't Was nacht. De heldre maan bescheen de breede vlakte
Waar langs de kronklende Ur al kabblend nederzakte,
En strooide 't rimplend nat met zilvren loverglans,
Het koeltjen ging door 't woud op 't huppelend groen ten dans,
Of joeg met luchte vlerk de golfjens voor zich henen,
En kuste Elpines wang en boezem onder 't weenen.
Vergeefs! Die boezem voelt der wroeging felsten prang,
En 't traantjen droogt niet op langs de uitgebleekte wang.
Daar zat zy, troosteloos, in diepen rouw verzonken,
En scheen een zielloos beeld, uit marmersteen geklonken.
De dagtoorts zonk ter kim, door de avond afgelost,
En 't heldre nachtgestarnt' betrok zijn hemelpost;
Haar oog bemerkte 't niet, en troostloos neêrgeslagen,
Had de engbenepen keel geen' adem meer tot klagen,
Het hart geen krachten meer tot doorstaan van zijn wee,
En 't was haar, of de ziel haar matte borst ontgleê.
Een oogenblik vervloog. Zy vond zich weer in de armen
Des Jonglings, voor wiens drift geen deugd haar kon beschermen.
Hy wien haar hart aanbad, en 't aan zich-zelf beleed,
Terwijl het hem 't verwijt van al haar jammer deed.
Zy voelt het drukken van die armen, voelt het kloppen
Van d' eigen' boezem aan haar hart, en vangt de droppen
Van 't rozenriekend hair dat om zijn' schedel speelt,
En hemelbalsems daauwt, in hooger lucht geteeld.
Maar 't schemert voor haar oog, met nevels overtogen.
Een druk der lippen sterkt de halfgeopende oogen,
En ach! zy ziet, ze erkent den zelfden hemeling,
Die eenmaal aan heur borst in dartle omarming hing,
Van wien zy 't liefdepand zich onder 't hart voelt leven!
Ze erkent hem, en gelooft van enkle vreugd te sneven.
De Jongling spreekt haar toe, terwijl een morgenlicht
Hem afstraalde uit den blos van 't vlekloos aangezicht.
"Elpine, ô teergeliefde! ô bloem, het zalig Eden,
(Der vaadren erfgrond) waard, ja waardig aangebeden!
Heradem! zie mij weêr, die voor uw schoonheid kniel,
En d' Englenrei ontzeg, waar uit ik nederviel,
Om u, om u-alleen mijn' boezem op te dragen.
Herken hem, die in d' arm, om uwe heup geslagen,
Het hoogste heil omvat dat aard en hemel heeft,
En zelfs de onsterflijkheid voor uwe liefde geeft!
Maar neen! Hy geeft haar niet, dan om haar weêr te winnen,
En eeuwig in uw' arm te leven en te minnen."
Dus sprak hy en de roos van 't uitgebleekt gelaat
Heropende om haar kaak een' nieuwen dageraad.
Een parel blonk in 't oog, en rolde langs de wangen,
En, stollend op den mond, bleef aan heur lippen hangen.
Haar oog ontvonkte, en schoot door 't wolkjen van de smart
Het waatrig licht der hoop die weer ontglimt in 't hart.
Dan, spraakloos bleef haar tong; haar boezem stikte in 't wellen
Van zuchten, zonder tal, die naar den gorgel zwellen,
Wier worstling onderling den doorgang zich verbiedt.
Zy drukt des Jonglings hand, en meer vermag zy niet.
"Elpine (vangt hy aan)! ontfang my als uw' Gade!
Vergoed my, 't staat aan u, des Hemels ongenade.
Mijn noodlot is beslist. Ik deel met uw geslacht
De ballingschap der aard, vrijwillig, zonder klacht.
Of--gy, gy zult met my den heilstand uwer vaderen
Hernemen. Hemellucht zal stroomen door uwe aderen,
En, door mijn' arm hersteld in 't leven zonder dood,
Zal Godlijk Englenkroost ontspruiten uit uw' schoot.
Doch hoor my! 'k zal u meer, en wonderen, verhalen.
"Elpine! 't Is één stam, waar uit wy beide dalen.
Ja, de eerste stervling gaf ons 't aanzijn uit zijn bloed:
Maar my, in Edens hof, van fijner geest doorvoed
Dier Heemlen, welker lucht dien blijden Hof doorwemelt;
En hun, wier spruit gy zijt, reeds balling en onthemeld.
Gy weet: dat eerste paar, der Englen zorg en vreugd,
Leefde opgehoopt met heil, in onvergangbre jeugd,
Onvatbaar voor 't besef der eensbezuurbre kommer:
En sleet zijn eeuwigheid in Edens zuivre lommer,
In volle zaligheid en onbeperkt genot.
De hooger Geesten zelfs benijdden 't heerlijk lot.
Het viel, het overtrad en werd naar de aard verdreven,
Om aan d' ondankbren grond zijn drupplend zweet te geven.
Het vlammend zwaard der wraak, en meer, 't besef der schuld,
Sloot allen rugkeer af, en 't vonnis werd vervuld,
Dat, van dat uur af aan: zijn ongeboren loten
Uit Godenheerlijkheid in jammer neêr moest stoten.
ô Kroost, rampzalig kroost, dat voor uwe Oudren boet!
ô Oudren, die dat kroost uw' wangreep nooit vergoedt!
"'t Gedoemde paar vlood heen, van wanhoop ingenomen.
Nog had de troost geen plaats van nokkend tranenstroomen;
Nog wist de zucht geen' weg te vinden naar om hoog.
't Vlood siddrend, hand in hand, met zwartbeneveld oog,
Vergat zich-zelf en 't kroost dat in hun bruiloftsweelde
Een nog onwraakbre min in Godenreinheid teelde,
En wachtte, elkaâr aan 't hart, in één', één' zelfden nood,
't Nog onbegrijpbre leed der hun bedreigde dood.
"Wy, vruchten van hun koets, wy, spruiten uit hun lenden,
Wat zagen we op die stond, daar zy zich dalwaart wendden!
Onzalig Oudrenpaar, hoe bleef uw kroost verstomd!
Nog hoor ik 't bliksemvuur dat door de wolken gromt,
Waar nooit dan Englenzang den weêrklank had doen hooren
Der Hemelmelody van de onbevlekte Choren.
t Was of ons Paradijs, al schuddende op zijn' grond,
Verbrijzelde op de puin van 't lager wareldrond.
't Was vuur, verterend vuur, met buldren, kraken, donderen,
Met rook en zwavelvlam, dat Eden af moest zonderen;
't Was stikdamp, dien de hel van ondren opjoeg, om
Ten muur te strekken van der zaalgen heiligdom.
't Ontzag, de vrees, de schrik, hield tong en oog gebonden.
Wy strekten de armen uit, of wy ze omhelzen konden.
Ons harte vloog hen na.--Vergeefs! een zwarte nacht
Verzwolg het dierbaar paar dat ons had voortgebracht.
Hoe schetse ik u den staat van ons, ontzette telgen!
Gods Almacht daalde omlaag met alverwoestend belgen
Wij sidderden, van liefde en deernis aangedaan,
Maar offren ons gevoel, en bidden zwijgend aan.
Ja, heel de schepping zweeg, en cederstam en heester
Hing loverkruin en tak om 't jammer van zijn' meester;
Het Paradijsooft bleekte, en 't vooglenzangchoor zweeg,
Dat dwars door 't bladgewelf ten hoogsten hemel steeg.
"Ik maal u 't ijslijk niet van Adams aardrijkploegen;
Zijn leven niet, verteerd in 't rustontbeerend zwoegen;
Nog 't scheuren van den schoot dier Moeder, die haar leed
Met dubblen weêrzin torschte om 't geen zy zich verweet.
Gy kent hun echt, en wee-, en rouw-, en moordgeschichten,
Hun uitzicht en hun troost in wrange levensplichten.
Hun jamm'ren, met één woord; en waarom die herhaald!
ô Oogenblik van lust, wat werdt gy duur betaald!
"Maar, dierbre Elpine, ik heb nog andre ramp te melden.
't Waar weinig, zoo de ploeg moest snijden door de velden,
En 't voedsel door de spa' gedolven uit het zand,
De prijs des arbeids was van de onvermoeide hand.
't Waar weinig, van een' grond, met bloetzweet overdropen,
Den mondvol smaakloos brood voor pijn en angst te koopen:
Maar 't lichaam zelf ontaardde, uit groven klei gevoed,
Verdierlijkt, en hersteld uit rund- en lamm'renbloed.
't Verloor den hemelgeest, die 't eenmaal door mocht stralen,
't Oorspronklijk weefsel zelfs, in 's aardrijks woeste dalen,
Die veêrkracht, die 't verhief en uitbreidde in de lucht,
En 't nam die logheid aan, waar onder 't velddier zucht.
Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven,
Op d' adem onzer borst door lucht en ruimte zweven,
En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom
Des Ethers, heemlen door, tot 's warelds buitenzoom
En waar 't oneindig Niet de nooit beklimbre bogen
Van 't levenvol Heelal met nevels houdt omtogen.
Wy spannen 't lichaam uit, en schenken lucht en licht
Een' doorgang, die 't verbergt voor aangreep en gezicht:
Of doen het, meer verdikt door stoflijk samentrekken,
En, weer biên aan 't gevoel, en, 't oog ten voorwerp strekken,
Gelijk ik thands aan U my aanbiê, schoone Maagd.
"Zoo zag, zoo minde ik u, daar gy te rusten laagt,
Voor u onzichtbaar, tot, van heete drift aan 't blaken,
Mijn ziel zich uitstortte op uw boezem, op uw kaken,
In kussen, daar uw hart onwillig deel in nam.
Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!
Hoor eerst de strenge wet des Hemels.--Afgesneden
Van 't Godlijk menschenkroost, bewoners van zijn Eden,
Bleef Adam nog de schuts der Englen toegezegd,
En, by die Englen, ook der spruiten van zijne echt.
Wy zweefden om zijn koets, die van de lamm'renvachten
Gespreid was, die zijn hand op 't veldaltaar moest slachten
Als 't eerste zuiglam blaatte aan moederlijke speen,
En smolten onze beê met zijn gebed in één.
Wy waakten by zijn' slaap, en telden, by 't ontwaken,
De zuchten, die zijn borst aan Evaas borst mocht slaken.
En samenklotsen met de snikken van haar hart.
Wy hoorden 't noodgeroep by Evaas barenssmart,
En hielden, onbemerkt, haar kniën onder 't kermen,
Of steunden 't wringend lijf, en vingen 't kroost in de armen,
Dat eens de onzalige aard die 't in zijn kommer voedt,
In weêrvergelding, met zijn lijken spijzen moet.
't Gejammer bij den dood diens Abels, dien Gods liefde
Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde,
Klonk ons in de ooren en doorsneed ons 't ingewand:
Maar 't was ons niet vergund, de kinderlijke hand
Den vader of zijn kroost ooit zichtbaar toe te strekken.
Hy stierf. Ik zag het zand zijn zielloos rif bedekken.
'k Zag zes geslachten na hem opstaan, en vergaan.
Maar de aard nam middlerwijl een ander aanschijn aan:
De velden tooiden zich, dank 's stervlings rustloos wroeten:
De dalwind scheen allengs zijn' adem te verzoeten;
De zon, met minder gloed te drukken op het hoofd,
Terwijl zij eetbaar kruid en volle halmen stooft.
De lucht, van bloem en plant met nieuwe geur doortogen,
Werd zachter; en 't gedierte, in 't menschelijk juk gebogen,
Verloor zijn' schuwen aart, werd minzaam en gedwee,
En gaf, in 's menschen dienst, verlichting aan zijn wee:
't Gevogelt'-zelf, gelokt door de uitgeworpen koornen
Des akkers, zocht zijn hut, en hupte door de doornen;
Gaf voor zijn slaapsteê dons, en zong zijn zorg van 't hart;
Of zalfde door 't muzyk de reeds verdraagbre smart.
Ja 't scheen, of Adams val door heuvels en valleien
Het Eden, hem bestemd, op 't aardrijk uit moest breien.
"Doch, Adam was geweest; zijn weêrhelft daalde in 't graf,
En brak den band der aard met Edens burgren af.
Ons, meer verheven tak der zwakker menschlijke orden,
Was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.
De stervling werd steeds meer vertrouwlijk met zijn lot,
En wischte 't denkbeeld uit van Englendom en God.
Wij vonden 't grover hart van onze stamgenooten
Voor d' invloed onzer zorg vereeld en toegesloten:
Wy gaven 't de Almacht op, en, aan Heur eer verknocht,
Niet een, die Adams kroost op 't aardrijk meer bezocht.
"Nu rezen moord, geweld, en bloeddorst!--'s Afgronds Koning
Sloeg de ijzren valdeur op der Helsche gruwelwoning,
En aâmde een' pestdamp uit die alles overtoog!
Ja, de aarde werd een poel, afzichtlijk in ons oog.
Men zag 't verdwaasd geslacht, zijn' Schepper afgevallen
Dat Goden zocht om laag, gehuisd in aarden wallen:
Hun kniên gebogen voor 't gewelfde firmament;
En, die hun 't aanzijn gaf, in blinde drift, ontkend.
"Een enkle tak hield stand in de algemeene boosheid.
God zag 't, en stelde een perk aan 't woên dier zinneloosheid.
Zijn Engel daalde en riep! en 't waardig kroost van Seth
Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwlen onbesmet,
En zocht zijn' Schepper weêr, geloovend, brandend, hopend.
Nu scheen ons de aaklige aard weêr dierbaar en geopend:
Nu dwaalden we op een nieuw zijn ruime vlakte door;
En 't menschdom kwam in eens ons weêr beminlijk voor.
"'t Was, ja, de tijd niet meer, dat Adam, forsch van spieren,
Den nek bedwingen kon der ongetemde stieren,
Den leeuw zijn kaken brak, den groven elefant
Voor 't dreigen siddren deed van de op geheven hand:
Dat Eva, als vorstin, den tijger aan haar voeten
Zag knielen, 't pantherdier haar siddrend kwam begroeten;
Dat de arend uit de lucht zich neêrvleide aan heur schoot:
En de aanblik van haar oog, wat adem had, gebood.
Doch 's menschen heerschappy, in enger kring omschreven,
Leed door verzwakking niets, maar werd door geest gesteven,
En 't schouwspel van zijn rijk was Englen toezicht waard:
Ja, 't scheen dat God in hem zich zetelde over de aard.
"Beklaaglijk was 't gezicht, ja, Goden-zelv' beweenbaar,
Dier schoonheid, die 't volmaakte, aan 't stertlijke onvereenbaar,
Aan dier- en plantaard huwde, en Godlijk samensmolt,
Als watervloeibaarheid tot diamant gestold.
ô Eva, kunstgewrocht der Godheid, voor wier oogen
Gods Englen, als voor God, vernietigd nederbogen,
En sluiers zochten om dien gloed te wederstaan
Die uitstroomde uit uw schoon! hoe greep u 't jammer aan!
Geen roos verwelkt zoo snel, gebroken van haar stengel
Hier schreide en Cherubijn en afgevallen Engel!
Ja, Satan-zelf werd week, en voelde om u, berouw.
Der schepping heerlijkheid, wat is zy, dan de vrouw?
Ach, bloemen van den grond! ach paauw- en fenixvederen!
Wat zoude uw vroeg verval de vaste ziel vertederen!
Wat zijt gy, siersels, maar geen deel-zelf, waar het hart
Aan wortelt! Eva, ja, gy wierdt der Englen smart!
Hoe zagen we uw albast verrimplen en verschroeien!
Hoe 't morgenrood der kaak, zoo schittrend eens in 't gloeien
Verduisterd, weggewischt! het oog van glans beroofd,
En 't stralend zonnegoud verzilverd op uw hoofd!
Hoe 's levens welbron aan uw' boezem, uit wier togen
Wy eens de Onsterflijkheid en Englenfierheid zogen,
Verdroogd, verflenst! Ai my, wat wierd die volle borst?
Een stroobosch, door den staf des jammers uitgedorscht!
Een nevel overtoog, een wreede worm verknaagde
Het Godlijkst in 't Heelal, waarop ooit zonlicht daagde.
Ja, Evaas ouderdom was aller Englen straf,
En trok ons oog en hart van aard en menschdom af!
"Dan, zachter, teêrder lucht met balsemende geuren
Doortrokken, sints 't gebloemt' den schedel op mocht beuren,
Bedekking van het kleed, van 't hagelkeerend dak,
Voor Zomers roostend vuur en winter ongemak,
Een stiller levenswijs, aan haard en huis gebonden,
Genoegens, die het hart in 't lijden, sterken konden,
Ja, 't slijten van dien rouw, die 's lichaams bloei verslindt,
En, 't geen gewoonte aan 't leed, in 't leed behaaglijk vindt;
Dit al, was vruchtbaar, en vereenigd in vermogen,
Herriep de roos der wang, de morgenstar der oogen,
't Aanlokkend lipkoraal, 't yvoor van arm en hals,
En 't donzend wolkensneeuw van 't golvend boezemmalsch.
"Een deel van Edens teelt, gewoon zich te onderscheien
Als 't Godlijk menschenkroost, zag Kaïns dochters reien,
En 't sloot zijn boezem niet voor hare aantreklijkheên:
Het Eden, 't Englendom, de Hemel, God, verdween!
Elpine was nog niet; en echter, zy bezweken.
Zij vielen op die prooi, als in dees lager streken
De havik op de duif. Vergeefbrer lust voor 't minst,
Dan blozende appels, of gevaarlijke overwinst
Van kennis, ons te hoog, vervoerde ons. Ach, Elpine!
Hy weet het, die ons kent, de vleklooze Ongeziene;
't Was alles weggesleept, betooverd, zich ontvoerd;
En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.
Nu was hun Paradijs op 't aardrijk, en ze omvingen
Wat de aarde hemelscht had, en teelden stervelingen!
't Ontzachlijk Reuzenvolk ontsproot uit deze min,
En nam in luttel tijds den hooger berggrond in.
Zy, mengling uit het zaad van tweederlei geslachten,
In 't sterflijk lijf voorzien van meer dan stervlingskrachten,
En blakende in het hart van dien ontembren moed,
Die Englen, Goden toont, als d' oorsprong van hun bloed!
"Elpine! melde ik u den overmoed der rooveren?
Gy zaagt de helft der aard door hun geweld veroveren;
Wat weêrstond, neêrgeveld, verdreven, of vergaan.
Gy-zelf naamt in uw wieg hun wreede kluisters aan,
Als woeste Ramanoth van Nob- en Gezerstroomen
Zijn Leeuwenspitsers dreef naar Bethurs balsemboomen,
En de Ur, met bloed gemengd, de lijken zeewaart joeg,
Van daar 't verwoestend heir zijn' groenen zoom besloeg.
Ja 't aardrijk is te kleen, om onder hen te deelen;
Hun zucht is, meester zijn, en heerschen en bevelen,
En ach! dit-zelf is niets voor de eens ontruste ziel.
"Van toen de vrome Seth zijn schreiend kroost ontviel,
Vergat ik de aarde, en zocht in 't altijd bloeiend Eden
't Genieten mijns bestaan in d' uitvloed der gebeden,
En 't streelende onderhoud van 't hooger Geestendom.
Doch eindlijk trof 't geruisch van Arbals reuzendrom
Den Hemel, en ook ons in 't stoorloost onzer dreven.--
De ontzachtbre Michaël had d' arm reeds opgeheven;
Reeds blonk de bliksem ter verplettring in de vuist
Eens Engels, en heel de aard ware op die stond vergruisd,
Had niet de Serafijn die vóór het Hemeldonderen
Der vromen zuchten in zijn reukschaal gaârt van onderen,
En de uitverkoornen op zijn vingren telt, den slag
Verbeden, en God-zelv' bewogen tot verdrag.
Wy hoorden in den Hof den voorknal van 't ontbranden;
Den kreet der Geesten, die, met opgeheven handen,
Ontzett'en van den schrik, reeds daavrend door 't Heelal,
En afgebroken door hun dankend juichgeschal.
Wij deelden in dien dank; ons hart versmolt en weende:
't Gevoelde, welk een band, en ons en de aard vereende,
En nooit beproefde ik zoo de teêrheid van dien band.
Een dorst, haar weêr te zien, beving my 't ingewand.
Wat zag ik--? Moedwil, moord, verdrukking, dartelheden.
Hier, de onschuld, zwak van teelt, door overmacht vertreden:
Daar wulpsche geilheid, die en ziel en lijf verslond;
En arglist, met geweld en onrecht in 't verbond.
Ginds gruwbaar ongeloof met bygeloof gesteven,
En God verloochend om voor 't ijdel niets te beven;
Of de inspraak van het hart versmoord door razerny
Van driften; ja, de deugd gedoemd als huichlary.
Ik ging!--Maar ach! Elpine, ik, voelde my gekluisterd
Door wondre tooverkracht. Mijn oog was als verduisterd;
Mijn hemelsch lichaam werd getrokken naar deze aard:--
'k Had (Hemel!) 'k had Elpine, en menschlijk aangestaard.
Haar oog, haar houding, ja de lucht-zelfs die ze omzweefde,
Waar in zy adem voud, door wie haar boezem leefde,
Was Godlijk in mijn oog, en bond my als den steen.
Volschoone, ik minde, en ach! mijn laatste heilzon scheen!
"Elpine, u heugt de dag, dat eenzaam, droef, aan 't dwalen,
En zichtbaar voor uw oog, mijn oor de nachtegalen
Beluisterde in dit woud. Het maanlicht scheen, als thands,
In statelijke pracht aan de onbewolkte trans,
Maar half bezwemen naar het Oosten. 'k Zag u weder.
Gy knielde op 't graauwe mosch, en zeegt in weemoed neder,
En stortte tranen, die geen Engel ooit moest zien
Of, meer dan Engel zijn, ja meer dan God misschien!
Ik nader, en--ô God, Gij zaagt het, ben ik schuldig,
Wanneer ik in uw werk uw blijkbre Godheid huldig;
Aanbidde, en neêrstort, en in de onmacht van mijn' gloed
Mij-zelv' en u vergeet, en aardsche lusten voed'?
Elpine! 't was geen kus, in sluimring opgedrongen!
't Was, van uw maagdlijk hart de grendels afgewrongen!
't Was 't onbegrijplijk, dat geen Engel smaken mocht;
En, voor den hemel zelfs niet duur genoeg gekocht.
Geliefde, sints dat uur, en wat dat uur u kostte,
Wat leed ik, eer mijn hart zich 't wondre raadsel loste,
Om eeuwig de uwe--ja, voor eeuwig u te zijn;
U (sterflijke), in mijn' arm, en zonder einde, mijn!"--
"Ik de uwe, en eeuwig! Gy, ô Engel uit den hoogen,
My sterflijke....? ach, laat af! (Dus roept zij, teêr bewogen.)
Neen, tot dien oogwenk slechts zij 't leven my verlengd,
Dat dees mijn zwangre schoot den moederplicht gehengt.
ô Drukk' de onnoozle vrucht, my spartlend tegen 't harte,
Mijn borst, mijn lippen eens, en sterve ik dan van smarte!
En gy, verlaat my; gy, ô voorwerp al te waard!
Laat me over, 't is mijn lot, aan de op my wachtende aard.
Haar moet ik met mijn bloed, als met mijn tranen baden.
'k Behoor haar: 'k ben, als zy, met 's Hemels vloek beladen.
Die drukt my. Vlied me, ô vlied, of, neem my 't levenslicht
Dit uur zelfs, en met een' aan 't ongeboren wicht!
Wat zoude 't door zijn lach my 't moederwee verzoeten,
Om, nog, by Adams val, ook ons vergrijp te boeten?
'k Verwijt u niets, maar--vlied me, en laat my ademtocht;
En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht."--
Zoo spreekt ze, en scheurt zich los, en rukt met woeste vingeren
De vlechten uit het hoofd, terwijl haar leden slingeren
En schudden. Ach! zy vliedt, maar stort op d'eersten tred
Den Jongling weêr in d' arm, als van een schrik verplet.
"Onnoozle (roept zy uit), ik ging u dan verlaten!
Ik wilde u--minn'lijkste, ach! vermocht ik u te haten!
U, die my liefde zwoert, my weêrvindt in mijn' rouw,
En zelfs uw Eden liet, voor my onzaalge vrouw!
Neen, spreek, ik hoor u. Spreek! Hoe God en vloek verbeden?
Hoe, my, aan 't graf verwant, vereenigd met dat Eden?
ô Zoo mijn bloed ... de dood ... Ja, 'k wensch haar te ondergaan,
Indien ik aan uw zijde eens juichend op mocht staan!
Ach, had des Hoogsten gunst u daar toe uitgelezen,
Om Heiland van Elpine, en--haar Gemaal te wezen!"--
"Ja (zegt hy) 't is beslist, Elpine! 'k Zweet by Hem
(En dees ontzachlijke eed geev' aan mijn opzet klem!)
Bij Hem, wiens raadsbesluit, nooit wanklend of verwrikbaar,
Ook Geesten siddren doet, aan heel de schepping schrikbaar.
Ik zweere 't by uw schoon, by mijne onbluschbre vlam:
ik voere u 't Eden in, dat Hij uw' oudren nam.
Het kroost der Englen zal met dat der stervelingen
Niet wriemlen over de aard met eeuwig handenwringen.
Zij Adam om 't vergrijp eens oogenbliks gedoemd,
Met wat zich naar den naam van doemling Adam noemt;
Zij, wat zijne aardsche koets aan 's aardrijks vloek mocht geven,
Tot banneling geteeld, en om als hy te sneven!
Ons, afkomst van den Vorst, gesteld in Edens rijk,
Van Adam, nog oprecht, zijn Schepper nog gelijk,
Ons treft die vloekspraak niet van 't schendig overtreden;
Ons kroost behield zijn recht op 't eeuwigbloeiend Eden,
Dat graf noch jammer kent; (aanminnige!) en die schoot
Die Englen telgen geeft, behoort niet aan de dood.
"Gy siddert! hoor my uit. Die forsche Reuzenkrachten,
Die armen, afgericht op dier- en menschenslachten,
Die boezems, van een bloed als 't Englendom doorstraald,
Maar minder week dan wy, en voor 't gevoel verstaald;
In 't kort dat fier geslacht, dat alles kan bedwingen,
Is voor deze aard te groot, te groot voor stervelingen.
Het lot der dierbre vrucht, die my uw schoot belooft,
Verbindt me aan hun belang. Ik stel my aan hun hoofd:
Hun zal ik, en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen,
Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen."
Hy zweeg. De schoone beefde, en zag zijn aangezicht
Betrokken, en de glans van 't hem omvloeiend licht
Op 't heldre voorhoofd als een avondstond verbleeken.
Zijn stem verloor allengs haar melody in 't spreken,
En nam een schorheid aan, als in de keel beklemd.
Zijn open oog vertrok, en wemelde onbestemd,
In blikken, die, of 't waar, het daglicht níet verdroegen;
En 't hart verried eene angst, die heel zijn borst deed zwoegen.
't Zij dat de Godswraak door die stoute taal verstoord,
Hem aangreep op de stond, of 't uitgesproken woord
Den boezem siddren deed die 't voortbracht, en vertsaagde,
Of 't innig plichtgevoel aan 's levens ader knaagde;
't Zij dat de Godheid-zelv dien invloed wederhield
Die 't hemelzalig mensch- en englendom bezielt;
Iets schriklijks scheen in eens zich op 't gelaat te spreien.
Elpine schokte, en wilde, en ach! zy kon niet schreien.
Haar tong verstijfde. In 't eind "O (riep zy), mijn gemaal,
Wat doet ge, en welk bestaan! Wat schrikbre bliksemstraal,
Wat donder op dit hart! ô laat my, laat my sterven!
God leeft, Hy, eindloos goed, ook hun die Eden derven!
Hy weegt ons noodlot met zijn vaderlijke hand:
Hem drage ik me op, en hoop, hoe streng Hy vierschaar spant.
Hoe wilt gy 't droef vergrijp verdubblen van onze Ouderen?
Hoe Satans eeuwgen vloek u laden op uw schouderen;
En moet de Hemel hier een' tweeden opstand zien,
Die de Almacht naar de kroon ... Wat zegge ik, die, misschien
Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen,
In 't eindeloos verderf onredbaar meê zal sleepen!
Te rug, mijn innigste! Keer weder tot u zelv'!
Ja, Lucifer bezweek aan 't Hemelsche gewelf;
En gy, des menschen kroost, omstuwd van sterflijke armen,
Bestrijdt Gods vonnis?--Neen, toon deernis, toon erbarmen,
Toon liefde aan uwe Elpine, aan haar, die om u lijdt,
Wie ge alles, wie ge meer dan zelfs Gods almacht zijt!
Ja, 'k veins niet, heel mijn hart, mijn ziel, mijn gantsche wezen,
Hangt thands aan u, aan u. Wat heeft dit hart te vreezen,
Daar 't graf nog open staat en God ontferming biedt?
Maar neem, ô neem mijn ziel die dierbre toevlucht niet.
Neen, de Almacht heeft voor ons, in Adams doem verstoten,
Voor 't kroost van onzen schoot, uw Eden toegesloten;
Wij erfden vloek van hem, ellende, en ramp, en graf,
Niets hoogers: maar--één hoop, één uitzicht bij die straf.
Die hoop is Gods genâ, verlossing, en herstelling!
Verbeiden wy, getroost, in de engste zielsbeknelling!
Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis
Onthuld, en in de rij der toekomst zeker is.
Dít erfdeel van mijn vrucht zij nimmer opgegeven!
Dít zal zijn Eden zijn, dít is zijn eeuwig leven!
Voor u, keer weder, val Gods grimmigheid te voet!
Boet voor uw opzet, keer Zijn wraakvuur eer 't ontgloed'!
Vergeet voor eeuwig die u minde, die gy 't harte
Verscheurde, en in 't heelal geen' balsem voor haar smarte,
Geen troost meer, overliet. Ja, dat ik 't u bezweer'!
Verplet Gods wraak me, en u, ziet gy my immer weêr !"
Zoo spreekt ze en ijlt vol drift den Jongling uit zijne oogen.
Hy stond, een rots gelijk, ontbloot van denkvermogen,
Beweging, en gevoel; en, had de hooger kracht
Der Geesten, onbekend aan 't stervend Aardsch gesiacht,
Hem 't hoofd niet opgebeurd, zijn lenden niet gesteven,
En spier en zenuwdraân een' nieuwen steun gegeven,
Hy waar bezwemen, en het aardrijk had voor 't eerst
Onsterflijkheid gezien, van 't kil der dood beheerscht.
Nu zag de morgen uit. 't Gevederd choor ontwaakte;
Het West verzwolg de nacht: het schittrend Oosten blaakte.
De Wachter van het licht, heraut der uchtendstond,
Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond,
Om 't vadzig menschdom tot den arbeid aan te manen,
En 't veldkruid beurde 't hoofd uit de uitgestorte tranen
Des nachtdaauws, dien het licht in nevelen verhief.
Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief
Door 't bloeiend palmwoud rond, dat Arbals zandvalleien
Omarmde, en schaduw gaf aan Nivals rundrenweien,
Tot daar het eikenbosch zijn kruin boorde in de lucht,
En 't koelend windtjen zocht dat uit het Westen zucht.
Hier had, ter rechter zij' van Rigons zoute vlieten,
Argostan, opperhoofd der strijdbre Kaïnieten,
Zijn legermacht vergaârd, gewapend met de knots
En peesboog: 't lichaam met gevlekten tijgerdosch
Omhangen, en gegord met tijgren ingewanden,
Tot taai en stevig koord gewrongen met de handen.
Het aardrijk had tot nog de zwaavlige ijzerschacht
Niet opgedolven noch ontledigd van heur dracht,
Niet uit de onzuivere erts een rein metaal zien smeden,
Het staal was zeldzaam, en geen harnas sloot de leden
In banden, noch gaf snede en puntvlijm aan de speer.
De dierenhuid-alleen was deksel; 't hout, geweer.
Hy-zelf hy droeg op 't hoofd om hooger uit te steken,
Een blaauwe reigerbosch tot kroon en veldheerteeken;
En zwaaide, op de eiken kolf, eens evers blanken tand,
Aan 't grimmig dier ontrukt met wapenlooze hand.
De moed, de woede, en spijt, glom in zijn oog, en vonkte
Den ruigen wenkbraauw door, die langs het voorhoofd pronkte
En 't licht verduisterde van 't schittrend oogbolgraauw.
Een drom van Geesten zag, van uit het weemlend blaauw,
Den Krijgsman, en zijn heir.--Den sterren afgestegen,
Hun ingenomen plaats na 't aardsche minneplegen,
(Want Eden was ook hun door 's Hoogsten doem ontzegd,
En 't zwerven door de lucht tot boetstraf opgelegd,
Tot veertig eeuwen, voor één heuchlijk licht verbleekend,
Een tijdstip baarden, ter vergifnis afgeteekend.)
Ontvlamden ze op 't gezicht. Hun afkomst bleef hun dier,
En, schoon men hen om laag met smokend offervier
Onthaalde en aanriep als beheerschers der getijden
En regelaars van 't lot, wier giften de aard verblijden,
't Belang der Reuzen ging het vaderhart te na.
"Mijn Broeders," riep terstond de grimmige Ahila,
Die, buiten 's aardrijks baan, en 't aardrijk naast, gezeten:
In 't midden van den rei der drijvende planeten,
Zich-zelv' gevestigd had op 't rood en vonklend licht,
Door de Oudheid naderhand haar Krijgsgod toegedicht:
Mijn Broeders, welk bestaan! Gedoogt gy 't?--Wreevle slaven
Verheffen tegen ons hun trotsche Legerstaven!
Pinéhel, Fuäl, en gy-allen, ziet gy 't aan,
En wachten we, uit de lucht hen ijlings neêr te slaan?
Mijn vrienden! zal een hoop van nietige Aardelingen
Ons dierbaarst, ja ons-zelv' in ons geslacht, bespringen?--
Hoe gloeit de vader niet op 't dreigen van zijn' zoon!
Of zien we ons slechts ten spot vereerd als Hemelgoôn?
Koomt, wreken we ons gezag, ons bloed; of eer, verweeren
We ons recht! Het is aan hen, om de aarde te overheeren:
Hun, Koning Adams stam, en van geen sterflijk zaad!
Wat is zijn wierook my, die naar mijn glorie staat?"--
Hem andwoordt Fuäl; hy, die kwijnende en verslagen,
Gods vonnis wettigde, en zijn borst weêrhield van klagen,
Maar de oogen neêrsloeg met een ziel vol naberouw;
Gevallen, maar in 't hart aan God en plicht getrouw.
Hem kon in ballingschap geene eerzucht troost verschaffen.
Hy voelde de Almacht slaan, en, in die slagen, straffen.
Vaak wandelde hy 's nachts in stille mijmering
Van dwaal- tot dwaalstar, of door uitgestrekter kring
Waar hooger zonnen, van hun warelden omvangen,
Uitschittren, en met die in 't perkloos ijdel hangen:
Doch nimmer koos hy zich verblijf of zetel uit.
"Neen (zegt hy), 't waar te veel op's Hoogsten raadsbesluit
Voor uit geloopen. Neen, wat zouden we ons vermeten?
Hangt 's warelds noodlot niet geschakeld aan één keten,
Die de Almacht in heur hand, en elk omneveld, houdt?
Wie 't heerschen werd ontzegd, is vruchtloos sterk en stout.
My bloedt het hart als u: wy voelen vaderzorgen--
Maar ... God-alleen regeert--Zijn wil is ons verborgen!
En--wat Hy ooit bestemm', die ons door 't harte ziet,
Na de eens begane schuld, verlokt me een tweede niet."
"Lafhartige," roept straks Pinéhel, verontwaardigd,
Die d' andren 't voorbeeld gaf (zoo 't voorbeeld ooit rechtvaardigt!)
Van wetteloozen gloed, en nog met wuften zin
Door vrouwlijke armen vloog, van de eene in de andere min:
"Verrader van uw bloed, duik neder! red u-zelven,
En zie uw telgen dan in 't bloedig stof bedelven
Indien 't u lust! Zie hen vertreden door den worm
Des dals, van kracht ontaart, verbasterd van zijn vorm;
En graaf hun zelf het graf, onteerd, gesmaad, mishandeld;
Nu sluimerlaauw, welhaast in d' eersten klei verwandeld
Waar uit ge wierdt! Voor my,--wat is my aarde of hel
Of (zelfs) vergruizing! 'k Zei mijn vaderland vaarwel;
Mijne afkomst is my 't al. Zy kost my God en Eden,
En, zou ik ze ongestraft door d' Aardling zien vertreden?
Dat hoede Hy, om hoog, die--my verplettren kan,
Maar ook dat hart mij schiep het geen ik nooit verban!"
De zachte Fuäl zweeg, en deinsde, en week ter zijde.
Nu juichte 't woest dooreen! "Ten oorlog! ja, ten strijde
Ons kroost verdedigd!"--Ja 't geliet zich; aan 't gedruisch,
Als wierd de lucht vervuld met worstlend golfgebruisch.
Reeds stond men op het punt om de onderaardsche stormen
Te ontbreidlen in hun hol; om bliksemen te vormen
Uit dampen zwavels, in de wolken opgegaârd,
En neêr te storten op het leger, over de aard.
Maar een der Duivlen, uit den jammerpoel geschoten,
Vloog op, en riep hun toe: "Wat wilt gy, Stamgenooten
Der aarde! Laat aan my, erfvijand van den mensch,
't Verdelgen over, mijn' en 's Afgronds heetsten wensch!--
Wat zoudt gy, Adams kroost, en niet voor 't kwaad geboren;
Wien 't misdrijf poging kost, en poging, steeds verloren
In wroeging?--Lafaarts, ons, ons voegt het, ons alleen!"
Hij spreekt en snort op 't woord voorby en door hen heen.
Hy zweeft, en blaast de Hel uit neus en muil. Nu rooken
De dalen als een oogst, op d' akkers aangestoken,
Eer 't vuur nog veld wint, en het smeulen van den gloed
In vlammen om zich grijpt en zonder teugel woedt.
Het was het vuur der twist, verdelgendste aller rampen,
Dat rondsloop onder 't Heir, verborgen in die dampen,
En 's vijands zegepraal beloofde zonder slag.
Reeds stond het Heir geschaard van de aanbraak van den dag,
En 't Priesterdom had nu zijn rijmen en gebeden
Voleindigd, als de Vorst, aan 't voorhoofd opgetreden,
Dees taal een' doorgang gaf door 't blikkerend gebit:
"Spitsbroeders (roept hy uit), voor 't ouderlijk bezit,
Voor haard- en legersteê gewapend opgetogen!
U danke ik heirvoogdy en schittrend Rijksvermogen.
Gy weet het, of mijn arm verslapte, waar men streed:
En u, u verge ik niets dan 't geen ge u schuldig weet.
Een gruwzaam Reuzenrot, verwant aan hemelgeesten,
Verstoort ons eigendom, en jacht- en offerfeesten,
En dreigt verdelging aan heel Adams nageslacht,
Vermetel op hunn' stam en ongelijkbre kracht.
Gij kent hen, en 't gewicht van hun ontzachbre slagen!
Wat wilt ge? 't harde juk der onderwerping dragen?
Van jonger broeder slaaf, uws vaders schande zijn,
En blozen voor u-zelv', voor's hemels zonneschijn?
Wy, eerstelingen in des aardrijks eenzame oorden;
Wy, zwervers over de aard, bevolkers harer boorden,
Door wie haar dorren schoot, met oudren zweet gedrenkt,
Het voedsel wierd ontperst, dat zy den stervling schenkt:
Wy zuiverden 't gewest van Leeuw- en tijgerklaauwen;
Wy veiligden dat erf, waarop zy ons benaauwen;
En, felle bastaartteelt uit Kaïns eigen zaad,
Verwoesten ze onzen grond, en moorden wie weêrstaat.
Dit lijdt uw recht, uw moed, dit kan uw hart niet lijden:
Vergaan wy, zoo 't moet zijn; maar sneuvlen we in het strijden!
Nog weegt ons aantal aan hun sterkte dubbeld op,
Wat toeft men, tot hun list der bergen engten stopp',
En zy, van hooger grond, uit ontoegangbre wallen,
Ons, ingesloten wild (dan redloos)overvallen?
Ja, Kaïns overschot, heel 't menschlijk kroost, heeft uit,
Ten zij één stoute daad hun woesten moedwil stuit.
'k Vergaderde u daar toe, en durf die van u wachten.
Beleid en dapperheid zijn meer dan reuzenkrachten.
Die leeuwen temmen kan en tijgers sluit in band,
Is vrijheer van zijn arm, en duldt geen Dwingeland."
Hy sprak, en wierp zijn' staf verachtlijk in den hoogen.
"Gy Geesten (ging hy voort), die in de wolkenbogen
De nevels samenperst, en op den wind gebiedt!
Gaat, staat uw afkomst by; Argostan vreest u niet."--
Nu zweeg hy. 't Voorhoofd rookte, en 't schuim der breede lippen
Stoof ziedende om den mond! Men hoort geen' adem glippen:
't Stond alles, als ontzet. Een zacht en flaauw gebrom
Verhief zich, groeide, en liep den kring des legers om.
Nu steeg een holle kreet ten wolken: "Ja te wapen,
Maar 't Geestendom ontzag!"--Met palmblad om de slapen,
Trad een der Grijzaarts voor, der zonnedienst gewijd:
"Vermeetle (riep hy uit) die tegen Geesten strijdt!
Wat wilt ge? 't wis verderf op onzen schedel storten?
De Goden van de lucht in 't aardbestier verkorten?
Herroep die gruweltaal, en ken, gy Legervoogd,
De palen van uw recht, en wat het mijn gedoogt!"--
De gramme Vorst, van spijt aan 't blaken, gaf een teeken
Tot zwijgen.--"Heldenschaar (dus ving hy aan te spreken)!
Hoe! daar wy 't Reuzenvolk manmoedig tegentreên,
Zal 't muitende verraad ons kankren door de leên!
Men durft uw Legerhoofd hier aan uw heirspits honen!
Gij lijdt dit?--Krijgers, neen! gy zult my trouw betoonen.
Ik terg den Zongod niet, maar wie mijn vijand staav',
Dien zeg ik oorlog aan. Beproef het, Outerslaaf!"
Zoo sprak hy, en de knots vloog ijlings uit zijn vingeren
Den Priester op de borst. De Legerrijen slingeren
En woelen door elkaâr. Één woeste schreeuw van "moord"
En "heiligschennis" wordt door heel het heir gehoord.
De Grijzaart smoort in 't bloed, zijn' gorgel uitgevloten.
Een deel der Offraars raapt, wanhopig toegeschoten,
De palmkroon van zijn hoofd, met bloed en slijk bemorst,
En toont haar aan het volk, en wijst het op den Vorst.
Nu vliegt het al in roer. De woeste pijlen gieren
En snorren door de lucht; de legerkolven zwieren.
Men eischt des priesters wraak, des heiligschenners bloed,
Omsingelt, en bevecht zijn Krijgsvoogd dol te moed!
Hy strijdt, verweert zich 't lijf; en honderd slagen breken
Op 't wapen dat hy grijpt.--Reeds honderd zijn bezweken,
En, door zijn dappre vuist op 't aardrijk uitgestrekt,
Ten wal geworden die hem 't halve lichaam dekt:
Nog twintig om hem heen, van de eersten in 't bespringen,
Zijn thands die leeuwen niet, die hem naar 't leven dingen,
Maar aangevallenen, wiet arm zich 't lijf verweert
In slagen op zijn knots al splintrend afgekeerd,
En deinzen; als een schicht ten peesboge afgedreven,
Hem treft, en onverhoeds een eind maakt aan zijn leven.
Hy zinkt gevoelloos, en zijn voorhoofd toont, verbleekt,
De Heldenfierheid nog, in 't bruischend hart gekweekt.
Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven.
't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven.
Het leger blijft versteend en starende op den grond,
Of rolt een aaklig oog door al de benden rond.
Één flaauwe stem alleen in 't midden van de troepen
Waagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen:
"Heil, priestren!"--Alles brult en knarstandt op dit woord,
En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord.
Tien knotsen heffen zich, één schedel spat in gruizelen,
En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen.
Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd.
Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt.
De Krijgsliên vallen hier de kermende Outerpapen,
En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapen
Den Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroêrs neêr,
In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer.
De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden;
Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden!
Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind;
Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt.
Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren!
Men valt verwoed door een als aangehitste stieren,
En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreên,
En nergens veiligheid dan in den moord-alleen.
Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degen
Vervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen.
De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel;
't Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel.
De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen:
De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen:
Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon.
Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doôn
Staan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven.
't Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven,
Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij',
En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby.
Doch, even als de vlam, door d'adem van de winden
In 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden,
En, strevende in het rond, de stammen nederslaat;
Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat,
Die by de walmende asch de ontblaârde kruin en takken
Of, stout verheffen blijft, of moedloos neêr laat zakken;
Zoo stond het in het dal van Nival met het heir.
Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer.
Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd.
Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderd
En hieven, afgemat, op heuvelen van doôn
Een uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon.