[1] Het Klif, of eigenlijk het Roode Klif, is een heuvel, welke uit
eene bruinroode zandlaag bestaat, en van diluvialen oorsprong is. Zij
bevat een groot aantal gerolde steenen, en ligt op ongeveer een uur
gaans van de Stavorensche kerk verwijderd. Deze heuvel bereikt in
haar hoogste punt, eene verhevenheid van ongeveer 11 ellen boven
de waterspiegel van gewoon volzee, en beslaat, met hare stranden en
oevers, eene oppervlakte van meer dan 80 bunders, waarvan een derde
gedeelte bebouwbaar land uitmaakt. Het uitzigt van deze hoogte,
naar den kant van Enkhuizen, over de van schepen wemelende zee,
is alleszins schoon te noemen.--
Aangaande dezen heuvel, bestaan onder het volk nog onderscheidene
overleveringen. Zoo verhaalt men, o. a. dat het Klif, in overouden
tijd, gedurende drie dagen, vuurvlammen braakte, waarna er een
buitengewoon grooten draak uit opkwam, die de burgers van Stavoren
eenen ontzettenden schrik aanjoeg, en na verloop van eenigen tijd,
weder terug keerde naar de opening waaruit hij te voorschijn was
gekomen.--Ongeveer eene halve eeuw later, braakte het Klif, gedurende
eenige dagen, uit eenen put, op nieuw vreesselijke vuurvlammen,
terwijl dit zelfde verschijnsel zich op het einde der derde eeuw,
gedurende een tijds bestek van elf dagen, weder, doch voor de laatste
maal, herhaalde.--Men verhaalt namelijk, dat de heidensche Friezen, te
dien tijde, hunnen afgod Stavo, door hunne priesters lieten raadplegen,
omtrent de middelen welke men ter voorkoming van meerdere dergelijke
uitbarstingen, zoude moeten aanwenden, waarop Stavo hun te kennen
gaf, dat men drie kruiken met water uit de Noordzee, moest vullen,
en die door de gewapende hand van eenen ridder in de vlammen doen
storten.--Dit werd gedaan, en na dien tijd, zijn er nimmer weder
dergelijke verschijnselen waargenomen.--
Deze fabelachtige verhalen of sprookjes, worden echter door sommigen
derwijze verklaard, dat er welligt aardbevingen, verzeld van hevige
stormen zouden gewoed hebben, en dat hier een vulkaan gestaan hebbe,
voor welk gevoelen, men eenigen grond meende te erlangen uit de stukken
lava, die, naar men wil, in het Klif zouden gevonden zijn. Anderen,
en hiermede stemt ons gevoelen overeen, verklaren het vinden van lava,
in den heuvel, ten eenenmale voor onwaarheid.
[2] Naar wij vernemen, bestaat er vooruitzigt op den aanleg van
schelpwegen op het Eiland Wieringen. Wij wenschen hartelijk, dat de
Wieringers spoedig bevrijd mogen worden van die onaangename zandwegen.
[3] In den fraaijen en welvoorzienen tuin van den Heer Burgemeester,
Mr. J. van Hengel, zag ik eenen appelboom, die geplant werd den
1 April 1847. Den 1 Augustus van dat jaar, leverde hij de eerste
vruchten, 60 in getal; den 1 November, plukte men voor de tweede maal
de vruchten, ten getale van 80, terwijl deze zelfde boom in December
daaraanvolgende, op nieuw in vollen bloei stond.--In 1848 was de boom
weder vol.--In den boomgaard van den Heer D. Koorn, te Hypolitushoef,
zag ik op een veld van 120 roeden, een 70 tal vruchtboomen staan,
waarvan de meesten, (5 of 6 uitgezonderd) als met vruchten bedekt
waren. Inzonderheid was dit het geval met de jutten- en dirkjesperen.
[4] Wier is een zeegras waarvan men wil, dat Wieringen (oudtijds Wirom,
Wiron) zijn naam ontleent. "Wier, bij de Latijnen Alga genaamd, is
een zeekruit, dat in zoute zeewateren, op hooge slikken en verdronke
waarden en Landen zijne wortelen schiet, en boven het gemeene water
zijn loof, en dradige takjes of spruitsels vertoont, en de zee alomme
als een grasrijke weide voor onze oogen verbeeld. Oudtijds wierd
het, als onnut tot eenig gebruik, aangezien, noemende de Latijnsche
Lierdichter Horatius hetzelve Od. 17, lib. III, Alga Inutilis,
onnut zeegras, zoodat men bij de Latijnen, eenige geringe, en niet
noemenswaardige zaak willende te kennen geven, en beteekenen, tot een
spreekwoordt zeide: Vilior Algâ, Slechter dan wier. (Zie denzelven
Dichter lib. II, Serm. Satyr. V.) Maar hedendaags is hetzelve,
voornamentlijk in deze leege Landen, daar men van Duinen ontbloot is,
en de zee met Dijken moet afkeeren, in groot gebruik gekomen, en wordt
voor de beste stoffe gehouden, om op onze lichte en veenige gronden
eenige Dijken te vestigen, pakkende het wier zoo vast in elkaar, als de
allerbeste kleijaarde, waardoor de zeegolven, daartegen slaande, door
de gladdigheit van de wier daar weder afrollen. Zoodat meenigmaal bij
de Staten van den Lande, Plakkaaten en Ordonnantiën op het visschen en
ophaalen van de wier gemaakt zijn." (Toon. der Ver. Ned. door Halma.)
[5] Het grootste gedeelte van den zomer.
[6] In 1847 liet Maarten Gorter een' kuil graven, ter plaatsing van
eenen regenbak, op welks bodem men een melkschuitje, in het strandzand
zittende, vond, waaruit blijkt, dat de oude Wierdijk ongeveer 60
ellen meer binnenwaarts heeft gelegen; terwijl andere personen, mede
bij het graven van putten, den ouden dijk hebben ontdekt, zoodat een
gedeelte van het dorp den Oever op den ouden Wierriem staat.
[7] H.H. Concessionarissen hadden aan genoemden Hoofdopzigter
opgedragen de vervaardiging der plannen, voor de bedijking,
verkaveling, sluis, molen, enz. met de daarbij behoorende begrootingen
en bestekken;--al welke stukken door den Ingenieur van den Waterstaat,
Jonkh. J. Ortt van Schonouwen, (thans Hoofd-Ingenieur) daartoe door
Concessionarissen uitgenoodigd, beoordeeld en goedgekeurd moesten
worden.
[8] Bouwk. Bijdragen, uitgegeven door de Maatschappij tot Bevordering
der Bouwkunst. Deel VIII, 1e stuk, blz. 33.--
[9] In 1676 waren er op Wieringen 6 vogelkooijen, vroeger beliep
dat getal zelfs 13; waarvan de eigenaars of pachters in Hoorn het
domeinregt moesten betalen.
[10] Tot groot nadeel der landerijen, die zoozeer behoefte aan mest
hebben, geven vele landeigenaars aan kinderen van mingegoeden de
vrijheid, om de schapenmest van het land te halen.