Het was ten jare 1845, dat de H.H. C. J. L. Portman en Mr. J. van
Hengel, zich tot Z. M. den Koning wendden, met verzoek om concessie,
tot bedijking en droogmaking van een gedeelte der waard-gronden,
gelegen in de Zuiderzee, aan en ten zuiden van dit Eiland, hetgeen
ten gevolge had, dat beide genoemde Heeren, bij Koninklijk Besluit van
den 8sten Sept. 1845, vrijheid verkregen, om 800 bunders waardgrond,
gelegen tusschen de Groote Kaap en den Poelweg, van het domein te
koopen, alsook, om die grondvlakte in twee deelen achtervolgens in
te dijken.--Volgens de voorwaarden daarbij bepaald, zou de rigting
der bedijking aangelegd worden, van den Hoorndijk bij de Groote Kaap,
staande op het oostelijk gedeelte der Zuider-dijkaadje op Wieringen,
langs de waterkaap, tot tegen den Zuiddijk bij het Middel- of Groote
wiel. (Men zie voorts de bij dit werkje gevoegde kaart.)
Deze bedijking zou bestaan uit eenen kapitalen zeedijk, ter lengte
van ongeveer 4684 N. Ellen, welke minstens de hoogte van 2,75 El
boven gewoon volzee moest hebben, met eene kruinsbreedte van 1,50 El.
Voorts werd bepaald dat er, ter verzekering van de uitwatering van
den Stroeër-polder door en ten koste der concessionarissen, van het
Stroeër-sluisje tot den nieuw te maken dijk, langs en op 8 ellen
afstand van den Zuiderdijk van Wieringen, eene geul zoude worden
gegraven, ter breedte op het maaiveld van 6, in den bodem 2, bij eene
diepte van 1 el onder het terrein; terwijl in den te leggen dijk een
steenen uitwateringssluisje moest gebouwd worden, met wachtdeur en
schuif voorzien, welks opening een vierde gedeelte grooter moest zijn,
dan die van het toen reeds bestaande Stroeër-sluisje, en waarvan de
vloer op 1,20 el onder volzee moest leggen. Omtrent de scheiding van
den polder en het Eiland Wieringen, werd vastgesteld, dat er langs
de Zuiderdijkaadje, op 8 ellen uit den voorkant van den bestaanden
wierriem, door den polder zoude gegraven worden eene scheidingsloot,
ter breedte op het maaiveld van 6, in den bodem 2, en ter diepte van
1 el onder het terrein.
Ten opzigte van de bemaling des polders, werd bepaald, dat er zoude
worden gebouwd eenen vijzelwindmolen, wiens vlugt p. m. 20 ellen zoude
moeten beslaan. De daarna gebouwde molen heeft eenen vlugt erlangd
van 23,50 ellen, en kan het water van 2,20 el onder volzee tot O,40
el boven volzee opmalen.--Deze molen voldoet zeer aan de verwachting,
naardien hij het polderwater ruimschoots magtig is, en slechts weinig
wind behoeft, om dienst te doen.--
Het dijkskanaal, waarop de molen uitmaalt, is in twee deelen verdeeld,
door eenen nabij den molen gelegen dwarsdam, waarin een kapitale
duiker is gesteld. Het eerste gedeelte van het kanaal, tusschen
de sluis en den dam, wordt in gewone omstandigheden slechts tot
boezem gebruikt. Zoodra dit deel des kanaals, door hoog buitenwater,
bij aanhoudenden noordwestenwind, volgemalen is, wordt de boezem
in gemeenschap gebragt met het tweede gedeelte van het kanaal,
waardoor dus de molen steeds malende kan blijven, zoodat het hoogst
zeldzaam gebeurt, dat deze, door te hoogen boezemstand, genoodzaakt
is stil te staan. Deze inrigting van het kanaal is ook vooral daarom
aanbevelingswaardig, omdat men het tweede gedeelte ook als waterberging
voor den polder kan aanwenden.--
De sluis bevat twee waterwegen of openingen, waarvan eene voor het
water van den Stroeërpolder, en de andere voor dat van den polder
Nieuwland zelve. Zij ligt in het hart des dijks, aan het oosteinde,
nabij de Groote Kaap.--De bovenkant van haren vloer ligt op 1,75 el
onder volzee, terwijl de openingen, ieder ter breedte van 1,45 el,
met tongewelven van eenen halven cirkel gedekt, en bij wijze van
ezelsrug aangerazeerd zijn.--
Het terrein, waarop de dijk werd aangelegd, had van het westeinde
tot de Waterkaap eene gemiddelde diepte van O,78, van de Waterkaap
tot aan den molen, eene gem. d. van O,88, en daarna tot aan de
oostelijke aansluiting bij de Groote Kaap, een gem. d. van O,84 el,
onder volzee.--
Nagenoeg door het midden des polders is eene hoofdweg aangelegd,
ter breedte van 8 ellen, aan beide zijden waarvan sloten gegraven
zijn, van welke de noordelijke 5, en de zuidelijke 2 el diep is. Deze
hoofdweg is aan het oost- en westeinde door dwarswegen, de Ooster-
en Burgerweg genoemd, in verbinding gebragt, met de wegen des Eilands,
terwijl er bij de verkaveling nog een dwarsweg is opgeworpen naar de
Waterkaap, waarvan echter geen algemeen gebruik wordt gemaakt.
De polder, welke over het geheel zeer vlak gelegen is, en waarin
geene zwimmen gevonden worden, is verdeeld in 21 kavels, nagenoeg
ter grootte van 20 bunders, terwijl deze weder verkaveld zijn tot
stukken van 5-10 bunders, ter keuze van de toenmalige eigenaren.--
Bij de perceelsgewijze meting in 1849, door den even bekwamen als
werkzamen Hoofdopzigter, den Heer P. van der Sterr, [7] onder wiens
leiding al deze bedijkingswerken en bijbehoorende werkzaamheden,
zijn uitgevoerd geworden, bleek de oppervlakte des polders te zijn,
477 bunders 6 roeden en 20 ellen.--
Den 1sten October 1845 werd voorloopig, en onder nadere goedkeuring,
aanbesteed, het maken van den dijk en de boezemkaden, en de verkaveling
des polders, welke werkzaamheden den 13den Februarij 1846 definitief
werden toegewezen aan de aannemers, J. van Haaften, A. Prins Cz. en
Adr. W. Schram.
Reeds in Maart daaraanvolgende, werd met de uitvoering dezer werken
begonnen, welke derwijze werd bespoedigd, dat de polder reeds den 18en
Junij 1846 geheel van de zee was afgesloten, terwijl de geheele lengte
dijk, bedragende 4707 ellen, den 7den September gereed, opgenomen en
goedgekeurd was.
Bij het graven van het kanaal is menig voorwerp van vroegeren oorsprong
gevonden; o. a. aan het westeinde, circa 2 el onder het terrein,
worteleinden van boomen, O,50 el in diameter, een geheel hertengewei,
en zware keisteenen; op ongeveer 13,00 el van het westeinde, 1 el onder
het terrein, een houten duiker, lang 8 el, wijd O,60 vierkant. Tusschen
de waterkaap en den molen vond men op 1,80 onder het terrein beenderen,
onderanderen een paarden- en een ossenkop; en even beoosten die Kaap,
O,80 el onder het terrein, vier gemetselde penanten, een geregeld
vierkant vormende, onderling 2,50 el van elkander, ieder zwaar in
aanleg 1,20 el, boven O,70 el en hoog O,70 el.
De polder Waard-Nieuwland, aldus ingedijkt, is sedert 1847 geregeld in
bebouwing gebragt en bevat reeds eenige belangrijke bouwhoeven. Deze
polder is in vroeger tijd reeds bedijkt geweest; men vindt hem als
zoodanig nog op de oude kaarten van het Collegie der uitwaterende
sluizen in Kennemerland en West-Friesland voorgesteld, en wel in eene
rigting, als door de gestippelde lijn op de, bij dit werkje gevoegde,
kaart is aangewezen. Blijkens de vele daarin voorkomende wielen, is
deze dijk meermalen doorgebroken, en het laatst op den 16den Februarij
1683, als wanneer men den polder ter oppervlakte van 1800 geersen of
ruim 500 bunders aan de golven schijnt te hebben prijs gegeven [8].
Den polder verlatende, komen wij, langs den Burgerweg en Koningsweg,
tot de hoofdplaats des Eilands