15. Polder Waard-Nieuwland.

Het was ten jare 1845, dat de H.H. C. J. L. Portman en Mr. J. van

Hengel, zich tot Z. M. den Koning wendden, met verzoek om concessie,

tot bedijking en droogmaking van een gedeelte der waard-gronden,

gelegen in de Zuiderzee, aan en ten zuiden van dit Eiland, hetgeen

ten gevolge had, dat beide genoemde Heeren, bij Koninklijk Besluit van

den 8sten Sept. 1845, vrijheid verkregen, om 800 bunders waardgrond,

gelegen tusschen de Groote Kaap en den Poelweg, van het domein te

koopen, alsook, om die grondvlakte in twee deelen achtervolgens in

te dijken.--Volgens de voorwaarden daarbij bepaald, zou de rigting

der bedijking aangelegd worden, van den Hoorndijk bij de Groote Kaap,

staande op het oostelijk gedeelte der Zuider-dijkaadje op Wieringen,

langs de waterkaap, tot tegen den Zuiddijk bij het Middel- of Groote

wiel. (Men zie voorts de bij dit werkje gevoegde kaart.)

Deze bedijking zou bestaan uit eenen kapitalen zeedijk, ter lengte

van ongeveer 4684 N. Ellen, welke minstens de hoogte van 2,75 El

boven gewoon volzee moest hebben, met eene kruinsbreedte van 1,50 El.

Voorts werd bepaald dat er, ter verzekering van de uitwatering van

den Stroeër-polder door en ten koste der concessionarissen, van het

Stroeër-sluisje tot den nieuw te maken dijk, langs en op 8 ellen

afstand van den Zuiderdijk van Wieringen, eene geul zoude worden

gegraven, ter breedte op het maaiveld van 6, in den bodem 2, bij eene

diepte van 1 el onder het terrein; terwijl in den te leggen dijk een

steenen uitwateringssluisje moest gebouwd worden, met wachtdeur en

schuif voorzien, welks opening een vierde gedeelte grooter moest zijn,

dan die van het toen reeds bestaande Stroeër-sluisje, en waarvan de

vloer op 1,20 el onder volzee moest leggen. Omtrent de scheiding van

den polder en het Eiland Wieringen, werd vastgesteld, dat er langs

de Zuiderdijkaadje, op 8 ellen uit den voorkant van den bestaanden

wierriem, door den polder zoude gegraven worden eene scheidingsloot,

ter breedte op het maaiveld van 6, in den bodem 2, en ter diepte van

1 el onder het terrein.

Ten opzigte van de bemaling des polders, werd bepaald, dat er zoude

worden gebouwd eenen vijzelwindmolen, wiens vlugt p. m. 20 ellen zoude

moeten beslaan. De daarna gebouwde molen heeft eenen vlugt erlangd

van 23,50 ellen, en kan het water van 2,20 el onder volzee tot O,40

el boven volzee opmalen.--Deze molen voldoet zeer aan de verwachting,

naardien hij het polderwater ruimschoots magtig is, en slechts weinig

wind behoeft, om dienst te doen.--

Het dijkskanaal, waarop de molen uitmaalt, is in twee deelen verdeeld,

door eenen nabij den molen gelegen dwarsdam, waarin een kapitale

duiker is gesteld. Het eerste gedeelte van het kanaal, tusschen

de sluis en den dam, wordt in gewone omstandigheden slechts tot

boezem gebruikt. Zoodra dit deel des kanaals, door hoog buitenwater,

bij aanhoudenden noordwestenwind, volgemalen is, wordt de boezem

in gemeenschap gebragt met het tweede gedeelte van het kanaal,

waardoor dus de molen steeds malende kan blijven, zoodat het hoogst

zeldzaam gebeurt, dat deze, door te hoogen boezemstand, genoodzaakt

is stil te staan. Deze inrigting van het kanaal is ook vooral daarom

aanbevelingswaardig, omdat men het tweede gedeelte ook als waterberging

voor den polder kan aanwenden.--

De sluis bevat twee waterwegen of openingen, waarvan eene voor het

water van den Stroeërpolder, en de andere voor dat van den polder

Nieuwland zelve. Zij ligt in het hart des dijks, aan het oosteinde,

nabij de Groote Kaap.--De bovenkant van haren vloer ligt op 1,75 el

onder volzee, terwijl de openingen, ieder ter breedte van 1,45 el,

met tongewelven van eenen halven cirkel gedekt, en bij wijze van

ezelsrug aangerazeerd zijn.--

Het terrein, waarop de dijk werd aangelegd, had van het westeinde

tot de Waterkaap eene gemiddelde diepte van O,78, van de Waterkaap

tot aan den molen, eene gem. d. van O,88, en daarna tot aan de

oostelijke aansluiting bij de Groote Kaap, een gem. d. van O,84 el,

onder volzee.--

Nagenoeg door het midden des polders is eene hoofdweg aangelegd,

ter breedte van 8 ellen, aan beide zijden waarvan sloten gegraven

zijn, van welke de noordelijke 5, en de zuidelijke 2 el diep is. Deze

hoofdweg is aan het oost- en westeinde door dwarswegen, de Ooster-

en Burgerweg genoemd, in verbinding gebragt, met de wegen des Eilands,

terwijl er bij de verkaveling nog een dwarsweg is opgeworpen naar de

Waterkaap, waarvan echter geen algemeen gebruik wordt gemaakt.

De polder, welke over het geheel zeer vlak gelegen is, en waarin

geene zwimmen gevonden worden, is verdeeld in 21 kavels, nagenoeg

ter grootte van 20 bunders, terwijl deze weder verkaveld zijn tot

stukken van 5-10 bunders, ter keuze van de toenmalige eigenaren.--

Bij de perceelsgewijze meting in 1849, door den even bekwamen als

werkzamen Hoofdopzigter, den Heer P. van der Sterr, [7] onder wiens

leiding al deze bedijkingswerken en bijbehoorende werkzaamheden,

zijn uitgevoerd geworden, bleek de oppervlakte des polders te zijn,

477 bunders 6 roeden en 20 ellen.--

Den 1sten October 1845 werd voorloopig, en onder nadere goedkeuring,

aanbesteed, het maken van den dijk en de boezemkaden, en de verkaveling

des polders, welke werkzaamheden den 13den Februarij 1846 definitief

werden toegewezen aan de aannemers, J. van Haaften, A. Prins Cz. en

Adr. W. Schram.

Reeds in Maart daaraanvolgende, werd met de uitvoering dezer werken

begonnen, welke derwijze werd bespoedigd, dat de polder reeds den 18en

Junij 1846 geheel van de zee was afgesloten, terwijl de geheele lengte

dijk, bedragende 4707 ellen, den 7den September gereed, opgenomen en

goedgekeurd was.

Bij het graven van het kanaal is menig voorwerp van vroegeren oorsprong

gevonden; o. a. aan het westeinde, circa 2 el onder het terrein,

worteleinden van boomen, O,50 el in diameter, een geheel hertengewei,

en zware keisteenen; op ongeveer 13,00 el van het westeinde, 1 el onder

het terrein, een houten duiker, lang 8 el, wijd O,60 vierkant. Tusschen

de waterkaap en den molen vond men op 1,80 onder het terrein beenderen,

onderanderen een paarden- en een ossenkop; en even beoosten die Kaap,

O,80 el onder het terrein, vier gemetselde penanten, een geregeld

vierkant vormende, onderling 2,50 el van elkander, ieder zwaar in

aanleg 1,20 el, boven O,70 el en hoog O,70 el.

De polder Waard-Nieuwland, aldus ingedijkt, is sedert 1847 geregeld in

bebouwing gebragt en bevat reeds eenige belangrijke bouwhoeven. Deze

polder is in vroeger tijd reeds bedijkt geweest; men vindt hem als

zoodanig nog op de oude kaarten van het Collegie der uitwaterende

sluizen in Kennemerland en West-Friesland voorgesteld, en wel in eene

rigting, als door de gestippelde lijn op de, bij dit werkje gevoegde,

kaart is aangewezen. Blijkens de vele daarin voorkomende wielen, is

deze dijk meermalen doorgebroken, en het laatst op den 16den Februarij

1683, als wanneer men den polder ter oppervlakte van 1800 geersen of

ruim 500 bunders aan de golven schijnt te hebben prijs gegeven [8].

Den polder verlatende, komen wij, langs den Burgerweg en Koningsweg,

tot de hoofdplaats des Eilands

Het Eiland Wieringen en Zijne Bewoners · 第 34 / 44 题