Philomela in het riet,
Ik veracht uw’ zangen niet,
Lieve vogel van het meer,
Lieve vogel, komt gij weer?
O, de morgen is zoo schoon;
Zing maar, lieve waterzoon!
Zingt uw’ zuster van het woud
Treurend in het donk’re hout,
Gij roept al in den ochtenstond,
Gij zingt al de wat’ren rond,
Spartelt, diertjes in het meer,
Uwe zangster is er weer!
In de ontwakende natuur,
Bij het dauwend morgenuur,
Hoor ik u zoo menig keer,
Lieve vriend van ’t stille meer;
En gij roept mij in het riet:
“Waarom looft ge uw Schepper niet?”
Somber bij dit hemelsch weder
Hangt mijn suffend hoofd ter neder,
En ik drijf uw riet voorbij,
Stom voor uwe melodij.
Philomela van het riet,
Vraag mij, vraag mij de oorzaak niet.
’k Heb ook eens met forsche longen,
’k Heb de wereld volgezongen.
Was de wereld wereld niet,
O, ik zong als gij in ’t riet.
Treurend, morrend hoor ’k u aan,
Want mijn zingen is gedaan.
Philomela in het riet,
Ik veracht uw’ zangen niet.
Lieve vogel van het meer,
Lieve vogel, komt gij weer?
O, die morgen is zoo schoon;
Zing maar, lieve waterzoon!