Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Het hedendaagsche Londen.
Hoe Londen 's morgens wakker wordt. [1]
Londen gaat laat naar bed en staat vroeg op. In de weinige uren,
die tusschen zijn naar bed gaan en zijn opstaan liggen, brandt er
in de hoofdstraten het volle licht en het verwaarloosde kind, dat
voorzichtig rondsluipt, kan zich een koning droomen, voor wien al die
verlichting is ontstoken. Hoog geladen wagens uit de graafschappen,
die nog tot Londen behooren, waggelen voort op zeurige manier, terwijl
de voerlui op hun paarden vertrouwen, dat ze zelf wel den weg zullen
weten te vinden naar de Borough, naar Convent Garden en Spitalfields;
een motorwagen snort voorbij met een ingepakten chauffeur, die brommig
is omdat hij zoo weinig menschen kan doen opschrikken in hun bedrijf.
Het ronde licht van de lantarens der politiemannen danst van de
voordeuren langs de vensters, van de vensters door de open ruimten voor
de souterrains, gaat als een vlindertje, links en rechts afwijkend, in
doodloopende stegen binnen en als het dan soms een bundel lompen ziet
liggen, blijft het erop rusten. De politieman zegt niet onvriendelijk:
"Neen, hoor eens, goeie vriend, dat gaat maar zoo niet", en de bundel
lompen antwoordt heesch en heftig: "Te moeten denken, dat zulken als
ik zulken als jij aan een bestaan helpen." Maar hij gaat toch opstaan
en stapt het slop uit met het air van iemand, die aan een belangrijke
afspraak gevolg gaat geven. Maar zoodra is niet het schuifelend geluid
van de voetstappen der politie onhoorbaar geworden, of hij scharrelt
het steegje weer binnen.
Als het vier uur is, en de lucht in plaats van zwart donkerblauw begint
te worden, terwijl een half maantje en de sterren nog niet verdwenen
zijn, gaat Londen hier en daar teekenen van leven geven. Vuurroode
postkarren, die hun hooge kleur misschien wel hebben gekregen
uit overmaat van haast, vliegen door de straten, leidend naar de
stations; melkwagens houden wagenrennen, courantenwagens, die in de
op Fleet Street en het Strand uitkomende straten staan te wachten,
en luisteren naar het gebrom en de zware ademhaling van drukpersen,
vangen de groote pakken, die naar hen toe geworpen worden, en vliegen
weg, om het spelletje aan den gang te houden, door ze naar de kruiers
aan de stations te gooien.
Er zijn maar weinig cabs op straat, en de laatste vigelante is
klaar, om naar huis te schommelen naar een stal, als de koetsier met
zijn koffie gereed zal wezen, die hij aan een kraampje gebruikt;
bestelkantoren gaan open; de trams, die den geheelen nacht rijden
aan de zuidzijde der rivier, brengen nachtwerkers naar huis en vroege
vogels naar Blackfriars en Westminster.
De bruggen, waar maar zoo nu en dan een vrachtkar over ging, krijgen
meer levendigheid, en mannen met de kragen in de hoogte, de zakken
gezwollen van het meegenomen ontbijt in papier, haasten zich van den
zuidkant over te komen, om een of ander wonderlijk baantje op te doen,
dat door de gewone jagers over het hoofd is gezien of door hen niet
begeerd wordt.
De nachtelijke zwerver, die aanhoudend in zichzelf een verslag mompelt
van den een of anderen denkbeeldigen strijd, waarin de andere partij
totaal verslagen schijnt, drijft af naar de parken, om op het opengaan
van de hekken te wachten en zich voor te bereiden op het dutje van den
dag, of wel, door een vage herinnering aan vroegere lessen aangeklampt,
gaat hij naar Trafalgar Square en steekt er zijn hoofd in het water van
de stille fonteinen. Hij wascht zijn handen, en mag soms nog vollediger
zijn toilet maken met een stukje zeep, dat hij van een dame leent.
De markten zien er al volkomen wakker uit. Den geheelen nacht
heeft de hall in Bow Street houten bakken in ontvangst genomen
van goederenwagens, welke bakken met groote voorzichtigheid werden
gehanteerd, en nu is het er van het eene tot het andere eind één
bloemtuin, waar het heerlijk en uitlokkend geurt, waar levendige
kleuren glanzen en waar men gereed is voor de komende inspectie.
Een herberg in Bow Street is open voor de marktmenschen en voor niemand
anders, juist als er andere in Fleet Street alleen beschikbaar zijn
voor typografen. Naar de markt komt ten pleziere van de marktlui de
jonge brani, die nu en dan in de wintermaanden zich door een costumier
laat verkleeden in een pakje, dat hem onkenbaar maakt en die na een
vergeefsche poging om in het Covent Garden Theatre zichzelf wijs te
maken, dat hij een eerste pretmaker is, nu met zijn metgezel probeert,
of hij een meester kan wezen in de kunst van grappen maken en voor
den gekhouderij, in welke bedrijven hij al evenmin gelukkig is als
in het voorstellen van den persoon, dien hij op het gemaskerd bal
verbeeldde. De twee partijen, werkers en luiaards, alias werkbijen
en darren, kijken elkander aan bij hun ontmoeting in den korf en
de darren zeggen: "Wat zou het vervloekt vervelend zijn, voor zijn
levensonderhoud te moeten werken", en de werkers maken de opmerking:
"Wat is het een geluk, dat wij ons niet zoo als paljassen behoeven
aan te stellen."
Er zijn meer dan één manier, om in Londen aan den kost te komen; zoo
staat in elke zijstraat bij de markt bij voorbeeld een fatsoenlijke,
oudere vrouw met een witten boezelaar en een zwart mutsje, die de
zwepen vasthoudt voor de boeren, die naar den markt gaan; zij treden
ook op als gidsen voor kruiers, die heen en weer loopen met stapels
manden op het hoofd, onder een heesch geroep van een waarschuwend
woord.
Binnen enkele uren, om negen uur, als men precies wil wezen, zal dit
alles verdwenen zijn; de brandspuitslang zal over de straten spelen en
zal het vuur van den handel blusschen. Maar naar het Oosten opent de
Citymarkt de vleeschwinkels en die van gevogelte; als men Smithfield
meer naar het Noorden kon zien, zou men de bevroren schapen uit hun
witlinnen jurken kunnen zien kruipen, die hun zijn aangetrokken,
opdat ze beter koel zouden blijven.
Het Strand met de witte lichten heeft een rij van cabs dichtbij
Waterloo Bridge, maar ik geloof, dat wij het best doen met te
wandelen. De hoek van Arundel Street staat vol met courantenkarren;
we moeten behendig wezen, om ongelukken te voorkomen.
De lucht is ook weer veranderd, en er is nu licht in het Oosten,
waardoor de rivier bij hoog water er als zilver uitziet met een
donkeren achtergrond van pakhuizen aan den Surreyschen kant, waar
een dikke rook uit hooge schoorsteenen opstijgt.
Een sleepboot, met een wit licht aan den voorsteven en een groen licht
achter, sleept een half dozijn schepen den stroom op, en onder een
interessant gepuf brengt ze hen, waar ze moeten zijn. Dat voorbeeld
schijnt zoo aanstekelijk, dat het door drie andere sleepbooten wordt
gevolgd, terwijl de schepen zwaaien en draaien, alsof ze wilden
zeggen: "Waarom in Gods naam kun je een schip niet met rust laten,
opdat het kalm zijn nachtrust beëindige? Buiten Blackfriars Station en
dichtbij het standbeeld van koningin Victoria wordt er een laatste hand
gelegd aan het schoonmaken der straat door een verwoede bespuiting;
de brandslang schuift in kronkels over de straat en geeft hier en daar
een straal in de lucht. Als men achterom ziet, wordt men getroffen
door den mooien Theemsoever, omzoomd met lichten, en de lampen in
enkele kamers van de bovenverdiepingen der groote hotels schijnen
wel sterren aan het uitspansel.
Wij zullen niet naar St. Martin's le Grand gaan, waar het licht en
druk is; maar liever willen wij ons begeven naar den Citykant van
London Bridge, waar zelfs op dit uur luie kerels over de gemetselde
muurtjes leunen en moe worden van de inspanning, te kijken naar hen,
die beneden op de schepen hard aan het werk zijn. Stoombooten lossen
hun lading, kranen knarsen klagend over de noodzakelijkheid van zulk
vroeg werk, en mannen met lederen kussentjes op het hoofd, waardoor
dat een zeer bruikbare platheid erlangt, loopen met kratten bananen
langs een loopplank, om in pakhuizen te verdwijnen.
Wij zijn vroeg voor Billingsgate, maar overal hangt reeds een
reuk van versche visch; alom staan open kisten, die druipen van het
gesmolten ijs, en de gasvlammen flikkeren boven de schelvisschen. Als
ge likdoorns hebt, wees er dan voorzichtig mee. De haastige mannen,
die van de natte, modderige gladde riviermarkt komen, met vrachten
op hun zware, breedgerande, druipende hoeden, hebben geen tijd, om
aan beleefdheid te denken, en ieder protest zal duidelijk toonen,
dat de traditioneele woordenstroom nog onverzwakt in stand gebleven
is tot in de twintigste eeuw.
Gij zult het prettig vinden, naar het Oosten verder te gaan langs
den mooien opgang naar de Towerbrug, welker witte lichten voor de
rivier een waarschuwing zijn, dat de brug neer is. Wij zullen den
Tower zelven later beter kunnen zien, en gaan nu langs de ingangen
van de eerste dokken en in de richting van St. George Street, Oost,
vroeger bekend onder den naam van Ratcliff Highway. St. George street
Oost is maar matig verlicht, maar ge zult zien, dat de straat haar
best doet, om een niet vlekkeloos verleden weer goed te maken.
Ge vindt er nu geen danshuizen meer en geen knorrig kijkende
geldwisselaars; daarvoor in de plaats zijn zendingszalen gekomen met
uitnoodigingen in een half dozijn talen en een inrichting van het Leger
des Heils. Mannen komen uit de huizen aan de rivier, sluiten zacht
de deuren achter zich en zetten het dan op een loopen; de jongeren
fluiten een deuntje. Een klein meisje van een jaar of twaalf haast
zich naar haar werk in Commercial Road, met een mondharmonica tot
eenig gezelschap.
Iedere tien minuten verandert het tooneel, en de gaslampen in
Shadwell zien er net zoo schuw uit als een heer in gekleede jas bij
daglicht. Niet dat het al licht is. Een flauwe mist is van de rivier
komen aandrijven en hangt over de dokken, zoodat menschen, die van
tegenovergestelde richtingen komen, tegen elkander aan bonzen. In een
zijstraat zijn in verlichte vertrekken al vreemde kleermakers aan
het werk, en in Commercial Road waggelen zwaar beladen hooiwagens
tusschen werkmanstrams, gele en blauwe, die al even zwaar beladen
zijn en in de richting van Aldgate zich voortbewegen.
De lucht heeft nu een lichter blauwe tint aangenomen met vlekken van
witte wolken, en de gaslampen en het electrisch licht gaan uit. Het is
vol op het plaveisel bij het Aldgate station, en hier zijn couranten
te koop. Het is nu kwartier vóór zes; aan den overkant zijn de
slagerswinkels open en er voor hangt een heele rij vette schapen. Met
de haastige werklui, van wie er enkele het station binnengaan, om den
eersten trein naar Hammersmith te nemen, ziet men ook nog het in een
rooden zakdoek gepakte bundeltje, maar bij velen is er een net mandje
voor in de plaats gekomen, plus een kan van blauw émail.
De jonge mannen, ofschoon in gruwelijke haast, staan een ondeelbaar
oogenblik stil, om te kijken naar de plaat, waarop een heer, die
blijkbaar geen heer is, het hoofd van een vriendelijk eruitziend
jongmensch onder de guillotine brengt; dit is uit het melodrama van de
week in het plaatselijk theater. In een rij van stille burgerhuizen
maakt een jongeling met een boezelaar voor een Deutscher Gasthof de
vensters schoon, en heeren van den nieuwen politiepost kijken naar
hem met gezichten, alsof een incident hun niet onwelkom wezen zou.
Hier hebben wij ook den Tower van Londen. Grijs en wit, met duidelijke
omtrekken, verrijst hij tegen het morgenlicht van den oostelijken
hemel; in de ontbottende boomen, die aan de diepe, droge gracht
staan, zingen vogels even luid als een straatjongen fluit, blij,
dat er nog geen menschen op zijn en zichzelven wijsmakend, dat ze
buiten zijn. Inderdaad gevoelt men de opwekkende frischheid van de
morgenlucht; men komt tot het besef, dat de natuur aan Londen zoowel
als aan het platteland een goed begin toestaat, en dat Londen in den
loop van den dag zelf zijn lucht vuil maakt.
Een vermoeide roodharige soldaat stapt naar de poort, die naar de
rivier voert, en maakt een praatje met den daar op post staanden
schildwacht. Dan gaan we verder naar Billingsgate, waar de beladen
spoorwagens losse, met ijs besprenkelde tarbot bevatten, en nu in
volle zijstraten rijden op weg naar Eastcheap, en hebt ge daarna nog
een oogenblikje tijd, ga dan mee naar de kade van het Douanekantoor.
De duiven worden opgeschrikt en vliegen weg, maar komen gauw terug
onder den indruk, dat waar menschen zijn ook een ontbijt moet wezen
en dus ook broodkruimeltjes moeten vallen, die brave vogels kunnen
eten. Een agent vertelt, dat er in het Asyl voor vrouwen en weduwen
van dragers en schuitenvoerders vijf open plaatsen zijn. Mogen er
altijd open plaatsen wezen en moge er nooit een zieke vrouw, een
bedroefde weduwe te vergeefs op plaatsing wachten.
De schuitevoerders en mannen van de lichters zijn nu buiten op de
rivier al aan het werk; schepen in de haven worden gewekt en mannen
roepen van den rivierkant naar mannen midden op de rivier, en op de
eene of andere manier weten ze zich door elkaar te doen begrijpen. De
Batavier III van Rotterdam, met witten schoorsteen en blauw dek,
verlaat de kade onder geen ander toezicht dan dat van een afwindend
touw, en verder beneden op de rivier gaan de twee bascules van de
Towerbrug beleefd omhoog, om haar een doortocht te verleenen.
Bij het Mansion House, waar men op de muren een aankondiging kan lezen,
geteekend Edward, Koning en Keizer, zijn de verlichte tunnels open,
maar ze zijn nu niet noodig, want men kan er even veilig oversteken,
als men dat op een dorpsweide doen kan. 't Is waar, er gaat een
vrachtwagen van de spoor voorbij, en een courantenkar vliegt over de
straat; maar diegenen, die het drukke plekje bij dag kennen, zouden
het nu nauwelijks herkennen. Een postkar komt van Londen Bridge terug,
en een half dozijn brievenbestellers, die hun leege postzakken als
sjerpen dragen, rennen er achteraan en mogen meerijden tot St. Martin's
le Grand.
Langs Cheapside beginnen de huishoudsters, die het vroegst bij de
hand zijn, de zinken vaten te vullen, die bij het trottoir staan;
ze kloppen het stof uit matten, een werkje, dat de wetten van de city
niet toestaan op een later uur. Rook stijgt hoog uit de schoorsteenen
op, en de goedkoope restauraties, die adverteeren "vleeschpoddingen,
net als moeder maakt", ontsluiten hun deuren en steken het kringetje
van gasvlammen aan onder koperen kannen. Jongste klerken komen voor
onder de aangroeiende menigte in Holborn, en enkele wielrijders bewegen
zich op den weg. Van beneden zenden de stations van den ondergrondschen
spoorweg nu en dan hoopen passagiers naar boven, die een zwart vlekje
vormen, maar een, dat zich spoedig in eenheden oplost.
Ginder in de kleinere voorsteden, waar de meeste Londenaars wonen,
worden dienstmeisjes gesmeekt, toch geschikt te zijn en vroeg op te
staan, om voor Mijnheers ontbijt te zorgen, anders komt hij te laat
in de City, en de hemel alleen weet, wat er dan gebeurt. Athletisch
aangelegde jonge mannen en vrouwen gaan er met hun fietsen op
uit. In de stad begint de Serpentine de aandacht te trekken van
enkele personen, in wier huizen vermoedelijk geen badkamers zijn;
de hekken van Green Park, Battersea Park, Finsbury Park en Victoria
Park worden geopend. Arbeiderstreinen komen overvuld en in snelle
opvolging aan elk station aan, en dichtbij Liverpool Street is een
gastvrije kerk open, opdat meisjes, die van Westham komen op den tijd,
dat er de goedkoope treinen nog rijden, maar te vroeg voor het begin
van haar werk, er een uurtje kunnen wachten; gele omnibussen en roode,
en trams van alle kleuren komen te voorschijn uit stallen met paarden,
die vlug en krachtig zijn, bereid om het werk aan te vangen.
Nu worden de koffiestalletjes gesloten, en de menschen gaan er,
nu de zaken afgeloopen zijn, naar huis. Het is thans volle dag, en
snel gaat de tijd voort. Een zacht geluid van gesprekken hangt al
in de lucht, preludium van het luidruchtiger koor, dat later zal
volgen. Piano-orgels worden getrokken door dames in italiaansch
costuum, die de zuiverste taal van Clerkenwell praten, en gaan
slaperige zijstraten wakker maken.
De geasfalteerde rijweg vóór Mansion House is niet meer de open
ruimte, die hij zoo wat een uur geleden was; er rijden omnibussen
van het Oosten naar het Westen, van het Noorden naar het Zuiden,
en City-treinen loopen buffer aan buffer in hun haast, om voor den
arbeid van den dag versterkingen aan te voeren van die regimenten van
zijden hoeden, die van het Mansion House als middelpunt uit zich snel
verwijderen met hun kleine bruine pakjes, naar honderden zijstraten,
waar ze hun betrekkingen op kantoren vervullen.
Londen, waar wij soms op brommen, maar waar wij niemand anders over
willen hooren klagen, die groote, uit haar kracht gegroeide, lompe,
goedmoedige stad, waarvan enkelen onzer houden met de liefde, die
wij voor onze moeders voelen, Londen is wakker geworden.
Nu moet het opstaan volgen, want ofschoon Londen eigenlijk nooit echt
slaapt, neemt toch een zeer groot deel van de inwoners zijn nachtrust,
dus moet er ook worden opgestaan. Dat proces, dat op zichzelf zoo
eenvoudig is, wordt op allerlei manieren gevarieerd. Er zijn luie
menschen, die soms den huishond benijden, omdat hij, als hij wakker
wordt, zich eens uitrekt, zich schudt, met zijn staart kwispelt en
klaar is, om zijn nieuwen dag te beginnen. Er zijn ook anderen, voor
wie het morgenbad of de morgenwaschpartij en het toilet maken een der
genoegens van het leven is, dat men niet te haastig mag afroffelen
of als een machine verrichten moet.
Een wonderlijk beeld vol menschelijk leven is dat opstaan van de
menschen in een groote stad, om hun werkzaamheden of genietingen van
den dag te beginnen, en wel zou het ons treffen, als we met Asmodeus
de daken van de huizen konden lichten, om naar binnen te gluren. Laat
ons een paar bijzonderheden er van in het oog vatten.
In de hospitalen, die groote paleizen van pijn en smart, blijven
bepaalde verpleegsters en ambtenaren den geheelen nacht in dienst,
tot het tijd van opstaan is. Tusschen vijf uur en half zes worden de
lijders, die in slaap zijn, zacht gewekt door een verpleegster, en
zij, die in staat zijn op te staan, beginnen zich te wasschen en te
kleeden. Dan bereiden de sterkere patiënten, zij, die beter worden,
hun thee en koken hun eieren en helpen het ontbijt klaarmaken voor
de anderen, die te zwak zijn om zichzelven te helpen. Om zeven uur
is in de verschillende kamers alles wakker, de dagverpleegsters zijn
gekomen, en alles is in gereedheid gebracht voor de komst van de
Moeder of Directrice, die door den huisdokter wordt gevolgd.
Nadat het hospitaal is opgestaan, brengen de patiënten, die zich
kunnen bewegen, bezoekjes van sympathie bij de bedden van hun
zwakker medelijders. Bleeke gezichten verschijnen voor de vensters,
ingezonken oogen kijken naar het dagelijksch leven op straat, en
zien in verbeelding het tehuis, waar de geliefden waken en wachten
en misschien een gebed fluisteren voor de afwezigen, die den strijd
van leven en dood kampen.
Maar er zijn mannen, arbeiders, wier uur van opstaan vroeger is
dan dat van de hospitalen. Om vier uur in den morgen moeten sommige
werkers worden gewekt, want het dagwerk zal om vijf uur beginnen;
bij de poorten van de dokken en op de groote, drukke markten moet men
er vlug bij zijn. In de mindere slaapgelegenheden is er gewoonlijk
een "wekker", die rondgaat en de zware slapers wakker maakt. De man,
die ergens kostganger is of op kamers woont zonder vrouw, wordt vaak
gewekt door een voorbijgaanden politieman, den vriendschapdienst van
de straat af volbrengend.
Het opstaan van de meid is dikwijls een der kleine plagen van de
huisvrouw. Zij hoort meestal zeer goed, en al stapt Marie Jane nog
zoo zachtjes bij het afgaan van de trap, doet zij dat op een later uur
dan gewoonlijk dan hoort mevrouw het en volgen er later op den morgen
"woorden".
De keukenmeid staat in gewone huishoudingen het eerst op, want zij
moet de keukenkachel aanmaken en het keukenontbijt bereiden. Eén voor
één komen de dienstmeisjes beneden, in den regel doezelig, want het
huiswerk doet iemand zwaar slapen, en nu begint het werk van elken dag.
In huizen, waar er een kinderkamer bevolkt is, worden de eerste
vroolijke tonen van den nieuwen levensdag gehoord. Jonge kinderen
hebben net als vogels de gewoonte, den morgen te begroeten met gezang
of met iets, dat er voor in de plaats komt. Men vergunt zich soms
het plezier van een stoeipartijtje voor de nachtkleêren uit zijn
getrokken en voordat het bad gereed is. Er is verbazend veel navraag
naar speelgoed, zoodra de oogjes open zijn. Kleine meisjes geven blijk
van een moederlijk instinct, door naar poppen te vragen terwijl kleine
jongens niet alleen wel eens wollen konijntjes en lammetjes op wielen
in bed bij zich krijgen, maar zelfs wel den geheelen inhoud van een
arke Noachs ledigen op de dekens, dóór elkaâr met Sem, Cham en Japhet,
die met open oogen den nacht hebben doorgebracht in de doos, terwijl
hun halzen bekneld zaten tusschen de pooten van de groote viervoeters.
Als in een zwak oogenblik papa voor den kleinen jongen een trompet
heeft gekocht of een trommel, zal soms muziek het ouderlijk oor
treffen op een uur, waarin ze niet juist verkwikkend is. Het is zeer
dikwijls de lieve taak van baby, om mama te roepen, vooral als het een
eerste baby is. Is baby genaderd tot den leeftijd van vier of vijf,
dan zal hij, als 't een hij is, bij gelegenheid eens uit zijn bed
komen en papa wakker maken in gezelschap van een nieuw en geliefd
stuk speelgoed. De liefhebbende vader, die wakker schrikt, om tot de
ontdekking te komen, dat een zwart poesje op zijn hals zit, bedwingt
gemakkelijk zijn toorn, als hij ziet dat zijn zoontje het daar heeft
neergezet, en verlangend wacht tot Daddy met hem zal gaan stoeien.
Het opstaan van het gezin met schoolgaande kinderen, die vóór negen
uur weg moeten zijn, is voor menige moeder een dagelijksche angst. Er
moet dan zooveel in korten tijd gebeuren, en als het treft, dat papa
ook een City-man is, die vroeg naar kantoor gaat, valt het dubbel
moeilijk. Met te zorgen, dat het haar man aan niets ontbreekt en dat
de kinderen op tijd met de meid, die hen wegbrengt, de deur uitkomen,
heeft zij handen vol werk. Soms loopt alles in het honderd. Het begint
met het ongeluk, dat de meiden zich verslapen. Er is herrie onder de
kinderen, kibbelarij en tranen vaak. Op het laatste oogenblik blijkt
het, dat er met de laarzen iets niet in orde is; er is een schoolboek
zoek geraakt. Papa heeft zijn scheermes onbruikbaar gevonden, omdat
Tom het voor houtsnijden heeft gebruikt, zoodat het scheren met
verlies van tijd en goed humeur is gepaard gegaan.
Maar ten laatste zijn de kinderen goed en wel weg, met de opdracht
om toch vooral hard te loopen, want ze zijn tien minuten te laat. Op
het eind is papa met een zwart pleistertje op zijn kin door den tuin
op weg gegaan naar het station van de voorstad. Dan keert de zwaar
beproefde vrouw en moeder naar de leêge ontbijttafel terug en heeft
een sterk kopje thee noodig om haar zenuwen tot rust te brengen. Voor
een paar minuten vergeet ze haar familiezorgen, tot de meid in de
kamer komt, om af te nemen. Dan neemt ze de gelegenheid te baat,
om haar meening te openbaren over vroeg opstaan.
In de manier van opstaan van die klassen der maatschappij, die niet om
den broode behoeven te werken, heerscht een eindelooze verscheidenheid,
want de opstaander heeft in den regel alleen zichzelf te behagen. De
schoone, die in gezelschappen schittert, mag haar schoonheidsslaapje
voortzetten nog lang nadat de overige wereld is opgestaan, en daarna
de weelde van een ontbijt op bed genieten, of misschien is zij een
vroolijk en gezond engelsch meisje en staat ze bijtijds op, om tusschen
acht en negen uur in den voormiddag een ritje in Rotten Row te doen.
De jonge gentleman, die als ongetrouwd heer op kamers woont, en het
leven van den laten kant bestudeert, is geen vroeg opstaander. Zijn
knecht kijkt af en toe eens bij hem binnen, naarmate het later
wordt, en als hij hem nog slapende vindt, trekt hij zich bescheiden
terug. Zulk een jong heer gevoelt zich, als hij tot de bewustheid is
gekomen, dat er een nieuwe dag is aangebroken, die gedood moet worden,
gedrukt en heeft behoefte aan een kleine prikkeling, voor hij opstaat
en aan zijn toilet begint. In kamerjapon en op pantoffels blijft hij
dan luieren in zijn zitkamer en speelt dan wat met een zorgvuldig
bereid ontbijt. Zijn eerste toiletmaken beteekent niet veel, want
hij stelt de artistieke toetsen uit, tot hij zich gereed maakt om
uit te gaan en in de deftige straten van West Londen zijn persoon
te vertoonen.
Maar het wakker worden is niet allemaal plezier, zelfs niet voor de
rijken en goed gekleeden. De nacht is voor de meesten van ons goed
en vriendelijk, in zoo ver, dat hij een korte poos van vergetelheid
brengt, maar met den morgen keert de bewustheid van het leven
terug. Menig mooi engelsch meisje vindt, als ze de oogen opent, geen
genoegen in den morgenzonneschijn, noch kan ze zich verheugen over het
lied der vroolijke vogels, die de lucht met melodie vullen. De liefde
heeft haar leed gebracht; zij lijdt onder den last der jaloezie,
ja, misschien is er wanhoop in haar ziel. Het tooneel van het bal
van den vorigen avond komt haar weer in de herinnering, terwijl de
sluizen van het herdenken worden opengezet. Mogelijk is het niet
anders geweest dan een kibbelpartijtje tusschen verliefden, mogelijk
ook was het een punt, waar wegen uiteenliepen; maar het maakt het
uur van ontwaken tot iets droefs, en het twijfelende meisje zucht,
gaat met een bleek gezichtje opstaan en kleedt zich lusteloos aan.
De morgenpost speelt een voorname rol in het huiselijk drama van
het opstaan. De brief, die in de bus wordt gestoken met het gewone
rinkelende geluid, thans in veel districten vervangen door een
krachtig schellen, want de kloppers raken uit de mode, kan het beste,
maar ook het slechtste nieuws bevatten. Wordt hij gebracht naar het
bed van den langslaper, dan kan hij het oogenblik van ontwaken maken
tot een tragisch moment, maar hij kan ook de kamer met zon vullen,
zelfs op den mistigsten Novemberdag.
De brief kan met verlangen te gemoet zijn gezien, of met angst zijn
verbeid. Hij komt ten laatste en bijna altijd met de eerste post. Als
ge in twijfel zijt aangaande de uitspraak van het lot, scheurt ge
de enveloppe haastig open, of wel ge draait haar om in uw bevende
vingers en legt haar nog een poosje weg, om het vonnis zoo lang
mogelijk te verschuiven.
In menig bescheiden gezin kan de morgenbrief ondergang of redding
beteekenen. De jonge klerk buiten betrekking, die vrouw en kind
heeft te onderhouden, heeft geschreven op een advertentie. Hij zou de
aangeboden betrekking graag vervullen, heeft recommandaties ingezonden
en gaf zijn laatste sixpence aan postzegels uit. Als hij 's morgens
wakker wordt, blijft hij lang in bed, daar hij toch geen werk heeft,
tot zijn vrouwtje met een brief aan zijn bed staat.
Hij neemt dien aan, maar is bang hem open te doen. Is het een
hoopgevende tijding, die hem oproept, zich op een kantoor in de City
aan te melden, of is het de stereotiepe boodschap, die sommige firma's
uit beleefdheid aan sollicitanten doen toekomen, als er niet al te
veel zijn?
Het vrouwtje wacht; de man gaat overeind zitten, en zich met moed
wapenend, om zijn lot onder de oogen te zien, breekt hij het couvert
los. Bevend vouwt hij den brief open en vliegt met zijn oogen over
den inhoud. "Goddank!" roept hij uit, "Goddank!" Niet noodig, meer te
zeggen. De oogen van het liefhebbend vrouwtje vullen zich met tranen
van dankbaarheid, terwijl ze op de knieën valt en haar armen om den
hals van haar man slaat. De brief ligt open op de dekens; zij kan het
blijde nieuws lezen. "De heer ... wordt verzocht, zich op het kantoor
in de City aan te melden, en indien zijn getuigschriften goed zijn,"
enz. enz.
Er komen soms dagen in ons leven, waarop wij verlangend uitzien naar
wat de post ons 's morgens brengen zal. De verjaardag beteekent
vriendelijke, hartelijke begroetingen van verwanten en vrienden,
lang nadat het niet meer om geschenken te doen is, en daar het nog
gebruikelijk is, het aftellen van weer een jaar van het ons toegewezen
deel als een feit te beschouwen, waar men zich over moet verheugen,
ontwaken de meeste mannen en vrouwen, die de vreugde van te leven
mogen smaken, op den morgen van hun verjaardag met een glimlach op
de lippen en vragen naar hun brieven.
Het ontwaken van den dramaschrijver op den morgen, nadat zijn
nieuw stuk is opgevoerd, van de acteurs en actrices, die erin zijn
opgetreden, staat geheel onder den invloed van wat de ontvangst den
vorigen avond is geweest; maar allen zijn nieuwsgierig om te lezen
wat de bladen ervan zeggen, die men hun brengt met hun morgenkopje
thee. Wat er ook in de wereld aan de orde moge zijn, hoe gewichtig ook
de gebeurtenissen van den dag mogen wezen, menschen van het theater
hebben slechts een enkele gedachte, als ze de couranten openslaan. Zij
minachten de hoofdartikels en hebben geen oog voor het nieuwste
nieuws. De kritiek van het nieuwe stuk is de gedrukte materie, waarin
al hun belangstelling is geconcentreerd. Zij lezen de eene opmerking
na de andere, nu eens met een glimlach dan weer met een frons, en van
den aard der opmerkingen, voor zoover ze hun zelven betreffen, hangt
af, in welk een stemming menschen van de comedie hun dag beginnen.
Er zijn tijden, waarin de morgencourant het halve land somber doet
opstaan. Het nieuws van een ramp, aan Engelands legers overkomen, van
een ongeluk op zee, van den dood van een populair lid der koninklijke
familie werkt op de stemming van heel het denkende volk. Er zijn dagen
geweest, waarop geheel Londen met een steek in het hart is opgestaan
en somber en lusteloos zijn dagelijksch werk is begonnen.
En ook zijn er dagen, waarop het grootste deel van de Londenaars
vroolijk opstaat. Dat zijn de dagen, als er nationale feesten worden
gevierd, als er straatvertooningen plaats hebben, of als er algemeen
vacantie is. De geest van de galadagen is aanstekelijk; zelfs zij,
die er niet aan kunnen deelnemen, hebben er een vriendelijke sympathie
voor en staan op met een prettig gevoel, dat ze nooit hebben op die
wijze op een gewonen werkdag.
Zoo groot is Londen en zoo klein is betrekkelijk de omtrek, waarin
een optocht gewoonlijk wordt gehouden, dat het zaak is bij al zulke
gelegenheden vroeg op te staan. De politiemaatregelen noodzaken de
menigte, zich op gegeven punten te concentreeren, lang voor het uur
van een optocht is aangebroken. Dan trommelen de knokkels van de
meid op de deur van de slaapkamer op een ongewoon uur, en er is geen
sprake van, zich nog eens op de andere zij te leggen. Wie gewoonlijk
laat opstaan, zijn bij die gelegenheden het eerst bij de hand. Zij
hebben uitgebreide voorzorgsmaatregelen genomen den vorigen avond, om
niet te laat beneden te komen, en ze zijn onder de eersten, die zich
op straat vertoonen. Als het mooi, warm weer is, weiden ze uit over
de schoonheid van den morgen en geven luid hun voornemen te kennen,
een nieuw blaadje in hun levensboek om te slaan en voortaan in de
morgen uren van Londens schoonheid te genieten. Maar zelden worden
die goede plannen uitgevoerd.
Op Zondagmorgen blijft de meerderheid van de londensche burgers een
uurtje langer in bed. Er zijn brave menschen, die naar den vroegdienst
gaan en vele Roomsch-Katholieken gaan naar de vroegmis. Er zijn
menschen, die een ver uitstapje naar buiten gaan maken en dus vóór dag
en dauw uit de veeren zijn; maar als een regel zijn de dienstboden
een beetje inschikkelijk, en het ontbijt is later. De werkers, die
blij zijn een dag vrij te hebben en in den Zondag een rustdag zien
in den waren zin des woords, gebruiken er een portie van in bed. Het
opstaan is een langzamer en omslachtiger proces. De kruipende wijzers
van de klok geven geen schrik voor treinen die gemist zullen worden;
de waarschuwende bel van den omnibus zal vandaag niet klinken, en de
kerk, die gewoonlijk dichtbij is, zal niet vóór elf uur beginnen. In
bescheiden huisgezinnen is moeder op lang vóór vader; want de kinderen
moeten netjes gekleed worden en naar de Zondagsschool worden gezonden,
hetgeen hunzelven en hun ouders tot eer verstrekt.
Al de hoop en de vrees, die het leven vullen, komen op met het
ontwaken in den morgen. Enkele van Londens kinderen staan op met
een hooggestemd hart en gestaalde zenuwen, gereed om groote dingen
te doen; anderen ontwaken met een zucht om dagen die voorbij zijn,
en met donkere vooruitzichten in de toekomst.
De jonge bruid met een hart vol liefde voor den man, wiens leven zij
gaat deelen, wordt voor de laatste maal wakker in haar oud, vertrouwd
ouderlijk huis. Er zullen wel een paar tranen in haar oogen opkomen,
als zij denkt aan de scheiding van diegenen, die nu toe altijd bij
haar zijn geweest, maar haar hart is vervuld van een vage verwondering,
hoe de nieuwe band haar passen zal en hoe het beginnend leven zal zijn.
Maar zij heeft haar hart lang geleden gegeven, en vandaag zal zij
er haar hand bij geven. En zoo overwint de liefde al de pijn der
scheiding, en er is hoop in haar hart, al zijn er tranen in haar
oogen, als ze haar kamertje voor de laatste maal in het rond ziet en
de grootsche toebereidselen maakt, die bekroond moeten worden met het
bruidskleed en den sluier te midden van de bewonderende familieleden,
vóór zij beschroomd de trap afgaat naar het rijtuig, leunend op den
arm van haar vader, en wegrijdt, om haar naam te veranderen en door
een gouden keten verbonden te worden aan den man, dien ze lief heeft.
En er is één uur van ontwaken, waaraan wij allen moeten denken,
nu en telkens weer.
Als de ure der gerechtigheid van een onzer medemenschen slaat, het
uur, dat van te voren vastgesteld en algemeen bekend is, worden veel
mannen en vrouwen met een gevoel van diep medelijden wakker--misschien
niet zoozeer om den veroordeelden misdadiger, maar om diegenen die
hem liefhebben.
Wanneer er een morgen aanbreekt, waarop een vonnis zal worden
voltrokken en iemand zal worden opgehangen, gaan onze gedachten uit
naar de cel van den veroordeelde, waar een medeschepsel ontwaakt uit
zijn laatsten slaap op aarde.
Men zegt, dat de meesten van die ongelukkigen vast slapen, tot
de bewaker nadert en zacht hen aanraakt, om hen te bevelen op te
staan en zich voor te bereiden op het verschrikkelijke oogenblik,
dat aanstaande is.
Het is niet goed, lang aan zulk een ontwaken te denken. Maar met al
zijn verschrikkingen is de geestelijke pijniging van het slachtoffer
een zaak van hoogstens een paar uren.
Doch voor de moeder, de vrouw van zulk een man, hoe vreeselijk is het
voor haar! Moge God haar bijstaan, als zij op dien dag ontwaken! Het
medelijden van ieder menschelijk hart vergezelt haar als het noodlottig
uur slaat en het luisterend oor treft, en ze weten, dat ver van haar
verwijderd, voor zoon of echtgenoot het treurig einde gekomen is.
Van vrijen en trouwen en doopen in het hedendaagsche Londen. [2]
Als de schaduwen der schemering het aanschijn van den blinkenden
dag hebben verduisterd, wordt Londen een enkel groot "laantje voor
verliefden". In de verrukking van een jongen liefdedroom vinden
duizenden paartjes het slot van een dag van hard werken. Men kan ze
overal ontmoeten, met de oude, zoete geschiedenis geschreven op hun
gelukkige gezichten, en men herkent ze dadelijk, zonder dat vergissing
mogelijk is.
In de eene klasse van menschen zijn hun armen ineengestrengeld en
hun vingers ook; in een andere hebben ze de armen om elkanders hals;
in een derde rust haar hand licht op zijn arm; in nog weer een andere
wandelen ze beschroomd naast elkander; maar toch houdt niemand hen voor
iets anders, dan wat ze zijn. Getrouwde menschen, ook jonggetrouwde,
loopen nooit zoo, als geliefden loopen. De stap is een andere; het
gearmd loopen is anders en de omhelzing in het openbaar staat niet
langer op het programma.
Laat ons bescheiden en zedig en met de teederste voorzichtigheid voor
de gevoelens van allen op dezen zachten zomeravond een wandeling doen
door het land der liefde in Londen.
De winkels zijn juist in het Westen gesloten, en de hoofdstraten
zijn vol van de jongens en meisjes, die vrij zijn gelaten van hun
dagwerk. De meisjes komen voor den dag, in groepjes, met lichte
blouses en strooien hoedjes, en ook de jongelui loopen eerst op
straat in kleine troepjes bij elkaar. Maar het duurt niet lang, of
de seksen raken door elkaar, en binnen korten tijd heeft ieder jongen
zijn meisje, en gelukkige paartjes wandelen met hun tweetjes weg.
De gewoonte, om den hoed af te nemen, die eens voor een gebruik van het
vasteland werd gehouden, is nu algemeen in alle standen aangenomen,
en menige hoed wordt gelicht door medeklerken en winkelbedienden,
als ze den trotschen ridder tegenkomen, die met zijn dame aan
den arm wandelt. Tusschen acht en negen uur zijn de winkelstraten
van het Westen vol geliefden. Hier wordt de liefde niet openlijk
tentoongesteld. De ineengeslagen handen en de leestomstrengelende
armen behooren bij de minder aristocratische straten en een lageren
rang van paartjes, het fabriekmeisje en den werkman, den jongen
marskramer en zijn meisje, de meid alleen en haar jongen.
Als gij in den avond door Londens straten wandelt, kunt ge de eerlijke
liefde van jongens en meisjes in een nimmer eindigend panorama op hun
aangezichten lezen. Er is geen valsche schaamte onder deze paartjes. Ze
zijn trotsch op elkander, trotsch op hun teedere relatie, en als ze nu
en dan eens een uitwendig teeken geven van de warmte van hun gevoel,
is dat eenvoudig de natuurlijke terugkeer van Adams zonen en Eva's
dochteren naar de gelukkige Edensche dagen van de eerste minnenden.
In de parken en langs de Theemsoevers aan het Embankment zit menig
paar geliefden; ze schuiven dicht bij elkander en kijken elkaar in
de oogen, zonder acht te slaan op de voorbijgangers, die meestal
nog al medegevoel toonen en sympathiek gestemd zijn. Als er maar
een enkel paar zit op een bank, waar plaats is voor vier personen,
neemt heel zelden een man of vrouw alleen de overige ruimte in. Die
wordt overgelaten voor het volgend paar verliefden, die toevallig
passeeren. Want verliefden geven er niet om, als andere paren de
droomerige stilte van het zitje onder de boomen deelen. Maar de
tegenwoordigheid van eenig persoon, hetzij man of vrouw, die niet
ingenomen wordt door den zoeten hartstocht, zou aangemerkt worden
als een ernstige inbreuk op de rechten van Cupido.
Londensche gelieven, die behooren tot de klasse van zoo elkaar
zoekenden, als de avondzephirs fluisteren onder de boomen, hebben
niet veel gelegenheid tot hofmakerij in hun eigen thuis. Er zijn
daar al te veel luidruchtige kinderen en ruwe buren in den omtrek,
en nergens vinden ze een spoortje romantiek. Menig liefdetooneeltje
in de Londensche parken is even idyllisch en teeder en even oprecht,
als welke liefde ook, door dichters bezongen, en de vrijage van den
boerenknecht is vaak even poëtisch en eerbiedig als die van den jongen
hulpprediker, die honigzoete woordjes fluistert in het oor van des
vicars dochter tusschen de rozen van haar vaders tuin, in het licht
van de eerste bleeke avondsterren.
Liefde kent geen rang en stand, en omdat het avonduur het uur van het
hart is, kunnen wij, die Liefde's land doorwandelen, ook den grooten
meneer als minnaar zien, zooals hij zich buigt tot de maagd met het
blauwe bloed en zachtjes praat tot de dame van zijn keuze. Zie, ze
stappen uit de kamer op het breede balkon voor het groote huis en
ze staan daar met een achtergrond van zachte lichten in de deftige
kamer, die we door de open vensters zien. Wat vormen ze een liefelijk
tooneeltje! Zijn zwarte rok en het wijde witte veld van zijn overhemd
brengen de zachte chiffons van het slanke, bevallige meisje naast
hem naar voren. Het avondkoeltje doet even den grooten rijkdom van
haar golvend haar trillen; maar dat is het niet wat haar lichtelijk
doet blozen. De jonge graaf heeft zich voorovergebogen en heeft zacht
woorden van liefde tot haar gefluisterd. Wij zijn te ver weg, om het
antwoord te hooren, dat zij geeft; maar wij kunnen haar glimlachend
gelaat zien, en als aan de voorschriften en bepalingen van de groote
wereld is voldaan, kunnen wij zeker zijn, dat er een aankondiging in
de Morning Post zal verschijnen en dat de heele wereld zal hooren van
die kleine liefdeshistorie, welker begin school bij de balkonscène
in Park Lane vandaag.
De luiken zijn gesloten in dit sombere huis in een Londensche square,
en we kunnen niet zien of de liefde schuilt onder het dak, maar de
benedenvoordeur is open en op de bovenste trede van de stoep schept
een mooi Londensch dienstmeisje een luchtje. Zij kijkt verlangend naar
den hoek en werpt nu en dan tersluiks een blik naar de dichtgetrokken
gordijnen. Daar komt een jonge man aanslenteren. Hij drentelt, tot hij
het gefladder van de linten van een klein wit mutsje in het oog krijgt,
en dan versnelt hij zijn stap, en het jonge kamermeisje stapt hem
lichtjes tegemoet. In de schaduw van het buurhuis buiten het gezicht
van eenig oog, dat zou kunnen kijken uit het huis, waar ze dient,
toeft Mary een poosje met haar minnaar. Hij houdt haar hand in de
zijne en ze praten ernstig samen. Een politieman gaat voorbij met een
knikje en een glimlach. De jonge man trekt zijn wenkbrauwen samen,
maar het is slechts een zomerwolkje. Dan opeens slaat de klok van
een naburige kerk tien. Mary schrikt even. "Ik moet gaan!" fluistert
ze. Dan volgt een lang en innig drukken van de hand, en daarna--wij
wenden ons bescheiden af, maar een welbekend geluid treft ons oor,
en een minuut later doet Mary zachtjes het hek dicht en verdwijnt
de trappen af naar het onderhuis. De jonge man wacht nog even bij
den hoek, steekt dan zijn pijp op en loopt voorbij het huis van het
square. Ik denk, dat hij nog eens naar dien politieman gaat kijken.
In het felle licht van een zonnigen namiddag komen een gewoon paar
verliefden hand in hand langs den buitenkant van Regent's Park
aanwandelen. Wat is dat meisje trotsch op den gebronsden zeeman aan
haar zijde! Hij is van Portsmouth gekomen, om haar te zien, en zij
heeft een dag vrij gekregen van de fabriek en loopt als op wolken. Er
is ridderlijkheid zoowel als hartelijkheid in de vrijage van een jongen
matroos. Jack Tar heeft niet het allesveroverende voorkomen van den
Adonis in het rood, en hij is niet zoo druk bezig met het draaien aan
zijn knevel en het tikken met zijn stokje. De zeeman en zijn meisje
zijn op weg naar de Zoo, en daar zal Jack met zijn meisje aan den arm
naar de vreemde dieren kijken en haar vertellen van de verre landen,
waar hij heen gevaren is en ook zulke beesten heeft gezien, niet in
ijzeren kooien, maar in hun eigen legerplaatsen. En Jack is royaal met
zijn geld en tracteert zijn liefje met groote gulheid. Als de namiddag
voorbij is, en zij vermoeid is, zal hij een hansom voor haar nemen en
na de thee, als ze in een klein café zitten, doet hij het voorstel,
om naar een concert te gaan. In de music-hall heeft hij verbazend veel
pleizier en houdt de hand van zijn meisje liefdevol vast al den tijd,
en drukt die steviger, als de schoone dame zingt van geliefden, die
elkaar trouw blijven, ofschoon de zeeën hen scheiden. Dan 's avonds
brengt hij haar naar haar moeders deur en hartelijk kust hij haar
luid, dat allen het mogen hooren, waarna hij weglaveert naar het
andere einde van de stad, waar zijn oude moeder opzit, om op hem te
wachten. En ge kunt er zeker van wezen, dat toen hij dien middag in
een winkel ging, om een klein presentje te koopen voor zijn meisje,
dat Jack toen zijn moeder niet vergat. Hij heeft iets in zijn zak,
waarmee hij het oudje verrassen zal, als hij gaat zitten bij zijn
boterham met kaas en komkommer en het groote glas bier, dat al van
elf uur af op hem hebben staan wachten.
Verliefde jongens en meisjes van de Londensche straten zijn in hun
volle glorie op Bank Holiday. Dat is de dag, waarop de knaap met
de eerste flauwe teekenen van een knevel zich in zijn nieuw licht
pak steekt en een paar geelbruine laarzen aantrekt. Hij telt het
kopergeld, dat hem nog overblijft na de uitgaven voor zijn toilet
en inviteert het meisje van zijn hart, om met hem naar Hampstead
Heath te gaan. Hampstead is bepaald het oord van voorkeur voor den
knaap-vrijer, omdat er geen entrée is te betalen en de vertooningen
er maar een penny kosten en geen sixpence. Zijn liefje heeft niet veel
aan haar toilet ten koste gelegd, maar zij is meestal netjes en heeft
handig gebruik gemaakt van haar vingers, door nieuw lint te zetten
op een ouden hoed, en ze zal ook wel een oude jurk hebben opgeknapt,
zoodat ze als nieuw leek. De schoenen zijn in den regel een zwak punt
voor het verliefde meisje, dat op Bank Holiday uitgaat. Laarzen zijn
een gruwelijk ding voor velen van ons, maar als ge in de week zoo
weinig verdient, moet een enkel paar lang dienst doen.
Maar de knaap-minnaar ziet niet zoo nauw toe in zake de schoenen,
als zijn meisje maar knap is, wat den hoed aangaat. Hij is op zijn
manier een goede jongen voor haar, en juist zoo teeder en liefhebbend,
als jongens kunnen zijn. Hij duwt haar bij wijze van een grapje met
een geweld, dat een welopgevoed meisje voor een heftigen aanval zou
houden. Maar Sally heeft er wel schik in en geeft duwen terug onder
vroolijk geschreeuw. In zake ververschingen is Tom zoo royaal, als hij
maar kan. Hij tracteert zijn meisje op voor een stuiver zoetigheid,
en op de Heath deelen ze een portie ijs, bijten samen in een appel
en drinken samen een fleschje gemberbier.
Sentimentaliteit is er niet veel tusschen zoo'n knaap-vrijer en zijn
meisje. Zij zijn nog kinderen en ze stoeien en plukharen. Tegen den
avond, als ze teruggaan naar het kleine zijstraatje, waar ze wonen,
hebben ze misschien hun armen elkaar om den hals geslagen, maar dat is
maar grootdoenerij. Zij willen de volwassenen nadoen. Hij vindt, dat de
voorbijgaande jongens moeten zien, dat het niet zijn zuster is, maar
zijn meisje; en zij is erop gesteld, dat alle vrouwelijke kennissen
weten moeten, dat zij groot genoeg is, om een vrijer te hebben.
Bij het voorhekje van de villa in de voorstad staan een paar gelieven
afscheid te nemen. Het is het uur, waarop het niet voegzaam is voor
de dochters des huizes om buiten te zijn, en het is tijd, om te
scheiden. De avondwandeling in de laan in de buurt is voorbij. Ze
zijn verloofden. Maar de jonge man weet, dat de broers en zusters
van zijn verloofde niet gesteld zijn op de al te drukke visites en
de aanwezigheid van een geëngageerd paar, en bovendien heeft hij
nog een heel eind voor zich, om thuis bij zijn familie te komen,
terwijl hij iederen morgen om acht uur in de City moet zijn. Dus is
het tienuursklokje sein tot afscheid nemen, maar het talmen aan het
hekje is altijd prettig en moeilijk om mee uit te scheiden.
Nadat zij een eindje den voortuin is binnengegaan, loopt ze niet door
langs het paadje naar de huisdeur. Zij leunt even op het hekje en ze
kijken nog eens weer in elkanders oogen, genietend van het zwijgen
der liefde.
Maar ten laatste verbreekt zij de bekoring. "Ik moet gaan, Frank",
zegt ze. Toen buigt ze haar mooi gezichtje over het hekje en hij bukt
zich en hun lippen ontmoeten elkaar. Dan vlug vliegt er een licht
kleedje in het halfduister over het paadje. Hij kijkt ernaar, tot
het verdwenen is. Dan zegt hij luid tot zichzelven: "Lieveling!" en
flink stapt hij op, om zijn anderhalve mijl wandelens af te leggen. En
de herinnering aan dien afscheidskus gaat met hem en herschept den
stoffigen weg in een pad van rozen.
Het geluid van militaire muziek doet zich hooren in de vroege
morgenlucht en er is een druk geloop van vrouwvolk naar de
vensters. Het is nog te vroeg, dan dat de gezinnen al op zouden zijn
in deze aristocratische buurt, dus gaan de dienstboden staan aan het
raam van de eetkamer, en sommigen vliegen de trap op naar hun eigen
kamertjes, om een beter gezicht te hebben.
De Life Guards zijn op een morgenrit, en ze gaan uit met muziek. Er
is een hoofd te zien aan ieder bovenvenster en eruit kijkt meestal
een gezichtje met een wit mutsje erboven.
De meeste soldaten kijken naar boven en glimlachen. Mars is nooit
ongevoelig voor den blik der schoonheid, en is geneigd vriendelijk
te lachen tegen dames, aan wie hij niet is voorgesteld.