Mag doen als Farao, en laten henen trekken
De slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363]
Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel,
Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijden
De vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden,
De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dak
Moet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlak
Zelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364],
Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden,
Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard,
En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard,
Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwerven
Door zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven.
Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365] snoô en valsch,
't Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals,
Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgen
En heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen,
Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort,
Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt.
Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen,
Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de banden
Van 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366] na gedraafd,
En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft,
Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen,
Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen,
En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hert
Beschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd,
Zoo zal ook al betraand 't heirleger der Hebreeuwen
Hun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen.
Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn?
HOOFDMAN.
Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn,
Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwerme
Daar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367]
Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt:
Gewapend naauwlijks, zij om[368] strijden niet geneigd
En schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijanden
Het half gelaat te biên, ik late staan hun tanden
Te breken met geweld: indien gij dezen rei
Vervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschrei
Zij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen,
Als schaapskudd', die de wolf het herte[369] heeft ontstolen,
Om geen beschermen denkt, maar van een bende haast
Wel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.
FARAO.
Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.
HOOFDMAN.
Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen,
En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel,
De wagens toegerust; en 't leger, al geheel
Gehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden,
Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden.
FARAO.
Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet!
De wapenroovers[370] noodt tot 't bloedige banket,
Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371],
Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken;
Krijgt[372] onder zijn banier, hij leidt u aan den dans!
Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans.
Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen,
Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen.
(_Binnen_).
_KOOR._
Die den Hemel derft bekrijgen,
Zal wel voor een wijl opstijgen,
Even als Neptunus' vocht
Worpt[373] zijn baren na de locht,
Die van zelf in korter stonden[374]
Weder vallen in de afgronden,
Of gelijk een vlam gezwimd[375],
Licht op naar den hemel klimt.
Die men wederom zich zelven
In zijn asschen ziet bedelven:
Want de groote goedheid Gods
Latet[376] wel den koning trotsch
Op het hoogste en even dolle
Woeden, doch wanneer hun rolle
Is ten uitersten volspeeld,
Op 't theatrum getoneeld,
En wanneer hij met berommen[377]
Meent ten hoogsten zijn geklommen,
Stoot de godlijke Monarch
Hem afgrijzig van den berg.
Hoe hij was den hemel naarder
Hoe den val hem is te zwaarder,
Hoe hij meerder opwaarts steeg
Hoe hij dieper valt om leeg.
Hoe hij meerder rees verkorseld[378]
Hoe hij platter valt vermorseld.
Dit blijkt aan Farao straf,
Die zoo blind'ling loopt naar 't graf;
Die in 's Heeren straffe tijdig
Blijft verstokt, versteend partijdig,
Daar een ieder roê, als vriend,
Hem tot beteringe dient:
Want de strengheid Gods ten lesten
Iedereen kastijdt ten besten,
En zijn geessel al begrijsd[379]
Op een grooter roede wijst.
Wie dan, in der zonnen luister,
Sluit zijn oogen in het duister,
Wie de aankloppers van 't gemoed
's Herten deur niet open doet:
Wie zoo vele donderslagen,
Luiden laat voor ijdel vlagen,
Op het onverzienste bald[380]
's Heeren bliksem overvalt:
Gelijk dezen koning prachtig,
Die[381] geen teekenen aandachtig
Mochten leiden uit den tred
Van zijn obstinaat opzet.
Dies de Heere t' eenenmalen
Hem onttrekt de helder stralen
Van zijn hemelsch aangezicht,
En verduistert hem in 't licht,
In verkeerdheid overgeven,
Tot hij eindelijk gedreven,
Even als een roerloos schip,
Drijft al blind'ling op de klip
Van zijn overgeven boosheid,
Van zijn stoute goddeloosheid,
In den afgrond en 't verleid[382]
Van zijn overgevenheid.
VIJFDE EN LAATSTE DEEL.
FAMA, of 't blazende gerucht.
't Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383] had geleid
Onder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid,
Dat God 's voorging in een vierige colomme
En 's daags in eene wolk) Farao wederomme
Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heer
Omringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer,
Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen,
Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen,
In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384],
Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt,
Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren,
Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen:
Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385]
Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht:
O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven,
Eer in Egypteland gestorven en begraven:
Verraders van den rei[386] en 't leger der Hebreên,
Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387] den eersten steen!
Gelijk de reizigers (als in de azure golven
Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven
Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft,
En 't golvig driftig[388] hout met groene baren treft)
Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389] winden
Hij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden:
De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de dood
Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schoot
Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven
Ontijdelijk hij moet den baren overgeven,
Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust,
Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;--
Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoeders
Aaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders,
En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft,
Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft,
't Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390],
Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391] anker
Op Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kan
Tot dalen platten, en verdroogen d'ocean:
Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede,
En slaat, met zijne doode en levendige roede,
Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur,
En wederzijden maakt een roô robijnen muur,
Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidsel
Zoo wijd, dat midden[392] blijft een guldig zand-plaveisel,
Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor
't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor.
O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken
Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken,
Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt
Een leger[393] diepte vindt en snellijken verloopt!
Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394] der naturen)
Vast dweerssen[395] deze straat van kristalijne muren,
Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vocht
Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!"
En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen,
Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen:
Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat,
Wanneer men doorgaans[396] vindt zulk eenen droogen pad?
Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen,
Of't grondloos[397] dieplood, om de diepten met te peilen?"
Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort,
En vindet zich droogs voets van de een op de ander boord
Behouden op het strand; dies Farao verbolgen
Verkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgen
Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld,
En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398] veld,
Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen,
Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen,
Een slinksch[399] onweder van den hemel nederworpt,
Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt,
Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400],
En komen door 't gegolf eens eindling[401] opgebobbeld,
Met eiselijk[402] geschreeuw, half levende en half dood:
De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]:
De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!"
En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!"
De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond,
De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond,
En de ander al verbaasd, om boven 't water wakker
Nog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker,
En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt,
Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt.
De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig,
Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig,
Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405],
Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind,
En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden,
Durft hij den dullen[406] storm 't hoofd even dapper bieden,
En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt,
Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt,
Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden;
Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden:
Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407] gij rebelleert!
Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert."
Den Oceaan en past op[408] vloeken noch op schelden,
Zijn dreigementen dweers[409] en mogen hier niet gelden;
Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410],
Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht,
En weder zevenmaal gedaald is in de vesten
Van't grondelooze diep, hem eindelijk ten lesten
De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft,
En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd.
Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen,
Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411] verslagen,
Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed
Farao's had gedempt vertreden onder voet,
Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen,
Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen,
Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid straf
Dat hun verlossing werd Farao tot een graf,
Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even
En onverzienste[412] dood hun strekte tot den leven.
De winden en het meer goedjonstig[413] wierpen ruit[414]
De Egyptsche wapening[415] weêr aan den oever uit,
Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen,
Daar zij eerst werden met[416] gedreigd van hun vijanden.
Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord,
En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort;
Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken,
Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417] doen klinken.
(_Binnen_).
_HYMNE OF LOFZANG._
VAN DE ISRAËLIETSCHE REI.
Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst,
Nu looft den Heer der Heeren,
Die ons met de overhand bekranst,
Vlecht hem een kroon van eeren;
Hij is, die al de banden van
Ons slavernije breken kan,
En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.
De Heer gedenkt aan zijn verbond
Over zijn uitverkoren,
Looft Hem met ziele, tong en mond,
Die Israël staat voren[418],
Die Jacobs huis, in dienstbaarheid,
Onder zijn schaduwe bespreidt[419],
Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420].
Hij is de God van Abraham,
Isak en Jacob machtig,
Die nu tot koning zalft den stam,
Den stamme Juda krachtig,
Die ons naar 't zoet beloofde land
Geleidet door zijn sterke hand,
Om[421] heerschen int land Canaän eendrachtig.
In 't land, daar melk en honig vloeit,
Daar de Jordaan beneven
Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit
Van 't steil gebergt verheven:
Daar, als de baren van der zee
Of 't zand der stranden, nu alreê,
't Zaad Israëls doet zijn vijanden beven.
Looft dezen krijgsheld onvervaard,
Die paarden, ros en wagen,
't Gewapend heer met schild en zwaard
Heeft mannelijk verslagen,
Met den verstokten koning trotsch;
Bouwt op dees klip en sterke rots,
Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.
Den rood-scharlaken mantel breid[422]
Van 't roode meer hij scheurde,
En heeft guld-zandig geplaveid
Een effen straat, waar deur de
Hebreên ontweken hun misval,
Tusschen twee muren van kristal,
Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423].
Farao, die ons op de hiel
Vervolgde met zijn scharen,
't Zee-water stormig overviel
Met 't zwalpen van de baren;
Die 't voorhoofd bergden int gestert[424],
In den afgrond vernederd werd:
Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren.
Farao's wimpelen ontdaan
En zag men niet meer zwieren,
Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan,
Noch al zijn roô banieren;
Zijn wapens en geslepen staal
Zonk met zijn rusting altemaal:
Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren.
Bouwt al uw hoop op dezen steen,
Bouwt uw geloove vaste
Op den monarche der Hebreên,
Die Farao verraste,
Die des tyrans voornemens schort,
Den hoogmoed van hun vleugels kort,
En met zijn sterke schouders ons ontlastte.
In koper, steen, noch ijzer hard
Alleen niet dees weldaden
En prent, maar schrijft ook in uw hart
Gods goedheid vol genaden,
Die ons 's doods muile heeft ontrukt:
Groen palm en myrtetakken plukt,
Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!
MOZES doet zijn offerande en spreekt:
Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,
Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook
Van dezen altaar, als een liefelijken rook,
Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden!
Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425],
Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft,
Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft,
Zijn zwakke sterflijkheid niet[426] hoogers mag bereiken.
Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,
Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt
Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427] schept,
En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine!
Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der
Oprechter[428] lippen vroom voor zijn weldadigheid,
't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;
Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.
't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen,
Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,
Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis,
De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.
Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten,
Hij hevet[429] al gemaakt;-- o, groot is uwen lof!
Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430] zonder stof,
Zoo gij in uwen raad verholen[431] hadt besloten.
Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,
Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood
Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,
Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.
Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen!
Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid
Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid,
Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.
Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,
En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed
Op 't heilige gesteent ons offerande doet,
En dat wij we wet betrachten aldermeeste.
Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen
Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433]
Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan,
Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.
Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434],
Al de eerstelingen van geheel Egypteland
Van menschen en van vee, door uwe sterke hand
Geslagen werden, van den meesten tot den minsten.
En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye
Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid,
Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît,
Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye.
O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,
Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,
Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier,
Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.
Versaagt[435] voor onze komst de stoute Filistijnen,
Kwetst hunnen preutschen[436] moed! o Heer, blijft onzen borcht
En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd
Geraken door de dorre Arabische woestijnen.
Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren
In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet,
Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet,
En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren.
(_Binnen_).
_KOOR._
's Hemels goedheid, die voorhenen
Ons voorvaders heeft beschenen,
Is hier op 't tooneel herspeeld,
En naar 't leven afgebeeld.
Tijd noch de vergetenissen
Hoort[437] uit ons gemoed te wisschen
Dees weldaden overgroot,
Neêrgedaald uit 's Hemels schoot.
Doch wanneer wij zien veel milder,
Wat den goddelijken schilder
Hier met naakt afconterfeit,
Raakt dit in vergetelheid,
En vertoont zich veel geringer,
Wanneer ons dit met den vinger
Wijst op 't ware wezen blij
Van dees hemel-schilderij:
Op een grooter weldaad leerlijk,
Die door Jezum Christum heerlijk
Ons zoo rijkelijk beschijnt,
Dat de schaduwe verdwijnt:
Want wanneer de zonne luistert[438],
't Manen-zilver werd verduisterd,
't Bleekste voor het helderst zwijkt[439],
't Minste voor het meeste wijkt;
Om den zin hier van te mellen[440]
D' een wij tegens d'ander stellen:
Nu, het rijk Egypten is
Of beteekent duisternis,
Daar in zware slavernije
Jacob, onder d' heerschappije
Faraonis, met geklag
Droevelijk in boeyen lag:
Maar door 't goddelijk verweere[441]
Werden zij, door 't roode meere,
Saam verlost uit dees spelonk,
Als den Farao verzonk
Met zijn schilden en zijn zwaarden,
Met zijn ruiters, volk en paarden:
Even lagen wij verstrikt,
Leelijk in ons bloed verstikt,
Onder Satan, Hel en zonden,
In 's doods banden vastgebonden,
Maar door 's levens klaar fontein,
Onzen Zaligmaker rein,
Als Hij in het laatst der dagen
Aan het kruise werd geslagen,
Werden wij, door zijn bloed rood,
Vrij van zond', Hel, Duivel, dood,
Door zijn goedheid vol genaden
Afgewasschen ons misdaden:
Niet verlost, als Jacob, bloot[442]
Van een tijdelijke dood:
Maar door dezen Samson leeuwig
Vrij van d' Helsche pijnen eeuwig,
Van Gods onverganklijk wee,
Van het zwaard, dat uit der scheê
Boven 't hoofd ons dreigde grammig,
Met den brand des afgronds vlammig.
Israël trok al gelijk
Naar een aardsch verganklijk rijk,
Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,
Maar, na ons gebroken boeyen[443],
Ons de Heere roept tot hem;
In het nieuw Jeruzalem,
Loopt dan, ijverig genegen,
Hebben wij door Christum kregen[444]
Eenen weg gebaand en plat
Naar de schoone hemel-stad.
Daar dood, ziekte, strijd noch tranen
Gelijk over der Jordanen[445]
Ons meer zal ontmoeten wreed,
Als 't den Isralieten deed.
Die zoo vlijtig hun[446] bewezen
In het uiterlijke wezen,
Ook om slachten 't zuiver Lam,
't Welk terstond een einde nam,
Als den godlijken Messias
(Daar den anderen Helias
Zijn verkoren Jongers vroed
Op wees met den vinger zoet,
Alder schatten kleinoodkoffer),
Toen die kwam en zijnen offer,
Als hoog-priester, dede spâ
Op den berg Calvaria;
Toen hij tegens Satan kampten,
Alle priester-dienst en ampten
Eindden met het Paasschen-feest,
Als de Joden jaarlijks meest
Posten, dorpels nog bestreken
Met 's Lams bloede, tot een teeken
Hoe hun God bevrijdde weerd[447]
Voor den slaanden Engels zweerd.
Voorspel, 't welk ons leert ten besten,
Hoe dat in den alderlesten
Dag der dagen, in 't gericht,
Voor Gods toornig aangezicht,
Jezus Christus ons zal vrijden
Door zijn heilig bitter lijden,
En, met 't rood onschuldig kleid[448]
Van zijn droeve sterflijkheid,
Ons onrein melaatsche vlekken
Voor des Heeren aanschijn dekken.
Eet dan geestelijker wijs
Nog dit Lam, der zielen spijs,
Met een bitter sausse spijtig;
Ware Israëlieten vlijtig,
Laat de kracht van zijne dood
U nog zijn een hemels-brood!
Weest omgordt, en staat alreede
Om te wand'len na den vrede,
Met den staf, alzoo 't behoort,
Van des Heeren heilig Woord
Opgeschort, omgord op vordel[449]
Met der liefden band en gordel.
Ook aanmerkt hier algemeen
Dees twee leids-liên der Hebreên:
Mozes (onbespraakt voor Farons
Aanschijn) hoeft des priesters Aronsv
Reden-rijke tonge vocht[450]:
Doch geen van dees beiden mocht
Isak brengen eindelijken
In Canaäns koninkrijken:
Onder welke schorsse duikt
Als men dezen bast ontluikt[451],
De onvolkomen zwakheid teder
Van der wet te korten leeder[452],
Om in 't hemelsch vaderland
Op te stijgen uit den brand,
Uit den brand der zielen zweerdig[453],
Uit Gods toornigheid rechtveerdig,
Daar ons Christus, als gezeîd,
Heeft behouden uitgeleid.
Want in Christo woont bekwamig
Zelf de volheid Gods lichamig,
't Evangelische verbond
Vloeyet uit zijns wijsheids mond,
Der genaden fontein-ader[454],
Ons verbidder, bij den Vader.
Israël vertrok op hoop,
Maar voor ons heeft al den loop
Christus 't hoofd van zijne benden
Lang te voren gaan vol-enden,
En met 't kruis getriomfeerd
Boven Hemelen en eerd'[455].
Laat dit plaatse bij u grijpen,
Laat dit godlijk zaaisel rijpen,
Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonst
Vloeyen UIT LEVENDER JONST[456].
VOETNOTEN:
[1] _nagenoeg._
[2] _Verzonnen_.
[3] _Maar_.
[4] _ingerichte_.
[5] Van (den Latijnschen dichter) _Horatius_.
[6] _Gebrekkig_ (van geest nam.).
[7] Thans _zich_.
[8] Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkende _daarnaar_ willen
lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijk _nader_)
dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen met _waar_,
_daar_, enz. het eerste de voorkeur.
[9] Thans _dan_.
[10] _Korten_ (verg. de uitdrukking _spanne tijds_).
[11] Thans _vertoont_ (d. i. eig. _vertoogent_, met den langeren
vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.)
[12] _te omspannen_; verg. boven bl. 5, aant. [8].
[13] _blinkende_.
[14] Tweede-naamval van Venus.
[15] _blinde klip_
[16] Thans _iets anders_.
[17] _bestuur_, _beheer_.
[18] _leerrijke_.
[19] Lat. voor _tooneel_.
[20] _planken_.
[21] J. Mz. _Vaer_ (d. i. _van der_) Laer was een rijk Amsterdamsch
lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld.
[22] Thans _doet hem verzellen_.
[23] _bekrachtiging_.
[24] _vrij te laten_.
[25] _beesten_ (verg. 't Fr. _bétail_).
[26] _welriekend_.
[27] _kaauwt en herkaauwt_.
[28] _Dijt uit_.
[29] _schapen_ (het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen)
[30] _pracht_ (verg. 't Hoogd. _geschmeide_).
[31] _kleed_ ('t Fr. _habit_).
[32] voor _schijnt_.
[33] Thans tot _een helm_ geslonken.
[34] _zacht_.
[35] _dan_.
[36] _dezer dagen_.
[37] _afbeeldt_.
[38] _open_.
[39] Voor _verlustigt_.
[40] _tweesnijdend_.
[41] Thans _ofschoon_.
[42] _luister_, _glans geeft_, _blinkt_.
[43] 't zilver van den maan.
[44] Voor _raast_.
[45] _legt_; thans _ligt_.
[46] _zeis_.
[47] De landbouwende klasse.
[48] Thans tot _lachte_ verzwakt.
[49] _Een iegelijk_.
[50] Voor _gemeen_.
[51] _voren_.
[52] _gelijk_.
[53] _bron_, _water_.
[54] _vonkelen_ (verg 't Eng. _to spark_).
[55] Thans _schijnt te branden_.
[56] Thans alleen _geknield_.
[57] _sterk_ (verg. boven _spark_ met ons _sprank_).
[58] _bespiedde_.
[59] _in eigen persoon_.
[60] _spiegelgladde_, _effene_.
[61] voor _gebracht_.
[62] _aan wien_.
[63] voor _krult_.
[64] Thans _wil_.
[65] _Bewandelt_, _betreedt_.
[66] _draait_.
[67] _perk_, _omvang_.
[68] _van't veld_.
[69] _Zoo_, _indien_.
[70] _bundel_, _koker_.
[71] Thans _beschoren_.
[72] voor _versmelt_.
[73] _erkennen_.
[74] _vloeit_ en _geboeid_, als _vloei-et_ en _geboei-ed_ te lezen;
verg. beneden _scheidet_.
[75] _helderen_.
[76] voor _vliegend span_.
[77] _sluw_.
[78] Thans _om te_.
[79] Eig. 't Hoogd. _kreitz_, d. i. _kring_, _perk_; van daar (gelijk ook
hier) _strijdperk_.
[80] _veegt_ (van 't oude _dwa-en_, waarvan nog _dweil_).
[81] _schreyend_.
[82] Voor _tarwen-aren_.
[83] Thans _zich_.
[84] _flikkeren_, _vonkelen_.
[85] _hoekigen_, _kronkelenden_.
[86] _golvenden_.
[87] voor _verheuging_.
[88] _afloopt_.