Een maand was verloopen, en Raffles en Charly hadden in dien tijd al
weder menig avontuur beleefd.
Zij waren in dien tijd in het geheel driemaal naar Mysteria geweest,
telkens met de vliegmachine en nu in gezelschap van Henderson, teneinde
zich te overtuigen dat alles in orde was.
Eenmaal hadden zij de kans gezien met Jerry te praten, die alleen in de
hut was, terwijl zijn meester ver weg aan het jagen was en deze had hun
met tranen van dankbaarheid in de oogen medegedeeld, dat Macmillan op
den weg naar een volkomen beterschap was, krachtiger, gezonder en
levenslustiger was geworden.
Hij was zeer ziek geweest, bijna een week lang, maar Jerry had hem
opgepast, hem de middelen toegediend welke Raffles bij hem had
achtergelaten en aan hem was de overwinning gebleven.
Sinds dien was Macmillan voortdurend vooruitgegaan, en hij had zelfs
reeds verzekerd, zich sterk genoeg te gevoelen, om nu reeds naar Londen
terug te keeren.
Maar Raffles wilde het zekere voor het onzekere nemen en de drie
reizigers waren gegaan, zooals zij gekomen waren.
Maar in Londen hadden de zaken een onverwachten keer gekregen.
Rose en Ellen hadden zich op dringend verzoek van Raffles volstrekt
niet uitgelaten over de zonderlinge reis, welke zij in gezelschap van
hun vader hadden gemaakt—en het natuurlijk gevolg was geweest, dat de
bladen veertien dagen na het vertrek van Jeffries Macmillan volstonden
met berichten over „De zonderlinge verdwijning van een schatrijken
stadgenoot.”
Er waren reeds vele reporters in het groote huis aan de Portland-Place
geweest en aan hen allen hadden de twee meisjes medegedeeld, dat hun
vader een verre reis maakte, hoewel zij niet wisten waarheen en dat zij
zich daarom volstrekt niet ongerust maakten.
Maar er was een man, die zich wel ongerust wilde maken, omdat nu
eenmaal zoo in zijn kraam te pas kwam en die man was George Spider.
Hij was advocaat geweest en hij kende de wet op een prik.
Hij wist, dat als de verdwijning een maand geduurd had, het fortuin van
den verdwenene van rechtswege beheerd zou moeten worden, ten bate van
de beide dochters van Macmillan en hij wist ook, dat zeer
waarschijnlijk, ja zeker, de rechtbank hem tot toeziend voogd en tot
curator zou aanstellen.
Er was dan ook geen dag verloopen, na afloop van den termijn, of Spider
meldde zich bij zijn nichtjes aan.
Hij werd in de groote ontvangkamer gelaten en begon daar voorzichtig,
met lijzige stem en zoetsappige manieren, zijn voornemens uiteen te
zetten, om als voogd van de twee meisjes op te treden.
Deze hadden zwijgend toegeluisterd en op haar gelaat was duidelijk de
afkeer te lezen, welken zij instinctmatig voor dien man met zijn bleek
gelaat en zijn saterkop gevoelden.
Toen Spider zweeg, zeide Rose eenvoudig:
„Wij danken u voor uw aanbod, oom George, maar wij zullen er geen
gebruik van maken. Wij wenschen iemand anders tot voogd.”
Een leelijke glimlach plooide de dunne lippen van Spider.
„Ik geloof, dat ik zijn naam wel kan raden. Het is zeker de oude gek
van een Hatchock, die hier tegenwoordig zoo vaak aan huis komt?”
„Daaromtrent behoef ik u niets mede te deelen,” hernam Rose koeltjes.
„Nu, gij kunt het probeeren, maar ik denk, dat gij aan het kortste eind
zult trekken, nichtje, de Rechtbank kiest altijd in de eerste plaats
den naasten bloedverwant. Denk er nog maar eens over na—gij zult wel
tot andere gedachten komen. Het geld van uw vader kan niet langer
onbeheerd blijven, zijn zaken loopen in de war!”
Rose haalde de schouders op en gaf geen antwoord.
En George Spider greep zijn hoed en verdween.
Hij zelf wist eigenlijk niet goed, wat hij van de verdwijning van
Macmillan moest denken.
Hij vermoedde echter, dat zijn neef in een aanval van wanhoop een eind
aan zijn leven had gemaakt door in de Theems te springen.
Maar daarvan was hij in het geheel niet zeker. Want Jerry was immers
ook verdwenen!
Het was zeer wel mogelijk, dat zijn neef inderdaad op reis was gegaan,
waarom zouden zijn nichtjes er ook om liegen?
Maar hoe dan ook, hij begreep, dat het van het grootste belang was,
zich nu aanstonds een warm plaatsje te verzekeren in het huis van zijn
neef, dicht bij zijn brandkast, want die oude bemoeial van een Hatchock
zou wel eens roet in het eten kunnen gooien.
George Spider wist, dat hij een hoog spel speelde—hij stond aan den
rand van den afgrond, met zijn geldmiddelen was het ellendig gesteld en
hij moest dezen slag winnen, anders was zijn bestaan ten gronde
gericht.
Hij begaf zich dan ook dienzelfden dag naar den President van de
Rechtbank welke over dergelijke zaken te beslissen had en vernam van
dezen magistraat, dat Rose inderdaad reeds tot hem het verzoek had
gericht, Jerome Hatchock tot toeziend voogd en curator te benoemen.
Spider schrok niet weinig, want hij begreep dat hij juist bijtijds was
gekomen.
Hij zette den Rechter de familieomstandigheden uiteen en toen deze
vernam, dat Spider de eenige naaste bloedverwant was, een eigen oom van
den verdwenene, toen mocht hij niet aarzelen, maar benoemde nog
dienzelfden dag den schurk tot curator en voogd.
En den volgenden morgen nam Spider zijn intrek in het huis van zijn
neef, liet diens secretaris zijn aanstelling zien, deed zich de
sleutels overhandigen, kortom hij installeerde zich als heer des
huizes.
Met angst en woede in het hart hadden de beide meisjes dit aangezien,
maar zij begrepen wel, dat zij tegen een besluit van de Rechtbank toch
niet zouden kunnen opkomen.
Maar zij deden iets beters—zij stelden dadelijk hun trouwen beschermer
op de hoogte en van dat oogenblik af werden zij nauwkeuriger bewaakt,
dan dat het door Scotland Yard had kunnen geschieden.
En Spider werd, zonder dat hij er het flauwste vermoeden van had,
nauwkeurig in het oog gehouden.
Al zijn gangen buitenshuis werden nagegaan en zijn transacties aan de
beurs waren Raffles evengoed bekend als zijn eigen ondernemingen.
Maar Spider scheen wel te begrijpen, dat er voorloopig niet aan te
denken viel, iets met het geld uit te richten, dat hem niet toekwam,
want men zou hem in den aanvang wel goed op de vingers zien.
Maar de ellendeling begon zich te gewennen aan de weelde, die hem
omringde, en het denkbeeld, dat hij het geld misschien ooit weder zou
moeten afstaan, was hem onverdragelijk.
Er waren nu nog twee weken voorbijgegaan en nog altijd was Macmillan
niet teruggekeerd, evenmin als de oude Jerry.
Hun lijken waren ook niet gevonden en toen maakte zich een schrikbeeld
meester van Spider, het schrikbeeld van een onverwachten terugkeer!
Misschien waren zij toch wel degelijk op reis, al had niemand daar iets
van geweten—en dan zouden zij wel eens terug kunnen keeren—hij zou zijn
gemakkelijken stoel in het weelderige werkvertrek weder moeten
prijsgeven, hij zou geen dure sigaren meer kunnen rooken, niet meer in
de prachtige auto van zijn neef kunnen rijden, in het kort, zijn rijk
zou uit zijn!
Maar nooit—nooit zou hij daarin toestemmen!
En zijn hersens peinsden over middelen, om dit te voorkomen.
Hij besefte vaag, dat er iets gebeurd moest zijn, dat zijn belangen
wederstreefde—dat Macmillan zich had weten te ontworstelen aan de greep
van de opium en als dat werkelijk het geval was, als hij weder een
normaal, krachtig mensch zou worden, dan zou hij, Spider, natuurlijk
verloren zijn!
Rusteloos dacht hij na—en tenslotte meende hij het te hebben gevonden.
Hij verbaasde er zich zelf over, dat dit denkbeeld niet eerder bij hem
had postgevat.
Rose was een week of drie geleden jarig geweest, zij was nu negentien
jaar—hij zou haar ten huwelijk vragen en alles was geregeld.
In geval Macmillan inderdaad terugkeerde zou hij hem als zijn
schoonzoon moeten aanvaarden en het geld zou voor hem niet verloren
zijn.
Spider was er de man niet naar om te treuzelen met de uitvoering van
een plan, hetwelk hij zich eenmaal in het hoofd had gehaald.
Van dien dag aan begon hij Rose met attenties overladen.
Nu eens bracht hij een fraaien ruiker voor haar mede, dan eens noodigde
hij haar uit, om hem naar den schouwburg te vergezellen, wat het jonge
meisje echter nooit anders deed dan in gezelschap van haar zuster, dan
weder nam hij haar mede op een autotochtje en eenmaal had hij haar
zelfs een fraaien armband ten geschenke gegeven.
Aanvankelijk begreep Rose niet goed, wat deze plotselinge verandering
in het tamelijk onvriendelijke gedrag van haar oom eigenlijk moest
beteekenen, maar het duurde niet lang, of zij doorgrondde de waarheid,
en toen deinsde zij daarvoor terug alsof zij op een adder getrapt had.
De dagen verliepen en steeds duidelijker trad het voornemen van Spider
aan het licht.
Rose had van dit alles echter niets durven mededeelen aan haar ouden
trouwen vriend Hatchock, want dat verbood haar vrouwelijke schroom.
Ja, als zij nog maar een moeder had gehad, dan zou zij aan haar wel
haar hart hebben uitgestort. Maar nu moest zij dit alles in haar
binnenste bewaren en slechts hopen op de spoedige terugkomst van haar
vader.
Het was nu juist twee maanden geleden sedert de vliegmachine met
Macmillan naar Mysteria vertrokken was en omstreeks vier uur in den
middag toen Spider zonder kloppen het vertrek binnenkwam, waar Rose
zich ophield, bezig met een handwerkje.
Het jonge meisje dacht aan haar vader en zij telde de uren, die hen nog
van zijn terugkomst zouden scheiden.
Het drukte haar zwaar, dat zij over zijn verblijfplaats moest zwijgen,
maar over een paar dagen, morgen misschien reeds, zou alles goed zijn.
Zij keek verschrikt op, toen Spider binnentrad, bleeker nog dan anders
en voor de deur bleef staan.
„Wat is er oom?” vroeg zij terwijl zij toornig de wenkbrauwen fronste.
„Sedert wanneer treedt men onaangediend mijn vertrek binnen?”
„Kom, kom, meisje, niet dat booze gezicht. Dat staat je niet. Ik ben
toch je oom, ik mag mij wel eenige vrijheden veroorloven—en je weet nu
toch wel, welke gevoelens mij tegenover je bezielen!”
„Ja, dat weet ik maar al te goed!” riep Rose schamper uit. „Ik zou wel
blind moeten zijn, als ik het niet gemerkt had.”
„Welnu, dan kunnen wij wel recht op het doel afgaan. Je weet, dat ik je
lief heb, Rose en ik kom nu je antwoord halen op mijn onuitgesproken
verzoek, wil je mijn vrouw worden?”
„Neen oom,” antwoordde Rose kortaf en zij boog zich weder over haar
werk.
„Neen?” herhaalde Spider langzaam, terwijl hij een stap achteruit deed
en de armen over de borst kruiste.
Er was een leelijke boosaardige glimlach op zijn gelaat verschenen.
„Neen?” herhaalde hij nog eens. „Kom, kom, dat antwoord kan toch niet
beslissend zijn.”
„Het is beslissend, oom,” antwoordde Rose vastberaden. „Praat hier
nooit meer over en laat mij nu alleen, wat ik u verzoeken mag!”
„Je alleen laten, mijn hartje? dat kun je niet meenen. Ik heb je lief
en ik laat mij niet zoo afschepen. Ik zeg je—je zult mijn vrouw
worden!”
Rose sprong toornig op, wierp haar borduurwerk weg en wees met een
gebiedend gebaar naar de deur.
„Verlaat nu onmiddellijk dit vertrek, mijnheer—uw aanwezigheid walgt
mij!”
„O, dat zal wel veranderen,” hernam Spider op sarrenden toon, terwijl
hij een stap naderbij kwam.
„Ga heen—of ik schel de bedienden!”
„Daarbij zoudt gij toch eerst bij het schellekoord moeten kunnen
komen!” hernam Spider.
„En zoudt gij mij dat beletten?”
„Wel zeker, ik zou geen oogenblik aarzelen. Trouwens, alle bedienden
zijn uit—ik heb hen met opzet weggezonden. En ook je zuster is er
niet!”
Rose verbleekte en stamelde:
„Wat heeft dat te beteekenen?”
„Dat beteekent, schoon kind, dan zal ik je dwingen mijn vrouw te zijn,
als je niet vrijwillig mij het jawoord geeft.”
Er lag nu zulk een afschuwelijke uitdrukking op het Satergezicht van
den ellendeling, dat Rose bleek en bevend op dezelfde plek bleef staan.
Het was haar, alsof zij in een diepen kuil zag, gevuld met de
afzichtelijkste slangen, die haar met hun oogen duivelachtig
aanstaarden.
„U—u zoudt durven—” stamelde zij eenige malen achtereen, nauwelijks
wetend wat zij zeide.
„O, ik durf alles!” hernam Spider met een hatelijk lachje.
Hij was met een paar stappen bij het jongemeisje en greep haar in zijn
armen.
Hij droeg haar half, sleepte haar half naar de sofa die tegen een der
wanden stond.
Rose streefde tegen, maar zij gevoelde dat haar krachten haar snel
begaven.
Het was haar, of een roode nevel voor haar oogen kwam.
Uit instinct verweerde zij zich zwakjes.
Spider had het machtelooze lichaam op de sofa geworpen.
Hij boog zich met een glans van duivelschen lust in zijn oogen over
haar heen en strekte de bevende hand naar haar boezem uit, toen
eensklaps een geluid in de gang hem onbewegelijk stil deed staan.
Hij sperde zijn oogen open, als zag hij een geestverschijning, en toen
kwam het rochelend van zijn lippen:
„Die stem—die vervloekte stem. Hij is dus teruggekomen. En zijn stem
klinkt luid en sterk. Hij is genezen. Verdoemd—hij is genezen!”
Met een gillenden lach was hij de kamer uit.
Hij snelde naar zijn eigen vertrek, rukte een lade open van zijn
schrijftafel, nam er een revolver uit, zette het wapen tegen zijn slaap
en drukte af....
Eenige minuten later drukten vader en dochter elkander weenend in de
armen.
Rose hield een volkomen gezonden, sterken, genezen man aan haar borst
geklemd.
En op den achtergrond stond Jerry, van vreugde en geluk weenend.
Maar van den man met het witte haar was in het geheel niets meer te
zien, evenmin als van zijn metgezellen.
En nimmer zou Jeffries Macmillan weten, wie eigenlijk Jerome Hatchock
geweest was—en of hij wel ooit bestaan had!