Als de zee vast ongestuimig

Stormt, en werpt haar baren schuimig

Naar den hemel al verbaasd,

Als de schipper hoort de buyen

Van den Noord-wind 't strand doorluyen,

Is de stilte eerst allernaast.

Zoo ook God, wanneer hij droeve

Stelt in 't hardste van zijn proeve

't Mensch'lijk schepsel t' eenemaal,

Is zijn gunste zoo veel nader,

En, gelijk een goedig Vader,

Zoo verzacht hij al hun kwaal.

Na zijn toornigheid ontsteken[139],

Zal hij weêr zijn pijlen breken,

En na zijn kastijding schier[140],

Na zijn straffinge weldadig

Werpt hij wederom genadig

Al zijn roeden in het vier.

Want in droefheid en ellenden

Zal de mensch tot God zich wenden:

Maar in weelde en voorspoed zat

Zal hij wederom vergeten

's Heeren goedheid ongemeten,

Wijkende van zijnen pad.

Dat ons God dan proeft ten lesten,

Dienet al tot onzen besten,

Of men 't schoon zoo niet begrijpt:

Zal de wijngaard vruchtbaar groeyen,

Och! men moet hem wel besnoeyen,

Eer zijn gulden vruchte rijpt.

Na een bitter sause scheele[141],

Zal de honig onze keele

Smaken zoeter en belust,

En na 't lang gedurig slaven

Ligt de moede zacht begraven

In den schoot van stille rust.

Die den[142] Hemel meest beminnet,

Dien hij allerliefst bezinnet,

Meest van droefheid werd bespoeld[143]:

't Moedig paard, dat in den stalle

Is uitmuntig boven alle,

Meest zijns heeren sporen voelt.

Is 't dan vreemd, dat God de Joden,

In de tranen van veel nooden,

Heeft gewasschen rein en klaar:

Nu de tijd ook is verschenen,

Keert in blijdschap al hun weenen,

Nu is hunnen trooster daar.

Want God voor veel jaren Mozen[144],

Amrams zone, heeft verkozen

Tot een trooster Israëls:

Ziet eens, hoe hij hem omermde,

Hem omhelsde en beschermde,

Voor Farao's gramschap hels[145].

Toen de afgunstigheid de zonen

Jakobs, zonder te verschoonen,

Zwaard en water overgaf;

Toen het moederlijke herte

Jochebeds zag, met veel smerte,

Mozes wieg aan voor zijn graf;

Toen de moeder heurs zoons leven

Moest de baren overgeven,

Als zij had heur kind gekust;

Toen de moederlijke zorgen

Lagen, met heur kind, geborgen

In het kistjen ongerust.

Toen zij moest heur zelf verliezen,

Van twee kwaden 't beste kiezen,

Met een droef adieu, te noô[146],

Riep: "ik hope in deze golven

Meer meêdoogen is gedolven

Als in 's konings herte snoô!"

God, hoe langs hoe goedertierder,

Van dit scheepken was de Stierder

Zelf, met eenen Wester wind,

Die het blies hoe langs hoe lochter[147],

In den schoot van 's konings dochter,

Voor een Engel en geen kind.

't Kind, dat zag men weder dorsten

Naar zijn eigen moeders borsten,

't Wies in alle schoonheid op;

In zijn voorhoofd stond geletterd,

Hoe 't den Farao verpletterd

Nog vertreden zou den kop.

't Groeide op in manlijkheden[148],

En, van harte heel besneden

Voor des hofs wellusten, hij

Koos in ballingschap te zwermen,

En den Hebree te beschermen

In zijn droeve slavernij.

Als hij hierom moest vervluchten,

En in Midians gehuchten,

Weiden 't herderlijke vee:

Als de tijd nu was voor handen,

Dat de Heer zijn offeranden

Eischen zou van den Hebree;

Zoo verschijnt hem van den Hemel,

Bij Sinaï, 't lichtgeschemel[149]

Van des Heeren heerlijkheid;

God laat hem zijn stemme hooren,

Op dat hij zijn uitverkoren

In het land Kanaan leidt.

Op dat zij daar, zonder smetten,

Onderhouden zijne wetten,

En hem lieflijk met wyrook

Eenen zoeten reuk toebrengen,

En met bokkenbloed besprengen

Zijn altaren met gesmook[150];

Op dat dankbaar, onverholen

(Wijder als tusschen de polen,

't Hemellicht den nacht beschaamt)

Al zijn groote wonderdaden,

En zijn goedheid vol genaden

Over al mocht zijn befaamd.

Dat de mensche[151] steeds mocht haken,

Om hier boven te geraken

Daar 't hem alles looft en prijst.--

Acht het aardsch dan veel geringer

Dan het Hemelsch, daar de vinger

Van zijn zoete wet op wijst.

TWEEDE DEEL.

FARAO de koning, TIFUS en SERAX, droombedieders

en toovenaars,

FARAO.

De laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?)

Heeft mij belemmerd zwaar met velerlei gepeinzen,

Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeft

De zorg, die altijd met veel zorgen om ons zweeft,

De zorg, die 's konings hoofd met haren zwerm verduizelt[152],

En met een sterk geblaas steeds in zijn ooren suizelt.

Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal

's Nachts vleugelen bespreidt, zoo slaapt den grooten al.[153]

De zon in Thetis' schoot, 't gedierte met vermakken[154]

In zijne holen rust, 't gevogelt' in de takken

Zijn vlerken hangen laat: maar 's konings majesteit

Toch nimmer rust omhelst, of zoo hij werd verleid

Door eene zachten slaap, en d' oogen komt te sluiten,

Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten;

Als hij in 't bedde zwemt in Lethe's stillen stroom,

Zijn zorgen werden ijl[155] verkeerd in eenen droom.

Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagen

Werd langs het RoodeMeers schuimachtig strand gedragen,

In volle wapening en rusting t' eenemaal,

Gelijk wanneer de Moor ontziet[156] mijn bloedig staal.

De hemel was gevaagd[157] blaauw, helder, en azurig,

En Febus zag in zee zijn spiegelstralen vurig,

Het weder loech elk toe, men hoorde geen geruisch;

Zefyrus nu verblies een golfjen met gedruisch,

De schepen lagen stil, dat nu Neptunus' gilden[158]

Voor 't windelooze weêr een zeil uitspannen wilden,

't Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor,

En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,

Als op het onverzienst het meer bestond te bruischen,

Dat geene kielen zich naar 't roer en lieten kruisen[159],

De sture Boreas begon fluks uit de zee

't Grijsschuimig baargebergt' te brengen op de ree,

De hemel werd bekleed met droeve duist're wolken,

En 't voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken;

Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag,

Dat 't licht alzins verdween; of, zoo men schijnsel zag,

Was 't bliksem-wederlicht, dat met een slinksch[160] geflikker

Jupijn van boven wierp, met eiselijk[161] geklikker,

De donder dreunde met een dommelig geklak,

Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus' gramschap brak,

Die met zijn gaffel[162] scheen den hemel te beklemmen,

En weder 't firmament in 't Roode diep te zwemmen;

De Tritons trompten[163] op hun groote waterschulp,

Dat ieder Palinuur[164] de Goden riep om hulp,

De schepen stegen op genade naar de polen

En hadden 't wijscompas en 't roer den wind bevolen.

De paarden zagen nu ook d' onweêrs stormen leep[165],

De voerman hoefde toom noch breidel, noch de zweep,

Zij vlogen even dol een langdurige wijle,

Als uit een Schytschen boog de onbedwongen pijle;

Veel snelder als de wind, veel sneller als de stroom

Schoof op vier raders de beslagen disselboom;

Hot, hot, al breideloos de wagen henen glipte,

Ontziende noch de kroon, noch scepter van Egypte:

Wat 's konings koetser[167] of luide riep,

De redelooze vlucht al even zwijmig liep,

Nu bin[168] nu buiten spoor, al zonder weg te peilen[169];

Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen.

Dus stoof de voortocht vast, als eene watervliet

Die van 't gebergte valt, tot daar men Faros ziet

Weêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollen

Gelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen:

Hoe 't grondelooze diep meer zand en water spoog,

Hoe heftiger verschrikt elk ros om 't zeerste vloog,

Tot door het storm geblaas een krokodille strandden[170],

De grootste, die hier ooit gezien mogt zijn te landen,

Dicht aan den boord des strands, in't minst van driemaal vijf

Kubieten[171], oversterk gewapend op het lijf

Met dubbel schelpen hart, 't hoofd zeldzaam om te aanschouwen,

Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen,

Scherptandig in den mond: zoo haast onz' jacht vernam

Dit zeldzaam monster, 't welk heel heftig naar hen kwam,

Zij hunnen loop op nieuw verdubbelden[172] vervolgen,

De koetse mocht gezwind haar op het snelste volgen,

Als 't koppel honden heet het hert volgt op den hiel,

Tot dat een holligheid den wagen wederhiel,

Waar door zij uit 't gespan van hun gareelen raakten,

En krak, krak! tot tweemaal, de groote wagen kraakte,

Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht,

Met mij stak op het strand de beenen in de locht!

Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden,

Tot ik mij 's morregens van Morfeus vond verraden.

De droom beduidt wat vreemds (hoe wel hij somtijds liegt,

En met zijn Iden[173] als een schaduwe vervliegt);

Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten,

Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten,

En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespook

Is voor mijn slaaps gezicht verswenen[174] als de rook:

De pyramiden van de koninklijke graven

Driemalen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven

't Meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf!

Egypte dreigen gruw met de een' of de ander' straf;

De grootste zerken van de tomben zijn gereten,

En 't nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten,

Isidis[175] heilig beeld, tot voorspel van ons leed,

Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet[176],

Osiris naar den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen!

Ontwijfelijk hierna moet d' een of d' ander[177] volgen:

Gij zienders! mij den grond van deze zaak verklaart.

TIFUS.

De koning zij hier in bekommerd noch bezwaard.

SERAX.

De droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen.

FARAO.

Hij rijz' waar uit hij wil, wat is er in verborgen?

TIFUS.

Gansch niet[178], grootmogend vorst!

FARAO.

Nochtans de droom bediedt

En wijst op 't geen daar na gemeenelijk geschiedt.

TIFUS.

Pilaar van 't grootste rijk, de droomen zijn verscheiden,

En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden;

Ten anderen profeetsch voorloopers, diens[179] gebaar

De komst boodschappen van de zuivre waarheid klaar;

Ten derden, twijfelijk en donker in 't aanschouwen,

Daar niemand, dan die wil, 't geloove op hoeft te bouwen:

Nu, 't beeld van 's konings droom, ten aanzien ongewis,

Van ijl en twijfel t' zaam in een versmolten is,

Zoodat er niet en waar iets zekers uit te ramen.

SERAX.

Belangende 't gespook met dees voorteekens t' zamen,

Ten deele schijnt het wel tot kwaad te zijn geneigd,

En acht[180] wij werden[181] van de Goden dus gedreigd,

Omdat wij zuimig[182] zijn, en werden[181] langs[183] hoe sloffer

In 't heilige gesmook en dienst van onzen offer,

Om de andre Goden straf t' ontslaan[184] en maken kwijt

Op den altaren, die den priesters toegewijd,

Bevolen zijn van ouds; de koning tot een teeken,

Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken,

Opdat de Hemel (die ons dreigen[185] schijnt met wee)

Zijn staal mog wederom bekleeden metter scheê,

En de offeranden als een zoeten reuk ontvange,

Wegnemende de straf, die toornig schijnt te hangen

Ons allen boven 't hoofd: dat ook de koning weêr[186]

Den Godsdienst, die allengs vervallen meer en meer

Is in het gansche Rijk, op nieuw mocht wederbaren[187],

Geheel op 't oud gebruik van over vele jaren;

Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mocht

Devotig zijn gevierd, en alles wederbrocht[188]

Werd op den ouden voet--

MOZES en AARON tot FARAO.

MOZES.

Groot koning van de stranden

Des Nijls! de Koning, die den scepter voert in handen

Van hemel, aarde, en zee, die uwen glans verdooft,

Der koningen Monarch, en aller prinsen Hoofd,

Heeft ons gezonden hier.

FARAO.

Wiens scepter of wiens kroon is

Ontzienelijker[189] als den rijksstaf Faraonis?

MOZES.

't Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth.

FARAO.

Wie kent er nevens mij een grooter Heer of God?

Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten?

AARON.

Van een almachtig Heer wij beide zijn gezanten,

Van God, die zijnen troon op 's Hemels vout[190] pilaart.

FARAO.

Regeert hij in de lucht, ik heersch hier op der aard.

AARON.

Hij is, die 's Hemels loop stiert op de hooge polen.

FARAO.

Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen.

AARON.

Hij is de Dondergod en 't bliksemende licht.

FARAO.

De donder is mijn stem, de bliksem mijn gezicht.

AARON.

Zijn Godd'lijk woord beweegt de blaauwe firmamenten.

FARAO.

Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen:

Wat is 't dat, gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert!

AARON.

De God van Abraham op Farao begeert,

Dat hij van 't juk ontsla en buiten de limieten

Egypti[191] trekken laat de slaafsche Israëlieten,

Dat zij hem mogen doen een offerande, vrij

Van 't heidensche gezicht, die hem behaaglijk zij;

Daar Horeb 't voorhoofd bergt ten hemel in de wolken;--

Dus oorlooft[192] nu 't vertrek aan al d' Hebreeuwsche volken.

FARAO.

Genade, o Jupiter[193]! Wie zijt gij die zoo licht

Uw hielen tegen mij den grootsten koning licht?

Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkel

Saturni[194], dat gij 't hoofd zult steken aan den prikkel:

Wie is er die zich derf opwerpen tegen mij,

Dwingvolk[195], kroondrager van de grootste heerschappij!

Ik zweer bij 't hoog tooneel van mijn rechtvaardig leven,

Gij hebt uw eigen roê mij in de hand gegeven:

Als tegen zijnen heer de slave zich opwerpt,

Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt,

Het lastig juk verzwaard, de hals hem òverwogen,[196]

En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen,

De stoute hoogmoed van zijn vleugelen gekort;

Hoe 't bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt,

En hoe men hem meer recht en voordeel zal aanbieden,

Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden:

't Is weelde, die uw jeugd al lang genoeg verschoont,

Best dat men u verdrukt en houdt in de oud' gewoont';

De roede is van den neers en eerst in 't vuur gesmeten,

Nu 't langer niet en smart, de striemen zijn vergeten;

Gelijk de gladde hengst, die op den stal verkoelt,

Zijns heeren sporen niet in lange en heeft gevoeld,

Noch toom, noch breidels dwang, alreede kwaad om temmen

Te noô laat zijnen heer weêr op den zadel klemmen[197],

Het steigert en het briescht, van weelden ongezond;

Nu schort u ook 't gebit van ijzer in den mond,

't Is best, dat men u weêr deez' ziekte doet uitzweeten,

En voor een vette sop[198] geeft slagen voor uw eten:

Gaat henen in 't gareel, gaat henen, bouwt en slaaft,

Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft[199].

AARON.

Wij zijn de boden Gods, dus laat u niet verrukken[200],

Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken;

Daar ligt de roede tot een teeken opter eerd,

Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert,

Zij kronkelt en zij kruipt: indien bij u ons spreken

Niet eene pluim[201] en weegt, gelooft ons bij dit teeken,

En looft Israëls God, die u 't geloof versterkt,

En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt:

Geloofdy[202] 't niet om 't eerst, gelooft dan, met den and'ren,

Het tweede, als in rood bloed het water zal verand'ren,

De visch versterven zal in der rivieren stank,

Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk.

SERAX.

En dynen lieven God, vertoont hij zich zoo brave[203],

Om dat hij in een slang verandert uwen stave?

Is dit zijn hoogste kunst? Loopt met uw meersche[204], loopt,

En uwe kramerij al elders duur verkoopt,

Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen!

TIFUS.

Meent gij den koning zoo in de ooren wat te blazen?

Meent gij, dat onze prins zoo lichtlijk is getroost?

Wij hebben 't al te dik voor oogen hem gebootst[205]:

En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig,

Wij zullen 't water ook couleuren[206] gelijkvormig.

AARON.

Gij toovert, ik herschep; gij met den schijn bedriegt,

Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt,

Uw goochelkunst en is maar forma en figure,

En 't mijne lijfelijk verandert van nature:

Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewis

Van Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is:

Schort[207] dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren,

Die weder dezen staf maakt als hij was te voren.

FARAO.

Waar toe dit lang sermoen? preêkt elders al uw best,

En Faraonis eer niet door eens anders kwetst:

Gaat, boodschapt den Hebreên: mijn hand is veel geringer

Voordezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger.

Ik voel, ik voel het juk is hunnen last te licht,

Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht:

Met schorpioenen wil ik hen voortaan kastijden,

En alle roeden 't vuur en uwen God toewijden

Tot eenen offerand. De koning is verleid,

Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheid

Te trekken meer en meer, en ziet hij niet te veuren[208],

Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren,

En stellen 't rijk in roer[209], en roepen: "tza, wel aan!

Laat ons den zwaren last van 's konings kroon ontslaan,

Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten?

Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten"[210].

MOZES.

Verheft uw harte niet, want 's Heeren straffe dra

Volgt u alreê, gelijk de schaduw 't lichaam, na,

Der bergen toppen, die zich in de lucht verheffen,

Afgrijselijk men ziet de slinksche[211] bliksems treffen:

Heer koning! luistert hoe Gods gramschap wederschalt!

Verschuilt, verschuilt u, eer de Hemel op u valt,

T'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragen

Naar den godd'loozen toe, maar komt met zware slagen

Op der tirannen kop: dus uit den grootschen tred

Uws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzet

Haalt fluks de zeilen in! gij moogt[212] hem niet ontslippen:

Of gij hem schoon ontvlucht, zoo raakt gij op de klippen

Van uwen ondergang; en of gij u verschuilt,

In 't allerhelschte[213] diep, in 't donkerste gekuilt,

Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken,

Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken[214],

Alzins vindt gij u in de kaken opgesperd[215]

Van zijn rechtvaardigheid, en in den strik verwerd

Van zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen[216]

En na het lichaam u zal treden op de hielen

Van uw versteend gemoed: wat baat toch kroon of staf,

Als Hij uw kroone breekt, die u den scepter gaf

Met zijnen sterken arm; dus neemt tot geen verschooning

Uw troetelende[217] macht, die steeds den hoogsten Koning

Moet onderworpen zijn; want Gods almogendheid

Belacht, helaas! den trots, die u omhelst en vleit

Met een vermomd gelaat.

FARAO.

Waar toe dees lange rollen?

SERAX.

Heer koning! laat den zot 't hart met zijn tong uitbollen[218].

TIFUS.

Wat werpt ons Pluto[219] op?

AARON.

Volgt tijdelijk den raad

Des Heeren, die u met onz' stemme wekken laat

Uit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spade

De held're Zon begeeft, het licht van zijn genade!

FARAO.

Help aarde! wonder is 't, dat gij u niet en belgt,

En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt!--

Past[220] fluks het groot gewelf van Memfis' hof te ruimen,

Eer 's konings gramschap als een zee begint te schuimen;

Hij heeft zijn planten[221] zwaar op 't aardrijk neêr gezet,

Verstapt hij, elke tred een koninkrijk verplet:

Zoo gij den bliksem zoekt, Jupijn is hier te vinden:

Dus wacht u wel den leeuw zijn keten te ontbinden.

Schuimboeven van mijn rijk! gaat, boodschapt den Hebreeuw

Dat 't glas verloopen is van zijne gulden eeuw;

De laatste ure is lang geslagen aan den wijzer,

En in Farao's hof is zijne kerfstok ijzer:

Gaat henen, maakt hem kond, wien dat uw fijn verstand

Den stok om hem te slaan gaf in zijn rechterhand;

Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slaven

Dat lang voor hun vertrek de weg is opgegraven:

En is 't dat uwen God niet vast en zit geschroefd,

Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iets behoeft.

(_Binnen_.)

MOZES.

Zijn hart is onbeweegd veel grooter[222] dan de rotsen.

AARON.

Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen?

MOZES.

't Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop.

AARON.

Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop.

MOZES.

Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig[223] baffen.

AARON.

Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen.

_Binnen_.

_KOOR._

Steenen Farao! wilt zwichten,

Want zijn schichten

Haalt de Hemel uit den tros[224]:

Pyramiden! wacht uw spitsen

Voor zijn flitsen:

O, daar gaan zijn pijlen los!

Nylus schreit nu, al bedolven

In zijn golven,

Om de vis, die in zijn kruik

Sterft, om dat de waterbaren

Aldus varen

Bloedig over zijn parruik[225].

Vorschen, luizen, wormen krielen,

Waar zijn hielen

Den Egyptenaar verzet:

Heptanomis[226] groot geweste

Ook met peste

Doodelijken is besmet.

't Vluchtig vogeltjen, met ijlen,

Van haar pijlen

Onverziens werd achterhaald,

Dat zijn vleugels aan de sterren

Uit ging sperren,

In de baren nederdaalt.

't Lokkig schaapjen sterft in 't bleiten,

En de geiten

Vallen voor den herderstok;

Waar de bouwer ploegt al wakker,

Ziet hij 't akker-

Vee begraven onder 't jok.

Nu drukt hun de hand des Heeren

Weêr met zeeren,

Met onreinig puist gedoornt[227],

Menschen ende beesten woelen,

En bevoelen

's Hemels grimmigheid vertoornd.

Nu drukt hun den æther vierig,

Al wraakgierig,

Met zijn kromme bliksems rood;

Nu laat hij Egypte vallen

Van kristallen

Een diluvie[228] in den schoot.

Nu zoo dreigt hij hun afgrijzig,

Met een ijzig[229]

Donders dommelig geklak;

Nu jaagt God met hagels ronden,

Om hun zonden,

Al d' Egypt'naars onder 't dak.

De Eik en schijnet nu de elzen

Niet t' omhelzen,

De Aarde, droef en onbesproed[230],

Mist haar ranken en haar noppen,

Mist haar knoppen,

En haar groen geschilderd kleed.

Nu beschaduwt hij hun banen

Met sprinkhanen,

Die voorts rooven t' eenegaâr[231]

Al de vruchten, die zij zaaiden

En afmaaiden,

In den schoot van 't ronde jaar.

Nu houdt Febus[232] zich gescholen

In de polen,

En vertrekt[233] zijn blonde hoofd;

't Licht van zijnen gulden wagen

Hij drie dagen

Hunnen horizon berooft.

Noch blijft deze koning trotse,

Als een rotse,

Die geen golven en ontziet,

Als een klippe die gedurig

Klieft azurig

't Schuimsel van Neptunus' spriet.

Want God in zijn stoutheid kriegel,

Tot elks spiegel,

Heeft verstokt zijn steenig hart;

Niet, om met een welbehagen

Hem te jagen

In 's doods strikken al verward;

Maar om straffen zijn voorleden

Godd'loosheden,

En om Israël bekwaam

Stof te geven, om te zingen

Zonderlingen

De Eer van zijnen heil'gen naam.

DERDE DEEL.

FARAO, de koning.

De complete werken van Joost van Vondel. Het Pascha · 第 2 / 5 段