"Wat zit jij zoo ijverig te schrijven, Wim?"
"Och, niks!"--en Wim legde gauw zijn arm over 't papier, terwijl hij
Nette met een donkeren blik aankeek.
"Hij maakt een verlanglijst voor zijn jaardag," vertelde Otto,
die aan den anderen kant van de tafel zijn Fransche woordjes in de
dictionnaire opzocht.
"Daar hoef je toch niet zoo geheimzinnig mee te doen! Laat 's kijken,
Wim! Toe, wees niet zoo flauw! Hoe kan ik je nou wat geven, als ik
niet eens mag zien wat er op staat?"
Wim schoof voorzichtig een vloeitje over 't begin van zijn lijst en
terwijl hij dit stevig vasthield, leunde hij wat achterover om Nette
een kijkje op de rest te geven.
"Een zakmes, een doosje potlooden, een geschiedenisboek, een stempel,"
las Nette halfluid.
"En een slee, een mooie ijzeren, zooals Vic Rijen er een heeft,"
viel Otto in, terwijl hij gauw onder de tafel dook om de prop papier,
die Wim hem naar 't hoofd gooide, te ontwijken.
"Dat is gemeen! Hoe kom je daaraan? Hoe weet je dat?" voer Wim vuurrood
van drift uit, terwijl Nette van de gelegenheid gebruik maakte om het
vloeitje weg te trekken. Ja hoor, daar stond het met groote letters
boven aan de verlanglijst: "een ijzeren slee zooals Vic heeft."
"Dat 's gemeen," bromde Wim nog eens. Otto kwam weer boven water en
gooide een handvol snippers uit de prullenmand op de tafel.
"Och, mannetje, heb toch niet zoo'n praats! Je hebt zeker wel een
half dozijn verlanglijsten op klad gemaakt en op iedere lijst stond
't met letters als koeien; als 't zoo'n geheim was, hadt je maar wat
beter op de snippers moeten passen. Hier heb je ze! Kan ik 't helpen,
dat ik 't zoo heb gelezen?"
"Nou ja," mompelde Wim nog, maar verder hield hij zich stil. Hij
wou maar liever niet verder over de slee praten; hij schaamde
zich eigenlijk voor de anderen, dat hij met zoo'n grooten wensch
voor den dag kwam. Gewoonlijk kregen ze op hun jaardagen van Ma
een boek en verder een paar kleinigheden.--Maar een slee--dat was
zoo iets groots,--Wim had 't bijna niet durven opschrijven--en
toch, en tòch--hij wilde er zoo dolgraag een hebben. De tijd voor
sleden op den Bergweg kwam nu weer aan. Heerlijk, zoo met een
lange rist achter elkaar van boven af te komen, en als de baan
goed was en er niets in den weg kwam, hadt je zoo'n vaart, dat je
heelemaal tot aan het Corversbosch, daar waar de weg ombuigt naar de
Schuttershei, doorgleedt.--Heerlijk! Wim vond 't nog prettiger dan
schaatsenrijden!--Maar dit jaar zou hij niet kunnen meedoen, behalve
misschien den enkelen keer, dat Otto hem zijn prikker wilde leenen,
want de zijne had 't verleden winter afgelegd, er was geen herstellen
meer aan. Wim was er ál te woest mee omgegaan; daarvan had hij nu spijt
genoeg, maar dat was een schrale troost en 't hielp hem niet aan een
nieuwe slee!--Zijn eenige hoop was nu op zijn jaardag gevestigd. Zou Ma
misschien?? In elk geval kon hij 't probeeren, en zoo kwam het, dat op
Wims verlanglijst met groote letters bovenaan stond: een ijzeren slee.
"Zou je er een krijgen van Ma?" vroeg Nette nieuwsgierig aan Wim,
die de lijst in zijn zak had gestoken en nu met de handen onder
't hoofd zoogenaamd in zijn aardrijkskundeboek verdiept zat.
Wim haalde zijn schouders op.
"Och."
"Och, wel nee," zei Otto; "dat kan je begrijpen, zoo'n ijzeren slee
is veel te duur. Ik snap niet hoe Wim 't durft vragen--als 't nu nog
een prikker was...."
"Als ik geen slee krijg, wil ik geen prikker ook," mompelde Wim zonder
op te zien. Hij werd boos, omdat Nette en Otto er maar niet over wilden
uitscheiden, en daarom zei hij meer dan hij eigenlijk wel meende.
"Bijna alle jongens hebben een ijzeren slee. Zoo'n lompe prikker! Ze
zouden er je nog om uitlachen!"
"Nou, dan leen ik jou van den winter den mijne ook niet! Dan wordt
je tenminste niet uitgelachen!--'t Kan mij niet schelen! Ik sleed
liever lekker, al lachen ze dan ook eens, dan dat ik er enkel maar
naar kijken mag. Dat zeg ik je!"
In zijn hart was Wim het met Otto eens, maar hij was in een booze bui
en hield nu maar vol, dat niet sleden verre te verkiezen was boven
sleden met een prikker--en beide jongens raakten zoo in vuur, dat
't weinig scheelde of het was op een kibbelpartij uitgeloopen.
Zoo gauw Wim Ma een oogenblikje alleen vond, gaf hij zijn lijst
en stond toen met kloppend hart te wachten, totdat Ma haar had
ingezien. Hij verfrommelde den kwast van den grooten stoel tusschen
zijn vingers en had hem er bijna afgepeuterd, toen Ma met lezen
klaar was.
"Wim, jongen, Ma is bang, dat je dat bovenste zult moeten
schrappen. Dat is wel een erg groote wensch, vindt je niet?--Je weet
wel, dat Ma zulke groote cadeaux niet kan geven!"
Wim knikte. Dat had hij wel gevreesd. Eén poging waagde hij nog:
"Maar in plaats van 't boek, Ma?"
"Ma vindt 't erg naar je te moeten teleurstellen, beste jongen,
maar heusch, het gaat niet. Het is toch beter, dat je er nu dadelijk
je zinnen maar afzet, dan dat je je vleit met een hoop, die ik toch
niet kan verwezenlijken. We moeten heel zuinig wezen, Wim, dat weet
je wel; en er is zooveel noodig voor jullie leeren en voor allerlei
andere noodzakelijke dingen!"
Wim liet 't hoofd hangen.--Ma gaf hem een kus en vervolgde op
opgewekten toon:
"Kom Wim, Otto zal je van den winter bepaald zijn prikker wel eens
leenen, en wie weet, als je nu eens flink je best doet op school
en thuis wat minder wild bent, of je dan 't volgend jaar niet zelf
weer een prikker kunt hebben. Maar dan er voorzichtiger mee omgaan,
hoor!" en Ma dreigde hem lachend met den vinger.
Wim gaf een flauw lachje terug. 't Volgend jaar een prikker--och,
en hij wou nù een ijzeren slee!
Verdrietig sloop Wim weg.
Tot overmaat van ramp begon het te sneeuwen; eerst kwamen er slechts
enkele vlokjes, maar tegen den avond werden ze grooter en volgden
elkaar sneller op, en toen de jongens voor het naar bed gaan nog eens
uitkeken, lag er al een aardig laagje in den tuin.
"Dat gaat goed," zei Otto tevreden, want hij dacht aan zijn prikker,
dien hij vanmiddag van den zolder had gehaald. Wim antwoordde er niets
op; hij dacht aan de ijzeren slee, waarvan hij nu zijn zinnen moest
afzetten, en aan Otto's prikker, dien hij nu niet kon leenen. Dit
maakte hem knorrig en den volgenden morgen, toen alles in 't rond
dik onder de sneeuw lag, had hij eerst recht een bokkepruik op. Nu
zouden de anderen natuurlijk gaan sleden om twaalf uur en om vier
uur en hij zou mogen toekijken!
Ze zaten maar met hun vieren aan 't ontbijt: Ma, de groote zussen,
Truus en Cato, en Wim, want Nette en Otto waren al weg; die hadden
gauw voortgemaakt om naar den Bergweg te komen.
Wim haastte zich niet. Waarom zou hij ook? Stilletjes at hij zijn
boterhammen en zijn gezicht stond o zoo donker.
Op een wenk van Ma lieten de zussen, die anders wel eens bazig konden
zijn, hem vanochtend met rust, en Ma deed zelf ook net alsof ze niets
van zijn booze bui merkte.
"Wim, jongen," zei ze, zoo opgewekt mogelijk, "Otto en Net zijn zoo
gauw weggeloopen, wil jij nu straks nog even een boodschap voor me
doen? Enkel maar een briefje bij Nicht Saar brengen!"
"Bij Nicht Saar!" herhaalde Wim langzaam. "Moet ik er naar binnen?" en
zijn gezicht werd nog langer, want Nicht Saar, die pas in 't dorp op
kamers was komen wonen, was geen bizondere vriendin van de jongens. Zij
was een ietwat zonderlinge oude dame, die volstrekt geen kinderdrukte
gewend was en nogal gauw met haar op- en aanmerkingen klaar was,
wanneer ze eens een enkelen keer kwam. Wim had een streepje bij haar
voor, omdat hij de naamgenoot van haar overleden man was, maar toch
kreeg hij even goed, zoo niet meer zijn deel van Nichts aanmerkingen,
want 't scheen dat Nicht 't zich in het hoofd had gezet, dat Wim,
omdat hij Willem heette, nu ook een volmaakte jongen moest wezen,
en--dat was niet het geval!
"Neen," zei Ma, "je hoeft het alleen maar aan de deur af te geven. Denk
er aan, 't niet in de bus te stoppen! Ik ben er niet heel zeker van
of Nicht wel thuis is, en mocht dit niet zoo zijn, dan moet je haar
adres aan de juffrouw vragen."
"Ja Ma," zei Wim landerig, terwijl hij zijn laatste reepje boterham
in den mond stak.
"Je mag wel wat voortmaken," maande Truus aan, "anders kom je nog
te laat."
Wim stond op, stopte 't briefje in zijn blouse en verdween met een
halfluid: "Dag Ma, Truus, To," in het aangrenzend kabinetje, waar de
jongens 's avonds hun schoolwerk maakten. Dood op zijn gemak begon
Wim zijn boeken in 't zeiltje te pakken; haast had hij niet. Hij zag
er tegenop door de sneeuw te moeten loopen en uit de verte het gejoel
en gejuich der vroolijke bende op den Bergweg te moeten aanhooren,
hij zonder slee!
Het riempje zat vastgesjord en Wim was op 't punt weg te gaan, toen
Cato iets zei, dat zijn aandacht trok.
"Bedoelt u zoo'n mooie ijzeren slee met omgekrulde ijzers?" vroeg ze
tamelijk luid.
"Sst," zei Ma.
"O, maar Wim is al weg," zei Truus nu.
Wim stond als een standbeeld met zijn boeken onder den arm en toen
deed hij iets, dat hij op elk ander oogenblik schandelijk zou hebben
gevonden: hij kwam voorzichtig een paar stapjes nader en legde zijn
oor tegen den kier van de deur.
"De jongen heeft er zijn hart zoo op gezet," hoorde hij Ma nog
zeggen. Toen begonnen zij binnen over andere dingen te praten en Wim
sloop, wel wat beschaamd over zijn luisteren, behoedzaam weg.
Onderweg moest hij gedurig denken aan wat hij had gehoord en hij was
er zoo mee vervuld, dat hij 't briefje aan Nicht Saar glad vergat. Zou
Ma tòch nog...? Of misschien Ma en de meisjes samen? Zijn hoop leefde
weer op--ja, nog voordat hij bij zijn school was, had hij al de vaste
overtuiging, dat zijn groote wensch toch nog vervuld zou worden. Weg
boos humeur, weg bokkepruik--geen vroolijker jongen nu dan Wim! Om
twaalf uur liep hij zelfs mee met de anderen naar den Bergweg, en
met een zeker medelijden keek hij naar broer Otto en zijn prikker,
die hoogst vergenoegd naar beneden sulden.
Daar hadt je Vic met de mooie slee! Wacht maar, vriendje, kijk maar
niet pedant--'t zal te bezien staan of jouw slee de mooiste blijft
van de heele baan!
Met een omweg ging Wim naar huis; in de Kerkstraat bij den smid
stonden zulke mooie sleden; die moest hij nog even zien. En terwijl
hij zich daar stond te verlustigen en al vast in gedachte een keus
deed, schoot hem plotseling de boodschap aan Nicht te binnen.
Nicht woonde in de Langestraat--als hij hard liep, kon 't nog net.
Als een pijl uit den boog vloog Wim door de Korenstraat en de kleine
zij straatjes van de Heerenstraat, kwam buiten adem aan 't huis,
waar Nicht Saar en pension was, trok aan de bel alsof er brand was,
en stopte 't briefje gauw in de bus.
Pas toen hij thuis was en in de gang zijn cape afdeed, herinnerde hij
zich, dat Ma nog zóó had gezegd 't briefje niet in de bus te stoppen,
maar af te geven. Och kom, zou dat er nu zooveel toe doen? Zoo'n
dringende boodschap zou 't toch wel niet zijn en mogelijk was
Nicht niet eens uit. Wim besloot er maar niets van te zeggen en
antwoordde volmondig "ja", toen Ma hem aan de koffietafel vroeg,
of hij zijn boodschap goed had gedaan. Verder praatte hij vroolijk
mee met de anderen, en toen Otto en Nette over zijn jaardag begonnen
en hem plaagden wat hij wel zou krijgen, ja, en òf hij wel wat zou
krijgen, lachte Wim fijntjes en dacht: "Praat maar toe, ik weet
wat ik weet." Als hij aan zijn jaardag dacht, zag hij alleen maar
de slee; alle andere wenschen vielen daarbij weg; hoe dichter 't
aan den gewichtigen dag toe kwam, des te mooier en sierlijker werd
de slee en op den jaardag zelf was 't al een pronkjuweel geworden,
waarbij die van Vic maar een prul leek.
Wim was vroeg op en haastte zich naar beneden om zijn schat nu in
werkelijkheid te kunnen zien. Maar hoe vroeg hij ook kwam, Ma was
nog eerder geweest en kwam nog juist bijtijds om hem te beletten,
de huiskamer binnen te gaan.
"Even nog wachten, vent," zei Ma, nadat ze hem hartelijk gepakt en
gefeliciteerd had; "ik ben nog niet heelemaal klaar," en Ma verdween
weer in de kamer.
Toen kwamen de groote zussen, geheimzinnig een pakje wegmoffelend
onder haar schort--toen Otto, die hem in 't voorbijgaan zijn cadeau
vast gaf: een zakmes, waarvoor Wim werktuigelijk bedankte--en 't
laatst van allen Nette.
Nu deed Ma de deur op een kier en vroeg, of de jarige maar wilde komen.
Wims hart bonsde, toen hij over den drempel stapte.
"Lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de
gloria, in de gloria, in de glo-ri-a-aa!" klonk 't hem tegemoet.
Wat ongeduldig weerde hij de zussen af--dat gezoen was 't vervelendste
op een verjaardag! Nu voerden ze hem in triomf naar 't tafeltje
voor 't raam, waar Ma de presentjes had neergelegd op gekleurd
vloeipapier, zóó dat ze 't meest voldeden. Een boek in prachtband,
een stempel, potlooden, twee mesjes voor slöjdwerk, een passer
en een stuk chocola;--en dan nog 't zakmes van Otto, dat Wim er
nu bij legde. Wim bekeek zijn presenten en bedankte, maar hij was
niet zoo blij, als Ma wel gehoopt had. Telkens dwaalde zijn blik van
't tafeltje door de kamer. De slee--waar was de slee? Wim durfde er
niet naar vragen. Eindelijk troostte hij zich met de gedachte, dat
de slee zeker niet op tijd bezorgd was. Ja, dat zou 't wezen. Toen
werd hij wat opgewekter.
Om twaalf uur was zijn eerste vraag aan Jansje, die hem opendeed:
"Is er niets voor mij gekomen?"
En toen 't antwoord "Neen" luidde, nam Wim 't haar bepaald kwalijk,
en zij kon 't toch allerminst helpen.
Den heelen middag, 't was Woensdag, bleef Wim thuis. De anderen gingen
een fermen loop doen, maar hij was er niet toe te bewegen, mee te gaan.
Of hij zich dan niet wel voelde?
Och, jawel--en Wim zat lusteloos in den grooten stoel voor 't raam
wat te bladeren in zijn nieuwe boek, een stukje op te knabbelen van
zijn chocola en eigenlijk.... te wachten op zijn slee, die.... niet
verscheen.
"Als de jongens vanavond komen, zal hij wel wat opfleuren," dacht Ma,
die stilletjes om Wim te verrassen een paar vrindjes had gevraagd. "Zou
't om de slee wezen? Maar ik heb 't hem immers vooruit gezegd, dat
hij zich dien wensch maar uit het hoofd moest zetten."
Ma begreep er 't rechte niet van--ze wist ook niets van Wims
luistervink spelen. En dan was er nog iets, waarvan Ma 't rechte niet
begreep en dat hing samen met de boodschap, die Wim niet zóó gedaan
had, als hem was opgedragen.
Wim keek dien middag telkens uit en Ma ook, en beiden verwonderden
ze er zich over, dat hetgeen, waarop ieder voor zich wachtte, maar
niet verscheen. 't Was een saaie middag.
"Vreemd dat Nicht er heel niet geweest is," zei Cato aan tafel.
"Zou ze dan weten, dat Wim jarig is?" vroeg Nette verbaasd.
"Ja zeker, ze heeft me laatst zelf den datum gevraagd en ik heb gezien,
dat ze hem opgeschreven heeft."
"Den mijnen ook?" vroeg Otto.
"Welnee, alleen dien van Wim."
"Natuurlijk, Wim heeft een streepje voor!"
"Daar heb ik ook wat aan," bromde Wim, die, hoewel hij anders niet
op Nicht Saar gesteld was, 't nu toch wel aardig zou hebben gevonden,
als Nicht gekomen was--met een pakje--nu ja, dat hoorde er natuurlijk
bij. 't Zou tenminste zoo'n klein beetje een vergoeding zijn geweest
voor die teleurstelling over de slee.
"Zou Nicht 't kwalijk hebben genomen, u weet wel?" vroeg Truus met
een wenk aan Ma.
"'t Kan bijna niet, daar 't alleen een antwoord was op haar vraag--maar
toch, je kunt 't nooit weten, Nicht is wat zonderling. Als ik niet
zeker wist, dat Wim er 't briefje zelf had afgegeven, zou ik denken,
dat 't misschien niet tot haar is gekomen."
Wim schrikte op uit zijn gesoes. Wat zei Ma? Nog over 't briefje? Wat
was er met dat briefje? Zou hij het nu nog zeggen? Nee--'t was al
zoo lang geleden. Misschien bedoelden ze dat niet eens. Hij had
't ook maar half gehoord.
Om zeven uur een harde ruk aan de bel.
"Een verrassing voor jou!" riep Truus uit.
Wim spitste zijn ooren, keek Ma aan. Ma knikte. "Ik hoop tenminste,
dat je 't prettig zult vinden, jongen. Je bent vandaag niet zoo
gauw voldaan."
Wim kreeg een kleur. Ja, Ma had gelijk: hij was schandelijk ondankbaar
geweest. Och, maar als nu de slee nog kwam, dan was 't gauw vergeten,
dan kwam alles nog goed en zou hij zoo vroolijk zijn, als Ma 't zich
maar wenschen kon.
Gepraat in de gang--stappen naar de deur, die Otto met een zwaai
opendeed--daar keken vier vroolijke gezichten naar binnen: Bram,
Nico, Piet en Vic.
Leuk van Ma ze stil te vragen,--maar, waar was--de slee? Wim wierp
achter de jongens om een blik in de gang. Niets te zien; de voordeur
was weer dicht. Zijn gezicht betrok weer. Zou die slee dan nooit
komen? En hij had toch zelf gehoord, dat Ma er met de meisjes over
sprak!
Wim was maar half met zijn hart bij de spelletjes, die ze nu allen
met elkaar deden. Hij praatte en lachte wel mee, maar eigenlijk ging
het alles buiten hem om.
Tegen negen uur werd er weer gebeld.
"Nog een verrassing!" riep Nette uit.
"Nee, nee," zei Ma gauw, met een medelijdenden blik naar Wim;
"'k zou niet weten wat er nu nog moest komen!"
't Was niet eens noodig geweest, dat Ma dit zoo zei: Wim had nu toch
alle hoop laten varen. Bijna negen uur. Nee, als de slee had moeten
komen, was hij er nu al geweest!