JOHAN DE MEESTER

[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne

dochter, Annie de Meester]

(* 6 FEB. 1860)

Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar

in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek,

niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Médoc wordt

geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de

kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's

niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt

begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe

van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een

geroutineerd gastheer, hij geeft onweêrstaanbaar leiding aan het

gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten

over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij

is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zéér

oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,--dan eensklaps

uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het

onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet

aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en

dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken

slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig,

omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in

Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte

omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan

plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een

Hollandsche _Derbheit_, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er

niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt

snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij één gedachte uit laat,

worden de andere ideeën, weer door nieuwe volgsters opgedrongen,

ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo

levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot

stopwoordjes: "Vreeselijk--heel erg--zoo verschrikkelijk," waarop hij

langdurig steunt en drukt, om dán met een zétje over te springen op het

woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een

ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een

gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn

converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel

van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in

enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen

woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken.

Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te

spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen

zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te

zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan

naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar

zelfs dáár moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn

zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch

roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te

dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten--alcohol--

geheelonthouding--en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder

inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met

schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld.

Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die

voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt

u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter

zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was

wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a.

staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn

dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die

jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in

mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen.

Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die

ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote

dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood.

Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in

zijn roeiboot.

In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader

burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in

zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste

zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger

zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel

klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later _mijn_

huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedwéépt met Robinson

Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te

beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden--zoo lekker alleen op dat

prettige eiland.

Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd

rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is _au fond_ mijn

schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat ...

niet dat ik zeg dat ik een dichter ben ... ik heb veel te veel bewondering

voor een dichter.... Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en

dat opschrijven.

Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen.

Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en

nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik

was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs

wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en

maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je

kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar:

De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de

andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen

serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden.

Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel

bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt

tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water.

Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die

kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer--zooals we nu ook weer hebben--ga

je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een

flinke kerel zou worden.

Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv.

heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je

ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin

ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie

hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in

dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een

soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop

op de toekomst.

In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door

het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou

schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef

thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht

schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals

je dat op dien leeftijd doet.

Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en

toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor

me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als

ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en

grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was

minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van _comfort_ en

_social standing_ stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:--ik

leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een

mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij

daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten

rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan

lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik

er niets voor.

Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op

gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook.

Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin

ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, _enfin_ iets

van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes,

maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter--zoo ver was ik toen

al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de

spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en

daar ontmoette ik iemand die aan de _Zutphensche Courant_ was en mij van

zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de

schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en

van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde

die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder

Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar

onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat

een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op

achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,--ofschoon je

niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je

schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij

afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven,

om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan

het werk te gaan.

Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van

De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van

beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan

mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van

véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen

ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en

ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam

hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken.

Hij was een idealistisch en vreeselijk ... innig-gemoedelijk man. Ik

herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een

nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij

over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem

als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden

kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer

lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen

de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik

in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk

gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor

schilderes en zei: Geen huishouden!--Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij

maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het

huishouden. Maar het is anders geloopen.--Ik geloof niet dat ik anders

den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek,

waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben

vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik

steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet

socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven.

Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met

die en dan weer met die--zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel

zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat

een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je

verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts

opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te

verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer

geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever

verkoos te blijven en Holland uit wou.

Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het

Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes

zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor

het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest,

en ik begon me meer en meer te voelen als de _entretenu_ van Boissevain....

Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar ... het had zijn

bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven.

En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend

algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde

aan die opvatting van Parijs--maar ik had ook veel tijd om mij in de

literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen,

waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor

het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst

oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het

vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me

eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er

ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens

kwam te sterven.

Maar in dien tijd zag ik in het "Handelsblad" langzamerhand komen

uitingen over een kunst, die in ons land aan het ontstaan was, en

waarbij namen werden genoemd van goede kennissen van me, o.a. van Van

Deyssel, ook van menschen, die ik slechts uit hun werk kende en voor wie

ik sympathie voelde. Een daarvan was Couperus. En toen bracht het

"Handelsblad" het protest van Den Hertog, den paedagoog, tegen het

fatalisme in de werken van Couperus. Daar kon ik toch niet blijven! En

toen er open kwam een baantje aan de "Nieuwe Rotterdammer" heb ik, voor

een kwart in het besef dat ik het aan het "Handelsblad" niet kon

uithouden, en overigens om met mijn vrouw en het kind dat ons geboren

was naar Holland te gaan--zij kon in Parijs niet aarden--heb ik het

"Handelsblad" verlaten.

En een van de eerste dingen, die mij toen gebeurden, was, dat ik had

geschreven zesentwintig blaadjes copy over en grootendeels tegen "Een

Passie" van Vosmaer de Spie, en toen ik er mede binnen kwam bij mijn

chef, scheurde hij die zesentwintig blaadjes meteen doormidden. Een

tweeden keer was op de beurs een algemeen gelach opgegaan over een

verslag van mij, dat in de krant had gestaan, over Toorop, wiens werk ik

mooi had durven vinden. Dat was toch wel al te gek!--Maar in latere

jaren zijn hier tentoonstellingen gehouden van Toorop, die met grooten

eerbied door het publiek zijn behandeld. Het is een énorme satisfactie

voor mij, te zien hoe de geest ook hier is veranderd, allicht ook een

beetje dank zij de krant.

Maar toen heb ik ook hoe langer hoe meer vrijheid gekregen. Ik ben geen

vent om journalist te wezen. Ik houd van de eenzaamheid buiten. Maar ik

blijf de krant heel dankbaar, dat hij me vrij heeft gelaten. De vroegere

hoofdredacteur, Dr. Zaaijer, heeft mij herhaaldelijk heerlijk verdedigd,

ook tegen aandeelhouders, en daardoor heb ik iets in het publiek kunnen

doen voor de moderne kunst. Dat is een groote satisfactie voor me

geweest. Nadat ik er een poos mee bezig was, is het "Handelsblad" ook

begonnen. Maar toen ik aan de "Rotterdammer" kwam, was er geen sprake

van, dat Boissevain dat zou gedoogen. Ik geloof dat ik de eerste

journalist ben, die voor de nieuwe literatuur en de nieuwe kunst in de

journalistiek iets heeft kunnen doen--afgezien van wat door anderen is

gedaan in het weekblad "De Amsterdammer", hoewel Van Maurik daar toen in

de hoofdredactie zat en de jongeren vaak den voet dwars zette.

Toch heb ik in Rotterdam heel moeilijke jaren gehad en van dat zware

leven heb ik nogal wat uitgesproken in een bundel verhalen: "Het Leed

van den Hartstocht" en ook in "Zeven Vertellingen". Ik woonde toen in

een huis, dat ik ook in "Geertje" beschrijf, en als ik 's nachts van de

krant thuis kwam en nauwelijks was ingeslapen, kwam mijn achterbuurman,

die schipper was, naar huis, en klotste mij met zijn klompen wakker.

Langzamerhand, nu mijn kinderen groot zijn, ben ik gaan berusten in het

leven en ik hoop van berusting tot Levens-Bejahung te komen. Ik hoop dan

nog eens een boek te schrijven, dat zal heeten "Du Sollst"--daar heb ik

al heel lang plannen voor.

Maar mijn boeken van vroeger, en dat is, geloof ik, een zuiver antwoord

op uw vraag--zijn een uiting van het levensinzicht, dat mij deed zeggen:

"God, God, moeten er nu nog kindertjes komen?" en dat mij die heele

procreatie-drang deed voelen als leed.

--Mijn gastheer kuchte droog en nam een grooten slok wijn. Ik dankte hem

voor deze oprechte en uitvoerige beantwoording en vroeg hem nu, wat hem

dan noopte, dit levensinzicht op deze wijze te uiten.

--Ik uitte dat omdat ... ik dacht er niet bij aan anderen, gelijk een

dichter die liefdes-sonnetten maakt denkt aan zijn meisje. Neen, ook

niet in den zin van wraak willen nemen. Maar ieder mensch heeft in zich

de behoefte aan uiting. Je wilt je kracht gebruiken. Door te schrijven

verminder ik mijn leed. U hebt dat ook wel eens in uw werk ondervonden:

Een burger, die verduiveld nijdig is om een besluit van den

gemeenteraad, ontlast zijn toorn door een stuk in de krant te schrijven,

dat mijnheer A of B zoo verduiveld leelijk heeft gesproken.--In het

begin wilde ik eenvoudig exploiteeren mijn begaafdheid als

verteller--maar "De Zonde in het Deftige Dorp" is een boek, waarin ik

uit mijn wrok over het schijn-fatsoen van de Hollandsche aristocratie en

zoo wat. Het is wel degelijk een boek.... Robbers heeft het genoemd "een

boek van haat", en dat is beslist onjuist, maar Coenen heeft het juister

gekenschetst in "De Amsterdammer" toen hij zei: Je moet een heel eind

boven je levenshaat geklommen zijn, om er zoo uit de hoogte op te kunnen

kijken. Dat is de geestelijke groei in mij, dat ik aan dergelijke

gevoelens van haat ontstijg, door de dingen uit de hoogte te bekijken.

Het "Leed van den Hartstocht" beziet de dingen van dichtbij. Dat is een

pijn, die ik vandaag voel, opgeschreven zooals hij is. Maar "Het Deftige

Dorp"--dat is de wêerzin die ik heb, van mijn vijftiende jaar, en die

nog bestaat, tegen de Hollandsche aristocratie--maar dan bewerkt tot

een soort spotlach uit de hoogte. En als u mij nu vraagt: Wat drong je

tot schrijven? dan zeg ik: De behoefte van dien man van het ingezonden

stuk. Er is dus niet geweest bij mij ooit--ik heb vreeselijken eerbied

voor "De Nieuwe Gids", maar in dat opzicht sta ik dichter bij Heijermans

en vooral bij Coenen--louter schoonheidsverlangen. Er was bij mij meer

menschgevoel dan schoonheidsverlangen. Mij is het vooral te doen om

menschelijkheid en levensbegrip, levensgewaarwording. Ik wilde mijn

levensgewaarwordingen opschrijven om ze te kristalliseeren tot een zeker

begrip. En je bent schrijver om dat te doen in de presentie van de

wezens die je je lezers noemt.

--Of ik dan mocht zeggen, dat hij schrijft om zijn lezers in te

lichten?

Maar hij stond driftig op en ging heen en weer loopen in zijn kamer. En

met zijn bewegelijke handen gebaren makend, alsof hij uit de lucht

muggen pakte en die met al zijn vingers tegen zijn palmen dooddrukte,

barstte hij los:

--Neen, neen, o neen! Ik ben heelemaal niet paedagogisch. God neen! Maar

er is iets anders. Ik weet nog dat ik in Parijs eens opgeschreven heb:

Als ieder mensch eens heel oprecht zichzelf neerschreef, dan zou je

daardoor krijgen zuiver levensbegrip. Als alle menschen zich gaven, zoo

zuiver als ik mij heb gegeven--in mijn boeken--dan stel ik mij voor

--dat de menschen er uit konden leeren. Maar als ik schrijf--dan ben

ik niet de onderwijzer--maar de man die het openhartig zegt. Ik hecht

vreeselijk aan oprechtheid en openhartigheid. Toen ik mijn meisje pas

gevraagd had, was net klaar mijn eerste groote boek "Een Huwelijk". Toen

zei ik: "Hier heb je een boek, en daar vind je mij zelf in". Dat heeft

een deplorabelen indruk gemaakt. Ze vond die mijnheer in dat boek iets

verschrikkelijks. Ze vond dat heelemaal geen kunstwerk. Mijn vrouw is

een echte idealiste. Een en al schoonheidsverlangen. En het deed mij

vreeselijk plezier toen het boek is opgekamd door Van Deijssel, in "De

Nieuwe Gids" en "De Amsterdammer". Doch dat maakte alleen indruk op haar

hersens. Voor haar eigen gevoel was dat boek _profondément antipathique_.

--Die mijnheer Frans Koene uit dat boek (de echte Frans Coenen en ik

hebben daar dikwijls om gelachen) daar zit erg veel van me zelf in....

Is er misschien een ijdelheid in, dat je met je indrukken te koop loopt,

zooals een coquette vrouw met haar snoet? Het is moeilijk te zeggen. Ik

weet het niet. Maar aanvankelijk was dat bij mij heelemaal niet het geval.

Toen ik die versjes maakte in Veenendaal, was het niet om te publiceeren,

maar om op papier te zien wat er in me omging. Dat is de oorsprong van

alle schrijven.

En het groote verschil, waardoor ik buiten de "Nieuwe Gids"-beweging sta

en pas aansluiting heb gevonden bij Emants onder de ouderen, en bij

Coenen, dat is juist dat het ons te doen was om menschelijkheid en

levensbegrip--alle talenten-kwestie buiten rekening gelaten--terwijl die

anderen, die vol levensliefde zaten, kwamen met schoonheid. Je zou het

kunnen vergelijken: den een met bidden en den ander met vloeken. Een

levens-verneinend mensch vloekt, een levens-bejahend mensch bidt. Nu is

mijn levensproces dit, dat ik door het geluk dat ik vind in mijn gezin,

ook doordat ik rijper ben geworden, ben gekomen tot een levensberusting

--die echter nooit zegt: Wat is het leven heerlijk. Er is een groote

behoefte aan liefde in mij, en het boek dat ik met zeer besliste opzet

aan mijn vrouw heb opgedragen, dat is "Geertje", dat men een levens-

bejahend boek heeft genoemd,--dat is ook het eerste boek geweest, waarmee

ik succes heb gehad....

--Toen kwam de vraag bij mij op, of hij dan niet aan zijn indrukken iets

toe deed? Maar hij begreep dat niet aanstonds zoo als ik het bedoelde.

--Dat is verschillend, antwoordde hij. In verschillende tijdperken en

verschillende werken is dat verschillend.

_Geertje_ bijv. is van huis uit dit: We hebben eens gehad een dienstmeid

en ik wist wel dat die dienstmeid, voordat ze bij ons kwam, heeft gehad

de narigheid die het fundament is geworden van mijn roman. Op een avond,

toen ik met mijn vrouw wandelde, het was bij het ziekenhuis hier,

vertelde ze me dat en gaf me meer détails en zei: Nu weet je precies

hoe het met haar geloopen is, en ik riep: Godallemachtig, daar zit een

prachtige roman in--zooals ik vanmiddag, toen u me van uw gemeenteraden

vertelde, heb geroepen: Daar zit een prachtig stuk copy in!--Dat mensch

is korten tijd daarna van ons weggegaan, omdat ze teringachtig is

geworden.

Waarom trok me dat nu zoo aan? Omdat ik in oude ontwerpen van verhalen,

die dateeren uit mijn vroegsten tijd, twee had gevonden, waarvan het

eene nooit uitgewerkt is en het andere als het ware is een omgewerkte

Geertje. Een meisje uit den burgerstand, dat een soort van held ziet in

iemand die maatschappelijk boven haar staat, en zich heelemaal voor dien

man weggooit. Dat heldhaftige er in, dat wilde ik weergeven. Ik heb in

een aantal détails, op het slot na, de werkelijkheid trouw gevolgd. En

nu is het bezwaar dat men tegen "Geertje" had dit, dat ze door dat

uitpluizen van haar sensaties te weinig dienstmeid is gebleven. Ik heb

me dan ook later afgevraagd, of ik niet beter had gedaan, haar een

kinderjuffrouw te maken uit een beetje hoogeren kring.... U ziet dus,

dat in dat boek de werkelijkheid de grondslag is. En meestal is dat bij

mij zoo geweest. De schetsen uit "Zeven Vertellingen" en "Het Leed van

den Hartstocht" zijn wel verzonnen, maar toch uit toestanden die ik had

ervaren, of ergens had gelezen. Een schets uit de "Zeven Vertellingen"

is "De Klompjes", een verhaal dat ik in de "Oprechte Haarlemmer Courant"

had gelezen--dat dus wel waar zal zijn!--als gebeurd met kinderen in de

buurt van Berlijn. En toen heeft aan den eenen kant mijn groot medelijden

met de menschen in het algemeen en de kinderen in het bijzonder en aan

den anderen kant mijn drang om over de aantrekkingskracht van den Dood te

schrijven mij doen zeggen: Daar zit een mooi verhaal in. Kijk, het is mij

er met mijn schrijven om te doen, mede te deelen mijn conclusies over wat

ik van het leven heb ervaren. Ik moet dus beginnen met te hebben

levenservaring en nu ga ik die analyseeren, onder het microscoop bekijken.

En nu valt er een heel persoonlijk licht op, dat spreekt van zelf, maar de

grondslag is eenvoudig: De uitwerking van een geval dat ik heb waargenomen

of vernomen. En nu heb ik de menschen zooveel mogelijk andere neuzen of

baarden gegeven en andere jassen aangetrokken, maar ik heb, om tot het

deftige dorp terug te keeren, van uit de hoogte willen behandelen

Nederlandsche fatsoens- en vroomheidsopvattingen (die in onzen

tegenwoordigen tijd weer zoo aardig aan het werk zijn) en ik heb daarvoor

genomen toestanden die hebben bestaan. Ik zoek dus naar dingen die

aansluiten bij mijn persoonlijke gevoelens.

--Zoodat u volstrekt niet behoort bij hen, die ieder stuk werkelijkheid,

onverschillig welk, voldoende vinden om er over te schrijven of om het

te beschrijven?

--O neen, dat kan ik niet, dan komt er niets van terecht. Op het fond

ligt altijd wat ook in den lyrischen dichter zit, mijn persoonlijk

gevoel. De aangedragen dingen kunnen hoogstens dienen ter illustratie

van dat persoonlijk gevoel. Wanneer later van mij dat boek zal zijn

verschenen, waarbij de menschen zullen spreken van optimisme, dan zal

dat wezen omdat ik werkelijk door levenservaring en door de indrukken

die teederheden op mij gemaakt hebben, ben gaan voelen de schatten

helderheid die er zitten in de gezinsliefde, en daardoor meer optimist

geworden ben, of althans een man van levensberusting. Ja--berusting--dat

is eigenlijk het goede woord. "Het Leed" is hier in deze zelfde kamer,

aan deze zelfde tafel geschreven, maar als het morgen een broertje

krijgt, dan zal dat een heel anderen geest hebben. Ik zoek dus mijn

onderwerpen, kleine verhalen en groote werken, zoodanig, dat mijn

levensinzicht er zich in kan uiten.

--Een realist bent u dus in de opvatting van uw onderwerp nooit geweest?

--Neen.

--Maar nu wat de uitwerking betreft?

--Ja, bij de uitwerking wel. Ik tracht om zoo te zeggen verantwoording

af te leggen, tegenover den lezer, van de ervaringen die ik in het leven

heb opgedaan. Dus moet ik het leven zoo zuiver mogelijk mededeelen. En

hoe kan ik dat anders doen dan realistisch? Maar nu is het verschil

tusschen het realisme en mij, dat het realisme de ervaring van zichzelf

weglaat. Wanneer u mij vertelt van uw gemeenteraden, dan kan een zuivere

realist een schets maken van zoo'n raadzaal, maar ik zal geven de

ervaring die ik heb van zoo'n raadzaal.

--Maar U deelt die ervaring, of liever dat inzicht, niet afzonderlijk

mee.

--Natuurlijk niet. Wanneer ik dat deed, zou ik een slecht auteur

zijn--(hier kon ik een beweging van tegenspraak niet weerhouden)--ja,

want dan maak je tendenz-boeken. Maar ik zit zelf heel sterk in

"Geertje"....

Hij stond weer vlak voor mij en maakte met zijn handpalmen die

eigenaardige grijpbewegingen....

--Ik geef sterk in "Geertje" weer--mijn heel persoonlijke illusies--De

Meesters illusies--van vrouwenliefde. Dat is het subjectieve in het

boek. En het is voor mijn gevoel het werk van de critiek, uit te maken

in hoeverre ik, bij dat subjectieve, zuiver heb weten te houden de

teekening van de figuren. Dat laatste is natuurlijk de kunst. Van

Deijssel heeft naar aanleiding van "Geertje" geschreven: De Meester is

in onze generatie de man die hart in zijn werk legt.--Toen mijn vrouw

mij vertelde van die dienstmeid--toen zei ik dadelijk: Dat mensen

voldoet aan de verlangens, die ik als jongen van achttien jaar had van

vrouwenliefde. Nu kwam de werkelijkheid vóor mij te staan en gaf mij

zoo'n ideale figuur te aanschouwen. Ik had maar te copiëeren--maar ik

deed het met de vreugde van iemand die heeft gevonden zijn ideaal.... Ik

kan u dit misschien nog duidelijker maken door u te zeggen, dat mijn

lievelings-auteurs ook menschen waren die als het ware geestelijk

werkten. Vòor mijn vijftiende jaar al Multatuli, en daarna nog veel meer

Rousseau. Dat zijn geen zuivere vertellers en geen zuivere

schoonheidsmenschen. Dat zijn menschen die steeds hun inzicht in het

leven geven. Daarna ben ik komen te lezen pessimistische literatuur, die

aan mijn levensinzicht beantwoordde. Het is altijd geweest: mijn

philosophie ... of neen, ik heb niets van een wetenschappelijk man ...

mijn levensoverpeinzingen een vorm te geven door er vertellingen van te

maken ... dàt is mijn eigenlijk werk.

--En vindt u niet, dat onze literatuur juist den anderen kant uitgaat?

--Neen, ik zou juist zeggen, dat er in den laatsten tijd stroomingen

komen, die veel meer dien kant uit gaan. Scharten heeft naar aanleiding

van "Geertje" o.a. dit geschreven, dat de romanliteratuur in de toekomst

zoo zal zijn, dat er een soort van romantiek gaat door het realisme. Ik

geloof dat de menschen bij ons hoe langer hoe meer, o.a. ook geleerd

door uw vriend Goethe, komen tot het weer terug willen hebben van het

Levensinzicht als basis van alle literaire kunst.

En als ik iets als onbelangrijk voel--als een ding dat me niet

interesseert--dan is 't het realisme, dat aan de loutere beschrijving

zonder meer van een brok werkelijkheid z'n volle kracht geeft. Dat zou

ik nooit kunnen doen.

Vandaar dat mij terecht zoo vaak is verweten dat in mijn boeken de

plastiek schraal was. Die heeft mij altijd weinig geïnteresseerd. Om u

een voorbeeld te geven. Een figuur van wie ik altijd ontzettend veel

gehouden heb is geweest mevrouw Bosboom-Toussaint. Ik heb gedweept met

haar "Huis Lauernesse". Maar nu weet u wel, er zijn in het begin een

zestal pagina's waar het kasteel wordt beschreven. En tot op den

huidigen dag heb ik die niet kunnen lezen, terwijl ik het heele boek wel

twintig maal gelezen heb!... Ik weet geloof ik wat u vragen wilt.

Wanneer u in mijn huis een zeker streven naar schoonheid opmerkt,--o,

niets bijzonders,--maar een zeker pogen om door een beeldje hier en een

kleedje daar wat schoonheid te brengen, dan komt dat, doordat mijn vrouw

die in mijn leven heeft gebracht en heeft doen waardeeren. Mijn ideaal

is het ideaal van Schiller: een kamer met wit gekalkte muren en de meest

eenvoudige schrijftafel. En dat sluit aan bij mijn behoefte aan

eenzaamheid, om van een minimum te leven in den meest grooten eenvoud,

en dan te schrijven.... Dat ik dat niet gedaan heb, zit hem in mijn

groote behoefte, in allerlei opzichten, aan een vrouw. Het geestelijk

element van dat verlangen heb ik trachten te uiten in "Geertje", en het

andere element, het lichamelijk element en het leed daarvan, in de

"Zeven Vertellingen" en "Het Leed van den Hartstocht". Toen ik naar

Parijs zou gaan, had ik nog dat huisje in Voorst, waarvan ik u straks

vertelde, en daarin woonde mijn zuster alleen, en toen dacht ik: Als ik

nu maar hier bleef!--Maar het idee dat je van de boeken zou kunnen leven

was toen zoo veraf liggend, dat bij het beetje geld dat ik dan zou

hebben alle mogelijke ideeën van te kunnen trouwen waren uitgesloten.

Zoo is de intree in de maatschappij voor mij bepaald geweest niets dan

dwang.

Deze uitlating bracht me er toe, hem te vragen naar zijn meening over

het socialisme, niet de politieke richting die zoo heet, maar meer in

het algemeen de geestelijke strooming, die het maatschappelijke, ook in

de kunst, zoo sterk op den voorgrond stelt.

--Het socialisme, antwoordde hij, laat mij vrijwel onverschillig. Ik

vind het heel mooi, maar het lost voor mij de levensvragen niet op. Als

de socialistische maatschappij er is, dan stel ik mij voor, dat die, zoo

niet aan me zelf dan toch aan onze kinderen, zou brengen een vergemak-

kelijking van het leven. Maar--ik behoor ook tot de proletariërs--ik

stel mij voor, dat de levensvragen dan precies even bloot en onopgelost

voor ons zouden liggen....

--Wilt u meteen duidelijk zeggen wat die vragen zijn?

--Die vragen zijn dan het gevoel dat het leven geen doel heeft, geen

reden en geen oorzaak heeft, waar ik "ja" op zeggen kan. En dat ik in

het leven zie voor iedereen veel leed en veel meer wreedheid dan lust.

Zoodat het _fond_ van mijn bestaan is een volstrekt ongeloof, het

tegendeel van godsdienstigheid, en ik alleen door menschenliefde ben

gaan berusten. Maar daarom nog niet zie in het socialisme, hoewel dat

natuurlijk ook op menschenliefde gebaseerd is, een ding, waarmede dat

zelfde leven wordt gemaakt tot een blij iets. Daar zou ik met veel

plezier over doorpraten als u het goedvindt....

--Ik zal u wel waarschuwen als u voor mijn doel te ver gaat.

... Wanneer ik dan lees "Pan" van Gorter, dan voel ik, dat ik het werk

mislukt vind als geheel, maar er _magnifique_ dingen in vind, en een

streven dat mij _sympathique_ is. Ik vind Gorter een erge kraan ... we

spreken hier natuurlijk van mensch tot mensch ... maar op den bodem van

"Pan" ligt een levensblijheid, een levensvreugde ... een geloof in het

leven ... die ik bijna kinderlijk naïef vind. Ik voel me zelf als iemand

die nooit een kind is geweest. Daartegenover voel ik een man als Gorter

als iemand die altijd een kind is gebleven.... Wanneer nu morgen het

socialisme komt, dan zou daarmee o.a. zijn weggenomen de ... godvergeten

... groote ... onnoodige ... wréédheid van de armôe. Maar als het

socialisme morgen kwam, dan zou niet de wereld met al het andere dat nog

zou zijn goed te maken zooveel verder zijn gebracht. U hebt alles

noodig, niet waar? Ik geef u een paar schoenen en dat is heel wat voor u

waard. Maar wanneer uw kind doodelijk ziek lag, wanneer u voor goed

gebrouilleerd was met uw vader en moeder ... wat hebt u dan aan die

schoenen van mij?... _Au fond_, groote god, ga ik met de socialisten

heelemàal mee, maar ik vind niet dat hun strijd gaat tegen de dingen

waar ik tegen strijden zou--als ik streed. Maar ik strijd niet, omdat ik

geloof dat alle strijd daartegen nutteloos is. Het eenige dat ik doe--is

mijn leed er over uiten.

--En dit nu in verband met de kunst? met die heele serie begrippen die

men thuis brengt onder de benaming "gemeenschapskunst"?

--De eenige deugd, die ik aan mijn schrijverij toeken, is de deugd die

Van Oort er in heeft gezien, de oprechtheid. Ik geef me zelf in

volledige oprechtheid. Ik heb niets anders te geven. Iets anders doe ik

niet. De gemeenschapskunst is alleen voor menschen die het leven

liefhebben. Wat zullen we gaan wandelen--als we niet van wandelen

houden? Natuurlijk, als we gaan wandelen, dan spreken we af dat we

meenemen een paar schoenen, een veldflesch en een kaart.... Maar ik zeg

dikwijls: Jesus, vader en moeder, waarom heb je me gemaakt? Ik kan met

de menschen onmogelijk die plannen meemaken voor die wandelreis. Ik

blijf liever thuis.... Het verschil tusschen Kloos en mij is, dat hij de

Onbewustheid lief heeft, en ik er bang voor ben. Op den grond van alles

voel ik de natuur als een zich niet aan ons openbarende, even wreede als

prachtige macht. Ik heb in later jaren twee regels van Leconte de Lisle

leeren kennen, die voor mij een levensleus inhouden:

La nature se rit des souffrances humaines

Ne contemplant jamais que sa propre grandeur.

Aan den eenen kant die schoonheid van de natuur--aan den anderen kant

dat ze daar alles aan opoffert. Kloos is in zijn hart een godsdienstig

man. Ik ben godsdienstig opgevoed, maar mijn levensvrees was altijd te

groot. Ik zei u al, ik kom uit Harderwijk, een stadje van zesduizend

inwoners. Het stadje van de kolonialen, die er een groot _air_ van

triestheid aan gaven, iets vreeselijks.... Aan den eenen kant die wreed

calvinistische visschersbevolking, die niet tevreden was of de dominé

moest elke week van hel en verdoemenis preeken, aan den anderen kant die

exploitatie van de kolonialen, die in het stadje werden gehouden om er

hun geld te verteren. Na mijn vader's dood is mijn moeder daar nog

enkele jaren blijven wonen, in die eenzaamheid. En zij ging er

natuurlijk vreeselijk onder gebukt, dat ze zoo jong weduwe was geworden.

Maar ik dacht: Wanneer de broers het huis uit zijn, dan ga ik met moeder

wonen in Ermelo, omdat ik iets wilde dat nog veel stiller was dan

Harderwijk! En dat was nog vóor mijn negende jaar. Ik kende nooit die

dankbaarheid voor het leven, die vrome menschen moeten voelen.

Misschien voelt zoo'n calvinist wel de toorn van den oud-testamentischen

god, maar een vroom mensen moet god voelen als een liefhebbend vader.

Ik was nooit blij. Ik was geen vroolijk kind. Ik was bang voor alle

menschen. Ik was een lamme jongen op school. De jongens hadden allemaal

de pest aan me. Pas die vriend die ik u straks genoemd heb heeft van

mijn eenzelvigheid gemaakt een eenzelvigheid _à deux_.... En toch,

misschien dreef mij _au fond_ wat een godsdienstig man drijft.... Er

zijn natuurlijk wel godsdienstige socialisten, maar ik meen dat in den

regel iemand zich niet aan het socialisme zal geven als hij met den

godsdienst niet klaar is gekomen. Het socialisme is toch _au fond_ een

maatschàppelijk streven....

--Zit in dat gevoel van u niet een zekere vrees voor wat men noemt de

domme menigte, die u in deze pessimistische zelfbeschouwing zou storen

en u haar inzichten zou willen opdringen?

--Ik heb een verdomde--Hàat--de mij eigen lichtgekwetstheid brengt mee

een zòo gemakkelijk medelijden met andere menschen, dat ik, hoezeer ik

als _artiste_ voel voor figuren als Napoleon, ze _au fond_ godvergeten

--Hàat. In zooverre zijn mijn boeken zuiver democratisch ... willen dat

tenminste zijn. Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Ik zou bijna

zeggen: Het kan mij geen....

--_Bijna_ zeggen, of _helemaal_ zeggen, mijnheer De Meester?

--Het kan mij natuurlijk wel schelen. Omdat ik kinderen heb. Daarin zit

het zwakke punt van mijn heele zijn. Maar ik heb niet zooveel eerbied

voor het leven, dat het geestelijk leven mij veel kan schelen.

Dat kan ik met alle mogelijke kniebuigingen nooit meevoelen met uw

vriend Goethe en ook niet met de talentvolste onder mijn tijdgenooten,

die ik juist wel eens heb gemeden, omdat er zooveel blije geestdrift

was in hun streven naar schoonheid en dergelijke dingen meer. Dat waren

dingen die mij ... pas in de tweede plaats konden schelen.

--Dat komt dus neer op het gebrek aan een levensgeloof, dat voor mij een

van de kenmerken van onzen tijd is.

--Als ik levensgeloof had, dan was ik misschien een partijganger

geworden, natuurlijk lang zoo kranig niet als Jet Holst, maar wel even

fel. Is het nu gebrek aan levensmoed, dat mij niet levensgeloovend

maakt--of is gemis aan levensgeloof de _fond_ van mijn geheele wezen?

Dat weet ik natuurlijk niet. Dat kun je niet zeggen. En in zooverre sta

ik nog veel nader tot de socialisten dan u, die tegenover hen staat.

Want ik sta niet onverschillig maar _blank_ en u heeft een zekere

aversie. Ik voel in dat "Pan" van Gorter: Goddome, als je zoo het leven

bekijkt, dan begrijp ik dat je het leven lief hebt. Maar de natuur is

heelemaal niet zoo te bewonderen als "Pan" dat doet.

--Wanneer ik u zoo hoor spreken, wanneer ik u zie gesticuleeren en druk

door uw kamer zie loopen, dan krijg ik toch de gewaarwording dat in uw

heele optreden flink wat levensmoed steekt.

--Van Deijssel heeft eens tegen mijn vrouw gezegd: Wat je man heeft, dat

is dat hij zijn zenuwen verwerken kan door ze te uiten. Daar is

misschien wel iets van aan. Dat is dat _exubérante_ in me. Dat was er al

voordat ik naar Parijs ging, maar dat is door het leven in Parijs

sterker geworden. Vandaar dat een oude dame eens tegen me zei: Vous ne

serez jamais un Parisien, mais vous avez tout l'air d'un Marseillais.

Ik kan dagen lang gesloten zijn en dan ook eenzaam leven. Je vindt dat

o.a. ook bij _célibataires._ Als die los komen dan zijn ze luidruchtiger

dan andere menschen. Op de krant ben ik de minst gezellige van de

collega's, en ik voel ook wel dat het niet aardig is. Mijn aard is om

naar niemand zijn gezelschap te verlangen. Maar bén ik eenmaal in

gezelschap, dan ben ik de luidruchtigste. Verleden jaar heb ik ter wille

van mijn dochters (anders kom ik nooit in een vergadering) dat congres

van letterkundigen bijgewoond. Van Deijssel heeft toen een toast

gehouden op mijn vrouw en mij, en toen heb ik geantwoord in een erg

uitbundigen toast, waaruit de menschen wel heelemaal niet den indruk

hebben gekregen van een vent die liever in z'n eentje zit in een dorp

als Ermelo. Dit heb ik misschien van mijn geboorte. Mijn moeder was een

zwakke vrouw, getrouwd met haar neef, en ik was een nakomertje, acht

jaar na de anderen geboren. Mijn twee broers zijn flinke kerels. Van mij

werd altijd gezegd dat ik schoolziek was, en toen heeft een meester aan

de school van de Hernhutters eens gezegd: Neen, hij is niet schoolziek,

maar hij heeft gebrek aan physieken moed. Dat heeft mij erg getroffen en

ze moesten me thuis precies uitleggen wat dat was. Zoo iets résonneert

in je ziel, en zoo ontstaat literatuur.

--Dat moet toch ongezonde, ziekelijke literatuur zijn?

--Ja, dat spreekt van zelf. Ik zou bijna zeggen, dat menschen die

dergelijke boeken schrijven gezonde menschen aller-innigst moeten haten.

Gezonde menschen--dat zijn de forsche, sterke, de wreede typen van

levenslust, met alle hardheid die daar inhaerent aan is....

--U zegt inhaerent?

--Met alle hardheid die daar inhaerent aan is. En daar staan licht

gekwetste menschen, die bang voor het leven zijn, natuurlijk fel

tegenover. Waarom leeft een mensch die aan het leven het land heeft,

voort? Omdat het leven sterker is dan jij bent. Als ik daar ooit een

voorbeeld van heb gezien, dan was het wel de autobandiet Dieudonné, de

felle revolutionnair, die een kniebuiging heeft gemaakt voor het Gezag,

met tranen in de oogen, toen hij vernam dat hij mocht blijven leven in

dien vorm, dat hij voor z'n heele leven naar de galeien ging. Dat

prefereert zoo'n stakker boven het momentje van den dood!... Het leven

is de sterkste en dat is voor menschen als ik ben een moeilijk proces,

om daarin te blijven berusten. Het is misschien verdomd egoïst, dat je

de moeite die je dat kost niet voor je zelf houdt, maar er boekjes van

maakt. Maar er staat tegenover dat je het doet in het besef, dat er heel

veel menschen zijn, die hetzelfde voelen als jij. Ik heb altijd een

gevoel dat de literatuur, zooals ik ze maak, is voor een kleine

minderheid. En nu heeft mij erg bevreemd: Ik heb hier voor een kring van

dames, die mij door een vriendelijke dame waren toegestroomd, gelezen

over de _Névrose_ in de nieuwe Fransche letteren. En toen is tot mijn

groote verbazing dit gebeurd, dat, nadat ik die vier lezingen had

gehouden voor negentig dames, er nog zoo velen waren die het ook wilden

hooren, dat ik ze herhaald heb voor een kring van meer den tachtig

dames. Ik beweer heelemaal niet dat ze met sympathie over die _Névrose_

hebben hooren spreken. Maar ze wilden het toch maar weten.

Dat blijft het tegenstrijdige van den levens-verneiner, dat je meeleeft

in en zelfs meedoet aan dat overbodige dat heet--de literatuur!--

Het was diep in den nacht, toen De Meester mij naar mijn hotel

geleidde--over het fel belichte asfalt van Nêerlands eerste koopstad.

Hij sprak in harde, stekelige woorden over het lot van de veile

schepseltjes, die in den prachtigen zomernacht over het asfalt zwierven.

En juist toen voelde ik dat ons gesprek mij hem nader had gebracht.

De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven · 第 6 / 35 题