu meen ik, dat

in hen die men thans de jongere dichters noemt, en die misschien wel

weer andere elementen missen, laat ik dat er bij zeggen, een paar

elementen zijn, noodwendig voor groote leiders--zoodat het alleen van

hun persoonlijk talent of genie afhangt of ze het werkelijk zullen zijn.

Nu is u toch wel duidelijk geworden--niet waar--dat er in mij niets is

van een intellectueel schema, maar wel een streven naar zuiver en diep

leven--dat is: een door een sterke persoonlijkheid doorvoeld leven, dat

ik niet im Voraus in banden mag knellen. Dat _dit_ mijn streven is--een

van de meest karakteristieke dingen van mijn werken--de adem die er

doorheen gaat--is daarvan het bewijs. En ik wil even zeggen, dat iemand

die mij voor intellectualistisch houdt, mijn studies maar behoeft te

lezen om te zien, wat de hoofdzaak is wat ik begeer. In al mijn studies

tracht ik een psychologische synthese te geven van den mensch die in een

bepaald werk leeft en van de manier waarop hij het leven voelt. Mijn

critieken zijn opgebouwd uit bewondering en enthousiasme voor den mensch

die achter het werk zit.

--Wij hebben nog lang gesproken over dingen die hier minder ter zake

doen. Hij meende dat ons onderhoud min of meer mislukt was, dat hij zich

te onbestemd, te woordenrijk, te aarzelend had uitgelaten. Ik echter

maakte hem het volgend compliment: In tegendeel, U lijkt wel een Belg.

Ik bedoelde dan: een intellectueele Belg. Dit zijn Belgen niet gauw

naar mijn ondervinding, maar àls ze het worden, zijn 't zeer fijne

cosmopolitische geesten en--dan zijn ze er vroeg bij, hebben een

gevestigd oordeel over de dingen des levens als een ander nog

studeert.... Om de waarheid te zeggen--ik overdreef een beetje om hem

gerust te stellen, want hij was bang dat hij dien nacht in bed allerlei

ideeën zou krijgen, die hij mij had moeten mededeelen. Ik twijfelde toch

wel een klein beetje, of ik den weg zou kunnen vinden in den berg

aanteekeningen, die ik had gemaakt, terwijl hij geagiteerd-moeilijk en

toch niet buitengewoon snel tot mij sprak. Maar zoodra ik buiten stond,

voelde ik de Eenheid in hem, en zijn enthousiasme bleef mij bij toen ik

dien avond mij gaan liet door het gistende Den Haag.

De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven · 第 29 / 35 题