Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
DE COMPLETE WERKEN
VAN
JOOST VAN VONDEL.
Het Pascha,
of
de Verlossing der kinderen Israëls uit Egypte;
TRAGICOMEDISCHER WIJZE, EEN IEDER TOT LEERING, OP 'T TOONEEL GESTELD.
De goede vind' mij goed,
De kwade straf en streng,
Wanneer ik d' een behoed',
En d' ander t' onderbreng'.
DE DICHTER WENSCHT DEN GOEDWILLIGEN LEZER HEIL EN ZALIGHEID.
De oude wijze Heidenen, aanmerkende den aard en de verdorvenheid des
menschen, en ziende hoe traag vast[1] een ieder was, om langs de trappen
der deugden op te klimmen, en omhoog te stijgen in al hetgene wat
loflijk en heerlijk bij hun mocht genaamd worden, als zijnde eenen al te
steilen berg; zoo hebben zij in alle manieren getracht, door zekere
middelen een ieder te brengen tot een goed, zedig, en natuurlijk
burgerlijk leven; hetzij door eenige poëtische fabelen en versierde[2]
gedichten, of door andere bekwame regelen en wetten. Dan[3] onder andere
hebben zij voor goed ingezien de manier van eenige oude historiën of
vergeten geschiedenissen wederom te ververschen, en vooral de wereld op
het tooneel te stellen: om alzoo door zekere aardig toegemaakte[4]
beelden en personen, levendig uit te drukken en na te bootsen hetgeen
tijd en oudheid, met veel verloopen eeuwen en afgemaaide jaren, bijkans
uit het geheugen gewischt hadden, in voegen alsof die eerst tegenwoordig
geschiedden. Waarin zij betoonden, hoe in 't einde alle goed zijn
belooning, en alle kwaad zijn eigen straf veroorzaakt, opdat zelfs
plompe, ruwe en ongeleerde menschen, die al hoorende doof en al ziende
blind waren, zonder bril mochten hun feilen als met den vinger
aangewezen, en door sprekende letteren van gesierde figuren getemd en
gezedigd werden, en alzoo volgens de spreuk Horatij[5] het profijt met
genoegen leeren. Want nademaal zij bevonden dat eenigen te kreupel[6]
waren, om te graven naar de kostelijke kleinodiën der leeringen en
geheimenissen, die onder de schors van gedroomde fabelen weggescholen en
verborgen lagen, en hun[7] van gretige zoekers en ijveraars gaarne
wilden laten vinden, en dat den eenen op deze, den anderen op een andere
wijze wilde geleerd en onderwezen zijn; zoo is het hun niet genoeg
geweest, ofschoon de boeken van schoone lessen al vervuld waren, en
geheel dik opgehoopt op malkanderen liggende eenen heerlijken winkel
maakten, en of veel gulden redenen in koperplaten en marmersteenen
kunstig gegraveerd alsins in het voorhoofd van treffelijke gebouwen, de
voorbijgangers al verbaasd ophielden; maar zij hebben ook daarbenevens,
in groote bijzondere schouwplaatsen willen in het openbaar de schatten
der filosofie in den schoot toewerpen dengenen die te achteloos waren om
daarna[8] te arbeiden en te streven: zij hebben met dit doen ook den
geheelen stand en de conditie der wereld willen afbeelden, en die een
iegelijk als een levende schoonverwige schilderij voor oogen stellen.
Want waarbij mag het geheele tafereel of theater dezer wereld beter
vergeleken worden, als[9] bij een groot openbaar tooneel, daar vast een
ieder gedurende den handwijlschen[10] tijd van zijn vliênde leven, zijn
eigen rol en personagië speelt. De een vertoogt[11] zich daarop als
koning, en neemt genoegen, met zijnen beparelden schepter of rijksstaf,
veel koninkrijken en landen te gebieden en te beheerschen, met een
gouden kroon zijn koninglijk hoofd om te drukken[12], en bekleed met een
glansig luisterende[13] purper zich te vertoonen op zijnen hoogen troon,
voor wiens majesteit de onderdanen met grooten eerbied buigen en
nedervallen. Een ander volgt den krijggod Mars, en al blaauw gehelmd
steekt zijn paard met sporen, hebbende in de eene hand een tweesnijdend
zwaard, in de andere een gevelde speer, rijdt alzoo midden onder de
vijanden, ontziende noch leven noch dood, om met tien duizend Trofeën
triumfelijk weder te keeren, of in het bestoven veld, onder de verslagen
helden, zijn graf al met groenen palm en lauwer bestrooid te hebben.
Dezen, met een verbleekt gelaat, kweelt van liefde, en doet met zijn
beweeglijke klachten alsins den schallenden echo in 't holle gewelf van
Veneris[14] tempel wedergalmen. Die berijdt den woesten Oceaan met een
gevleugeld paard, niet ontziende stormen, winden, zeevlagen, noch
Syrten[15], noch klippen, noch diepe afgronden, om van het Oosten in het
Westen te geraken. Een ander beploegt met een paar jok-ossen den rug van
onzer aller moeder, om te zijner tijd de godin Ceres de eerstelingen
zijner vruchten toe te wijden, enz. Terwijl dus den eenen in dit, den
anderen in een ander[16] bezig is, ontgaat hun den vluggen tijd, en eer
den eenen na den anderen den laatsten zucht geeft, moeten zij alle met
den wijzen man roepen, dat alles niet anders is dan "Al ijdelheid, Al
ijdelheid," en worden alzoo door onverwachte dood, eer zij hun zelven
hebben recht leeren kennen, van het tooneel des aardbodems achter de
gordijne weggerukt: daar is den rijken en den armen, den wijzen en den
zotten, den schoonen en den leelijken, den sterken en den zwakken, de
een den ander gelijk; zoodat met recht over deze onze ijdelheid
Heraclitus schreit, Democritus lacht, en Timon zich voor de menschen als
voor eenen vloek versteekt, op hooge bergen, in diepe holen, in duistere
wildernissen, en andere eenzame plaatsen. Dit aldus aangemerkt zijnde,
kunnen wij lichtelijk vonnissen, wat de oude wijze Heidenen met deze
manier van doen hebben willen te kennen geven, en dat zij daarin niet te
vergeefs zoo vlijtig en bezig geweest zijn. Ja, dat meer is, wie zal
durven ontkennen, dat de Wet met al heur ceremoniën en uiterlijke
diensten, als offeranden, reinigingen, Sabbatten, nieuwe maanden, en al
hetgene Aärons priesterschap en den tempel met alle zijn sieraden,
gereedschappen, en toerustingen aankleeft, zoo ook het regiment[17] van
het rijk Israëls;--wie zal (zegge ik) durven verloochenen, dat dit alles
iets anders geweest zij, als een voorspel van hetgene men in den
toekomenden Messias te verwachten hadde? Want toen dezen allerheiligsten
Hoogepriester en Koning aller koningen kwam, toen hadden alle wettelijke
letterlijke priesteren en koningen Judae hun rol volspeeld en
uitgediend: want in Christus houden alle beelden, schaduwen, en figuren
op. Ja, de bloote parabolen en gelijkenissen, die de Heere, onze
Zaligmaker in het Evangelie voorstelt, "van den mensch, die onder de
moordenaars gevallen was; van den verloren zoon, die al zijns vaders
goed onnuttelijk verkwist had; van den rijken man, die met purper en
kostelijk lijnwaad bekleed zijnde, lekker leefde en Lazarus vergat:" wat
zijn het anders, als naakte Comediën en Tragediën, om daarmede te leeren
die menschen, dewelke op geen andere manier de verborgen mysteriën van
het Rijk der Hemelen verstaan kunnen? Ik ga voorbij de Boeken der
Koningen: daar eenen hovaardigen woedenden Saul, al razende en
troosteloos, in zijn eigen zwaard valt; daar eenen vlugtigen David,
gedurende zijn ballingschap, hemel en aarde te naauw dunkt; daar eenen
verwonnen Zedekia gevankelijk naar Babyloniën gevoerd werd; daar eenen
tirannischen Nebukadnezar Jeruzalem en des Heeren tempel verwoest, en
tot eenen steenhoop maakt, enz. Alle welke personen ons van den H. Geest
tot leerachtige[18] voorbeelden (als op de _scena_[19]) voorgedragen
werden: zoo hebben wij voorhenen deze Tragi-Comedie voor eens ieders
oogen willen op de stellagië[20] openlijk vertoonen. En alzoo wij
bevonden hebben, dat vele daar smaak-lustig en begeerig naar geweest
zijn, om hetzelve nog eens te overlezen, niet vernoegd zijnde, dat zij
het gezicht en het gehoor daarvan genoten hebben, zoo heb ik, ten
ernstigen verzoeke van eenigen, geoorloofd hetzelve (hoewel het gering
is ten aanzien van hetgene ik daarin gedaan heb, nochtans groot en
gewichtig van stoffe) door openbaren druk een iegelijk gemeen te maken:
te meer, omdat het bij velen uit mijn origineel getogen zijnde, te zeer
gekrenkt, en van zijnen luister te zeer beroofd en ontsierd werd.
Wenschende, dat het met zoodanige vruchtbaarheid gelezen worde, dat het
gedije tot prijs van den heiligen en gebenedijden name Gods, en dat,
door het overdenken van deze Tragi-comedie of dit Blij-eindig-spel, de
droeve Tragedie of het droevig Treurspel van ons ellendig leven mag
nemen een vrolijk einde en gewenschten uitgang. Amen.
In Amstelredam, 1612, den 29en Maart.
Den al uwen
J. VAN VONDELEN.
Epistre
A MONSEIGNEUR
IEAN MICHIELS VAERLAER[21],
MON SINGULIER AMY.
L'encensoir odoreux de l'Arabie heureuse,
L'Attique miel sucré, la mine precieuse
De la riche Peru, les perles, les tresors
Que l'Inde Orientale a sur ses riches bords,
Ne pouvant presenter à vostre Seigneurie,
Ie vien l'Avant-coureur de mienne Poësie
Sacrer à ton honneur, en toute humilité,
La printaniere fleur de mon aage doré.
Ma Muse rit desia, se voyant amiable
Dessoubs l'ombre d'vn tel Mecæne favorable,
Qui, fuyant le pavé des ruës, va les champs
Presser de ses talons: qui l'aage de son temps
Loing, loing hors l'emmuré d'vne Cité redouble,
Laissant des Citadins la peupuleuse trouble:
Qui pour les bords du Leck et son bord verdissant
Quitta le bleu Triton de l'Amstel ondoyant,
Et estant petit Roy de Iaersveldt, ne desire
Changer son libre estat pour vn plus grand Empire.
O trois fois bienheureux (a autre fois chanté
Horace et le Gascon Du Bartas renommé)
O mille fois heureux! qui voit tousiours Nature
Fleurir parmy les champs en eternel verdure!
Le maniement joyeux d'vn verd sion enté
Le lustre passe d'vn royal sceptre emperlé,
Les feuilles ombrageux d'vn florissant boscage,
Les doux tirelirants Rossignols en ramage,
Surpassent l'orgueilleux couronnement royal,
Et le chant mesuré des Chantres musical.
Si tost que le Soleil va peindre de dix milles
Couleurs le gay Printemps, par les pleines fertiles,
Le champestre Bourgeois voyt ores sur les fleurs
Aurore distiller les agreables pleurs,
Il voit les fleurs ployer soubs vn mignard Zephire,
Il oyt le doux Echo qui par le ciel souspire,
Il voyt les aime-fleurs d'Hymette bancquetter,
Le sueux Laboureur la terre cultiver,
Et richement semer la nouvelle semence,
Pour moissonner apres les fruicts en abondance.
Le chaleureux Esté (qui brusle tout vermeil)
Luy monstre les espics, la vertu du Soleil
Luy monstre le coral des cramoisins cerises,
Et l'Automne a couvert de mille friandises
Son table, riche en fruict, en bled, en grain, en vin,
Verssant le bon Bacchus dedans vn crystalin.
Or estant de tous biens richement couronnée
Il sent desia en l'air les aisles de Borée.
He Dieu! qu'est-ce vn plaisir ainsi en liberté
Parmy les champs feconds, en toute seureté,
De talonner les pas de nostres premiers Peres,
Loing, loing laissant à dos les passions severes,
Fuyant le bruict mondain l ô, doux et sainct repos!
Qui de cupiditez n'as point chargé le dos,
Qui ne crains le malheur d'vne gauche fortune,
Ni l'azur ondoyant du barbare Neptune,
Qui portes dans ton coeur ta richesse et thresor,
Et ton bien souverain: qui pour argent ni or
Ne passeras la mer, ne tendras tant de toiles,
Pour borner tes desirs soubs l'ombre de tes voiles,
Qui d'vn Balaine fier ne crains d'estre englouti,
Mais qui dans ton berceau veux estre enseveli.
Durant l'aage doré que nos premiers Ancestres
Faisoint profession des ouvrages champestres,
Astrée florissoit, et la terre à chascun
Estoit avec ses fruicts en partage commun,
Les fifres ni tambours n'esveillerent l'orage
D'vn sanglant eschaffaut, ne Mars aime-carnage
N'exhortoit ses Souldats, on ne trouva Citez,
Chasteaux, ni tours pierreux, ni Remparts terrassez,
Neptune n'eust le dos ni ses ondes salées
Chargées de cent vaisseaux, car du fruict des vallées
Chascun se contentoit, et vivoit à Cerès,
Laquelle abondamment leur provida assez.
O celeste labeur! qui dans ton front empraincte
Portez la saincte loy, la justice, et la craincte
Du grand Dieu Zebaoth, comme Abel vertueux,
Noë, Moyse, Abram, et celuy qui les Cieux
Semble oreillier au son de sa harpe dorée,
Et triomphant se voyt vainceur d'vn Briarée.
Combien d'années les Romains sont sagement
Gouvernez soubs ceux ci, qui du coutre trenchant
La terre ont cultivé, je laisse vn Tite Live
Historier dessus de Tyberique rive.
Ie ne veux, ni ne puis mettre en jeu tous les Roys,
Porte-sceptres dorez, Demy-dieux, Donne-loyx,
Qui ont abandonnez leur Couronne invincible,
Pour vivre bien contents parmy le champ paisible;
Loing, loing des vanitez et troubles de l'esprit,
Pour laquelle ses pleurs Heraclite espandit.
La plus part qui cerchoynt les immortelles vivres,
Et qui diligemment ont feuilletté les livres
Du trois-fois sainct Esprit, sout aussi retiré,
Laissant arriere loing l'humaine vanité.
Car le vray Helicon, et Pernasse des Muses
Se plaist d'entre le son des douces cornemuses
Du haubois pastoral, soubs l'arbres ombrageux
Lesquels tous-jours croissant vont menaçant les Cieux.
Toy qui d'vn mesme feu et d'vne mesme flame
Bruslez divinement, c'est vers toy que je rame
Avec mon foible esquif, puis qu'vn vif jugement
Accompaigne tous-jours ton hault entendement,
Souffrez que soubs ton nom je vien le vieil Theatre
Icy renouveller, et Pharon l'Idolatre
Presenter obstiné, qui ses derniers sanglots
Et derniers pleurs noya dedans les rouges flots:
Souffrez que je despein icy la delivrance
Des enfans d'Israël, d'Abram juste semence,
Afin que par Zoyle au visage effronté
Les fleurs de mon printemps ne soyent violé.
C'est la cause pourquoy, Mecene tres-fidelle!
Que ma Muse dessoubs l'ombrage de ton aisle
Se cache volontiers. Ma Muse qui s'en va,
Sur le sacre sommet de l'Arabe Sina,
Le front pousser au Ciel jusqu'aus bigarres nuës,
Soubs l'Echo de ton nom jusqu'aux astres cornuës:
Recevez doncq ces vers, ces vers qu'à ton honneur
Vrayment meritent bien vn plus docte Sonneur.
De vostre Seigneurie le tres-affectionné
I. V. V.
KORT BEGRIP VAN DE TRAGI-COMEDIE:
Terwijl Mozes de schapen (zijns zwagers Jethro) hoedt in Midian, bij den
berg Horeb of Sinaï, verschijnt hem de Heer in de gedaante eens Engels
uit het vlammende bosch, en stelt hem tot een leidsman, herder, en
verlosser over het Huis van Israël. Mozes ontschuldigt zich om zijne
onbekwame tong, dies verzelt hem[22] de Heer met zijnen broeder, den
schoontaligen en priesterlijken Aäron. Deze twee gebroeders, als
gezanten van Gods hooge Majesteit, verzoeken de verlossing Jakobs aan
den koning Farao, met bevesting[23] van het eerste wonderteeken, hun
slangwordende roede; maar de hoogmoedige koning, verstokt (zoo door het
ingeven en de goochelarijen van zijn droombeduiders en toovenaars, als
door zijns zelfs obstinaatheid) verdrukt de Hebreën meerder als voor
henen: waar op volgen de tien straffen Gods, als roeden en geeselen van
zijne regtvaardigheid, dies hij bedwongen is hun te verlaten[24]. Doch
de Heer verstokt hem tot uiterste straf van zijne hardnekkigheid, en tot
grootmaking van zijnen heiligen Naam, dat hij, met zijn heerleger,
ruiters, paarden en wagenen, de Israëlieten achterhaalt aan het Roode
meer, daar de Heer zijne uitverkorenen droogvoets door brengt uit het
geweld Farao's, die hun op het spoor navolgende, zijn droevig treurspel
eindigt, en alle hoogmoedige Godverachters zijnen ondergang als een
spiegel voor oogen stelt. De Israëlieten verlost loven (over hun
triumphante verlossing) den Heer met lofzangen en dankzeggingen.
Luistert toe, enz.
BEELDEN VAN HET BLIJ-EINDIG SPEL.
GOD DE HEERE
MOZES, AARON, KORACH, } De Oudsten der Hebreën.
JOZUA en KALEB }
FARAO, de Koning.
TIFUS, } Droom-bedieders en Toovenaars.
SERAX, }
ALBINUS, Veld-hoofdman met zijn Heir-leger.
De Rei der Egyptenaren.
De Rei der Israëlieten.
FAMA, of 't vliegende Gerucht.
KOOR, de leerlijkheid of moralisatie van 't Spel.
EERSTE DEEL.
MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:
Weidt hier, mijn beestiaal[25]! weidt hier, mijn tierig vee!
Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee!
Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig,
't Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26] en couleurig,
Nu wauwelt[27] zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28],
Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt:
Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,
Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder,
De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd)
Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29], zwermt;
Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken,
Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;
Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,
Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt.
Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten!
Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten;
Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,
Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon!
Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,
Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken,
Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30],
Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31],
Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten,
Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten,
Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,
Als al de lekkernij van 't koninklijke hof:
Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32],
't Is wederom vermengd met zorgen en onrusten,
Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed,
En morgen toegerust met wapens dol en wreed,
Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,
En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33],
Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard,
't Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard.
Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen,
Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen.
Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draad
Steeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat.
Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden,
En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen:
Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34]
Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild;
Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,
Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker;
Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen,
Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen,
Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren,
Doch meer dwingt mij de nood als[35] hertelijk begeeren.
't Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36]
Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl:
Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven,
En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven!
Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst,
Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienst
Beteekent[37] t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd,
Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:
Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,
De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed;
De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen,
De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen,
Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla,
En elk Inwoonder hoort den Scepter even na,
D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden,
Zoo hoort 't Rijk op[38] te staan, om iegelijk te voeden:
Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid',
Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt,
D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren,
Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren:
De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39]
Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust:
Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,
Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel,
De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40] staal
Zal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal,
En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,
Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.
Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf!
Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf:
En of zij schoon[41] met graan al Memfis' zolders vullen
Het kaf is alden loon, die zij genieten zullen.
Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!
Gij graaft om elke stad een grondelooze diept,
Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergen
Met torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen,
En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg,
En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,
Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42],
En 't manenzilver[43] met zijn gulden trots verduistert,
Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal,
En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:
Noch razet[44] den tiran, Egypten leît[45] ten woesten,
En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.
Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden groot
Uit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schoot
Egypten werd gespijst, toen over zijn limieten
Zijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubieten
In zeven jaar verhief, en zelf de hemellocht
Die weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht,
Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,
Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide,
Toen t' elken in den oogst den droeven akkerman
Vervloekte ploeg, en zein[46], dorschvlegel, eg en wan,
Toen 't heele Ceresgild[47] schier niet dan stroo en stoppel
In schoven zamenbond, in bondels en gekoppel:
Toen loech[48] elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld,
Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,
Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogen
Op iegelijken[49] wierp, en niemand heeft onttogen
De vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein,
Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50].
O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51]
De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren;
Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,
Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond:
Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven,
En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven!
Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert.
Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd,
Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandig
Beklijft, als[52] 't Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,
Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen,
Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:
Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannije
t' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije?
O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmook
Van onz' altaren, als een liefelijken rook,
Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landen
Zal u den wierook van ons heilige offeranden
Bevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds,
Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,
Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen,
Die overheeren zal den trots van u vijanden;
Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo licht
De heilge stralen van uw hemelsch aangezicht:
Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,
Wascht ons weer in de borne[53] en vloed uwer genaden!
Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,
Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart:
Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,
Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen:
Wij zijn Dijn handen werk.....
(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.)
MOZES.
Aanschouwt dat heerlijk licht!
Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!
't Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54] en te gloeyen,
Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen.
Ik wil mij derwaarts spoên.
GOD.
Zacht, Mozes! Mozes, beidt!
MOZES.
Hier ben ik.
GOD.
't Is hier van mijn tegenwoordigheid
Een driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten,
Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.
't Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd,
Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:
't Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijk
De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,
En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,
Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt,
Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammen
Groen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen.
Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt,
Waarvoren zich[56].
MOZES.
Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?
GOD.
Ik was, Ik ben, Ik blijf.
MOZES.
Waar zal ik mij verschuilen?
GOD.
Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank,
En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57],
Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,
Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waarde
Ik in zes dagen schiep; de zon is maar een vonk
Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:
De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen,
Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen;
Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzee
En groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58],
Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen,
Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open,
Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord,
Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!
Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden,
Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden,
Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontrukt
Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!
Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59],
Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig;
In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan
Heur hoornen spieglen in de glazige[60] Jordaan;
Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven
Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,
Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots,
Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods;
Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen,
En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen,
(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)
't Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed;
Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente,
Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;
Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61],
En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht;
Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader,
Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;
In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofd
Die Abraham, Izak, en Jakob is beloofd.
Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen;
De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.
MOZES.
Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.
GOD.
Hij maakt u machtig, die[62] nooit sterkheid en ontbrak;
En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig,
Doet mij op dezen berg een offerande heilig
Van liefelijken reuk.
MOZES.
O God gebenedijd!
Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijt
Die mij gezonden hebt?
GOD.
Jehova, God almachtig,
Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:
Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedt
Met uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet:
Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeerelt
Den dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld;
Ik ben de Heere zelf.
MOZES.
De vonk van hun geloof
Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.
GOD.
Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder;
Wat hebt gij in uw hand?
MOZES.
Een staf.
GOD.
Wel, werpt hem neder.
MOZES.
Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63] en drilt
Een slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]:
O Heere, staat mij bij!
GOD.
Wel, grijpt den krommen worme.
MOZES.
Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme:
O, Heere wonderbaar!
GOD.
Opdat u niets ontbreekt,
Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt,
En trekt ze weder uit.
MOZES.
Mijn hand is stijf en kromme,
Melaatsch, gelijk de sneeuw.
GOD.
Wel, drukt nu weder omme
Uw ongeloovig hart.
MOZES.
Ze is zuiver, rein en klaar.
GOD.
Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,
Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65],
't Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.
MOZES.
Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam,
Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;
Kiest elders een gezant.
GOD.
Zal mij dan iets ontbreken?
Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken,
Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66],
En al wat in 't begrijp[67] van nat of drooge krielt,
't Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret,
En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret,
't Viervoetig veldsch[68] gediert', 't geboomte, dat gekromd
Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:
Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehoore
Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore?
Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,
Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt;
Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?
Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig;
En of ik schoon uw tong gebrekkelijken liet
Om uw hardnekkigheid;--wat dunkt u, kan ik niet
Gebruiken nevens u, voor Israël en Faron,
De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?
MOZES.
Of[69] Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?
GOD.
Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God
Zijt gij van mij gezalfd.
MOZES.
En blijft hij onbewogen?
GOD.
Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;
Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70],
En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.
MOZES.
En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?
GOD.
De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:
Dus spoedt u.
MOZES.
Op uw woord zal ik mij henenspoên,
Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen,
Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen,
Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,
Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]:
Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?
KORACH, JOZUA, EN KALEB.
KORACH.
Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen?
Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?
Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud,
Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?
Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen
Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?
Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild
Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]?
Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?
Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?
O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond
En driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermond
Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:
Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken?
Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen,
Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen,
Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk,
Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk,
Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis;
In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenis
Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen.
Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen;
Wij hebben[73] nimmermeer voor Isis onbezield,
De Egypter afgodin, devotelijk geknield;
Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheid
Voor iets byzonders, of een drievuldige Godheid.
Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos,
Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos,
Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen,
Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen;
Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,
Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'.
Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74],
Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74],
Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet,
Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!
Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnen
Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,
Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit,
Die van den witten[75] dag den draaiboom open sluit,
Met dat zij hare vlucht[76] gaat in den wagen spannen,
Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannen
De slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77],
Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,
Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,
Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten.
Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid,
Ons wordt naauw spijze en drank om[78] leven bij geleid.
Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten,
Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten:
Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79],
En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd:
Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,
Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig,
Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog,
Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[81] oog!
't Is onbestendig al: het planten en het zaayen
Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen,
Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om,
Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom,
Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig,
Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82],
Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs,
De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs;
Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen,
Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten,
De mane die heur[83] nu in volle rondte stelt,
En weder heuren glans en zilverschijn versmelt;
Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen,
Met de elementen steeds veranderen en keeren:
Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool,
Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84] als een kool.
Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme
Door wispelturigheid?
JOZUA.
Neen, God, als een kolomme
En pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.
KORACH.
Is hij 't niet die hem[83] aan onz' vaderen verbond?
JOZUA.
Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.
KORACH.
Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken,
Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid,
Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd,
Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig,
Noch geen gehoornden[85] Nijl, maar een Jordane barig[86].
KALEB.
Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.
KORACH.
En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?
KALEB.
Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.
KORACH.
Wat heugenis[87] is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]?
KALEB.
Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.
KORACH.
Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?
JOZUA.
God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.
KORACH.
Waaruit bewijst gij dat?
JOZUA.
God bindt hem[83] aan geen kwaden.
KORACH.
Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?
JOZUA.
't Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart,
In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden,
In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden:
Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervult
Daar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld:
Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen,
De misdaad scheidet God en mensche van malkanderen
Als eenen sterken muur: want God is onbevlekt,
Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt,
Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren,
Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren.
KORACH.
Wat staat ons dan te doen?
JOZUA.
Tot boete zijn bereid
Voor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid,
Misschien (wij mogen[89] toch zijn wijsheid niet begrijpen),
Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpen
De vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd;
God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeft
Weet hij te voren wel.
KORACH.
Behoudens uw propoosten[90],
Beproeving, schijnt[91] nochtans, den mensche leidt ten boosten.
JOZUA.
O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92],
Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd;
Dat hij ons van hem[93] werpt geschiedt maar uit ontfermen;
Om vaderlijken[94] ons te omhelzen met zijn armen:
Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eisch
Meer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch.
KORACH.
En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze?
JOZUA.
De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijze
Der wormen in het graf, waarom hem ook gewis
Veel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is:
De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slaven
Wordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven,
En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot,
Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God:
Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig,
Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig;
Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot,
't Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood;
Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen,
Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden,
Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft,
En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft:
En of ons lichaam schoon[95] in allerlei wellusten
En duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rustten
Onz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth?
Wat baatten[96] ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lot
En 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven?
't Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven:
Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt,
Geen balling is hij die een burgerschap verhoopt
Hier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten,
Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vesten
Op een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiest
Het tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest.
KORACH.
Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig,
KALEB.
God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.
KORACH.
Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis.
JOZUA.
Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis.
KORACH.
Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen?
JOZUA.
Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97]
Den mensche harder straft, een onverganklijk wee;
Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê.
Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te voren
Op een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren;
Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98],
Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt:
Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen,
Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen,
Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99]
Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand,
Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogen
Zoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen,
Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg,
En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg;
Toen heeft God opgesteld[101] zijn groote waterspuyen[101],
En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen,
De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef,
Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102] begroef.
KALEB.
Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrieten
Van die van Gomorra en stoute Sodomieten,
Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook,
Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook.
JOZUA.
Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerken
Van 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]:
Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104]
D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur.
KORACH.
't Is al vergeefs gehoopt.
JOZUA.
Vertwijfelt niet in hopen.
KORACH.
Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open.
KALEB.
Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort,
Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort:
Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handen
Van Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn banden
Onbrekelijk te zijn? Maar God de Heere nam
Tot eenig instrument den ouden Abraham,
Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken,
Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken:
Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan,
Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan,
Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagen
De grootste kapitein had in de vlucht geslagen;
Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard.
Aldus verloste d' een' den andren broeder waard,
Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel;
Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel.
KORACH.
Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.
JOZUA.
Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar;
De Heere Zebaoth mocht[105] wel Loths kommer stelpen,
Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.
KORACH.
Waarom en deed hij 't niet?
JOZUA.
Maar[106], vraagt gij den waarom?
Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om:
Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren,
Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren:
Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait,
Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait:
God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen,
Den akker van ons hart komt door Farao ploegen,
Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel,
Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl;
Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker,
En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker;
Als nu de troebel zon van boven uit de locht
Haar stralen op ons schiet, op dat te rijker mocht
Zijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen,
Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen,
Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost,
Gelijk de landman, die op hope van den oogst
Zoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten:
Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten
KORACH.
Gij keeret[108] al in 't best.
JOZUA.
Geeft gij ons geen geloof,
Zoo proevet[108] bij u zelv', en achtet geenen roof
Dat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven,
Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven:
Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd,
Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109].
KORACH.
Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermeten
Ons te verdelgen heel.
KALEB.
Gelijk als aan een keten
De leeuw gesloten staat, dien zijne meester viert
Niet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd
't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengen
Dan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen;
Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt,
Die door veel middelen voorzieniglijken werkt:
Den prins van Sinear, den[110] Nemrot, dacht tirannig
Met zijnen scepter wel te trotsen wederspannig
Het blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hert
Rees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111],
En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112]
Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer;
Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek.
God leidt de koningen gelijk een waterbeek:
Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113],
Hij heerschet[114] t' zamen door zijn wijselijk beschikken
God is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt,
't Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt!
Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken,
En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder breken
Zoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaal
Zijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaal
Des Goddelijken wils niet even op en wegen.
KORACH.
Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen.
KALEB.
Waarom?
KORACH.
Het goddeloos bestuur van een tiran
(Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van.
KALEB.
Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen,
Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115].
Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet,
Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt:
't Leed daar ons Farao met[116] pijnigt ongerichtig
(Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig),
Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117]
Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet,
Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig,
Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118].
KORACH.
Gij zegt nochtans--
MOZES en AARON.
MOZES.
Ontluikt, gelijk een lustdal schoon,
Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;
AARON.
Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lusten
De Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten,
Gij die verlaten scheent.
KORACH.
Wie of met vrolijkheid
Ons ongewoon begroet?
KALEB.
't Zijn Amrans zonen beid'.
JOZUA.
o Broeders, wellekom!
MOZES.
Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119].
KORACH.
Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen?
MOZES.
Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steekt
Nu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt,
De Heer die is met u, die alle uw ellenden
En droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden:
De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf,
Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf,
Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid.
KORACH.
Ik denk 't is eenen droom.
MOZES.
Neen, broeders! in der waarheid;
Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd'
Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121],
Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122] vuur omranden,
't Welk heel verteeren[123] scheen en t' zamen te verbranden:
Maar even vrolijk loech[124] blaên, bloemen, kruid en loof:
Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof,
De donder van een stem, o wonderlijk spektakel!
Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel,
Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt,
Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld,
Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken;
Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125].
Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126],
Driemalen heeft de berg zich bevende verschud:
En als ik niet en wist waar henen te vervluchten,
Met een borstkloppig[127] hart, en met een zwaar verzuchten,
En schier van vreeze lag begraven in het gras,
Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was:
De God JEHOVA zelf, de God van onzen vader,
De Schepper van het al, alleen des levens ader,
De Herder Israëls, die in 't beloofde land
Ons nu vervoeren wil uit Faraonis[128] hand,
Uit al onz' slavernij.
KORACH.
En deed hij u geen teeken
Van zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken,
Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129]
Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]?
MOZES.
Ja, haddy[131] 't zelf gezien, toen ik ontweek zoo bange
Voor dezen staf, die werd een kronkelende slange,
Een serpentijnig dier, in 't wezen, niet in schijn,
En spoog alzins op mij haar doodelijk fenijn
Met haar gesplitste tong, en lag in 't gras gescholen;
Haar oogen vlamden als twee gloeyendige kolen,
Azurig luisterde[132] haar vel, en in mijn oog
Geleek[133] de slang die onz' voorouderen bedroog
In 't weeldig Paradijs; want waar zij henen zwerfde[134],
De groenigheid van 't gras en 't kruid alzins versterfde[134]:
Als nu de stemme mij den worm te grijpen hiet[135],
Was 't weêr dezelfde stok, gelijk gij zelve ziet:
't En bleef hier nog niet bij, God smette boven dezen
Mijn hand met lazerij, en heeft ze weêr genezen,
En vastelijk beloofd, hoe dat ik 't water rein
Verkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein:
Opdat, als elke daad mijn woorden volgt warachtig,
U en Farao maar een sterk geloove krachtig
En schort: deez' boodschap dan breng ik u metter spoed[136],
Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet,
Dien zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning,
Te spreken nevens mij voor Farao, den koning,
En God heeft mij gezalfd een leidsman en een hoofd
Van zijn verkoren volk.
KALEB.
De Heere zij geloofd,
Die Jakobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen,
En in 't beloofde land bedelven[137] eens onze asschen
In ons voorvaders graf.
JOZUA.
Den Heer zij lof en prijs!
KORACH.
Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs,
De wreede Farao zal ons niet meer verheeren,
De stamme Juda nu aanvanget te regeeren:
Kom, Juda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat!
Versiert u met een kroon en koninklijk gewaad,
Den gulden scepter grijp, want God is onz' Verzorger,
Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borger
In 't zoet beloofde land, daar de Jordane stroomt,
Daar ik in mijnen slaap zoo dik[138] van heb gedroomd:
Ach, lang gewenschte vreugd!
KALEB.
Ach, heugelijke tijding!
Nu straalt de blijde dag, de dag van onz' verblijding.
JOZUA.
En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd,
Als gij dit hooren zult.
KORACH.
Hoe zal dan met geneugt
De donder van deez' stem zoet in uw ooren klinken,
Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken.
MOZES.
Gaat, boodschapt den Hebreên hun uitkomst; want in 't hof
Des konings gaan wij beid' verzoeken ons verlof.
KORACH.
En zoo hij 't u ontzegt?
AARON.
't En mag hem geenszins baten:
Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten.
(_Binnen_.)
_KOOR._