Hij had deze kelderruimte met de hulp van Henderson en Charl

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 328 HET RAADSEL VAN NIASSA.

HET RAADSEL VAN NIASSA.

HOOFDSTUK I.

HET LATIJNSCHE MANUSCRIPT.

In Lombard Street te Londen bevinden zich sedert onheugelijke jaren een

groot aantal winkels van boekhandelaren, die allen met elkander gemeen

hebben, dat zij geen nieuwe boekwerken verkoopen, maar uitsluitend

oude, stoffige folianten, handschriften, merkwaardige prenten,

houtsneden, staalgravuren, en dat alles hoe ouder hoe liever.

Er hangt in deze smalle straat als het ware een wolk van stof, en de

lucht van oud perkament en van vergeelde bladen zal er naar het schijnt

nimmer verdwijnen.

Sommige winkels bestaan daar reeds vele eeuwen, en zijn zoo oud als de

huizen zelve waarin zij gevestigd zijn.

Die huizen zijn smal, donker, vervallen en zwart berookt, zij schijnen

steun bij elkander te zoeken, uit vrees dat zij anders zullen

omstorten.

De ramen hebben kleine ruitjes, met een groen violetten weerschijn,

waardoor het daglicht slechts spaarzaam naar binnen kan dringen.

De gangen, bevloerd met groote tegelsteenen, klinken hol, de winkels

zelve zijn bedompt, en hun zolderingen zijn met door den tijd zwart

geworden eikenhouten balken beschoten.

Het eikenhout is trouwens niet gespaard in deze huizen, en een

handelaar in oudheden zou er zijn hart kunnen ophalen. Daar zijn

prachtige eikenhouten wenteltrappen en gansche kamers en gangen die tot

een manshoogte met prachtig besneden, duimdik eikenhout bekleed zijn;

daar zijn de groote saterkoppen, prijkende boven aan de topgevels, en

daar zijn ook de eeuwenoude eikenhouten kabinetten, die van geslacht op

geslacht zijn overgegaan.

Vele winkeliers in deze straat hebben volstrekt geen offer willen

brengen aan den geest des tijds, en wilden van electriciteit niets

weten, zelfs niet van het zooveel oudere gas maar vergenoegden zich er

mede, hun winkels en woonkamers met petroleumlampen te verlichten.

De bedienden in deze winkels zijn meestal tenger en bleek, en zij zien

er uit als witte muizen, schuw voor het licht, en langen tijd met de

oogen knippend als zij uit hun stoffige gevangenissen op straat komen,

en door het zonlicht getroffen worden.

Hoog opgestapeld liggen er de boeken op de dikke planken, maar de

kostbaarste exemplaren worden achter slot en grendel bewaard.

Het is zeer stil in deze straat, waar hoogst zelden een voertuig

passeert, en weinig in aantal zijn de voorbijgangers.

Het is alsof men het niet waagt, het stof in beroering te brengen dat

hier sedert eeuwen zich verzameld heeft.

Tot een der trouwe bezoekers van deze straat behoorde Lord William

Aberdeen, de bekende Londensche philantroop, die hier minstens eenmaal

in de week verscheen, ten minste wanneer hij niet op een zijner

buitenlandsche reizen was, om hier zijn collectie oude boekwerken en

platen aan te vullen.

Hij kende maar één werkelijke passie en dat was het verzamelen van oude

boeken, waarvan hij dan ook een hartstochtelijk liefhebber was.

In zijn fraai huis aan de Regent Street was een geheel vertrek

ingericht als een soort museum, waar hij zijn collectie had

ondergebracht in een aantal kasten met glazen deuren, en waar zij

zorgvuldig werd gecatalogiseerd door den jongen secretaris van Zijn

Lordschap, Charly Brand geheeten.

Lord Aberdeen hield ook zeer veel van antieke wapens waarvan hij

eveneens een kostbare verzameling had, maar de oude boeken namen toch

het grootste gedeelte van zijn belangstelling in beslag.

Meestal kwam hij in een groote, blauwgelakte auto, bestuurd door zijn

reusachtigen chauffeur Henderson, welk voertuig dan echter op den hoek

van de nauwe straat bleef wachten, en te voet zette hij zijn weg voort.

Het kwam wel voor, dat hij eenige uren achtereen in Lombard Street

bleef vertoeven, en achtereenvolgens alle boekwinkels bezocht.

Maar een daarvan scheen echter zijn voorkeur te hebben, een winkel

boven welks deur op een zware, eikenhouten plank het jaartal 1509 stond

gebeiteld, dat nauwelijks meer zichtbaar was.

Deze winkel en het huis, waarin hij gevestigd was behoorden toe aan den

boekhandelaar Herbert Lee.

Hij had het huis geërfd van zijn vader, die het weder van zijn vader

had gekregen, en zoo ging het door, vele geslachten lang, tot men

tenslotte ongeveer in het midden van de zestiende eeuw stuitte op James

Lee, een bewoner van Manchester, die naar Londen was gekomen met een

klein kapitaaltje en daarmede de boekenzaak in de Lombard Street had

gevestigd.

Sinds dat jaar was er niets veranderd, noch aan het huis, noch aan den

winkel.

Alle leden van het geslacht Lee schenen met een bijna heiligen eerbied

bezield te zijn voor oude dingen, of het nu boeken, wapens of steenen

waren.

En zoo was er sedert het begin van de zestiende eeuw geen spijker

bijgeslagen, en de grootste concessie, welke een der Lee’s had willen

doen, was, dat hij eenige zware eikenhouten planken langs de wanden van

den winkel had laten aanbrengen, omdat de voorraad boeken zoo groot was

geworden, dat hij er geen raad meer mee wist.

In dit huis met zijn eigenaardigen trapgevel, zijn vierkante vensters,

met de kleine, in lood gevatte ruitjes, zijn smalle gangen en

wonderlijke, schijnbaar nuttelooze trapjes, zijn schilderachtigen

uitbouw boven de straat, en zijn prachtigen luifel van eikenhout, door

een meesterhand besneden, vertoefde Lord Aberdeen het liefst, als hij

een bezoek aan die Lombard Street bracht.

Onder den luifel, die ook de smalle voordeur beschermde, waarop zich

nog steeds de prachtige koperen klopper bevond, die er bij den bouw van

het huis op was aangebracht, was een kleine uitstalling waar men

tweedehands studieboeken voor gewone en hoogere scholen kon krijgen,

maar Herbert Lee stelde zijn eigenlijke schatten niet bloot aan den

invloed van zon en koude, maar bewaarde ze als een gierigaard in zijn

kasten, welke zich achter in den winkel bevonden, en waar het zoo

duister was, dat men er slechts op zeer zonnige dagen zonder kunstlicht

kon lezen.

Zulk een heldere dag was het, toen Lord Aberdeen bij deze kast stond te

lezen, dicht onder een klein vierkant raam dat op een nauwe

binnenplaats uitkwam.

Hij stond daar zeker reeds een half uur bijna onbewegelijk, met zijn

wandelstok met ivoren knop onder den linkerarm gekneld, de groote

grijze oogen strak op de bladzijde gevestigd, en blijkbaar alles om

zich heen vergetend.

Lee had zijne Lordschap trouwens ook vergeten of liever, hij bemoeide

zich in het geheel niet met hem en ging voort met het catalogiseeren

van eenige pas ontvangen boeken, of het helpen van een klant.

Lord Aberdeen was een trouw afnemer van hem, en hij keek volstrekt niet

op den prijs, als het er om ging, een werkelijk kostbaar boek machtig

te worden.

Maar wat Zijn Lordschap daar nu las scheen toch wel bijzonder

belangwekkend te zijn, want als Lee nu en dan een schuinen blik op den

lezer wierp, vond hij hem altijd nog in dezelfde houding staan, zich

alleen bewegend om nu en dan een bladzijde om te slaan van het boek,

dat hij in de hand hield.

Op dit oogenblik was de winkel geheel verlaten, want er was juist een

klant vertrokken, en de winkelbediende, een spichtige jongen met een

onnoozel gezicht, was uitgezonden met een boodschap.

Lord Aberdeen kwam langzaam met zijn boek in de hand, naar de breede

toonbank, waar achter de boekhandelaar bezig was met schrijven, en

zeide toen:

„Gij hebt hier een hoogst belangrijk, zeer zeldzaam exemplaar, mijn

waarde Lee!”

De boekhandelaar schoof zijn grooten hoornen bril op zijn voorhoofd, en

tuurde naar het boekwerk, hetwelk Zijn Lordschap in de hand hield.

„Hebt gij het misschien afgenomen van de kleine stapel rechts op de

tweede plank van de boekenkast?”

„Geraden!” antwoordde Lord Aberdeen. „Gij zult dit werk toch zelf zeker

ook wel kennen?”

„Ik heb nog geen gelegenheid gehad om er een blik in te werpen,

Mylord!” antwoordde Lee.

„Doe het dan aanstonds, maar zeg mij eerst eens, hoe het komt dat gij

dit merkwaardige exemplaar nog niet nader beschouwd hebt?”

„Zeer eenvoudig Mylord, ik ontving het nog geen volle twee uren

geleden, het behoort bij een kleinen voorraad boeken, die een deel

vormen van de nalatenschap van een halfwijzen, ouden professor, die

alles aan zijn huishoudster had vermaakt, welke dame zich gehaast

heeft, alles wat los en vast was, te gelde te maken. De vrouw kwam bij

mij met het stapeltje boeken, ik wierp er een vluchtigen blik in, ik

zag dat er wel wat aardigs bij was, en ik heb haar twee pond betaald.”

Zijn Lordschap wierp den boekhandelaar een eigenaardigen blik toe, en

hernam:

„Inderdaad, gij moet de boeken wel zeer vluchtig bezien hebben! Maar

hebt gij dan in het geheel niet bemerkt, dat er een handschrift bij

is?”

„Ja, ik meen mij zoo iets te herinneren!” stotterde de boekhandelaar.

„Ik heb mij echter niet den tijd gegund, alles nauwkeurig door te

zien.”

„Dat moet wel zoo zijn,” hernam Lord Aberdeen lakoniek, „want indien ik

een handelaar was in oude boeken, dan zou ik voor het exemplaar dat ik

hier in de hand heb op zijn minst honderd pond hebben betaald.

Misschien doe ik mij zelf schade, door u dit te bekennen, omdat ik

voornemens ben, dit manuscript van u te koopen, maar het is zoo als ik

zeg.”

En met deze woorden wierp Lord Aberdeen het boek op de toonbank, en nam

op een der oude stoelen plaats, van waar hij Lee strak aankeek.

Deze had zijn bril met een ruk voor de oogen getrokken, en greep nu het

manuscript, dat in zoo hooge mate de belangstelling van een zijner

beste klanten had gaandegemaakt.

En hij behoefde er niet lang in te bladeren, om tot de overtuiging te

komen, dat hij hier inderdaad een zeer merkwaardig werk voor zich had.

Hij kuchte eens en zeide toen:

„Luister eens Mylord, gij hebt mij als een eerlijk man leeren kennen

niet waar?”

„Zoo eerlijk als een antiquair maar met mogelijkheid kan zijn, mijn

waarde Lee.”

„Welnu ik erken, dat ik die huishoudster van dien onwijzen professor

wel wat weinig betaald heb! Ik zal haar schrijven, want gij weet dat ik

altijd de namen noteer van degenen die mij boeken verkoopen, en ik zal

haar vijftig pond sturen!”

„Daar doet gij wel aan vriend Lee, want dat is dit ding op zijn minst

waard.”

„Gij hebt gelijk Mylord. Het is een handschrift en naar de lettersoort

en de taal te oordeelen, eveneens afgaande op de wijze van inbinden en

het dikke perkament van den band, moet dit boek met zijn ongeveer twee

en dertig pagina’s geschreven zijn in het begin van de veertiende

eeuw.”

„Dat meende ik ook,” kwam Lord Aberdeen, „en ik vermoed, dat het door

monniken gedaan is, zooals destijds menigmaal geschiedde. Let maar eens

op de bewerkelijke beginletters van ieder hoofdstuk. Ware juweeltjes

van schoonschrijfkunst. Vele bewoners van kloosters brachten aldus hun

tijd door, en er zijn talrijke voorbeelden, dat monniken de schoonste

gedeelten van den Bijbel overschreven, alleen maar om zich bezig te

houden.”

Lord Aberdeen had het manuscript weder in handen genomen en sloeg de

perkamente bladzijden om, beschreven met zwarte en roode inkt, die

slechts op zeer weinig plaatsen zoodanig verbleekt was, dat men het

schrift niet meer kon lezen.

Toen hernam hij:

„Ik behoef U natuurlijk niet te vragen, of gij Latijn kent, mijn waarde

Lee?

„In die taal is het manuscript geschreven, en dat pleit nog meer voor

de opvatting, dat dit werk door monniken is verricht en zeer

waarschijnlijk door Duitsche! Lees eens een klein gedeelte, hier

bijvoorbeeld, en zeg mij Uw oordeel!”

Hij schoof den boekhandelaar het manuscript weder toe, en wachtte met

over elkander geslagen armen weder af, tot Lee gereed zou zijn.

Dat ging niet zoo spoedig, want het was geen modern Latijn, en Lee

moest nu en dan zijn woordenboek raadplegen, terwijl bovendien enkele

woorden moeilijk leesbaar waren.

Maar toen hij eindelijk het hoofd ophief, lag er een uitdrukking van

verbazing, ongeloof en spot op zijn met rimpels doorploegd gelaat.

„Welnu, wat zegt gij er van?” vroeg Lord Aberdeen.

„Het manuscript is echt, Mylord, daaraan valt niet te twijfelen, maar

de inhoud is zuivere onzin?”

„Zoudt gij denken?” vroeg Zijn Lordschap, den knop van zijn wandelstok

tegen zijn kin duwend.

„Maar dat spreekt toch immers vanzelf Mylord!” riep Lee uit. „De man

die dit boek geschreven heeft, raaskalt van ongehoorde schatten in het

duisterste gedeelte van Afrika, waarvan geen sterfelijk wezen zich

eenige voorstelling kan vormen, tienduizenden reusachtige

olifantstanden, honderden kisten vol juweelen van allerlei aard,

turkooizen en safieren, robijnen en diamanten, smaragden en topazen!

Hij praat maar van gansche karavanen, bestaande uit honderden kameelen,

alle beladen met zware kisten vol gouden staven en stofgoud! Maar dat

is nog niet het ergste van den gek, die zijn tijd verbeuzelde met dit

handschrift, hij spreekt van voorwereldlijke monsters, van

Brontosauriërs en Ichthyosauriërs, die daar nog vrij talrijk zouden

zijn voorgekomen, ten tijde toen onze vriend dit manuscript schreef.

Heb ik dan niet gelijk met te zeggen, dat wij hier aan een sprookje,

aan kinderachtigen beuzelpraat moeten denken?”

„O, wat dat betreft, mijn waarde Lee, ik houd het met den jongen

Hamlet, die verklaarde, dat er tusschen hemel en aarde nog veel dingen

bestaan, welke onze schoolsche wijsheid niet kan omvatten.”

Lee keek zijn klant verbaasd aan, en riep uit:

„Maar dan zouden wij daar toch iets van moeten weten Mylord!”

„Dat is volstrekt niet noodzakelijk, mijn waarde Lee! Gij zoudt toch

zeker niet durven volhouden, dat Afrika reeds van Oost tot West, van

Noord tot Zuid doorvorscht is? Het zal U toch niet onbekend zijn, dat

er zelfs op de laatst uitgekomen kaarten van Afrika nog zeer vele witte

plekken voorkomen, ten bewijze, dat nog geen Europeaan daar is

doorgedrongen! En zelfs in de gedeeltes welke wij zoogenaamd kennen

zijn nog ontzaglijke stukken, waar wij nog nooit zijn doorgedrongen.

Vele zijrivieren van de Kongo-rivier bijvoorbeeld, dat wil zeggen van

een der voornaamste stroomen in Centraal-Afrika, zijn nog nimmer

bevaren en hunne oevers zijn nog nimmer door den voet van een blanke

betreden, dat wil zeggen: wij weten volstrekt niet wat daar omgaat.”

„Dat wil ik U toegeven Mylord, maar tusschen niet weten en maar wat

opschrijven en fantaseeren bestaat nog een groot verschil!”

„Als gij van fantasie spreekt, waarde Lee, dan moogt gij er althans den

monnik die dit handschrift vervaardigde niet van beschuldigen, want in

een soort voorrede verklaart hij, dat hij dit manuscript heeft

nageschreven van een Romeinschen Papyrus die zelf nog dertien eeuwen

ouder was! Dat wil dus zeggen, dat het origineel van dit handschrift

voor de geboorte van Christus moet zijn vervaardigd. Waarschijnlijk

waren daar in de ervaringen verhaald van een Romein die meer van Afrika

gezien had dan zijn landgenooten die er uitsluitend kwamen om onder

bevel van Julius Caesar te strijden.”

Lee keek Lord Aberdeen een oogenblik aan, alsof hij aan zijn verstand

twijfelde, maar lang durfde hij toch niet kijken, want Zijn Lordschap

was een goede klant, en daarom maakte hij aanstonds van de gelegenheid

gebruik, en vroeg:

„Wil Mylord dit merkwaardige handschrift koopen?”

„Wat vraagt gij er voor?”

„Vindt gij honderd pond te veel?”

„Ik zal ze U aanstonds betalen, mits ge mij op uw woord belooft, dat

gij op staanden voet vijftig pond aan de huishoudster van den overleden

professor zendt.”

„Ik geef er U mijn woord op, Mylord!” antwoordde Lee haastig. „Ik zal

het manuscript even voor U inpakken, want gij zult het wel aanstonds

willen meenemen.”

„Dat wilde ik U juist verzocht hebben,” hernam Lord Aberdeen, „ik zou

het gaarne dadelijk geheel eens doorlezen.”

Lee zocht pakpapier en touw op, en pakte het manuscript zorgvuldig in.

Lord Aberdeen stak het in zijn binnenzak, knikte den boekhandelaar

vriendelijk toe, en zeide nog eens op den drempel van de deur:

„Denk er om, vijftig pond aan de huishoudster van den professor!”

HOOFDSTUK II.

EEN FANTASTISCH PLAN.

Lord Aberdeen liep snel de Lombard Street af, sloeg een hoek om, liep

op een groote, diepblauw gelakte auto toe, en zeide tot den

reusachtigen chauffeur die achter het stuurwiel zat:

„Snel naar huis, Henderson. Mijnheer Brand zal niet weten waar wij

blijven.”

De auto zette zich in beweging en Lord Aberdeen liet zich in de kussens

vallen.

Een vreemde glimlach deed zijn lippen een oogenblik krullen.

„Hoe sloofde die goede Lee zich uit, om mij van dienst te zijn!”

mompelde hij voor zich heen. „Zou hij wel hetzelfde gedaan hebben als

hij maar een oogenblik had kunnen vermoeden dat achter Lord Aberdeen

zich de langgezochte John Raffles verborg?”

De groote onbekende liet een kort lachje hooren. „Natuurlijk zou hij

dadelijk naar de politie zijn geloopen, als hij ook maar een seconde

had kunnen vermoeden, wie ik werkelijk ben.”

Maar spoedig gingen de gedachten van John Raffles weder naar heel

andere zaken, naar het eigenaardige handschrift, dat zich op dit

oogenblik in zijn binnenzak bevond.

Hij was een doorkneed kenner van dergelijke oude manuscripten en hij

had spoedig ontdekt dat er aan de echtheid van het Latijnsche

handschrift in het geheel niet te twijfelen viel.

Trouwens, een chemisch onderzoek van de inkt zou spoedig iedere

mogelijke vervalsching aan het licht brengen, indien deze inderdaad

gepleegd was.

Maar dat verwachtte Raffles geen oogenblik.

Het handschrift was opgesteld in het Latijn, zooals het in het

Romeinsche rijk en daar buiten voor de geboorte van Christus, en nog

geruimen tijd daarna als schrijftaal gebezigd werd, en dat tamelijk

sterk afweek van het moderne Latijn, zooals het onderwezen wordt op de

Universiteiten.

Het perkament, hetwelk de monnik had gebruikt, was ongetwijfeld

verscheidene eeuwen oud en van een schier onverwoestbare hoedanigheid.

Neen, aan de echtheid van het handschrift mocht geen oogenblik

getwijfeld worden!

De Duitsche monnik had het overgeschreven van een Romeinschen Papyrus,

maar het zou waarschijnlijk vruchtelooze moeite zijn, nasporingen naar

dat origineel te doen, want dat zou wel tot stof zijn vergaan, ook al

was het een feit dat er in het Britsche Museum nog altijd eenige

Papyrus-rollen te zien waren, die dateerden uit het regeeringstijdperk

van Tiberius!

Lee had verzekerd, dat dit alles bedrog, fantasie, onzin moest zijn, en

het gezond verstand zeide Raffles, dat de man gelijk moest hebben, dat

die ontzaglijke opeenhooping van schatten in het binnenland van Afrika

op zich zelf reeds onwaarschijnlijk was, en dat het toch in ieder geval

moeilijk verklaarbaar was, dat men naderhand nooit meer van deze

ongehoorde rijkdommen zou hebben gehoord, rijkdommen, die, wanneer zij

naar de huidige geldswaarde berekend moesten worden, zeker duizenden

Milliarden pond Sterling zouden vertegenwoordigen, ruimschoots

voldoende om alle oorlogsschulden van alle landen ter wereld te samen

eenige honderden malen te delgen!

Was zoo iets mogelijk?

Was iets dergelijks bestaanbaar?

De logica verzet er zich tegen, maar John Raffles was een man die aan

de gangbare logica een hekel had, en voor wie fantasie een

levensbehoefte was.

Maar dan die voorwereldlijke monsters, dieren uit het Steentijdperk,

welke men reeds honderdduizenden jaren uitgestorven waande, de

monsterachtige hagedissen met hun geweldige vinnen en meterlange

halzen, de vliegende draken, zoo ontzaglijk groot, dat zij Mammouths

durfden aanvallen, die op zich zelve al twee maal zoo groot waren als

onze hedendaagsche olifanten, kon het zijn, dat dergelijke dieren

twintig eeuwen geleden nog bestonden? Zouden er wellicht overblijfselen

van te vinden zijn?

Over dit alles dacht Raffles nog na, toen de auto stil hield voor een

fraai huis in de Regent Street.

Raffles stapte uit, en ging den kleinen voortuin door.

Hij stak den huissleutel in het deurslot, en trad de vestibule binnen,

waar hem zijn overgoed werd afgenomen, door Gaston, zijn grijzen

kamerbediende.

„Is mijnheer Brand thuis Gaston?” vroeg Raffles.

„Mijnheer de secretaris is zooeven van een wandelrit teruggekeerd,

Mylord,” antwoordde Gaston. „Hij bevindt zich thans in de blauwe kamer,

als ik mij niet vergis.”

Met dezen naam werd een klein vertrek aangeduid, dat zich naast de

bibliotheekzaal bevond, en waar Raffles een fraaie collectie blauw

Chineesch porselein en Delftsche pullen had ondergebracht.

Hij richtte zijne schreden naar deze kamer en trof er inderdaad Charly

Brand aan, zijn trouwen vriend, die bezig was, uit een houten kist

eenige kostbare vazen te pakken.

Hij wendde zich naar de deur, en stak Raffles opgewekt de hand toe.

„Iets bijzonders ontdekt?” vroeg hij. „Je ziet er zoo opgewekt, hoe zal

ik het zeggen, zoo eigenaardig uit!”

„Ik geloof, dat ik een goede vondst heb gedaan, Charly!” antwoordde

Raffles, terwijl hij het manuscript van zijn omhulsel ontdeed.

„Je kent immers Latijn?” vroeg hij.

„Ja, ik heb mij het onderwijs in die oude taal moeten laten aanleunen!”

antwoordde Charly lachend. „Denk echter niet, dat ik er spijt van heb;

iemand met kennis van Latijn kan genieten van veel dingen, waarvan

degenen die de taal van Virgilius niet machtig zijn, zich moeten

spenen!”

„Lees dan eens met aandacht het oude handschrift, hetwelk ik zooeven

voor honderd pond heb verworven!”

„Honderd pond!” riep Charly verschrikt uit. „Heb je dat voor een boek

uitgegeven?”

„Vind je het te veel, mijn jongen?” vroeg Raffles glimlachend. „Is de

bodem van onze geldkist te zien? Geef ik te veel geld uit?”

„Dat weet je wel beter! Wij hebben pas kort geleden een grooten slag

geslagen, die je ruim een Millioen dollar heeft opgeleverd, waarvan je

trouwens al tienduizend pond sterling hebt weggeschonken!”

„Wegschenken is eigenlijk niet de juiste term,” hernam Raffles ernstig,

„ik noem het geen schenken als men een schreeuwend onrecht, door de

geheele maatschappij gepleegd, door middel van geld weder goedmaakt.

Maar lees nu dat ding eens, ik geef je een uur den tijd, het zijn maar

twee en dertig bladzijden, en het schrift is tamelijk groot! En kom mij

dan eens zeggen, wat je er van denkt!”

„Waar kan ik je vinden?”

„In de geheime werkplaats!”

Raffles knikte Charly toe, verliet de kamer, daalde de breede trap af,

en stak de vestibule over, waarna hij een gang volgde, aan welks einde

zich de tuindeur bevond.

Hij ging door den lommerrijken tuin naar een hoog soort paviljoen, dat

aan alle kanten door een hoog geboomte omringd was. In het grootste

vertrek van dit tuinhuis bevond zich, achter den schoorsteen, de

geheime ingang naar de ondergrondsche werkplaats, waar Raffles

menigmaal vertoefde, als hij bezig was aan een of ander nieuwe

uitvinding op het gebied der chemie of der werktuigkunde.

Door op een krul in de lijst van een spiegel te drukken, die boven den

schoorsteen hing, kon Raffles deze eenige decimeters ter zijde laten

schuiven.

Zoodra hij door de opening was gegaan, en zich in de zeer smalle gang

bevond, die zich achter den kamermuur uitstrekte, schoof de schoorsteen

weder op zijn plaats.

Raffles liep de gang ten einde, die eigenlijk niets anders was dan de

ruimte tusschen den muur van het paviljoen en een loozen binnenmuur, en

daalde een ijzeren trap af, die naar de geheime werkplaats voerde.

Eenige jaren geleden had Raffles door een toeval, toen er in de

onmiddellijke buurt van zijn huis opgravingen werden gedaan met het oog

op den aanleg van een nieuwen tak van den ondergrondschen spoorweg, de

ontdekking gedaan dat er zich daar ter plaatse een groot onderaardsch

hol bevond, hetwelk zich voor een deel onder den tuin van zijn huis

uitstrekte, en dat waarschijnlijk vroeger de geweldige kelderruimte was

geweest van het klooster, waarvan men nog een klein overblijfsel in een

der oude zijstraten van de Regent Street kon vinden.

Hij had deze kelderruimte met de hulp van Henderson en Charly nog

eenigszins vergroot, een betonnen wand opgetrokken om zijn werkplaats

af te scheiden van de rest van het hol, en de werkplaats vervolgens

voorzien van alle moderne machinerieën, welke hij noodig kon hebben,

een draaibank voor metaal- en houtbewerking, die door een kleine

electromotor in beweging werd gebracht, een fraisbank, een boor- en een

schaafmachine, een lintzaagmachine en nog eenige andere werktuigen.

Geheel van deze werkplaats afgescheiden was het chemische laboratorium,

waar Raffles proeven nam, welke de verbazing van Charly, en weinig

minder dan de ontzetting van Henderson verwekten.

Hier, in dit onderaardsche laboratorium, had Raffles ontdekkingen

gedaan die hem van ontzaglijk groot nut waren geweest bij zijn

gevaarvolle ondernemingen. Hier ook had hij den wonderbaarlijken

electrischen motor uitgevonden en samengesteld, die zijn vliegmachine

in beweging bracht, en daaraan de bijna ongehoorde snelheid van ruim

vijfhonderd kilometer per uur verleende.

Zoodra hij de stalen deur geopend had, welke de ijzeren trap van de

werkplaats scheidde, ontdeed hij zich van zijn jas, en schoot een

linnen werkkiel aan.

Hij begaf zich vervolgens naar zijn werkbank, waar het model van een

eigenaardige machine stond.

Hij bekeek het een oogenblik, met de vuisten in de zijde gesteund, en

mompelde:

„Het model heeft gisteren voortreffelijk gewerkt, nu is het slechts de

vraag, of het toestel op ware grootte dit ook zal doen!”

Hij trok een vel papier naar zich toe, met teekeningen bedekt, en begon

deze ijverig te bestudeeren.

Nu en dan veranderde hij nog iets aan de teekeningen, en wierp van tijd

tot tijd een blik op het sierlijke model, waarvan het koper glansde in

het licht van de sterke electrische lampen, welke deze ondergrondsche

werkplaats moesten verlichten.

Er was nog geen half uur verloopen, toen de stalen deur weder openging,

en Charly binnentrad.

Hij had het Latijnsche manuscript in de hand, en op zijn jong gelaat

lag een uitdrukking van verwondering.

„Wel,” zoo begroette Raffles hem, terwijl hij op een der gemakkelijke

stoelen plaats nam, die hier en daar waren neder gezet, „wat zeg je wel

van mijn ontdekking?”

„Als manuscript is dit ding hoogst merkwaardig,” antwoordde Charly.

„Een andere waarde is er natuurlijk niet aan te hechten!”

„Hoe zoo?” vroeg Raffles langs zijn neus weg.

„Hoezoo!” herhaalde Charly verbaasd. „Wel, wat hier beschreven staat is

toch immers reine onmogelijkheid!”

„Zoo iets zeide mijn vriend Lee ook!” kwam Raffles bedaard.

„Nu, dan ben ik het volkomen met Lee eens!” riep Charly uit. „Ik geloof

geen syllabe van dien schat, en nog veel minder van die vóórwereldlijke

monsters, welke die Romeinsche krijger daar in Afrika zou hebben

gezien! Als dat werkelijk zoo was, zou hij er denkelijk niet veel van

hebben na verteld!”

„Je acht dus al de vóórwereldlijke dieren wel zeer gevaarlijk? Laat ik

je dan zeggen, dat er vele bij waren, die volkomen onschadelijk waren,

daar zij tot het geslacht der herbivoren of planteneters behoorden hoe

groot zij ook waren!”

„Maar er waren ook carnivoren of vleesch etende dieren onder, Edward!

En die bereikten soms een lengte van tachtig voet!”

„Daarvan spreekt Otavius Numilus niet, die het eerst het handschrift

samenstelde, waarmede ik niet zou willen zeggen, dat hij ze niet kon

hebben gezien!”

Charly liet zich op zijn beurt in een stoel vallen en keek Raffles

strak aan.

„Dat kun je toch niet meenen?” vroeg hij eindelijk. „Dergelijke dieren

zijn er toch reeds sedert eeuwen niet meer!”

„In Europa zeker niet, evenmin als in Amerika, en alle andere, tot in

de uiterste hoeken, doorvorschte werelddeelen!” antwoordde Raffles

bedaard. „Maar Afrika is nog lang niet geheel doorvorscht! Wij mogen

gerust zeggen, dat wij van dat geheimzinnige land niet meer dan een

derde deel goed kennen, en dan vergis ik mij zeker in het voordeel der

ontdekkingsreizigers!”

„Dat geef ik toe, maar van daar tot de meening, dat er in die nog niet

door den voet van Europeanen betreden gedeelten, dergelijke monsters

nog geen tweeduizend jaar geleden te vinden waren, is nog een heele

stap!”

„Tweeduizend jaar geleden, en thans, Charly!” kwam Raffles steeds even

bedaard.

„Wat wil je zeggen?” riep Charly verward. „Je zoudt toch niet durven

volhouden, dat er ook nu nog dergelijke monsters in het duisterste

gedeelte van Afrika te vinden zijn?”

„Ik zou het althans niet gaarne ontkennen!”

„Maar Edward!” riep Charly ten hoogste verbaasd uit, „neem mij niet

kwalijk, maar dat is immers waanzin!”

„Waarom? Hebben wij ons daarvan dan kunnen overtuigen?”

„Dat zeker niet, maar mij dunkt toch, dat het onmogelijk is, dat wij

van het bestaan van die dieren niets zouden hebben gehoord!”

„Wij vernamen evenmin iets van de menschelijke bewoners uit de

streken!” hernam Raffles kalm.

„Dus er zouden duizenden jaren zijn voorbij gegaan zonder dat wij iets

uit dat gedeelte van Afrika zouden hebben vernomen, terwijl die Romein,

Otavius Numilus, die dieren niettemin zou hebben gezien?”

„Dat komt mij volstrekt niet onmogelijk voor, Charly! De Romeinen zijn

niet altijd in Afrika gebleven, en toen zij er verdreven werden, zal

tevens de herinnering aan wat die Romein daar zag, verzwakt zijn. Het

is trouwens zeer wel mogelijk, dat de tijdgenooten van Numilus er

evenmin aan geloofden als jij op dit oogenblik.”

„Dat kun je mij niet kwalijk nemen Edward, ik zal er ook nooit aan

gelooven, tenzij ik mij met eigen oogen zou kunnen overtuigen, dat die

Romein niet gelogen of gefantaseerd heeft!”

„Aan dat verlangen kan voldaan worden, Charly, want wij vertrekken over

vijf dagen naar die plek!”

Charly gaf een luiden schreeuw van verbazing, en staarde Raffles

geruimen tijd zwijgend aan.

Toen barstte hij uit:

„Je praat toch zeker niet in ernst?”

„In vollen ernst! Ik wil mij persoonlijk gaan overtuigen of die soldaat

van Julius Ceasar zich niet heeft vergist!”

„Maar hij heeft zich natuurlijk vergist!” riep Charly bijna wanhopig

uit. „De legers van Julius Ceasar, die in het jaar 48 voor Christus de

troepen van zijn voormaligen bondgenoot Pompejus bij Pharsalus

versloegen en twee jaren later nogmaals bij Thapsus, zijn nimmer ver

genoeg in het binnenland van Afrika doorgedrongen om de bronnen van het

Niassameer te hebben kunnen bereiken.”

„Natuurlijk niet de geheele legermacht, maar misschien wel kleine

groepjes, die zich hadden afgescheiden, en die alle gevaren hebben

getrotseerd, gedreven door hun zucht naar avonturen.”

„En die lieden zouden weder ongedeerd zijn teruggekeerd?” riep Charly

ongeloovig uit.

„Misschien zijn er twee of drie honderd gegaan, en is Numilus de eenige

geweest, die er het levend afbracht,” ging Raffles onverstoorbaar

voort.

„Maar die literaire soldaat moet een Charlatan geweest zijn, Edward,

een voorlooper van Baron van Münchhausen, een gek!”

„Dat is mogelijk, maar het is niet volkomen zeker, en daarom zullen wij

er een onderzoek naar instellen!”

„Je bent dus vastbesloten?”

„Ja Charly!”

Weder heerschte er stilzwijgen in de werkplaats, slechts verbroken door

het gonzen van den kleinen electromotor.

Toen hernam Charly op ernstigen toon:

„Ik ken je nu lang genoeg, om te weten, dat je een eenmaal opgevat plan

nooit meer prijs geeft, je wilt een avontuur ondernemen, dat je het

leven kan kosten, want nog nimmer is een ontdekkingsreiziger

teruggekeerd uit de binnenlanden van Afrika, tenminste niet uit de

streken welke wij willen bezoeken! Livingstone heeft Angola en

Mozambique bezocht, Spake en Grand hebben van Zanzibar uit Egypte

bereikt, over het Victoriameer, Stanley heeft de Kongo doorvorscht, en

talrijke Duitsche, Engelsche, en Fransche ontdekkingsreizigers hebben

nog pas een jaar of tien geleden verschillende gebieden van Afrika

onderzocht, maar niemand drong nog door tot de geheimzinnige streken,

welke je wilt bezoeken!”

„Je vergist je, Charly, Otavius Numilus is er geweest,” hernam Raffles,

terwijl hij Charly met een strakken blik aankeek.

De jonge man maakte een moedeloos gebaar en sprak:

„Ik zie wel dat niets je kan weerhouden! Natuurlijk gaan Henderson en

ik met je mede, daarover wordt in het geheel niet gesproken.”

„Daar had ik ook al half en half op gerekend, Charly!” hernam Raffles

bedaard. „Drie vastberaden, moedige mannen kunnen heel wat doorstaan,

en wij hebben een vervoermiddel tot onze beschikking, waardoor het ons

mogelijk zal zijn, door te dringen tot plaatsen waar nog geen enkele

blanke den voet heeft gezet. Van Zanzibar uit, kunnen wij bijvoorbeeld

het noordelijkste punt van het Niassameer binnen iets meer dan een uur

tijds bereiken. Je zult zelf wel begrijpen wat dat zeggen wil. In een

uur tijds kunnen wij een afstand afleggen, waarover Stanley maanden

heeft gedaan!”

„Dat erken ik, maar van dat punt uit, komen wij in geheel onbekende

streken! Het vervoermiddel waarvan je spreekt, je wonderbaarlijke

vliegmachine, kan door een of ander ongeval gedwongen zijn om te dalen,

en dat beteekent de bijna onvermijdelijke ondergang!”

„Wij zullen met de vliegmachine zoo ver mogelijk reizen, haar dan

achterlaten bij een vriendschappelijken stam, en van daar te voet onzen

tocht voortzetten! En nu voorloopig genoeg hier over gepraat, Charly!

Wij vertrekken over vijf dagen!”

HOOFDSTUK III.

DE TOEBEREIDSELEN.

Laat in den middag van denzelfden dag zat Charly gebogen over een

groote kaart van Afrika in de fraaie bibliotheekzaal van het huis aan

de Regent Street.

Hij had de kaart op de tafel uitgestrekt, en had het Latijnsche

manuscript naast zich liggen.

Hij hield het hoofd in de handen gesteund, en nu en dan stond hij op,

en liep peinzend eenige malen het groote vertrek op en neder.

Dan liet hij zich weder op zijn stoel vallen, en zette zijn lectuur

voort.

Kan het waar zijn? mompelde hij tenslotte in zich zelf. Kan die soldaat

van Julius Ceasars legioenen dat alles inderdaad met eigen oogen gezien

hebben? Heeft hij zich die wonderen niet op de mouw laten spelden, en

ze grif geloofd? Laat eens zien, Julius Ceasar landde in een

noordelijke stad van Afrika, dicht bij de Middellandsche zee gelegen,

toen hij den strijd ging aanbinden met Pompejus, die met hem, en met

Marcus Crassus het eerste driemanschap had gevormd dat jarenlang de

onbeperkte heerschappij uitoefende over het reusachtige Romeinsche

rijk. De afstand van de landingsplaats tot het Niassameer bedraagt

ongeveer vijfduizend kilometers! Is het denkbaar, dat Numilus en zijn

reisgenooten dien ontzaglijken afstand te voet of te paard hebben

afgelegd? Daarvan wordt niets vermeld in het manuscript, en het komt

mij ook volkomen ongelooflijk voor. Neen, als Numilus daar inderdaad

geweest is, en dat moet wel zoo zijn, want hoe moet hij anders den naam

van dat toen nog geheel onbekende meer weten, dan moet hij, even als

Stanley een paar duizend jaren later deed, bij Zanzibar of bij

Dar-es-Salaam voet aan land hebben gezet. Hoe hij daar dan gekomen is,

is een raadsel, want de Zuidelijke doorvaart was toen nog niet bekend,

maar op een andere wijze is het niet te verklaren hoe die Romein zoover

in het zwarte werelddeel zou zijn doorgedrongen!

Charly stond op, liep naar de groote boekenkast, en nam er een

voortreffelijk werk over de volkerenkunde der geheele wereld uit.

Hij sloeg het open, las eenige tijd aandachtig, en vervolgde toen aldus

zijn alleenspraak:

„Het is zoo als ik dacht, de streek ten Westen van het Niassameer is

nog zoo goed als geheel onbekend, tot aan den voet van het

Lokings-Gebergte, en wat daar voorbij is, dat weet niemand! Honderden

vierkanten mijlen zijn daar nog nimmer door den voet van een blanke

betreden! Wat zouden wij er vinden? Zouden daar nog inderdaad rassen

bestaan, die den schakel vormen tusschen aap en mensch? Zouden daar nog

dwergstammen zijn? En bovenal, zouden daar werkelijk overblijfselen te

vinden zijn van die wonderlijke dieren uit het steentijdperk, om van de

levende exemplaren maar te zwijgen? Ik kan het bijna niet gelooven, en

toch, dit geheele wonderlijke manuscript ademt een geest van

waarheidlievendheid. Het is vreemd, zeer vreemd!”

En weer verzonk Charly in de aandachtige bestudeering van kaart en

manuscript.

De deur ging open, en Raffles trad binnen.

Op den drempel bleef hij een oogenblik glimlachend staan, en keek naar

Charly, die zoodanig verdiept was in zijn lectuur, dat hij Raffles niet

had hooren binnenkomen.

Nu trad hij op den jongen man toe en vroeg:

„Begin je wat meer belang te stellen in onze onderneming?”

„Al heb ik er niet aan geloofd, en al doe ik dat nog niet, belang heb

ik er altijd ingesteld!”

„Ben je er al in geslaagd, ongeveer de plaats vast te stellen, welke

onze man meent?”

„Om je de waarheid te zeggen, is hij tamelijk vaag in zijn

aanduidingen,” antwoordde Charly. „Maar dit is zeker, dat hij die

dieren gezien heeft dicht bij de bron van een zijrivier van de Loangwo,

een van de voornaamste stroomen in die streek, en waarvan tot dusverre

nog slechts een klein gedeelte onderzocht is. Naar ik geloof zou je je

onderzoek moeten beginnen bij de plaats Maranda, op ongeveer 200

kilometer ten Westen van het Niassameer gelegen. Dat is de laatste

plaats, welke op den atlas staat aangegeven, en die als het ware op de

grens van het ondoorzocht gebied ligt!”

Raffles had zich op zijn beurt over den atlas gebogen, en bekeek de

kaart aandachtig.

Toen wierp hij een blik in het Latijnsche schrift, en zeide:

„De schrijver gewaagt hier van hemelhooge bergen, en van ontzaglijk

diepe ravijnen, begroeid met maagdelijke wouden, waarin het bijna

onmogelijk was door te dringen. In één van die ravijnen zouden zich die

schatten bevonden hebben, waarvan hij spreekt.”

„Ja, en ze zouden daarheen gebracht zijn, op bevel van Ptolemeus van

Egypte die aldus de bezittingen van den staat, wat wij de schatkist

zouden noemen, in veiligheid had willen brengen toen hij zich bedreigd

zag door de Romeinsche indringers.”

„Ik kan mij alleen volstrekt niet voorstellen, Edward, waarom die

ontzaglijke rijkdommen daar dan gebleven zijn, en niet aanstonds zijn

teruggebracht, toen het gevaar geweken was, en evenmin, waarom men dien

schat over zulk een grooten afstand vervoerde!”

„Wat het eerste betreft, mijn jongen, je zult je misschien uit je

schooljaren herinneren dat Ptolemeus verslagen werd, en dus geen

gelegenheid had, om de schatten van het rijk terug te halen! Wie kan

zeggen of hij de plek niet geheim heeft gehouden?”

„Alles goed en wel, maar de kameeldrijvers en de ruiters die den

karavaan vormden, moeten haar dan toch geweten hebben!”

„O, wat dat aangaat, in dien tijd schrikten de alleenheerschers en de

tyrannen er volstrekt niet voor terug, de medeweters van een kostbaar

geheim ter dood te laten brengen, al waren het er een paar duizend!

Denk maar eens aan Cleopatra, de Koningin van de Nijl! Zij koos zich

haar minnaars menigmaal uit haar negerslaven, maar geen hunner

overleefde ooit langer dan een paar minuten het mingenot, dat hij in de

armen van zijn meesteres gesmaakt had!”

„Ja, zij was geen prettige vrouw,” zeide Charly lachend.

„Dat niet bepaald, maar zij was een zeer merkwaardige vrouw!” hernam

Raffles. „En nu, mijn jongen, zullen wij eens ons reisplan moeten

opmaken, want zooals gezegd, ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken.”

„Hoe zullen wij den tocht maken?”

„Het lijkt mij het verstandigst, recht door te vliegen naar Maranda!

Aldus verrichten wij eigenlijk niet eens iets bijzonders, want de tocht

is reeds gedaan door Fransche en Engelsche vliegers en onder heel wat

moeilijker omstandigheden, want zij maakten gebruik van machines, die

met de mijne in snelheid niet kunnen wedijveren.”

„Daarentegen volgden zij een andere route, Edward, zij kozen voor hun

landingsplaatsen de bekende Centra, waar een groot aantal Europeanen

gevestigd waren! Wil je echter in rechte lijn van Londen naar Maranda

vliegen, dan zul je voor een groot gedeelte de woestijn moeten

oversteken!”

Charly had een wereldkaart op de tafel uitgespreid, en ging nu voort:

„Wij zouden het eerst Tunis moeten aandoen! Dat wil zeggen, wij zouden

vliegen van Londen over Parijs, Lyon, Marseille, en vandaar de

Middellandsche zee oversteken naar Tunis!”

„De kwestie van een halven dag!” zeide Raffles kalm.

„Van Tunis zou de reis dan gaan over de volgende steden: Misda, Mursuk,

Aleshr, Mara, vervolgens over het Muta-Nsige-Meer, langs het

Tanganjika-Meer, en tenslotte over het stadje Pambete, aan den

Zuidelijken punt van dat meer gelegen, naar Maranda!”

„Is dat een rechte lijn?” vroeg Raffles.

„Kaarsrecht!”

„Hoeveel bedraagt de afstand in vogelvlucht van Tunis naar Maranda?”

Na eenige oogenblikken te hebben gerekend, antwoordde Charly: „In

rechte lijn ongeveer 5800 kilometer!”

„Wanneer wij aannemen, dat wij gemiddeld vijfhonderd kilometer per uur

kunnen afleggen, zouden wij dus over dien afstand ongeveer elf uren

doen, laat ons zeggen twaalf. De afstand van Londen naar Tunis bedraagt

ongeveer twee vijfden van den geheelen afstand, dat wil zeggen vijf uur

vliegens, tezamen dus zeventien uren, wanneer wij dus hier te

middernacht vertrokken zijn, dan kunnen wij om vijf uur in den middag

op de plaats van bestemming zijn.”

„Het klinkt als een sprookje!” mompelde Charly halfluid, „in zeventien

uren van Londen tot niet eens zoo heel ver van de Kaap!”

„Over weinige jaren zal het iets zeer gewoons zijn, Charly,” hernam

Raffles. „De vliegmachines, die met een benzinemotor worden gedreven,

halen reeds nu snelheden, die in sommige gevallen tot tweehonderd

vijftig kilometer per uur kunnen bedragen, en er is volstrekt geen

reden, waarom die snelheid binnen weinige jaren niet zou zijn

verdubbeld en niet even groot zal kunnen zijn als die der Duivel der

Lucht!”

Raffles dacht een oogenblik na, en vervolgde toen: „Wij zullen echter

een groote hoeveelheid levensmiddelen aan boord medenemen, want wij

moeten alle gebeurlijkheden voorzien. Ik zou dus zeggen, leeftocht voor

een maand ongeveer. Het is beter, veel te veel mede te nemen, dan

slechts een ietsje te weinig! En gelukkig is onze vliegmachine er op

ingericht, dat zij die vracht gemakkelijk kan dragen! Voorts spreekt

het van zelf, dat wij ons duchtig moeten wapenen, om ons te kunnen

verdedigen tegen roofdieren, ook die in menschengedaante! Wij zullen

eenige duizenden patronen medenemen, voor ieder twee jachtgeweren

behalve onze trouwe revolvers, sterke kapmessen, een paar bijlen, en

benoodigdheden om een tent te kunnen opslaan. Wij moeten zooveel

medenemen als die vliegmachine maar kan dragen, zonder dat haar

snelheid er onder lijdt. Zij heeft bij ons laatste avontuur nog al wat

te verduren gehad, en wij zullen haar zeer zorgvuldig moeten nazien!”

De beide vrienden spraken nog eenigen tijd voort en beraadslaagden over

alles wat zij zouden moeten meevoeren, waarop Charly een lijstje

opmaakte.

Toen dit alles gereed was, drukte Raffles op de electrische knop naast

de deur, en zeide tot den binnentredenden Groom:

„Vraag eens, of Henderson aanstonds hier komt, Gaston.”

De oude kamerbediende verwijderde zich, en vijf minuten later trad

James Henderson, de reusachtige Chauffeur, het vertrek binnen.

„Mylord heeft mij doen roepen?” vroeg hij.

„Ja Henderson! Wij gaan dezer dagen op reis!”

„En Mylord neemt mij mede?”

„Ja Henderson! Wij gaan echter nog al vrij ver!”

„Zooals Mylord verkiest!”

„Wij gaan naar het zuiden van Afrika!”

„Uitstekend, Mylord!”

„Maar naar een plek, Henderson, waar nog geen enkele Europeaan vóór ons

den voet heeft gezet!”

„Zoodat wij de eersten zullen zijn, Mylord!”

„Wij gaan ons aan vreeselijke gevaren blootstellen, Henderson.

Misschien krijgen wij te strijden met ontzaglijke monsters, waarvan wij

ons hier geen voorstelling kunnen vormen. Zij bereiken soms een hoogte

van tachtig voet!”

„Kan men er met een geweer op schieten, Mylord?”

„Daarvan ben ik overtuigd, Henderson!”

„Goed, Mylord!”

En dat was alles, wat de brave kerel van de geheele onderneming te

zeggen had!

Raffles wendde glimlachend zijn gelaat naar Charly, die een weinig

beschaamd voor zich keek.

De trouwe reus had zelfs geen vraag gesteld, en hetgeen Raffles hem

mededeelde als de eenvoudigste zaak ter wereld beschouwd, waaraan hij

geen enkel woord behoefde te verspillen. Mylord had gezegd dat zij

tegen ontzaglijke monsters zouden vechten, dan waren zij er natuurlijk

ook, daaraan kon niet getwijfeld worden!

„Nog iets van Uw dienst, Mylord?” ging Henderson voort.

„Niets anders Henderson, dan dat je je reisvaardig houdt, en onze

vliegmachine, die op het oogenblik in onze loods van het vliegveld

staat, aan een zeer grondig onderzoek onderwerpt.”

„Wij gaan dus met den Duivel der Lucht, Mylord?”

„Ja, Henderson!”

„Mag ik weten Mylord, hoe de plaats heet, waarheen wij ons begeven?”

„Maranda, Henderson,” antwoordde Charly.

„Maranda, ik zal het onthouden! Kan men er geïllustreerde briefkaarten

krijgen?”

„Dat zou ik wel denken, Henderson,” antwoordde Charly lachend, „want er

wonen wel vijftig Europeanen, naar ik geloof.”

„Dan heb ik niets meer te vragen Mylord! Ik zal voor alles gaan

zorgen!”

En Henderson draaide zich op zijn hielen om, en verliet het vertrek.

Voor hem scheen de geheele zaak niets anders te zijn dan een eenvoudig

pleizierreisje!

„Een merkwaardige kerel!” bromde Charly halfluid. „Hij ziet zeker het

Niassameer voor de serpentine in het Hyde Park aan, en Maranda voor een

theehuis aan de Theems!”

„Dat ligt zoo in zijn aard Charly!” zeide Raffles glimlachend.

„Hij scheen ook in het geheel niet verwonderd te zijn over je

mededeeling betreffende die voorwereldlijke monsters!” kwam Charly.

„Neen dat leek hij heel gewoon te vinden!” zeide Raffles glimlachend.

„Laten wij een oogenblik veronderstellen, dat daar werkelijk nog

overblijfselen van die monsters te vinden zijn.”

„Overblijfselen of levende exemplaren!” viel Raffles hem lakoniek in de

rede.

„Levende exemplaren dan!” hernam Charly schouderophalend. „Wat denk je

er dan wel te vinden?”

„Wel volgens de beschrijving van Numilus, moet het daar als het ware

een staalkaart zijn geweest van bijna alle in het steentijdperk

voorkomende soorten! Er moeten in dien tijd vertegenwoordigers geweest

zijn van de Ichthyosauriërs, geweldige visschen die ongeveer den vorm

hadden van onzen zaagvisch, behalve dat zij tanden hadden met zeer

scherpe punten. Het waren dus meer vischhagedissen, en zij bereikten

een zeer groote lengte. Overblijfselen van die dieren zijn trouwens ook

in Europa ontdekt, met name in het dal van de Donau bij de Zwarte Zee,

en ook in ons land, waar in eenige krijtrotsen zeer merkwaardige

afdrukken van die vischhagedissen gevonden worden! Waarschijnlijk heeft

Numilus ze gezien, varende op het Niassameer.”

„Maar ik meen de landdieren, en de halfslachtigen, Edward!”

„Op dat gebied spreekt onze Romein van den Stegosaurus in het

bijzonder, een ontzaglijk dier, dat bij de achterpooten een hoogte kon

bereiken van vier en een halven meter, met een zeer dikken en langen

staart, aan het eind met een soort dorens bezet, en wiens rug bezet was

met een dubbele rij ontzaglijke hoornen platen, naar men vermoedt om

hem te beschermen tegen den beet van den vreeselijken Plesiosaurus,

zijn ergsten vijand, een waar monster dat half in het water, half op

het land leefde, en vier vinnen had, waarmede hij zich met

ongelooflijke snelheid in het water kon voortbewegen. Maar nog

grooteren vijand had de Stegosaurus in den Diplodocus, eveneens een

ontzettend groot monster, dat, als het zich op de achterbeenen

oprichtte en steunde op zijn staart als een kangoeroe, gemakkelijk den

vreeselijken kop op de grootste dakgoot van een vrij groot huis zou

kunnen leggen.”

„En zouden wij dien sinjeur daar ook aantreffen?” vroeg Charly met een

schuin oogje naar Raffles.

„Dat is volstrekt niet zoo dwaas!”

„En waren die dieren voor de menschen gevaarlijk?”

Lord Lister No. 0328: Het raadsel van Niassa · 第 1 / 5 段