Ballière en Miguel Carril begaven zich op zekeren morgen naar de
kajuit van den kapitein om hun gevangene te bezoeken, die met een
geledigd glas voor zich, aan tafel zat.
Hij was gekleed als een gewoon matroos, maar zijn fijn besneden gelaat
en zijn blanke handen bewezen dat hij niet in de lagere rangen diende.
"Staat gij me toe, heeren," vroeg hij, oprijzend, "eenige oogenblikken
naar het dek te gaan?"
"Met welk doel als ik vragen mag?" vroeg kapitein Ballière.
"Om te zien waarheen wij zeilen."
"Maar dat weet gij toch? Wij beloofden immers den kapitein van uw
schip, van wien wij u ziek overnamen, u te Kaapstad aan wal te zetten."
"Dat hebt gij niet kwaad bedacht, kapitein," luidde lachend het
antwoord. "Maar..... voor ik aan boord, kwam, was mijn bewustzijn
al teruggekeerd, ofschoon ik het u niet liet blijken. Laten wij
openhartig en eerlijk met elkaar spreken. Ik ben uw gevangene
tot.... het eerste Engelsche fregat in het zicht komt. Dan zijt gij
de mijnen en... misschien zeer tot uw nadeel. Beter ware het geweest
mij te laten verdrinken dan mij gevangen te nemen."
"Ik handelde volgens de ingeving van mijn hart," antwoordde Carril,
"en nam u in de boot juist om u niet te laten verdrinken."
"Ik, persoonlijk, ben u er dankbaar voor; of anderen eveneens zullen
oordeelen moeten wij afwachten. Laten wij verstandig met elkaar
spreken, heeren. Gedane zaken zijn niet te veranderen."
"Geschied is geschied" stemde Ballière toe. "Gij schijnt op de hoogte
van alles...."
"Ik was zoo gelukkig te Longwood een strookje papier te vinden,
waarop geschreven stond: "Gereed! op den dag van het inloopen der
"Conqueror...."
"Der "Conqueror"? Maar.... overste....", zeide Ballière verwijtend.
"Pardon, vriendje, niet waar. De naam "Conqueror" was niet genoemd."
"Neen, toch las ik het er uit. "C" kon niet anders verklaard worden,
daar er in de haven geen schip lag of verwacht werd, wiens naam
met een C. begint. Een u. v. m., dus vóór middernacht en ten slotte
"Prosperious", dat moest de Prosperiousbaai zijn."
"Goed uitgelegd," verklaarde de overste. "Ik zelf, kapitein, legde
het strookje papier in de handen van Bertrand. Dat ik den keizer niet
durfde naderen, weet gij."
"Het is de schuld van een der generaals, mogelijk ook die van Napoleon,
dat door onvoorzichtigheid onze plannen verraden zijn."
"Misschien wel," zeide de zeeman, in wien wij Ned Westfield
herkennen. "Ik had even veel deel aan het verijdelen uwer
plannen. Maar, heeren, hebt gij goed de gevolgen bedacht, indien uw
waagstuk had mogen gelukken? Opnieuw zou een ontzettende storm over
Europa zijn losgebroken. Denkt gij werkelijk dat generaal Bonaparte
zich vergenoegd zou hebben met enkel heerscher der Franschen te zijn?"
"Zijn rampen zouden hem wel de oogen hebben geopend," meende Carril.
"Toegegeven. Hij mist echter alle eigenschappen, die iemand tot een
bekwaam en wijs regeerder stempelen, en om zich te handhaven op het
standpunt, waarop hij nu eenmaal wenscht te staan, zou hij zeker
politieke verwikkelingen in het leven hebben geroepen om nogmaals
het zwaard te kunnen trekken. Ik benijd Napoleon zijn roem als
veldheer niet."
"De toestand in Frankrijk is onhoudbaar; overal heerscht
ontevredenheid," zeide Ballière. "Den keizer uit de handen der
Engelschen te redden en hem naar Amerika te brengen was mijn
doel. Later, als de hartstochten wat uitgewoed waren, kon men van
daar de verhoudingen langs diplomatieken weg regelen."
"Alle eer aan uw goede bedoelingen, en alle respect voor uw
aanhankelijkheid aan uw held. Maar ik bezweer u, laat den man aan zijn
noodlot over, die in duizende gevallen bewezen heeft, hoe weinig hem
het leven van anderen deert, indien hij voor zichzelf roem, eer of
voordeel kan behalen."
"Helaas, ja, en toch.....," sprak de overste, een zucht slakend. "Ik
ben geen Franschman, mij bindt een groote schuld der dankbaarheid
aan Napoleon. Voor mij en de mijnen is hij goed geweest, nadat hij
ons het leven en de vrijheid had geschonken."
"Hadt gij uw leven verspeeld?"
"Niet precies!"
"Ik ken nu zoo ongeveer den staat van zaken te St. Helena en onderstel
dat elke poging om den banneling te bevrijden, vruchteloos zal zijn,"
merkte Ballière op.
"Volkomen vruchteloos. Ik erken dat uw plan meesterlijk in elkaar
gezet was en het zou zeker gelukt zijn, indien de wind me dat strookje
papier niet in handen had gespeeld."
"Wanneer gebeurde het?"
"'s Middags. Tijdig genoeg om een spaak in het wiel te steken. Napoleon
werd ten strengste bewaakt en het geven van een signaal verhinderd."
"De afspraak was: een lichtsignaal, voor het geval dat er iets in
den weg kwam," bekende Ballière.
"Gij liet ons dus aan land komen om.....?"
"U gevangen te nemen, overste. Ik lag met twintig man in een hinderlaag
in de Prosperious baai; de booten kwamen niet op den vastgestelden
tijd, waardoor mijn voornemen u te overrompelen, mislukte."
"Toen hebt gij mij aan wal laten komen!"
"Dat moest ik wel. Wat werd er toch tegen mijn hoofd geslingerd
toen ik aan den rand van de rots stond. Ik verloor onmiddellijk
mijn bewustzijn."
"Een handspaak. Vuurwapens zijn bij een dergelijke expeditie niet
te gebruiken."
"En in de verwarring, door mijn plotseling verdwijnen in het water
ontstaan, vergaten de soldaten te schieten?"
"Juist. Toen de eerste schoten vielen, was onze boot met u aan boord
al lang in de duisternis verdwenen. Begrijpend dat wij verraden waren,
aarzelde ik geen oogenblik."
"De manoeuvre is uitstekend bedacht en uitgevoerd! De brik
binnenbrengen zonder dat het op het wachtschip bemerkt werd. En de boot
precies op tijd in de Prosperious baai," zeide Ned, vol bewondering
voor zulk een koenen daad.
"Wij waren den vorigen nacht al op St. Helena. De "Mariëtta" lag voor
Jamestown en lichtte gisterenmiddag het anker."
"Dan bevindt zich de Fransche officier aan boord, dien kapitein Wallis
op het schip liet brengen?"
"Dat was ik," zeide Ballière buigend.
"En dan is de overste misschien wel de Pool Pintkowsky?"
"Ja. Ik....."
"En de papieren van dien Pool?"
"Zijn echt. Zij werden mij kort voor zijn dood door den rechtmatigen
eigenaar, die op den terugtocht van Moskow het leven verloor, ter
hand gesteld om aan zijn familie te bezorgen. Ik kon me niet van
dien opdracht kwijten omdat intusschen al zijn verwanten overleden
waren. De papieren bleven dus in mijn bezit. Al het overige weet gij."
"Behalve waar mijn kleeren en wapens zijn gebleven. De pistolen vooral
zijn mij dierbaar als een aandenken aan mijn vader."
"Ik zag ze niet meer," zeide Carril "maar...."
"Een matroos gaf ze aan mij," viel Ballière hem in de rede. "De
pistolen steken nog in de halters, en zijn evenals uw sabel, natuurlijk
ter uwer beschikking."
"Vriendelijk dank. Maar, heeren, het wordt tijd onze verhouding
onderling te regelen voor een Britsch oorlogsschip ons achterhaalt. Als
een gevangen man kunt gij mij niet behandelen, tenzij gij bekent
zeeroovers te zijn."
"God bewaar ons!" riep Ballière. "Gij zijt vrij en kunt aan land gaan
waar gij verkiest, uitgezonderd te St. Helena en op voorwaarde dat
gij ons geen moeielijkheden berokkent."
"Vaart gij dan zonder doel?" vroeg Ned in zekere spanning.
"Ons plan is mislukt, dus... U ter wille zullen wij naar Kaapstad
zeilen en dan gaan wij terug naar Frankrijk."
"Excuseer me, maar aanhoudend zweeft me een vraag op de lippen. Aan
wie behoort dit schip?"
"De "Mariëtta" is mijn eigendom," zeide de kapitein.
"En wat gaat gij er nu mee doen?"
"Terwille dezer mislukte onderneming zal ik het wel niet behoeven te
verlaten. Mijn schip wordt als ik een koopvaarder."
Op dat oogenblik kwam een oude matroos in de kajuit en meldde dat er
een zeil in 't zicht was in de richting van St. Helena."
"Het is goed," zeide de kapitein, den man wenkend heen te gaan.
"Gij ziet heeren..." sprak Ned lachend.
"Ik begrijp dat wij spoedig moeten onderhandelen," meende Carril,
terwijl Ballière zich het voorhoofd wreef, als wilde hij op die wijze
zijn denkvermogen scherpen. "Worden wij door een fregat opgebracht,"
vervolgde Carril, "dan veroordeelt men ons volgens de Engelsche wet
als hoogverraders en wij betalen onze gehechtheid aan den keizer
verduiveld duur."
"Zonder Bonaparte in eenig opzicht van dienst te zijn geweest,"
voegde Ned er bij.
"Weldra zal het signaal van het fregat klinken, maar de brik is
moeilijk in te halen, niet waar Ballière?"
De kapitein haalde de schouders op.
"De brik zeilt uitstekend," oordeelde Ned. "Wat zullen we doen,
heeren?"
"Hoe is het mogelijk dat het oorlogsschip zoo dichtbij is? Ik kan
het niet gelooven," zeide de kapitein, snel de kajuit verlatende.
"De vraag van den kapitein is gemakkelijk te beantwoorden. Het eerste
schot bracht alles in beweging, mijn troepje soldaten berichtte
natuurlijk ten spoedigste het voorgevallene en vijf minuten later
bulderde het kanon te Ladderhill aan gene zijde van Jamestown."
"Wat raadt gij te doen?"
"Geef mij het recht om te handelen, overste. U zoudt me een grooten
dienst kunnen bewijzen en uit dankbaarheid wil ik u gaarne uit deze
ongelegenheid redden. Ik vraag u mij voor eenigen tijd de "Mariëtta"
af te staan om een voor mij gewichtig doel te kunnen bereiken. Doe
het..... en gij zijt buiten gevaar."
"Gaarne wil ik u van dienst zijn, maar het schip behoort niet aan mij."
"Ik zeide u reeds, dat ik de eigenaar van de "Mariëtta" ben," merkte
de kapitein op, die juist binnen kwam.
"Ik weet het en vertelde aan uw vriend op welke wijze gij aan de
moeilijkheden kunt ontsnappen."
"Onze gast, zóó mag ik u immers noemen, wenscht over uw brik te
beschikken om een doel, dat alleen hem persoonlijk aangaat, na
te jagen."
"Natuurlijk tegen behoorlijke vergoeding," haastte Ned zich er bij
te voegen.
"Ook zonder dat, mijn vriend! Ik ben rijk genoeg om u een jaar lang
rond de heele wereld te varen."
"Is het u ernst, dan de hand er op; over de betaling spreken wij
later."
Met een stevigen handdruk werd de belofte bezegeld; op hetzelfde
oogenblik klonk een kanonschot.
"Het sein om bij te leggen," zeide kapitein Ballière.
"Wees zoo goed de noodige bevelen te geven, kaptein. Het overige
bespreken wij later. Mijn uniform zal te nat zijn om aan te trekken,
jammer genoeg. Laat ze alsjeblieft op het dek te kijk liggen; ingeval
een mij onbekend officier aan boord komt, moet ze mijn identiteit
bewijzen."
Zonder een woord te verspillen, ging Ballière naar het dek.
"U, overste, moet ik mijn excuses aanbieden. Gij zijt passagier op
deze brik en zonder rekening te houden met uw wenschen, heb ik er
bezit van genomen."
"Ik heb maar een vriend meer..... Ballière. Waarheen hij gaat, trek
ik gaarne mee."
Het oorlogsschip bleek de "Podargus" van kapitein Wallis te
zijn. Zonder veel moeite wist Ned hem te bewegen om terug te keeren
en dank zij zijn onderhandelingen met den visiteerenden officier
kon de "Mariëtta" haar reis vervolgen. Eindelijk dacht men er aan
zich aan elkander voor te stellen en nu bleek het, dat de jonge Lord
in den overste, die zich bekend maakte als reisgezel van Neds vader
in Argentinië, en in den flinken kapitein helpers had gevonden, die
zijn zaak tot de hunne maakten en voor geen moeite terugdeinsden om
de geroofde steenen weer te vinden.
Op den tocht naar Kaapstad leerde het drietal elkaar kennen en
waardeeren. Ballière verhaalde van zijn vele zeereizen; Carril
schilderde zijn veelbewogen leven, zijn ontmoeting met Westfield in
de Argentinische pampa's, de reis naar La Plata en het overlijden van
Neds vader; de luitenant deelde zijn ervaringen mede en toen men het
doel van de reis naderde, was tusschen de drie mannen, ondanks hun
verschil in leeftijd, een onverbreekbare vriendschapsband gesloten.
De voorvallen der laatste weken besprekend, bleek het dat de "Mariëtta"
de brik was geweest, die aan de Westkust van Afrika herhaaldelijk de
aandacht der bemanning van de "Magada" had getrokken.
Miguel verheugde zich van ganscher harte op het weerzien van Pedro,
en was niet weinig nieuwsgierig of deze ook berichten omtrent den
blonden Charles had ingewonnen. Ned vertelde dat hij uit den mond van
Jim had vernomen, hoe de arme stakkert te Portsmouth met een zekeren
José had gevochten en door dezen was vermoord.
"José, altijd weer José," riep Miguel, van zijn stoel opspringend
en snel heen en weer loopend. "José, of het dezelfde schurk zou
geweest zijn?"
Op zekeren middag liep de "Mariëtta" Kaapstad binnen. Neds geoefend
oog vloog over de voor anker liggende schepen, maar de "Magada" was er
niet bij. De vrienden hadden reeds vastgesteld hoe men in dit geval
zou handelen om den minst mogelijken tijd te verliezen. Zoodra de
brik geankerd was, voeren twee booten tegelijk naar den wal. In de
eene bevonden zich Ned en Carril; in de andere de tweede stuurman,
met order vleesch, vruchten en water te halen en zoo spoedig
mogelijk terug te komen. Westfield begaf zich naar het bureau van de
havenpolitie om nauwkeurige inlichtingen omtrent den Oost-Indiëvaarder
in te winnen; Carril trachtte hetzelfde doel op het kantoor van de
Britsch-Oost-Indische Compagnie te bereiken. Ongeveer een uur later
ontmoetten zij elkaar weer bij hun boot. Ned wist dat de "Magada"
een halven dag in de tafelbaai had gelegen; de overste berichtte dat
er maar één boot aan wal was geweest om vleesch en water op te doen.
Volgens opgaaf van den havenmeester was de "Magada" acht en veertig uur
geleden uitgezeild. De "Mariëtta" kon de oude kast spoedig inhalen,
dus steeg men weer in de booten en weldra was de brik op weg om den
Oost-Indiëvaarder te zoeken.
Met gunstig weer zeilde men de kaap om, daarna wisselden storm en
onweer elkaar af, tot eindelijk de lucht helder en het water kalm
werd. Op den vijfden dag was de "Magada" in 't zicht en bleef de
"Mariëtta" haar op een afstand volgen.
Na de gevangenneming van Ned Westfield was er op de "Magada" niets van
belang voorgevallen. Er werd geschertst, gelachen, en kaart gespeeld
als te voren; geen andere afwisseling was er in het eentonige leven
geweest, dan een onweer en het korte verblijf in Kaapstad.
De rechter en mijnheer Hyde waren gaarne aan land gegaan, maar
stuurman Frog had het beslist geweigerd op grond dat er te Cameroen
te veel tijd verloren was gegaan. Zelfs de krankzinnige kapitein was
aan boord gebleven.
Eenige dagen later waren Tom, James en Pedro tot het besluit gekomen
aan den flinken mijnheer Hyde, den man van rijpe ervaring, hun geheim
mede te deelen. Tom had dus den ouden planter verteld wie Ned, James,
Pedro en hij zelf waren. Deze had den pseudomissionaris op den schouder
geklopt en lachend gezegd:
"Dat uw zuchten niet de verdorvenheid der menschen golden, begreep
ik al lang, maar..... mijn hand er op, gij kunt op mij rekenen."
Met een woord van lof besprak hij Neds handelwijze, die zoo nabij
het doel, de vervolging had opgegeven, om zijn vriend van nut te
kunnen zijn.
"Dan zullen wij met nog meer ijver waken," voegde hij er bij. "Tast
gij nog altijd in het duister, of zijn de daders bekend?"
"Ja, en de steenen zijn aan boord. James weet het zeker. De wilde
Jim is de eene dief; Pedro kent den anderen. Maar hij wil den naam
niet noemen uit vrees dat er iets verraden zal worden."
"We moeten hoogst voorzichtig zijn. Want al pakken wij de dieven,
dan kunnen toch de diamanten verloren gaan."
"Vervolgens," ging Tom voort, "wacht ons bij de eerste gelegenheid
een..... oproertje. Tijdens uwe afwezigheid--destijds in de
Cameroenmonding--scheelde het niet veel of bij uwe terugkomst waren
onze stukken van waarde, het grootste deel der manschappen en een
boot verdwenen geweest. Had Pedro niet zoo handig gebruik gemaakt
van dien dwazen streek van kapitein Harryson, dan hadt gij wel het
schip maar uw effecten niet meer teruggevonden."
"Gij vergeet het alarmschot van den tweeden stuurman."
"Wij schoten het af, Westfield en ik. Wij wisten van Pedro, dat er
iets gaande was. Deze heette en heet nog bij de kwaadgezinde matrozen
te behooren.
"Kent gij de matrozen?"
"Zeker. Te Cameroen bleek wie zich bij de bende heeft aangesloten."
"Gelooft gij werkelijk dat er ernstige dingen zullen gebeuren?"
"Een muiterij, of juister gezegd, een diefstal door ons eigen volk
op ons eigen schip. Jim staat aan het hoofd en hoopt in de algemeene
verwarring zijn medeplichtige aan den diefstal der diamanten om het
leven te brengen, teneinde de steenen voor zich alleen te kunnen
houden. Ook uw bezittingen loopen gevaar...."
"Ik heb niet veel van waarde bij me. De kredietbrieven worden alleen
aan mij persoonlijk uitbetaald, en iedereen kent mij in Indië,"
beweerde mijnheer Hyde lachend.
"Voorts de schatten van Sir Cook....."
"Ja, hij mag wel op zijn hoede zijn. Trouwens zijn Maleische bediende
bewaakt hem met argusoogen. Wanneer wacht ons die verrassing?"
"Wij naderen langzamerhand het doel van onze reis, lang kan het niet
meer uitgesteld worden, mogelijk bij den eersten storm....."
De "Magada," gevolgd door de "Mariëtta," was reeds Mauritius en
Rodriguez gepasseerd, toen men op den Oost-Indiëvaarder de brik
bemerkte. Jim zwoer bij hoog en bij laag dat het de zeeroover uit
de Cameroenmonding was. Ook Tom herkende de brik, en Frog, wien het
eveneens verdacht voorkwam, liet het schip scherp gadeslaan.
De toestand aan boord werd steeds zorgwekkender. De bevelen van Frog
werden nauwelijks, die van den tweeden stuurman in 't geheel niet
gehoorzaamd. Een scheepsjongen verpleegde den zieken kapitein dag
en nacht; James was het toezicht opgedragen, een postje waarmee hij
zich tevreden stelde omdat het hem gelegenheid schonk het scheepsvolk
te spionneeren.
Pedro was natuurlijk op de hoogte van alles.
"Eerdaags moet het gebeuren," had Jim gezegd. "De Kaap hebben wij
achter den rug, vóór Ceylon moet de "Magada" schipbreuk lijden."
"Hm," had Pedro geantwoord. "Is de tijd er, dan ben ik op mijn
post. Dat weet je."
Na eenige dagen gunstig weer gehad te hebben, brak een hevig onweer
los. Met den nacht vermeerderde het gevaar. De lucht zag roetzwart,
de zee stond buitengewoon hol, de wind huilde ontzettend. Hemelhooge
golven bedreigden het schip, de regen plaste met stroomen neer,
de storm bracht met reuzengeweld de zee in beroering.
Behalve Tom en mijnheer Hyde waagde geen der passagiers zich aan dek.
"Ik vrees het ergste," zeide Hunter tot zijn vriend. "Frog is blijkbaar
tegen dezen toestand niet opgewassen en het volk gehoorzaamt niet
vlug genoeg."
De planter verzocht hem, zoo de nood steeg, zijn incognito op te
offeren en zelf het roer in handen te nemen. Tom haalde de schouders
op, maar ging toch, vergezeld van zijn vriend, naar den stuurman. De
brik hield blijkbaar een andere koers, hoe Tom ook tuurde er was
niets van haar te bespeuren, en zonder licht zou ze bij zoo'n storm
niet varen,
"Misschien schipbreuk geleden?" opperde mijnheer Hyde.
"Of zij houdt den goeden koers en wij niet, wat waarschijnlijker is."
"En kunnen wij geen ongelukken krijgen?"
"Ik heb geen kaarten en weet niets van geographische lengte en breedte
van dit gedeelte van den oceaan. Zijn wij buiten den koers geraakt,
dan bestaat er veel kans op een klip te stooten," luidde het antwoord.
"Een prettig vooruitzicht! De zeeroovers zullen wel knappe zeelui
aan boord hebben, dus zijn wij uit den koers....."
Een geweldige golf, het schip omhoog heffend, brak zijn woorden af.
"Neem het roer, Hunter, of 't loopt slecht af."
Tom aarzelde even en liet er beslist op volgen: "Er is niets te
doen. De zeilen zijn neer, de man aan het roer heeft een ijzeren
vuist..... Frog weet de breedte....."
Op hetzelfde oogenblik schoot de "Magada" als een pijl tusschen twee
hooge golven.
"Denk eens, de wilde Jim is stuurman," waarschuwde mijnheer Hyde.
"Hij is beter stuurman dan Frog. Wil hij ons ten verderve voeren,
dan....."
Een geweldige stoot deed het schip schudden. Het voorste gedeelte
omhoog, de zijkanten door de golven gebeukt, was het op een rif
geworpen.
Een kreet van ontzetting klonk uit de kajuit, de ontsteltenis der
passagiers was onbeschrijfelijk.
Tom zag met één enkelen blik op Jims gelaat de duivelsche vreugde over
het gelukken van zijn werk, toen snelde hij met Hyde naar beneden om te
trachten de passagiers, die der vertwijfeling nabij waren tot bedaren
te brengen. Het was een verschrikkelijke nacht. Tom en zijn vriend, de
dokter en Frog hadden al hun overredingskracht noodig om te voorkomen
dat de passagiers in de booten sprongen en zich toevertrouwend aan de
golven, een zekeren dood te gemoet gingen. Tegen den morgen ging de
wind liggen, de zon verrees stralend in het Oosten en joeg de laatste
wolken van den horizon. Toen bleek dat de "Magada" tusschen twee
koraalriffen als vastgeschroefd zat; van loskomen was geen sprake; het
schip had zijn laatste reis gedaan. Hoewel er geen onmiddellijk gevaar
bestond, tenzij de storm opstak en het vernielingswerk voortzette,
moest er toch beraadslaagd worden hoe men handelen zou.
Intusschen was het helder dag geworden en had Tom heel veraf in het
Noorden een strookje land ontdekt. Deze mededeeling werd met gejuich
begroet, ofschoon niemand weten kon of het een bewoond en vruchtbaar
eiland was of een verlaten, dor plekje grond. Een deel der matrozen
leunde tegen de borstwering, de anderen stonden in een groepje bij
elkaar. Jim naderde het clubje, bij wie Pedro zich had aangesloten.
"Wat denk je, Jim?" vroeg een der bondgenoten.
"Precies wat ik zeide. Wij zijn dicht bij de Tschagos-eilanden. Kom
mee naar het voordek om onze zaak te bespreken."
"De kast zit als een muur, jongens," begon Jim. "Willen wij de boot
nemen en de passagiers vriendelijk vragen ons hun schatten, geld,
enz. cadeau te doen?"
"Best!"..... Waarom wachten?..... Niet uitstellen," klonk het door
elkaar.
"Halt, kameraden! Bill en Dick, houdt de ezelskoppen, die niet wilden
meedoen, op eenigen afstand. Zij behoeven niets te weten. Dus jongens,"
vervolgde Jim, "zullen wij het masker afwerpen?"
Een "ja" door veel stemmen geuit, was het antwoord.
"Een woordje, jongens," mengde Pedro zich in het gesprek. "Kom wat
naderbij, zóó. Luister een oogenblik naar mij. Ik ben geen heethoofd
meer en heb reeds veel beleefd."
"Ja, ja! Pedro moet ook zijn meening zeggen."
"Nu clan, op die oude kast kunnen wij niet blijven, wij zoomin als de
passagiers. Zonder weerstand bieden zullen zij zich niet overgeven
en gebruiken wij geweld, dan gaat mogelijk menig onzer naar den
duivel. Zij zijn talrijk en hebben pistolen."
"Niet meer aarzelen! .... Nu is het tijd!..... Het juiste
oogenblik!" riepen eenigen, doch anderen zeiden: "Laat hem uitspreken."
"Als gij niet luisteren wilt, laat het dan," zeide Pedro, de schouders
ophalend.
"Neen, Pedro zal spreken," besliste Jim. "Hij is voorzichtig en dat
kan geen kwaad."
"Ik moest je eigenlijk dien streek alleen laten uitvoeren!" bromde
Pedro. "Luister! Uitstellen tot vannacht is mijn raad. Wij allen
moeten vandaag nog naar het eiland. De eerste storm--en wie weet hoe
gauw die komt--slaat de kast uit elkaar. De passagiers zullen wel
oppassen hun stukken van waarde niet aan boord te laten.... Wat gaat
stuurman Frog daar doen?" viel hij zichzelf in de rede.
"Bemoei je niet met hem. Spreek maar!"
"Wij zorgen dat de passagiers met al hun koffers aan land komen en
als alles daar ginds is, dan.... nu.... dat behoef ik niet te zeggen."
"Dan nemen wij wat ons goed dunkt, laden de booten vol en
dan.... vooruit naar Diego Garcia," voegde Jim er bij. "Jongens,
zoo zullen wij het doen."
"Alsof de passagiers aan land gewillig zullen afstaan wat ze aan
boord met pistolen verdedigen!" spotte een hunner.
"Neen," antwoordde Jim, "maar als zij slapen zijn ze in onze macht."
Frog had de passagiers op de kaart laten zien waar ze zich bevonden en
met de grootste vriendelijkheid medegedeeld, dat de groep der Tschagos
eilanden een Engelsche bezitting was, die van Mauritius uit geregeerd
werd; dat de meeste eilanden niet bewoond waren en het grootste Diego
Garcia heette.
Maar wat hielp dat alles?
Mijnheer Hyde had hem geducht de waarheid gezegd en nabob Cook hem nog
scherper onderhanden genomen. Frog had getracht met allerlei argumenten
de verantwoordelijkheid voor de ramp van zijn schouders te schuiven,
maar toen was Tom opgesprongen en had hem kort en bondig, op echte
zeemansmanier gezegd, dat hij--Frog--een kwast en een lichtzinnige
patroon was; dat de schipbreuk niet zou hebben plaats gehad als de
stuurman van de "Magada" zijn plicht had gedaan, en dat het den schijn
had alsof men het schip met opzet had laten vastloopen.
Frog was woedend uitgevaren, waarop Tom eenvoudig had geantwoord,
dat zijn beschuldiging op goede gronden berustte en hij nu van den
stuurman eischte alles te doen wat in zijn vermogen was om nog grooter
rampen te voorkomen.
"Ik ben," vervolgde Tom, "zooals mijnheer Hyde bevestigen kan,
eerste luitenant bij de Britsche marine en wil u met raad en daad
bijstaan. Mijn naam moogt gij ook weten, want te Madras ga ik toch
aan boord van het daar gestationeerd oorlogsschip. Wees zoo goed,
mijnheer Hyde, den stuurman mijn naam te zeggen."
Bij deze woorden nam Tom zijn breedgeranden hoed af, trok zijn pruik
van zijn hoofd en zijn valschen baard van zijn gezicht.
"Tom Hunter, luitenant bij de Britsche marine," stelde de planter voor.
Frog was doodsbleek geworden bij het hooren van dien naam en het zien
van Toms gelaat.
"Dus...," stamelde hij, "zijt gij de vluchteling?"
"Ja, ik! Gij weet de reden van mijn incognito en óók dat ik niets
gedaan heb, strijdig met de begrippen van eer."
"En... de gevangengenomen valsche Hunter?"
"Mijn vriend is eveneens zeeofficier. Maar nu aan het werk."
Frog wist geen uitweg meer. De matrozen stonden er om heen en wachtten
op de dingen, die komen zouden.
"De nood dwingt ons het schip te verlaten," begon Frog.... "Gelukkig
ligt dicht hierbij een eiland, waarheen wij ons begeven kunnen. Ik
zal naar Diego Garcia zenden om een vaartuig."
Deze maatregel bleek echter onnoodig, daar er genoeg booten voorhanden
waren. Met behulp van eenige matrozen zocht nu Tom een doorgang
tusschen de klippen en Frog gelastte den passagiers hun goederen bij
elkaar te pakken. Toen werd,--trots de tegenkanting van Nabob Cook,
die meende met zijn dochter het eerst aan de beurt te zijn--door
het lot de volgorde beslist, waarin de passagiers zouden worden
overgebracht. Geen enkele matroos was weerspannig: eenige deden hun
werk uit plichtgevoel, andere om voor hen gewichtige redenen.
Het eiland was onbewoond, maar gelukkig niet dor of woest. Kokospalmen
vond men er in overvloed, ook aan bosschages ontbrak het niet. Een
aantal groene schildpadden kropen rond en eenige papegaaien vlogen
hoog in de lucht. Tom had met de eerste boot stokken, zeilen en
hangmatten medegegeven, en de noodige levensmiddelen voor de personen
die overgebracht werden.
Mijnheer Hyde liet dicht bij den oever van de stokken en zeilen
tenten opslaan, hing de hangmatten tusschen de palmen, verzocht de
aanwezigen dorre takken te willen verzamelen om een vuur te kunnen
branden en zond den kok met het hengelgerei naar het strand.
De reizigers, die op den Oost-Indiëvaarder volstrekt niet verwend
waren, voelden zich des avonds recht op hun gemak. De zeevisch smaakte
heerlijk, in de tenten waren van mollige dekens bedden gespreid,
die tot een zoeten sluimer noodden, waaraan allen, na de doorgestane
angsten en vermoeienissen behoefte hadden. Zoodra het avondmaal
gebruikt was, namen de schipbreukelingen de tenten en hangmatten in
bezit en weldra was het kamp in diepe rust verzonken.
Pedro had James ingefluisterd welke plannen er voor den nacht gemaakt
waren en deze had ze weer aan Tom medegedeeld. Frog had gelast,
dat, zoolang een verblijf op de "Magada" niet levensgevaarlijk was,
er dag en nacht in den mastkorf uitkijk moest gehouden worden. Had
men het geluk een schip te zien, dan zou onmiddellijk een kanonschot
worden gelost.
Bill en Pedro werden den eersten nacht naar het schip gezonden. Bill
wilde zich verzetten maar Jim wenkte hem te gehoorzamen en fluisterde
hem in, dat de bondgenooten hem en Pedro zouden afhalen als ze 's
nachts het eiland verlieten. Verder droeg Jim hem op de koffers, die
nog aan boord waren nauwkeurig te onderzoeken, wat er van waarde was in
de boot te brengen en deze verder met levensmiddelen te vullen. Op hun
tocht naar het schip verdeelden Bill en Pedro de werkzaamheden en de
laatste, vreezend dat de zeeroovers hen zouden zoeken, wees er op hoe
geraden het was het bevel om uitkijk te houden te gehoorzamen. Bill
maakte geen tegenwerpingen meer en aan boord gekomen, begon hij
dadelijk de kisten en koffers open te maken en den inhoud na te
zien. Het was al tamelijk donker en opdat niets zijn spiedenden blik
zou ontsnappen, stak hij een groote scheepslantaren aan. Pedro had
op een kist plaats genomen en op een stuk scheepsbeschuit knabbelend,
zeide hij hoofdschuddend:
"Wat zullen de passagiers wel zeggen, als ze hun goederen zoo door
elkaar gegooid weervinden?"
"Als zij ze weervinden! Onze kameraden nemen vannacht al de booten
mede. Hoe zullen ze dan op het wrak komen?"
"Mogen wij die ongelukkige menschen aan hun lot overlaten?" vroeg
Pedro.
"Wat zou dat! Er komen schepen genoeg voorbij, die hen zullen
opnemen. Eten is er voldoende op het eilandje. Wij moeten toch tijd
hebben om ons hier of daar te verbergen."
"Hum, hum, ten minste als alles goed gaat."
Pedro klom naar boven, in de mastkorf om zich te vergewissen of
de ellende der schipbreukelingen nog verhoogd zou worden door een
overval der piraten. Ondanks de duistere lucht zagen zijn geoefende
zeemansoogen een zeil en zoodra hij er den verrekijker op richtte,
bleek hem dat het schip langzaam het eiland naderde.
"Alle duivels!" bromde Pedro, "waarachtig de zeeroover.... ken de
brik uit honderden.... zij is het.... geen twijfel mogelijk. De
piraat weet dat wij hier zijn.... heeft zeker vandaag reeds
gespionneerd.... Wat te doen? Waarschuw ik de matrozen.... en de
passagiers.... dan zal Jim met zijn bende het plunderen laten en.... de
piraten het doen.... Hum.... Bills lantaren hebben ze natuurlijk
gezien.... hierheen komen ze.... dat staat vast! Hum.... Misschien
kan ik ze in verkeerden koers sturen.... Hum ...."
De "Mariëtta" had eveneens een zwaren strijd met de elementen gevoerd,
maar bemand met knappe zeelui en bestuurd door een bekwamen hand
was ze voor ongelukken gespaard gebleven. Ned, niet twijfelende
of de muiters zouden in dien stormnacht hun misdadige plannen ten
uitvoer brengen, had voorgesteld, zoodra het weer bedaard was, de
"Magada" te gaan zoeken. Spoedig was zij gevonden. Zonder door de
bemanning of de passagiers bemerkt te zijn, was de "Mariëtta" zoo
dicht de plaats des onheils genaderd, dat Ned met behulp van zijn
verrekijker den toestand kon waarnemen. De brik stevende terug, kwam,
nu de avond gevallen was weer in 't zicht en wierp op eenigen afstand
van de gestrande "Magada" het anker uit. Twee sloepen, van geschut
voorzien werden neergelaten; in de eene stapten Miguel en Ned, gevolgd
door tien matrozen, allen goed gewapend; de tweede bleef liggen,
gereed om te hulp te komen zoodra het afgesproken sein gegeven zou
worden. Ned liet de roeispanen omwoelen en onhoorbaar gleed de sloep
over de golven. Toen ze het wrak bereikt hadden, was er geen licht
te bespeuren, geen geluid te vernemen.
"Boot ahoy" riep Ned.
Geen antwoord.
"Zouden allen aan land zijn gegaan?" vroeg Miguel.
"Er is zeker nog een wacht aan boord. Een schip als dit, dat het nog
zeker lang houden kan, verlaat men niet voor den tijd," waagde een
oude matroos op te merken.
"Jongens", riep Ned luid, "wie heeft de wacht! Bill? of de wilde
Jim? Is Pedro er niet of James, de brompot?"
"Dood en duivel! Die stem ken ik," klonk het en een hoofd verscheen
boven de borstwering. "Wie zijt gij?"
"Die stem ken ik ook", zeide Ned lachend. "Komt ze u ook niet bekend
voor Don Miguel Carril van Argentinië?"
"Alle goede geesten! Spookt het of droom ik?"
"Pedro, oude vriend en reisgenoot van het Pays Del Diablo, zijt gij
werkelijk daar aan boord?" vroeg de overste in het Spaansch.
"Maak me niet in de war," klonk het weer van 't schip. "Wat gij daar
zegt, kan iedereen zeggen."
"Maar wie de "Gentleman" is, kunt gij alleen zeggen, Pedro, oude
schelm."
"Als dat niet mijn luitenant is, mogen de ijsbeeren me verslinden."
"Je weet zeer goed dat, hier bij den aequator deze beesten je niet
de eer zullen aandoen je op te peuzelen", schertste Ned. "Maar je
hebt gelijk! voorzichtigheid is geraden."
"Kom dan maar boven, wij beiden kunnen u niet beletten te enteren."
Een kabel werd uitgeworpen en spoedig waren ze aan boord. Welk een
vreugde voor den wakkeren Pedro zijn meester weer te zien! Zijn
gezicht straalde van vreugde toen Ned zijn mantel opensloeg en zijn
uniform zichtbaar werd.
"In dienst.... ondanks het duel te Portsmouth?" vroeg Pedro verbaasd.
"Eerste luitenant met verlof op de "Eagle" stelde Ned zichzelf
voor. "Maar verlang je niet je landsman te zien?"
"Ja, ja...... Ik vergat het! Is het werkelijk waar?"
"De zuivere waarheid!" antwoordde Miguel nader tredend. "Herken je
me niet meer?"
"Gij zijt het, gij zijt het. Welk een ontmoeting!"
"Ja! God bracht ons te Rio Negro samen, scheidde ons te La Plata en
vereenigt ons weer in den Indischen Oceaan."
"En hoe ging het u?"
"Daar kon ik wel een boek over schrijven! Denkelijk blijven wij
eenigen tijd samen en dan vertel ik je alles. Hoe het je zelf gegaan
is, heeft Lord Westfield me haarfijn meegedeeld."
Ned had intusschen poolshoogte op het dek genomen, en in Bill een
der muiters herkennend, fluisterde hij een matroos in, hem scherp
gade te slaan.
"Zeg me voor alles, Pedro, hoe 't hier staat," vroeg Ned, zich tot
dezen wendend.
"Alles naar het eiland daar ginds... Menschen en koffers en kisten! Jim
en zijn kameraden willen hen vannacht plunderen en met de sloepen
wegvaren. James, luitenant Hunter en mijnheer Hyde zijn gewaarschuwd."
"Mijnheer Hyde ook?"
"Ja. Wij deelden hem alles mee."
"En onze stukken van waarde?.... De "Grobian" en de "Gentleman"?"
"Alles ginds. Ik geloof, dat de "Grobe" den "Gentleman" naar de andere
wereld, zal zenden om de steenen alleen te kunnen houden."
"Behoort de "Gentleman" dan niet tot het rooversgespuis?"
"Het beslissend oogenblik is nabij; ik kan dus nu wel zeggen: neen,
hij is er niet bij."
"Nu gaat me een licht op," zeide Ned. "Pedro, mensch, hoe ben je dat
te weten gekomen?"
"Door mijn scherp gehoor. Beider stemmen hebt u even goed gehoord
als ik en wel te.... Cowford."
"Te Cowford? O, Pedro, ik begrijp alles! Die kerels hebben er meer
slag van dan wij om zich te vermommen."
"Dat niet luitenant, maar... evenveel. Van weerszijden hebt gij elkaar
niet herkend. Maar, Mylord, wij hebben geen tijd te verliezen als we
de plundering willen voorkomen."
"En onze diamanten terug krijgen! Pedro, wat zullen wij het beste
doen?"
"Er is maar één middel. Het kamp omsingelen en de booten bezetten."
"Vannacht? En hoe krijgen wij de steenen, als ze in het water geworpen
of in den grond verborgen worden?"
"Vervloekt! Maar als we niet vlug gaan, zijn de vogels gevlogen. Wel
kunnen we hun den weg tusschen de klippen versperren, maar de diamanten
raken ten slotte toch verloren. De kerels zullen ze liever weggooien
dan ze ons teruggeven."
"De zaak is dus het plunderen te beletten en tevens het kamp af te
zetten?" vroeg de overste.
"Ja, als we manschappen genoeg hadden," zuchtte Pedro.
"Wij hebben er genoeg. En evenmin gebrek aan sloepen. Met deze mede
vijf, waaronder twee met geschut."
"Alleen door een list kan het plunderen voorkomen worden en Pedro
moet handelend optreden," meende Carril. "Weet je een middel?"
"Hum... ja-- ik moet terstond vertrekken... hum.... hoe zou het
zijn als.... hum--'t gaat zóó niet.... ja..... zóó kan het, zóó moet
het gebeuren."
"Wat is je plan?"
"Ik belet dat er geplunderd wordt. Mijn boot heb ik noodig, de andere
vier volgen achter elkaar. Kunnen uw sloepen spoedig hier zijn?"
"De tweede in vijf minuten, de andere binnen een kwartier."
"Uitstekend! Terwijl ik met Jim en de anderen onderhandel, moet het
kamp omsingeld worden en de booten aan het strand blijven liggen. Ik
zal den muiters een sprookje opdisschen zonder dat zij er iets van
begrijpen. Den geheelen nacht moet er wacht gehouden worden, 't zij
mijn plan al dan niet gelukt."
"Dat zal geschieden," besliste Miguel. "Pedro, nauwelijks ontmoeten
wij elkaar of de avonturen beginnen weer."
"En andermaal is er een Westfield bij," merkte Ned op.
"Ja; maar te Rio Negro stond een Westfield ons bij....."
"En heden verleent gij hem uw hulp," zeide Ned, Miguel de hand
drukkend. "Laat ik eerst het signaal voor de afvaart der booten geven,"
vervolgde hij, "en dan vlug aan het werk."
"Wat doen wij met dien knaap?" vroeg Miguel op Bill wijzend.
"Binden en meenemen. Laat hem knevelen en in mijn boot leggen."
Carril wenkte twee zijner matrozen het bevel uit te voeren.
"Wij hebben nog een oogenblik tijd," meende Pedro; "zeg mij met een
enkel woord, Don Miguel, hoe gij u door het leven hebt geslagen. Als
soldaat.... dat zie ik en dat voorzag ik wel toen we te Rio-Negro
tegen de Roodhuiden vochten."
"Ik had geluk, amigo mio. Eerst streed ik aan de zijde mijner
stamgenooten, de Spanjaarden; later voerde het lot mij en mijn
broers onder de vanen van Napoleon. Wij verkregen allen den rang
van officier."
"Dat was te voorspellen. En welken rang bekleedt gij nu en welk toeval
bracht u op de Tschagos-eilanden? Zijt gij bij de marine geplaatst?"
"Neen, dat niet! Ik ben overste bij de kurassiers."
"Alle drommels! Overste! En ik...."
"Ben de beste, trouwste majordomus" riep Ned, die juist naderbij
kwam. "Een echte, flinke zeeman, de vriend van zijn jongen meester."
Ontroerd wilde het factotum hem de hand kussen, maar Ned sloeg zijn
armen om hem heen. "Oude jongen, al lang ben je een goed vriend
voor mij!"
"Maar Carril--overste wil ik zeggen, waar ter wereld hebt gij mijn
luitenant ontmoet?"
"Als je mij in het vervolg dat "overste" wilt sparen, zul je alles
weten."
"Nu dan..... Carril, graag, maar vergeet niet, dat gij mij als
rooversleerling hebt leeren kennen."
"Ja, als leerling," herhaalde Miguel lachend, "een leerling die zijn
eersten opdracht niet kon volvoeren en levenslang zijn vak niet zou
hebben geleerd. Overigens heeft Lord Westfield, de jongere, ook mij
op verboden wegen gesnapt."
"Toch niet als....."
"Als zeeroover wil je zeggen, omdat je onze brik voor een piraat
hield? Neen, we wilden iemand schaken....."
"Schaken!..... een zwarte jonge dame misschien?" spotte Pedro.
"Neen, neen, geen liefje, geen bruid. Wij wilden van St. Helena den
banneling halen--Napoleon."
"Onmogelijk!..... Gij schertst!"
"De volle waarheid, vriend, wij werden op onze vingers getikt."
"Dat was te verwachten. Een gevaarlijke onderneming, Don Miguel."
"Toch zou ze gelukt zijn, indien Lord Westfield ze niet verijdeld had."
"Dat wil zeggen," verdedigde Ned zich, wanneer de wind uw dépèche
niet aan mij bezorgd had."
"In ieder geval hebt gij er straf voor beloopen," schertste de
overste. "Wij namen u gevangen."
"En steldet mij in staat de diamantendieven te vervolgen!..... een
zware straf, dat moet ik bekennen."
"Ik begrijp er niet veel van," zeide Pedro.
"Wij zullen alles haarfijn vertellen," beloofde Carril. "Gods wegen
zijn ondoorgrondelijk.
Op dat oogenblik kwam de tweede boot aan, waarin Ballière zich bevond,
spoedig gevolgd door de andere. De roeispanen werden omwikkeld en
de expeditie zette koers naar het eiland. Voorop Pedro met twee
matrozen van de "Mariëtta". De vaartuigen waren sterk bemand en de
manschappen gewapend tot de tanden. Dicht bij het eiland scheidden
de booten. De eerste sloep met geschut bleef voor het kamp, de beide
jollen zetten haar manschappen links, de andere groote boot de haren
rechts aan wal. Daarna roeiden ze terug naar de sloep, die voor
het kamp had post gevat en werd de bemanning over de vier booten
verdeeld. Met inachtneming van de meest mogelijke voorzichtigheid
werden de vaartuigen der schipbreukelingen van den oever in het water
getrokken, waardoor er van ontvluchten geen sprake kon zijn.
Onder leiding der drie vrienden omsingelden de matrozen het kamp
aan de landzijde, terwijl Pedro naar de landingsplaats roeide. Een
Franschman vergezelde hem aan land, de andere bracht zijn boot op de
hem aangewezen plaats.
De muiters hadden zich tot slapen neergelegd, wel wetend hoeveel de
lange roeipartij naar Diego Garcia van hun krachten zou vorderen. Twee
hunner, die de wacht hadden waren eveneens in Morpheus armen gezonken;
het knarsen van het zand onder de voeten van Pedro en den Franschen
matroos, deed hen verschrikt ontwaken.
"Wie gaat daar?" werd er gevraagd.
"Stil..... ik ben het..... Pedro."
"Pedro!..... Wat moet dat beduiden?"
"Wekt voorzichtig de anderen."
Dat was spoedig gebeurd. Pedro nam Jim bij den arm en trok hem een
paar stappen verder.
"Wat duivel, Pedro, spreek toch! Wat is er?"
"Als je verstandig bent..... stel je dan tevreden met de helft van
hetgeen wij hoopten te nemen..... anders krijgen we niets."
"Maak geen grapjes!...... Ben je dwaas?..... Wat is er
gaande?....." vroegen de matrozen, die naderbij waren gekomen.
"Het beduidt dat Bill geboeid is en ik vrijgelaten ben enkel om met
jelui te onderhandelen."
"Hoezoo?..... verder, verder!..... Hel en duivel!" riepen ze, met
allerlei vloeken klem aan hun woorden bijzettend.
"Stilte, jongens! Laat Pedro spreken! Wil je de passagiers wekken?"
"Bill en ik trokken op wacht; hij doorsnuffelde de kisten, ik haalde
proviand. Er brandde een lantaarn, anders had Bill niet kunnen
zien. Toen ik weer op het dek kwam, werd er geroepen: "Boot ahoy"
en--daar waren de piraten uit Cameroen."
"Heer in den hemel!..... Alle donders!..... Zwavel en pek!"..... een
legioen zeemansvloeken klonk in de stilte van den nacht.
"Stilte, jongens! Bill ligt gebonden aan boord en sterft als de piraten
niet binnen twee uur bericht hebben, dat wij hun voorstel om samen
te deelen, aannemen. Er schijnen groote sommen aan boord te zijn,"
vervolgde de slimme Pedro, "kostbaarheden van veel waarde; de kapitein
zeide dat twee van onze manschappen dicht bij Londen diamanten gestolen
hebben. En om die steenen is het de roovers te doen; niet één willen
zij aan ons afstaan."
"Wie onzer zou dat zijn?"
"Onze Jim," klonk rustig Pedro's antwoord.
"Wie waagt het mij te verdenken?"
"Ik herhaal wat de piraat gezegd heeft. De andere heeft hij ook
genoemd, maar dat kan ik niet gelooven. Heel ons kamp is aan de
landzijde omsingeld en aan den zeekant geblokkeerd."
"Wat?..... Is dat waar?..... Onmogelijk!"
"Ga naar de bron of naar het strand en overtuig je. Maar pas op,
dat je niet vijf duim staal tusschen je ribben krijgt! De schelmen
zonden mij eerst hierheen, toen zij al lang aan wal waren. Je hebt
allen geslapen als marmotten. Zoo waar als ik hier sta..... vier booten
vol. De bemanning van een drietal is aan land, die der vierde verdeelde
zich over de leege booten. Zelfs kanonnen hebben ze op hun sloepen."
"Wat zullen wij doen?"
"Er blijft geen keus. Geven we niet toe, dan is alles verloren, en
de helft zal toch altijd de moeite waard zijn. Wij staan weerloos
tegen de overmacht."
Toen begonnen de beraadslagingen; het meerendeel der muiters stemde
voor "aannemen", maar Jim, woedend dat al zijn plannen mislukten,
voorkwam dat er een besluit genomen werd. De diamanten zaten hem
"dwars in de maag", en Pedro's bewering, dat hij--Jim--het eerst
gehangen zou worden, maakte weinig indruk. Er kwam geen einde aan
het wikken en wegen tot de Franschman, op een wenk van Pedro, in
verstaanbaar Engelsch zeide:
"Maak wat haast, jongens. Over vijf minuten ga ik heen en bericht
den oude, dat je geen vrede met het voorstel neemt."
"Houden wij dien kerel als gijzelaar voor Bill," gelastte Jim.
"Bill sterft, als het antwoord niet bij tijds gegeven wordt," beweerde
de Franschman, de schouders ophalend. "Geschiedt mij kwaad, vraag
aan Pedro wat dàn gebeuren zal."
"Hebt jelui je verstand verloren, jongens," vroeg deze, "dat je den
eenigen weg, die ons overblijft, niet wilt inslaan! Verlang je naar
den dood, lummels? Vergrijpen wij ons aan dezen man, dan worden wij
allen opgeknoopt."
"Neen, mannen!" besliste Jim. "Beter in onze booten gesprongen en
stil weggevaren. Wij overvallen den brik der piraten als zij aan land
zijn en meenen ons in hun macht te hebben. Het is donker genoeg om
het waagstuk uit te voeren."
"Een schitterende gedachte!..... Vooruit!..... Aan het werk!"
"Is het plan naar onze brik te zwemmen?" spotte de Fransche
matroos. "De booten liggen buiten in de lagune, onder het bereik van
onze kanonnen."
"Het is zóó," bevestigde Pedro. "Wij zijn, aan handen en voeten
gebonden, aan de willekeur der zeeroovers overgeleverd."
"Waarom willen zij deelen als ze zoo zeker van hun zaak zijn?" vroeg
de slimme Jim.
"Vraag dat aan mijn kapitein!"
"Pikt de eene kraai soms de oogen der andere uit?" vroeg Pedro. "Pots
noorderlicht en sterrenhemel, wat heeft het mij moeite gekost de
piraten over te halen ons als kameraden te behandelen en jelui,
domkoppen, aarzelt nog het voordeel aan te nemen!"
"Wij willen deelen," riepen eenige matrozen.
"Neen," schreeuwde Jim, "wij willen niet. Wat wij hebben, wat ons
toebehoort, mag niet verdeeld worden."
"Mannen, het is Jim enkel om de diamanten te doen! Hoe 't met ons
afloopt, deert hem niet. Wie mijn meening is toegedaan," vervolgde
Pedro een paar schreden op zijde gaand, "voege zich bij mij. Die Jim
gelijk geeft, ga naar hem."
Twee muiters bleven hun aanvoerder getrouw.
"Wij kunnen niet besluiten onze eigendommen af te staan, wij....."
"Ieder zal zijn eigendom behouden," viel de Franschman hem in de
rede. "Maar Jim moet de diamanten geven."
"Kameraden," nam Pedro op nieuw het woord, "zijn wij een van allen
schuldig aan den diefstal der diamanten? Heeft Jim beloofd ze met
ons te deelen? Ik denk, dat hijzelf er niet over beschikken kan. De
andere heeft de steenen in zijn bezit, en wie weet of Jim niet met
leege handen naar huis wordt gestuurd."
"Dood en duivel, Pedro!"
"Wees verstandig, Jim. Ik ken de geheele geschiedenis van Cow....."
"Houd je mond, man! Je hebt gelijk. Bij Neptunus zweer ik er vrede
mede te nemen."
"Bravo! De piraat stelde nog de voorwaarde, dat wij geen van allen
aan de plundering mogen deelnemen. De geroofde goederen zullen bij
elkaar gelegd en voor onze oogen verdeeld worden. Heeft iemand daar
iets tegen?"
"Neen, tenminste als de plundering niet geschiedt voor de dag is
aangebroken. Wij willen zien of we niet bedrogen worden."
"Zou je kapitein dat goed keuren?" vroeg Pedro, zich tot den Franschman
wendend.
"Ja. Het is ook zijn wensch."
Een forsche gestalte in een langen mantel gehuld, den hoed diep in
de oogen gedrukt, trad plotseling naar voren. Het was Carril, die
onder de palmen staande, de gesprekken had afgeluisterd.
"Hoe staat het er mee?" vroeg hij barsch.
"Alles in orde," zeide de Fransche matroos.
"De kapitein is woedend over de langdurige
beraadslagingen. Voorwaarts! Naar dat boschje, vlug, anders worden
allen over de kling gejaagd."
"Met uw verlof, luitenant. De kapitein heeft de mannen toegestaan
hun bagage uit het kamp te halen."
"Vooruit dan! en voorzichtig! Wie leven maakt, worden de hersens
ingeslagen."
Als katten zoo stil liepen de mannen weg. Jim sloop in een tent,
waarin drie mannen sliepen. Hij boog zich over een hunner en maakte
behoedzaam zijn kleeren los. Plotseling voelde hij een pistool tegen
zijn voorhoofd en sarrend klonk het:
"Misgerekend, oude vos! Laat de dokter slapen en mij ook."
"Dood en duivel!" bromde Jim. "Geef mijn helft of 't loopt niet
goed af."
"Bah! Beweeg je niet, vriendje, anders schiet ik. Ik ontvang alleen
bij dag bezoek. Onthoud dat! Marsch, vooruit!"
Jim gehoorzaamde tandenknarsend.
Pedro en de matroos van de "Mariëtta" stonden naast Miguel toen één
voor één de muiters terugkwamen. Toen allen, ook Jim, present waren,
zeide Miguel: "Ga rustig slapen, jongens. De kapitein verpandt
zijn woord, dat hij niet voor het aanbreken van den dag zal laten
plunderen. Dus... geen wantrouwen! Wie morgen helpen wil, kan zijn
diensten aanbieden. Geen speld mag ons ontgaan, wij krijgen toch maar
de helft."
Zonder meer woorden ging hij zijns weegs, gevolgd door den Franschman.
Zoodra een luid gesnork verried, dat de matrozen in slaap waren
gevallen, sloop Pedro naar het kamp waar een doodsche stilte heerschte.
Tom, Hyde en James waakten om beurten. Daar verscheen plotseling Pedro
voor hun oogen, vertelde hen den stand van zaken en de terugkomst
van Lord Westfield.
"Hoe ter wereld is Lord Westfield hierheen kunnen komen?" vroeg
mijnheer Hyde.
"Het is een lange geschiedenis, die in korten tijd werd afgespeeld. Ik
weet het zelf nog niet precies; er is sprake van St. Helena, Napoleon,
gevangenneming en dergelijke. Mijn jonge meester ligt bij de bron
te slapen. De kapitein van de brik zal zoo aanstonds hier zijn,
en zoodra de dag aanbreekt, worden de kerels gebonden."
Een lang gerekt hoorngeschal kondigde den passagiers zoowel als den
manschappen aan, dat de zonneschijf in stralende pracht aan de kim
verrees. Sprakeloos van verbazing zagen de tochtgenooten elkaar
aan. Frog durfde zijn oogen niet vertrouwen, toen hij, zijn tent
verlatend, een aantal booten in de lagune zag liggen, en daarbij twee
die geschut voerden. Zijn commando: "all hands on deck!" werd enkel
door de goedgezinde matrozen gehoorzaamd. Op hetzelfde oogenblik
klonk onder de palmen een woest getier en werden eenige schoten gelost.
"Wat moet dat alles beduiden?" vroeg Frog.
"Wat is er gaande?... Wat is er gebeurd?... Wij zijn
overvallen!" riepen de passagiers.
Duizend vragen tegelijk werden aan Frog gedaan zonder dat hij in staat
was er één te beantwoorden. Toen trad Pedro naar voren, gevolgd door
Tom en mijnheer Hyde.
"Sinjeur Frog," zeide hij op minachtende toon.
"De duivel is je sinjeur," viel de stuurman-kapitein hem woedend in de
rede. "Hoe durf je het wagen je meerdere op die wijze toe te spreken?"
"Sinjeur Frog," luidde het antwoord, "kapitein Harryson heeft mij
en James Wolker maar tot Kaapstad gehuurd. Gij zijt dus mijn patroon
niet meer. Gij wilt weten wat dit alles beduidt? De tijd van afrekenen
is aangebroken."
"Sinjeur Frog," nam James het woord, "gij hangt den kapitein uit en
weet niet eens dat de bemanning oproerig is! Weet niet eens, dat de
muiters plan hebben vannacht de passagiers te plunderen. Gij zijt
een mooie kapitein."
De passagiers uitten een kreet van ontzetting en drongen zich om
Hunter en zijn vriend.
"Sinjeur Frog," zeide mijnheer Hyde, "het zal mij een groot genoegen
zijn te Calcutta uw verdiensten in het ware licht te stellen."
"Sinjeur Frog," mengde Tom zich nu ook in het gesprek, "ik onttrek
kapitein Harryson aan uw vriendelijke zorgen, en..."
"Vaart allen ter helle!" schreeuwde Frog. "Wie anders dan ik heeft
hier te bevelen?"
Snel ging hij in zijn tent en haast onmiddellijk weerkeerend, had hij
zijn degen vastgegespt en een gordel omgeknoopt, waarin twee pistolen
gestoken waren. Intusschen had Carril, vergezeld door zes man, voor
de tent postgevat. Ballière was op eenigen afstand gevolgd.
"Zijt gij stuurman Frog?" vroeg Carril kalm.
"Zeker! Wat wilt gij van mij?"
"Wees zoo goed mij te vergezellen. Wij waren zoo gelukkig uw oproerige
manschappen onschadelijk te maken. De schurken zijn geboeid."
"Ik begrijp u niet. En wat beduidt die bedekking van zes man?"
"Dat is mijn geleide. Twee man moeten hier blijven en uw tent aan
een nauwkeurig onderzoek onderwerpen."
"Mijnheer! Welke rechten kunt gij hier doen gelden?"
"De toestand waarin uw schip zich bevindt, en het oproer onder uw
matrozen uitgebroken, verleenen ons het recht tot handelen. Kapitein
Ballière zal er voor waken, dat u niets ontnomen wordt. Wees dus
zoo goed mij te volgen om over het lot van uw oproerige manschappen
te beslissen."
De hoogmoedige stuurman weerstreefde niet langer; al de aanwezigen
sloten zich bij hem aan. De muiters stonden bij elkaar, allen geboeid,
eenigen gewond.
"Waarom heeft men je geboeid, jongens?" vroeg Frog.
Er volgde geen antwoord.
"Deze schurken wilden in den afgeloopen nacht de hulpelooze
schipbreukelingen berooven, met de booten wegvaren en de bestolenen
aan hun lot overlaten," zeide Miguel, de doodelijke stilte verbrekend.
Een uitroep van schrik en toorn volgde op deze verklaring.
"Hoe durft gij mijn manschappen van zulk een voornemen
beschuldigen?" vroeg Frog verontwaardigd.
"Het is de volle waarheid. Pedro, kom naar voren en zeg den man,
dat ik het scheepsvolk niet lichtvaardig beschuldig."
"Sinjeur Frog," sprak Pedro, "overste Carril heeft nog nooit
gelogen. De gevangenen zijn schurken, en God weet hoeveel moeite
het mij kostte hen door list en overreding zoo lang van hun misdadige
plannen af te houden tot wij hen onschadelijk konden maken. Zij hielden
mij voor hun bondgenoot en hebben me niets verzwegen. Reeds aan de
Cameroenmonding wilden zij hun voornemen ten uitvoer brengen. Dank
zij de krankzinnige daad van onzen ongelukkigen kapitein was ik,
geholpen door den "missionaris" en den "klerk" instaat het begaan
van den schurkenstreek te doen uitstellen. In den voorlaatsten nacht
heeft Jim Mutten het schip laten stranden met het doel den diefstal
te kunnen plegen."
Een verward gemompel en uitingen van verontwaardiging, woede en
ontsteltenis van de zijde der reisgenooten braken Pedro's woorden
nogmaals af.
"Weer gelukte het mij," vervolgde Pedro, "de plundering te voorkomen;
ware dat niet het geval geweest, dan zaten de passagiers nog op het
wrak, zonder boot en zonder hulp. In de afgeloopen nacht zou het
onweer losbreken. Ik had reeds eenige keeren gewaarschuwd..."
"Dat kan ik bevestigen," zeide mijnheer Hyde.
"Ik ook... en ik...," voegden Tom Hunter en James er bij.
"Het was je plicht geweest mij met hun plannen in kennis te stellen,"
zeide Frog. "Waarom heb je dat niet gedaan?"
"Omdat òf de schurken alles ontkend zouden hebben ... òf gij in uw
hoogmoed en in 't geloof aan uw eigen onfeilbaarheid, ze toch in
bescherming zoudt hebben genomen."
"Brutale kerel!"
"Maar een eerlijk man! Ik ben nog niet ten einde met mijne
beschuldigingen. Zeer zeker zoudt gij de muiters de hand boven het
hoofd hebben gehouden, want Jim is hun aanvoerder."
"Hoe bedoel je dat?"
"Hoe ik dat meen, weet gij zelf het best. Denk aan Londen en zijn
omgeving.... maar daarop kom ik later terug."
Ballière kwam naderbij. Ned, die goed vermomd tusschen de aanwezigen
stond, een bezorgden blik toewerpend, zeide hij:
"Wij hebben niets gevonden!"
"Wie heeft het durven wagen, mijn tent te doorzoeken? Dat is een
vreeselijke beleediging," schreeuwde Frog woedend.
"Dat komt later," antwoordde Carril uit de hoogte. "Naar ik verneem,
bevindt zich onder de reizigers een rechter."
"Dat ben ik: Sir Robert Cook."
"Wees zoo goed ons mede te deelen welke straf muiters en zeeroovers
wacht? En welke de matrozen, die het hun toevertrouwde schip laten
stranden met het voornemen de passagiers te berooven?"
"De dood..... de dood door den strop," luidde het op plechtigen toon
gegeven antwoord.
Aller oogen wendden zich naar de misdadigers. Velen hunner verbleekten;
een jong lichtmatroosje brak in snikken uit, Jim beet op zijn onderlip
om zijn ontroering te verbergen, die trouwens niet van langen duur
was. Zijn gezicht tot een grijnslach vertrekkend, zeide hij brutaal:
"Die wil, mag zich aan dat vonnis onderwerpen. Ik bedank."
"Met zulk gespuis maakt men niet veel omslag," klonk het hoonend uit
Frogs mond. "Jelui schelmen, hebt me diep beleedigd en aan allerlei
gevaren blootgesteld. De rechtsbevoegdheid wordt op zee uitgeoefend
door den kapitein of zijn plaatsbekleeder. Dat ben ik in dit geval. Ik
bekrachtig het vonnis: Jim zal het eerst worden gehangen."
Een spotlach vlood dezen van de lippen. Ook Pedro lachte luidkeels.
"Dat zou je best te pas komen, vriendje!" riep Jim. "Werkelijk,
je bent niet dom, Frogje, oude jongen. Jij alleen zou het voordeel
hebben, mijn zeer achtingswaardige compagnon! Jij alleen de gestolen
diamanten houden, Gentleman!"
Frog was doodsbleek geworden. Pedro lachte zoo vroolijk alsof er een
vermakelijke klucht werd opgevoerd.
"De doodsangst maakt den man waanzinnig, heeren," trachtte de stuurman
met vaste stem te zeggen: "Geloof hem niet."
Hij trok een pistool uit zijn gordel en mikte op Jim, maar Miguel
sloeg tegen zijn arm en de kogel kwam in de kroon van een palm terecht.
"Wel, vriendje, heb je zoo'n haast mij naar de andere wereld te
zenden?" vroeg Jim, sarrend. "Vervloekt onaangenaam voor je, dat ik
mijn mond niet wil houden. Ik geloof graag, dat je me wilt opruimen,
wie weet treed ik niet tegen je op als kroongetuige!"
"Dat is niet noodig man," zeide Miguel ernstig. "Heeft zijn verbleeken
hem al verdacht gemaakt en zijn houding het wantrouwen vermeerderd,
nu verraden hem de gestolen pistolen."
"Wat wilt gij daarmee zeggen?" gilde Frog, opnieuw verbleekend.
"Dat het pistool daar in uw hand, Lord Westfield te Cowford is
ontstolen; het andere steekt vermoedelijk daar in uw gordel."
"Hoe zoudt gij de pistolen kennen? Zulken vuigen laster kan iedere
dwaas iemand naar het hoofd werpen!"
"Uw gemeene taal en laaghartige voornemens karakteriseeren u
voldoende," merkte Miguel op. "Kapitein Ballière", vervolgde hij,
zich tot dezen wendend. "Gij weet, dat ik mijn pistolen van den ouden
Lord Westfield ten geschenke ontving. Wees zoo goed ze met die van
den stuurman te vergelijken en vergeet vooral niet het monogram en
wapen nauwkeurig te bekijken."
Frog, hevig ontsteld, liet zich het afgeschoten wapen ontnemen,
Jim wreef zich vergenoegd in de handen, Pedro floot zachtjes zijn
lievelingsdeuntje en de passagiers wachtten zwijgend en nieuwsgierig
op de verdere onthullingen.
"Precies hetzelfde wapen, hetzelfde kunstige ciseleerwerk, lijn
voor lijn. Monogram en wapen zijn die van Lord Westfield," besliste
Ballière.
"Wat bewijst dat?" vroeg Frog. "Ik heb de pistolen kort voor mijn
vertrek te Londen gekocht."
"Met uw verlof, mag ik de wapens eens zien?" vroeg James, naar voren
tredend. "Het zijn dezelfde, die de stuurman mij te Londen, door Bob
Price--die nu Jim Mutten heet--te koop liet aanbieden. Herken je me
niet, Bob?"
Hij trok zijn pruik af, gooide zijn buis uit en stond voor den matroos
in het pakje dat hij gewoonlijk in zijn winkel te Londen droeg.
"Alle goede geesten! James..... ben jij de Londensche winkelier? Zeker
herken ik je. Het heeft me dikwijls gespeten, dat ik destijds zoo
onvoorzichtig was."
"In de kroeg aan de oude haven waar je dikwijls met je kameraden komt,
vernam ik dat je "Grobian" genoemd werd."
"Ei zoo! Frogje, "Gentleman," hoe gaat het met je?" spotte Jim.
"Wie me kent, weet dat ik geen misdadiger ben," beweerde Frog met
nadruk. "Wraakzucht van Jim, anders niet."
"Sinjeur Frog," zeide Pedro, een diepe buiging makend, "ik heb de eer
u mede te deelen, dat ik de vrijheid nam aan boord der "Magada" een
gesprek af te luisteren. Toen hoorde ik dat Jim of Bob u "Gentleman"
noemde. En naar dien "Gentleman" zochten wij juist, wij..... dat wil
zeggen: de klerk, de missionaris, James Walker en ik. Jim eischte de
helft van den diefstal en dreigde alles te zullen verraden."
"Het is de volle waarheid, Pedro. Frog bezit niet eens de eerlijkheid
waaraan roovers zich tegenover elkaar stipt houden. Hij is een
dubbele schelm."
Plotseling, als ware hij uit de lucht gevallen, trad Ned in uniform
te voorschijn, en met fijnen spot klonk het van zijn lippen:
"Welkom, Lord Falton, wat verheugt het mij u te ontmoeten! Het
korte haar, de afgeschoren baard en de veranderde kleeding maken u
haast onkenbaar. Ook uw stem klinkt anders. Gij herinnert u mij toch
wel? Gij waart te Cowford zoo vriendelijk mij uw steun en aanbeveling
toe te zeggen. Op de "Magada" echter liet uw welwillendheid voor mij,
de klerk, wel wat te wenschen over. Mogelijk wilt u nu de goedheid
hebben mij den weg te wijzen langs welken ik in 't bezit van mijn
eigendommen kan geraken? Waar zijn de diamanten?"
Jim schaterde van het lachen.
"Zoek ze zelf," riep Frog, buiten zichzelf van woede en angst.
"Misschien kan uw kamerdienaar mij zeggen, waar gij uw schatten
bewaart. Bob, waar kunnen de diamanten zijn?"
"In een leeren taschje, dat Zijn Hoogheid, Lord Falton, aan een koord
om den hals draagt, Mylord. Doe mij het genoegen het koord nuttig te
gebruiken en er den schelm aan op te hangen."
Op een wenk van Ned grepen eenige matrozen van de "Mariëtta" den
stuurman, ontnamen hem zijn wapens en vonden inderdaad op de door Bob
aangewezen plaats de diamanten, welke zij aan Ned overhandigden. Frog
werd gebonden en evenals zijn manschappen scherp bewaakt.
Ten spoedigste werd naar de "Magada" om levensmiddelen gezonden en
terwijl het maal werd gereedgemaakt, bespraken de vrienden met de
passagiers den toestand waarin allen zich bevonden. Het was zoo druk
aan het strand van dit onbewoonde eiland als daar wel nooit voorkwam.
Kapitein Ballière wreef zich vergenoegd de handen, dat het hem
gelukt was zijn vriend Westfield te helpen in het terugvinden van
zijn eigendommen. Cook dankte Ned hartelijk voor zijn krachtdadig
optreden. Ned, Hunter, Carril en mijnheer Hyde stonden druk pratend
bij elkaar, toen een der matrozen van de "Mariëtta", naderbij kwam
en meldde, dat de wilde Jim Lord Westfield om een onderhoud liet
verzoeken.
De vrienden zagen elkaar verwonderd aan, Ned voldeed echter aan het
verzoek en volgde den Franschman.
"Vergeef mij, Mylord, dat ik u lastig val, maar toen ik uw naam hoorde,
kwamen oude gebeurtenissen mij in de gedachte. Reeds te Cowford
kwam niet alleen uw naam maar ook uw persoon mij bekend voor; op de
"Magada" heb ik u niet herkend, maar nu ik u in uniform zie, weet ik
dat wij elkaar reeds vroeger ontmoet hebben.... op zee!"
Ned lachte.
"Te Cameroen!" zeide hij. "Nu herken ik je ook."
"Juist! Destijds was ik in dienst van een slavenhandelaar... een
Yankee... op de "Liberator"."
"Wel, wel, stonden wij reeds meermalen vijandig tegenover elkaar?"
"Ik begaf mij onder de Dualla en werd toovenaar. Om aan uw nasporingen
te ontkomen, had een mijner kameraden mijn huid donkerbruin gebrand,
daarna werd ik als neger gevangen genomen en aan een Portugees verkocht
om naar de Vereenigde Staten overgebracht te worden. Onderweg door
u, Mylord, bevrijd en aan de kust gezet, viel ik in handen van mijn
vroegeren kapitein den Yankee, die bij hoog en laag zwoer, dat ik
een weggeloopen slaaf was en mij naar Brazilië verkocht. Eindelijk
verbleekte mijn donkerbruine huid en kwam ik op een koopvaardijschip
terecht."
"En wat wil je nu van mij?"
"Uw voorspraak voor het gerecht. Ik wil, als het moet, met mijn leven
boeten voor mijn dwaze streken, maar hangen.... bengelen.... eindigen
als een kat... brr!"
"Eén ding kan ik voor je doen... je voordragen als kroongetuige. Tot
meer ontbreekt me de macht. De diefstal vergeef ik je, maar als
onverbeterlijke deugniet en als kameraad van zoo'n gevaarlijk individu
als Frog, moet je, zoo goed als hij de straf ondergaan, die inbrekers
te wachten staat."
"De diefstal is niet bewezen. Als wij ontkennen is de zaak uit. Ik
weet, dat Frog de wapens en de diamanten in een koffiehuis te Londen
heeft gekocht."
"Noodelooze moeite, Bob! De waard van de "Gouden Eekhoorn" bij wien
ge op dien bewusten nacht de paarden hebt gestald, heeft al lang
alles verraden."
"Nu ja, ik ontken ook niet," zeide Bob schouderophalend. "Was ik
maar nooit bij dien slavenhandelaar gekomen! Van dien tijd vervolgt
mij het ongeluk en in plaats van in goeden doen te geraken, ga ik
jammerlijk ten onder... Als ik nog eens jong was, nog eens mijn leven
moest beginnen!"
"Het spijt me, Bob. Ieder moet zijn broodje eten zooals hijzelf het
bakt en je bent een groot misdadiger. Wie in koelen bloede een schip
met zooveel onschuldige menschen laat stranden, alleen met het doel
om te stelen, verdient geen medelijden."
"Ik zette mijn eigen leven toch ook op het spel," poogde Bob zich
te verontschuldigen. "Het lot heeft mij zonder genade behandeld,
ik kan mij den tijd niet meer herinneren, dat ik mij van ganscher
harte over iets verheugde. Te Cameroen en in Brazilië, wat heb ik
daar geleden! En de menschelijke rechtvaardigheid .... wat heeft die
voor mij gedaan? Aan handen en voeten gebonden mij aan de willekeur
van den wreeden Yankee overgeleverd. Door honden voortgejaagd, door
de zweep van den opzichter ten bloede geslagen, moest ik blootshoofds
werken onder de verzengende stralen der Zuiderzon."
"Geen wonder dat je de menschen hebt leeren haten, maar tegen zulke
gevaarlijke vijanden moet men zich toch verdedigen. Ook geloof ik
graag, dat je een beter leven zoudt willen beginnen, doch.... het is
te laat!"
"Hm.... Mylord.... eigenlijk wilde ik u een dienst bewijzen, om
uwentwille verzocht ik om dit onderhoud. Nu merk ik, dat wij mogelijk
zaken met elkaar kunnen doen."
"Zaken met elkaar! Wij?"
"Ja.... eerlijke zaken. Wie een kind des doods is, denkt niet meer
aan bedrog. Ik verpand mijn rooverseer.... gij zult moeten erkennen,
dat ik die althans bezit."
"Ongetwijfeld.... en Frog ontbreekt ze geheel."
"Bij deze bijzondere soort van eer verklaar ik, u gewichtige
mededeelingen te kunnen doen. Belooft gij mij als kroongetuige voor
te stellen en eerst na afloop van het zeerooversproces, mij wegens
den diefstal der diamanten aan te klagen?"
"Ja, kapitein Ballière, die de gevangenen naar Diego Garcia brengt,
zal van mij de opdracht krijgen voorloopig Frog alleen aan te klagen."
"Wilt gij mij uw woord er op geven, Mylord?"
"Gij hebt het."
"Neem mijn dank aan, Mylord, al is het maar den dank van een
zeeroover. En mijn berichten. Kent gij een man, die zich "Blonde
Charles" laat noemen?"
"Ik niet, maar.... Wat weet je van hem?"
"Hm..... ik zat eens, ongeveer een maand voor de "Magada" den laatsten
keer het anker lichtte, in een kroeg te Plymouth. Een bedaagd man kwam
binnen, blond haar, blauwe oogen..... wij raakten aan het praten en
ik vernam dat hij uit Argentinië kwam, eigenlijk nog verder....."
"Wacht even. Je verhaal zal zeker de belangstelling mijner vrienden
wekken."
Hij wenkte een matroos en gelastte hem den overste, Ballière en Pedro
te roepen, die weldra kwamen.
"Don Miguel..... Pedro..... wees zoo goed te luisteren naar hetgeen
die man me heeft mede te deelen. Het komt mij voor dat gij beiden
beter dan ik kunt oordeelen of de zaak zich heeft toegedragen zooals
Bob vertelt."
"Kort voor den diefstal ontmoette ik te Plymouth een Duitscher,
"Blonde Charles" genaamd," begon Jim. "De man kwam uit Argentinië. Hij
sprak er over hoe slecht het hem gegaan was. Hij was roover op de
grasvlakten in de..... in de....."
"Pampa's," zeide Miguel.
"Juist in de pampa's geweest, had het met zijn chef niet kunnen vinden
en was weggegaan."
"Dat is waar," bevestigde Pedro.
"Welk belang heb ik daarbij?" vroeg Ned. "Dat alles is me reeds
lang bekend."
"Als Charles de waarheid sprak, kunt gij niet alles weten, want
hij beweerde, dat niemand in Europa de toedracht der zaak wist. Hij
vertelde, dat hij te Buenos Aïres zich bij een zekeren Lord Westfield
had aangesloten. Deze was bij een oproer zwaar gewond, Charles had
hem niet willen verlaten en was tegelijk met hem gevangen genomen."
"Gevangen?" vroeg Pedro.
"Door wien?" klonk het kortaf van Miguels lippen.
Ned luisterde in groote spanning.
"Door zijn vroegeren chef," zeide de "Blonde." "Hij noemde zoo'n
komieken naam."
"Sprak hij soms van "De Groote Hand?""
"Neen... maar... "Korte Hand" noemde hij hem."
Pedro en Miguel zagen elkaar veelbeteekenend aan.
"De roovers hielden den Lord in een grot verborgen, lieten hem door
Charles verplegen en beiden streng bewaken. Na de genezing van Lord
Westfield....."
"Genezing!" riep Ned.
"Heilige Jonkvrouw," mompelde Miguel.
"Ja; na de genezing--vertelde de "Blonde", waren beiden naar het Zuiden
gebracht en wilden de roovers den Brit tegen een hoogen losprijs zijn
vrijheid hergeven. Er kwam echter niets van, want vóór de boot met een
brief van den Engelschman aan den consul te Buenos Aïres vertrokken
was, werden de roovers door de Indianen overvallen en meerendeels
gedood--ik meen, dat ook de chef vermoord is--en de overigen waaronder
ook Lord Westfield en Charles naar Patagonië gevoerd. Na vele jaren van
ellende was het den "Blonde" gelukt den Roodhuiden te ontvluchten. Op
het eerste schip, dat naar Europa vertrok had hij zich verhuurd en was
naar Plymouth gekomen om de familie van den Brit op te zoeken. Hier
geraakte hij in twist met een zekeren José, werd door dezen gedood
en nam de berichten mede in het graf."
"Hoe weet je, Bob, dat die Lord mijn vader is?"
"Ik weet het niet, maar ik hoop het. Dan heb ik u werkelijk een
dienst bewezen. Gij moet zelf weten of die Lord Westfield uw vader
kan zijn. Een man in mijn toestand grijpt elke gelegenheid aan om
zijn lot te verbeteren. Zoo beproefde ik het met deze mededeeling,
en uw aller gelaat getuigt, dat ze van groot gewicht is."
"Miguel.... Pedro.... Wat zegt gij er van?" vroeg Ned ontroerd.
"Het verhaal is niet onwaarschijnlijk," meende Pedro. "Alles kan
waar zijn."
"Welk een merkwaardige aaneenschakeling," zeide Miguel. "Ik twijfel
niet."
"Groote God! Zou mijn vader, mijn arme oude vader nog leven!"
"Dan bevrijden wij hem, beste vriend," riep Ballière, Ned in zijn armen
sluitende. "Met hart en ziel ben ik aan u verbonden. De "Mariëtta"
zal ons naar Argentinië brengen."
"Waar Pedro en ik u wel het best den weg zullen kunnen wijzen "Amigo
mio,"" sprak Miguel. "Neem ons mede. Trots onzen leeftijd zijn we nog
vol levenslust, nog heeft onze arm zijn kracht behouden. En wie kent
beter dan wij de eigenaardigheden van dat land?"
"Vrienden, beste vrienden! Ten mijnen bate zou ik uw aanbod niet
willen aannemen, niet wagen, u, in den herfst uws levens zulk een
zware, moeilijke taak op te leggen, maar ter wille van mijn vader mag
ik uw hulp, uwe onschatbare diensten niet weigeren. Geve God dat ons
voornemen gelukt en wij den ongelukkigen gevangene levend weervinden."
"Sta mij toe nog een paar woorden met Bob te spreken. Je noemde een
zekeren José den moordenaar van den blonden Charles. Hoe zag die José
er uit?"
"Groote, krachtige gestalte..... afgeleefd gezicht..... woeste
kerel. Zwart haar en een donkeren baard, een moedervlekje boven het
linkeroog, en als ik me goed herinner, de linker hand door litteekens
misvormd."
"Zou dan niets goeds meer schuilen in deze natuur?" sprak Miguel
ernstig. "Weet je nog wat meer van hem, Bob?"
"Ik ontmoette hem nog te Londen voor ik met de "Magada" vertrok. Hij
was van plan naar Rio te gaan. Ik kon hem de politie niet op den hals
jagen, daar ik zelf..... gij weet het reeds."
"Hoe gaarne ik ook onmiddellijk met u naar Zuid-Amerika zou varen,
Mylord, zoo mogen wij onzen plicht tegenover de schipbreukelingen
niet verzuimen," merkte Ballière aan.
"Wij moeten spoedig handelen," zeide Ned. "Als gij heden nog
de gevangenen naar Diego Garcia brengt en zoo spoedig mogelijk
terugkomt...... En het daar gestationeerd schip verzoekt mede
te gaan om het meerendeel der passagiers naar Ceylon te brengen,
dan zeilen wij naar Mauritius, zenden aan de achtergeblevenen de
gouvernementsschoener, en dan.... naar Patagonië!"
"Dat zal de beste weg zijn," verklaarde de overste. "Manschappen voor
onzen tocht naar de Roodhuiden vinden wij te Carmen de Patagones."
"Met uw verlof, heeren," waagde Bob zich in het gesprek te mengen,
"met uw verlof..... ik ben, zij het buiten mijn toedoen, de overbrenger
geweest van gunstige berichten. Had ik niet aan u gedacht, Mylord,
en om een onderhoud gevraagd, dan zou ik gestorven zijn, zonder
dat een tijding omtrent uw vader tot u was doorgedrongen. Men zegt:
Gods wegen zijn wonderbaar. Stel vertrouwen in mij en laat mij voor
de misdaden uit mijn verleden op een beter wijze boeten dan door een
roemloozen dood, waarbij niemand nut heeft. Laat mij den tocht tegen
de Indianen meemaken, en gij zult geen trouwer, roekeloozer strijder
hebben dan ik. Is alles voorbij en ik leef nog..... wel, geef me dan
aan het gerecht over."
"Ik wil gaarne Bobs voorspraak zijn," zeide Pedro. "Misschien gelukt
het hem, door een nieuw leven, het oude, misdadige te verzoenen. Voor
zijn berouw sta ik borg. Wel is waar zijn avonturen, moeielijkheden en
strijd zijn levenselementen..... en hier biedt zich de gelegenheid aan
zijn wild temperament bot te vieren. Denkt aan..... den rooversleerling
van Rio-Negro."
"Pedro, Pedro!" schertste Miguel, dreigend zijn vinger opheffend. "Je
waart zijn ergste tegenstander.... waarom die plotselinge verandering?"
"Wat zullen wij, met de overige gevangenen doen, die minder schuldig
zijn dan Bob?" vroeg Ned.
"Mag ik spreken?" verzocht Bob onderdanig.
De vrienden knikten toestemmend.
"Laat dan ook voor hen genade voor recht gelden. Geef hun
gereedschappen, wapens en ammunitie van de "Magada", wat planken,
ijzerwaren, koorn en zaadsoorten en laat hen op dit eiland een
nederzetting vestigen. Breng mij aan boord van de brik en laat me
verdwijnen.... daarvoor danken allen u! Zeg hun dat hun namen en
personen aan alle havens bekend zijn gemaakt en ze worden opgehangen
als ze zich buiten den Tschagos-archipel durven wagen. En wat mij
betreft... zeg hun als 't niet anders kan, dat ik te Diego Garcia
moet... bungelen!"