II

Zoo als men weet, wordt Indië van het overige Azië gescheiden door den

reusachtigen muur van het Himalaya-gebergte, dat van den Brahmapoetra

tot den Indus een onafgebroken keten vormt. Tusschen de bergketenen,

waaruit deze ontzaglijke muur bestaat, strekken zich valleien uit,

die kleine koninkrijken vormen of door krijgshaftige onafhankelijke

stammen worden bewoond. Het meest bekende en beroemde van deze

koninkrijken is Kashmir; het belangwekkendste, het machtigste en

tevens het minst bekende is Nepâl.

De lengte van het rijk van Nepâl bedraagt ongeveer zevenhonderd

kilometers, dat is een derde minder dan de lengte van Frankrijk; de

breedte is niet veel meer dan honderd-vijftig kilometers. Men schat de

oppervlakte bij benadering op omstreeks honderd-zeven-en-veertigduizend

vierkante kilometers. Nepâl is de eenige indische staat, die tot dusver

zijne volkomen onafhankelijkheid heeft weten te bewaren en nooit door

een vreemden veroveraar werd onderworpen; de eenige ook, die aan

de mohammedaansche overweldiging ontkwam. Zoowel de Engelschen als

de Chineezen hebben te vergeefs getracht, zich van dit land meester

te maken.

De natuur heeft aan Nepâl verdedigingsmiddelen geschonken, vrij wat

meer afdoende dan alles wat menschelijke kunst kan uitvinden. Langs

den voet der bergen, die het land aan de zuidzijde omgorden, strekt

zich een breede moerassige woudstrook uit, de Teraï, waarvan de

miasmen gedurende het grootste gedeelte van het jaar voor de menschen

doodelijk zijn. Aan gene zijde van dit noodlottig moeras verrijzen

de geweldige bergmassaas van de Himalaya, die op sommige plaatsen

een loodrechten muur vormen, welken men alleen kan overklimmen langs

zeer steile paden van ettelijke duimen breedte, die in den bergwand

zijn uitgehouwen. Aan de noordzijde, aan den kant van Thibet, is de

toegang niet minder moeilijk.

Al de voornaamste steden van Nepâl, en daaronder de hoofdstad

Khatmandoe, liggen bij elkander in eene vallei, die men het best

vergelijken kan bij eene reusachtige badkuip, waarvan de wanden door

het Himalaya-gebergte worden gevormd. De lengte dier vallei bedraagt

dertig, en hare breedte twintig kilometer; deze streek wordt door de

inwoners bij voorkeur de vallei van Nepâl genoemd. Zij is het eenige

beschaafde en regelmatig bebouwde gedeelte des lands. De bergen die

haar omringen en als een diadeem van sneeuwtoppen om haar vlechten,

zijn de hoogste van de geheele Himalayaketen; daaronder behoort

ook de Gaurisankar of Mount-Everest, die eene hoogte bereikt van

achtduizend-achthonderd-veertig el: dat is ongeveer dubbel de hoogte

van den Mont-Blanc. Waar ge u in de vallei bevindt, overal wordt uw

oog getrokken door dien reuzenberg, nog nimmer door eens menschen voet

betreden.--Waarschijnlijk was de vallei van Nepâl in vroeger tijd een

meer. De bovenste aardlaag bestaat uit alluvium, gevormd door het puin

van de omringende rotsen en voor een deel samengesteld uit zandsteen

en graniet. De hypothese dat de vallei weleer met water was bedekt,

vindt hare bevestiging in de overoude traditie, volgens welke zich

vroeger hier een meer bevond. Een god kloofde met zijn zwaard den

berg, die aan de zuidzijde de afstrooming van liet water tegenhield,

en zoo werd de kom droog.

De vallei van Nepâl is ook het eenige gedeelte van het land, dat ons

bekend is. Geen enkel Europeaan, de engelsche gezant te Khatmandoe zoo

min als een ander, mag de grenzen dezer vallei overschrijden. Toen de

engelsche generale staf, voor de voltooiing van den atlas van Indië,

kaarten van Nepâl wilde laten maken, was men verplicht, hindoesche

pandits daarheen te zenden, die onder verschillende vermommingen het

land doortrokken; maar de uitkomsten van hun onderzoek waren vrij

onbevredigend, en de met die gegevens vervaardigde kaart is dan ook

alles behalve volledig.

Uithoofde van hare hooge ligging, op ongeveer dertienhonderd meter,

en van de geweldige bergen die haar als een wal omringen, heeft

de vallei een heerlijk gematigd klimaat en een zeer weelderigen

plantengroei. De zachte verkwikkende temperatuur, de schoonheid van

het land, het schilderachtig voorkomen der steden maken Nepâl tot

een van de aangenaamste, uitlokkendste streken van Hindostan. Men

heeft hier geen hinder van die geweldige overgangen van temperatuur,

die afwisselingen van hitte, regen en droogte, die het verblijf in

de andere indische landen voor Europeanen zoo onaangenaam en zoo

ongezond maken. De zomer is nooit overmatig warm, en de winter nooit

erg koud. In de maand Januari heb ik, hoewel in een tent verblijf

houdende, alleen des nachts een weinig van koude te lijden gehad.

Aan dit zachte klimaat dankt Nepâl ook zijne rijke, altijd bloeiende en

groeiende plantenwereld, ik heb hier, in Januari, sommige rozensoorten

in de open lucht zien bloeien. Orchideeën, begonias, rhododendrons

verkwikken overal het oog van den wandelaar. De berghellingen

zijn ter halver hoogte met dichte bosschen van prachtig naaldhout

bekleed. De bewoners verbouwen koren, gierst, rijst, mosterd, safraan,

ananassen, gember, aardappelen, suikerriet, enz. Vruchtboomen vindt

men hier in groote menigte, met name citroenen, appelen, abrikozen,

perziken, oranjeappelen, die geheele bosschages vormen, waartusschen

de dorpen schilderachtig wegschuilen.--De fauna van Nepâl is niet

minder rijk dan zijne flora, maar zij is vooral rijk in schadelijk

gedierte. In geen enkel ander land van Indië vindt men zooveel

verscheurende dieren. Luipaarden, tijgers, rhinocerossen en slangen

zijn buitengemeen talrijk. De eersten bevolken de jungles op alle

bergen en aarzelen niet, een mensch aan te vallen, maar richten toch

voornamelijk groote verwoestingen onder het vee aan. De Nepaleezen

zijn overigens niet bang voor deze gevaarlijke gasten: wanneer zij hen

op klaar lichten dag ontmoeten, gaan zij hun soms met een eenvoudig

jachtmes te lijf. Wilde olifanten huizen in grooten getale in den

Teraï, aan den voet van de Himalaya. De meeste olifanten, die men in

elders in Hindostan voor verschillende diensten gebruikt, zijn van

hier afkomstig. Ten gevolge van de schaarschte aan weilanden, heeft

de veestapel in Nepâl niet veel te beteekenen. Buffels, schapen,

geiten, worden uit Thibet ingevoerd. Daarentegen is het land zeer

rijk aan gevogelte, dat men over dag vrij door de rijstvelden laat

omdolen om zijn voedsel te zoeken, en tegen den avond naar huis drijft.

Zoodra ik mij behoorlijk had geïnstalleerd in de tent, die de engelsche

gezant voor mij had laten opslaan, maakte ik een begin met mijne

archeologische studiën en nasporingen, en wel, zoo als voor de hand

lag, te Khatmandoe.

Khatmandoe, de tegenwoordige hoofdstad van Nepal, telt ongeveer

zestigduizend inwoners. Volgens de overlevering werd zij in het

jaar 723 van onze jaartelling gesticht. Zoowel uit het oogpunt van

zindelijkheid als van architectuur, doet zij verre onder voor de

twee andere groote steden des lands, Patan en Bhatgaon. Het paleis

van den rajah heeft hoegenaamd niets te beteekenen. De beroemde

minister Jang Bahadoer liet dit paleis bouwen in eene soort van

bastaard italiaanschen stijl. De verschillende deelen van dit gebouw,

van gehouwen steen, van baksteen of van hout, passen hoegenaamd niet

bij elkander.--Maar in de stad zelve vindt men eenige oude paleizen

van rijke, adellijke familiën, waarvan de prachtig gebeeldhouwde

voorgevels aanstonds de aandacht trekken. Sommige aanzienlijke huizen

zijn naar europeesche wijze gemeubeld; maar die meubelen, welke met

groote kosten uit engelsch Indië worden ingevoerd, zijn meestal op

de zonderlingste manier geplaatst. Meestal weten de eigenaars niet,

waarvoor deze meubelen moeten dienen; naar de sage meldt, is het

gebeurd, dat inlanders zich te slapen legden op een piano, dien zij

voor een kanapé aanzagen, waarin een speeldoos verborgen was.

Khatmandoe verdient bovenal de aandacht om zijne heiligdommen, zijne

kerkelijke bouwkunst. Men schat het aantal der tempels in deze stad

op niet minder dan zeshonderd. Hun stijl komt geheel overeen met

dien der pagoden, waarvan wij nader zullen hebben te spreken. De

voornaamste tempels staan bij elkaar op een groot vierkant plein,

tegenover het paleis; de grootste werd omstreeks 1550 gebouwd. Ten

einde noodelooze herhalingen te voorkomen, die onvermijdelijk zouden

zijn wanneer ik alle monumenten, die zoo zeer op elkander gelijken,

afzonderlijk wilde beschrijven, zal ik liever dadelijk een algemeen

overzicht geven van de verschillende groepen van monumenten in Nepâl,

en beknoptelijk de uitkomsten mededeelen van mijne nasporingen en

onderzoekingen betreffende de architectuur van dit land.

Indien het zedelijk gehalte van een volk kon worden afgemeten naar

de ontwikkeling van zijne godsdienstige denkbeelden, en indien de

talrijkheid der tempels en heiligdommen mocht gelden als een afdoend

bewijs voor de levendigheid en innigheid van het godsdienstig geloof,

dan zouden de Nepaleezen welhaast aanspraak mogen maken op den roem,

het godsdienstigste en het deugdzaamste volk der aarde zijn. Zeer

waarschijnlijk toch vindt men in geen ander land der wereld zooveel

tempels in zoo kort bestek bij elkaar. In de zeer eng begrensde

streek, die meer bepaald den naam van de vallei van Nepâl draagt,

treft men ruim tweeduizend tempels aan; Khatmandoe en Patan hebben er

ieder zeshonderd; Bhatgaon tweehonderd-vijftig. Deze tempels zijn aan

boeddhistische of brahmaansche godheden gewijd; of wel ter herinnering

gebouwd op eene of andere merkwaardige plek; ook bevatten zij soms

het overschot van een of ander beroemd persoon en zijn dan eigenlijk

grafmonumenten. De bouworde van deze tempels vertoont drie wezenlijk

verschillende typen, welke wij achtereenvolgens zullen beschrijven.

De eerste en in chronologische orde de oudste dezer typen wordt

vertegenwoordigd door groote half-bolvormige gebouwen, uit aarde

en baksteen opgetrokken en overeenkomende met de tôpen of stoepas

van centraal Hindostan, behoudens enkele afwijkingen. Naar elk der

vier windstreken bevindt zich, bij deze tôpen, een klein heiligdom,

bestaande uit eene nis met beeldwerken.--Boven het halfronde gebouw

verheft zich een vierkante toren, die zelf door eene pyramide of een

kegel gekroond is. De tempel is omringd door een grooter of kleiner

aantal van kleinere heiligdommen, kapellen, beelden, enz.

Deze soort van tempels behoort uitsluitend aan de boeddhistische

eeredienst; maar in Nepal zijn het Boeddhisme en het Brahmanisme

zoodanig vermengd en als het ware saamgesmolten, dat de symbolen

en teekenen der beide eerediensten evengoed in de tempels worden

aangetroffen, onverschillig tot welke kerk dezen eigenlijk behooren. In

de boeddhistische tempels zijn de afbeeldingen van den Boeddha en

van zijne vroegere incarnaties natuurlijk het talrijkst, maar ook

de goden van het brahmaansche pantheon, Vishnoe, Ganesa en anderen,

vinden er evenzeer eene plaats.

De tweede type der tempels van Nepâl wordt vertegenwoordigd door

gebouwen van baksteen en hout, volgens een zeer karakteristiek plan

ontworpen en in voorkomen veel meer gelijkenis vertoonende met de

thibetaansche of chineesche, dan met de indische kunst. Deze tempels

zijn rechthoekige gebouwen, uit verscheidene verdiepingen bestaande,

die naar boven toe in omvang afnemen en elk van een eigen dak zijn

voorzien. Ook deze daken worden steeds kleiner, zoodat het geheele

monument het voorkomen heeft eener pyramide. Elk dak is aan de

hoeken eenigszins omgebogen, even als bij de chineesche pagoden,

en met een aantal klokjes versierd. Gebeeldhouwde houten balken

dragen het vooruitspringend gedeelte van het dak. Elke tempel is

omringd door eene veranda, die op fijn gebeeldhouwde houten pijlers

rust. Het geheele monument staat op een steenen onderbouw, die weder

in verschillende terrassen is verdeeld. Aan een der zijden van dien

onderbouw is een trap aangebracht, die toegang geeft tot den tempel,

en die ter wederzijde met beelden van goden, helden of fabelachtige

monsters is versierd.

Als voorbeelden van den derden type noemen wij de steenen tempels,

die door hunne gedaante geheel afwijken van de beide vorige groepen,

en die den stempel dragen eener merkwaardige oorspronkelijkheid. De

chineesche invloed is hier bijkans onmerkbaar, de indische daarentegen

onmiskenbaar, maar toch niet in die mate overheerschend dat de

oorspronkelijkheid verloren gaat. Deze tempels zijn de eenigen, waarin

men somwijlen eenige sporen kan ontdekken van muzelmanschen invloed,

en wel bepaaldelijk door de aanwezigheid van koepels. Men kan bij deze

tempels bezwaarlijk van een bepaalden stijl spreken, volgens welken

zij zouden zijn gebouwd. Het eenige wat zij allen gemeen hebben, is

dat zij rusten op een onderbouw van ettelijke verdiepingen, waarvan

de trap overeenkomt met die van de hierboven beschreven tempels en

ook met beelden is versierd. Deze steenen tempels staan overigens als

kunstgewrochten veel hooger dan de nog min of meer barbaarsche pagoden,

waarvan wij zoo straks spraken. De tempel te Patan, tegenover het

koninklijk paleis, mag met recht onder de belangrijkste monumenten

van Indië worden geteld, en zou zelfs in eene europeesche hoofdstad

bewondering wekken.

Buiten kijf is de architectuur van Nepâl uit Indië afkomstig; maar

in eene andere omgeving overgebracht, is zij spoedig van karakter

veranderd. Dit is een nieuw bewijs voor de stelling, dat het verschil

van ras op de ontwikkeling der bouwkunst grooter invloed uitoefent

dan de overeenkomst in godsdienstige begrippen en overtuigingen.

Het is bij uitstek moeilijk, ook maar bij benadering, den ouderdom

te bepalen van de verschillende tempels van Nepâl. In het algemeen

gesproken, kan men van sommigen hunner zeggen, dat zij zeer oud zijn,

dat wil zeggen uit de eerste eeuwen onzer jaartelling afkomstig;

sommige anderen zijn betrekkelijk modern, dat wil zeggen, jonger dan

de vijftiende eeuw. Maar daar zijn er wellicht nog anderen, hoewel

ik zeer geneigd ben daaraan te twijfelen, wier stichting tusschen de

twee genoemde tijdperken ligt en omtrent wier ouderdom wij dan geheel

in het onzekere verkeeren. De oudste tempels zijn de halfbolvormige

tôpen van aarde en baksteen, waarvan wij boven gesproken hebben. In

aanmerking nemende dat het Boeddhisme omstreeks de eerste eeuw van

onze tijdrekening in Nepâl is ingevoerd, en lettende op de groote

overeenkomst van deze monumenten mot de tôpen van centraal Indië,

zou ik geneigd zijn de stichting dezer heiligdommen, althans in hunne

hoofdbestanddeelen, terug te voeren tot de tweede eeuw na Christus.--De

tempels van baksteen en hout zijn daarentegen zeer jong; van de

voornaamsten hunner is de dagteekening der stichting bekend, en deze

klimt doorgaans niet hooger op dan het jaar 1700.--De steenen tempels

zouden ongetwijfeld veel ouder kunnen zijn, maar verschillende teekenen

leiden mij tot het besluit dat zulks niet het geval is; ik geloof niet

dat een dier tempels, die ik bezocht heb, ouder is dan het jaar 1500.

De bouwstijl der paleizen en huizen komt het meest overeen met dien

der baksteenen tempels. Ook zij zijn van baksteen en hout opgetrokken,

en hebben verschillende verdiepingen, maar die verdiepingen springen

niet in, en het geheele gebouw wordt door één dak gedekt. Wat deze

gebouwen vooral onderscheidt, is de menigte der beeldwerken, waarmede

zij overdekt zijn. De pilaren der verandas, de lijsten der deuren en

vensters, de balken waarop het uitspringende gedeelte van het dak rust,

zijn met het fraaiste beeld- en snijwerk versierd. De vensters zijn

doorgaans met houten traliewerk voorzien, daar het gebruik van glas

in Nepal zoo goed als onbekend is; behalve in het koninklijk paleis

te Khatmandoe, ziet men haast nergens glasruiten.

Het midden van het huis wordt gewoonlijk ingenomen door eene

binnenplaats, omgeven door eene veranda, waaronder de bedienden

verblijven. De kamers zijn klein en slecht verlicht. De vertrekken

der verschillende verdiepingen hebbon alleen door luiken met elkander

gemeenschap; hetgeen in geval van nood de verdediging mogelijk maakt

van elke verdieping afzonderlijk.

Na de stad Khatmandoe in alle richtingen doorkruist en haar tempels

bestudeerd te hebben, moest ik de andere steden in de vallei van Nepâl

bezoeken. Zij liggen meest allen in de nabijheid der hoofdstad; de

wegen, die deze steden onderling en met de talrijke dorpen verbinden,

zijn ter nauwernood gebaande voetpaden; alleen aan het onderhoud van

den weg van Khatmandoe naar Bhatgaon wordt eenige zorg besteed. Het

vlakke, hier en daar heuvelachtige, rijk bebouwde land herinnert aan

de vlakten van noordelijk Italië, maar met weelderiger plantengroei

en een meer zuidelijk karakter.

Mijn eerste bezoek gold het dorp Samboenath. De weg naar dit dorp

loopt over eene groote rivier, de Vishnoemati, die veel breeder

is dan de Seine te Parijs. De brug over deze rivier laat wel iets

te wenschen over. Verbeeld u eene rij kleine, smalle plankjes,

vastgespijkerd op palen, die in de bedding der gelukkig niet diepe

rivier zijn geslagen. Daar ik geen koorddanser van beroep ben, liet ik

een mijner dragers door het water waden, en op zijn schouder steunende,

waagde ik den tocht over de smalle brug.

De tempels van Samboenath of Swayambhoe--een bijnaam van Boeddha,

beteekenende "hij die door zich zelven bestaat";--staan op den top

van een heuvel, die eene hoogte bereikt van omstreeks honderd el en

geheel met boomen is beplant. Een steenen trap van ruim vijfhonderd

treden voert naar den top van den heuvel. Aan den opgang van de trap

prijkt een kolossaal beeld van den Boeddha, in 1637 opgericht. Zoodra

ge den top des heuvels bereikt hebt, ziet ge voor u een piedestal van

gehouwen steen, met figuren versierd, waarop een soort van bronzen

staaf, anderhalve meter lang, de zoogenaamde "bliksem van Indra", is

geplaatst. Dit symbool is voor de Boeddhisten van Nepal even heilig

als het kruis voor de Christenen; men vindt het onder de beeldwerken

van bijna alle nepaleesche tempels.

De vlakke top van den heuvel is bedekt met kapellen en talrijke

beelden; maar het grootste gedeelte der ruimte wordt ingenomen

door den grooten tempel, die door bedevaartgangers uit alle deelen

des lands en zelfs uit de verwijderdste streken van Thibet wordt

bezocht. De tempel heeft de gedaante van een halfronden bol,

uit aarde en baksteen opgetrokken, geheel overeenkomende met den

tôpe van Sanshi, maar bovendien gekroond met een vierkanten toren,

waarboven een kegel oprijst uit smalle ronde schijven saamgesteld. Op

de vier zijden van den toren is, met roode, witte en zwarte verwen,

het oog van den Boeddha afgebeeld. De voet van den tôpe is rond; hij

steekt een weinig vooruit en is met steenen zerken bekleed.--Om den

tôpe staan, naar de vier windstreken gekeerd, vier kleine kapellen,

waarvan de voorzijden met geciseleerd brons zijn bedekt, en waarin

zich een gebeeldhouwde zerk bevindt. De kapelletjes, de toren op den

tôpe en verreweg de meeste gebouwen op den heuvel zijn zeker niet

ouder dan ruim tweehonderd jaren; het oudste is van 1593. Maar zoo

de bijgebouwen en de toevoegsels van betrekkelijk jongen datum zijn,

met den tempel zelven is dit niet het geval. Op de boven aangegeven

gronden mogen wij veilig aannemen, dat hij tot de eerste eeuwen

onzer jaartelling opklimt. In een der huizen in de nabijheid van den

grooten tôpe woont eene familie van thibetaansche lamas, die sedert

onheugelijke tijden belast is met zorg voor het onderhouden van het

heilige vuur, het zinnebeeld der godheid. Al de tempels van Samboenath

worden trouwens door thibetaansche lamas bediend.

Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 3 / 6 题