Ik zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond,
En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond,
In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen
En 't aardsche Paradijs beklautren langs zijn rotsen,
Tot de Almacht, worstlens moê met Adams zondig bloed,
Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed,
Wat adem haalde op 't droog, van d' afgrond in deed zwelgen,
Één huisgezin behield in 't algemeen verdelgen,
En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid,
Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid.
Wien smeek ik, die mijn oog, ten hemel opgeheven,
Die wareld weêr herbouw' en weêr herroep' in 't leven,
Die, wat der waatren stroom in 't denkbeeld achterliet,
In de eb der eeuwen met heur' afloop dreef in 't niet?
Wie voert haar uit die nacht van 't ondoordringbaar duister
Te rug?--U roep ik aan, ô Gy, wier hemelluister
Tot d' afgrond doordringt, en den dag voert in 't gezicht,
Waarheen gy d' opslag van uw Godlijk aanschijn richt!
Gy, Dichtkunst, 't zij ge omhoog aan 't hoofd der Englenchoren
Gods lofzang aanstemt, die geen' weêrgalm schept in de ooren,
Maar elken zenuwdraad en drupjen hemelsch bloed
Bezielt, en op zijn toon welluidend trillen doet,
En tot één' enklen zang, één zangtoon samenvlieten,
Waar alles by beweegt en wegsmelt in 't genieten:
Het zij ge, uitdeelster van Gods weldaân aan 't heelal,
De harten hier omlaag met d' eigen hemelval
By dropplen laaft, en 't heil der diamanten zalen
Den stervling overbrengt in amethysten schalen:
Gy! schiet uw Godheid in een' lichtstraal uit! Gebie,
Die dart'le klanken niet van aardsche melodie,
Waarop de weelde en lust met lichtgeschoeide voeten,
In hupplend nachtgebaar den bleeken morgen groeten,
En 't lachende vermaak den kommer drukt in 't hart:--
Neen, schep hier klanken, waard den Koninklijken Bard,
Wen hy 't Onsterflijk oog, op de aarde neêrgeslagen,
't Gevallen menschdom toont, en Godlijk laat beklagen!
Schep tonen, waar de ziel in huppelt tot Gods eer!
Of, Dichtkunst, wees my ziel; geen Dicht- geen Zangkunst meer!
Gevoele ik slechts door U! beveel, doordring mijn zinnen!
Voer, voer my d' afgrond door en hoogste hemeltinnen,
Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt, en geef
Den Zanger vleugelen waarop hy zeker zweef;
Of, valt hy, laat zijn val die Almacbt niet onteeren,
Wier wraak hy zingt!--
Maar Gy, die boven 's Hemels sfeeren
Aan 's Vaders rechterhand den ongeschapen throon
Beklomt: Gy, God uit God, en menschgeworden Zoon!
Gy die, in 't graf gedaald, ook d' eersten wareldvolken
Uw vrede en zoenbloed bracht in de onderaardsche kolken,
Waar ze, in een ijzren nacht gekerkerd, hunnen band
Verbroken zagen door uw zegerijke hand! [1]
Verlosser! zie, zie neêr op dit vermetel pogen!
Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen;
Maar, stijgt het stouter dan eens Christens Godsvrucht past,
Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast!
Aartsvader Adam had, met twee paar rijen neven,
Natuur den tol betaald, den stervling voorgeschreven;
En 't menschelijk geslacht, het aardrijk overspreid,
Zich reeds, naar 't Godlijk woord, vertalrijkt uitgebreid.
In steden saamgeschoold, beschut voor 't overvallen
Met ondoordringbaar woud of opgeworpen wallen,
Bebouwde 't, met een' arm door d' arbeid sterkgespierd,
Zijne akkers, zonder vrees voor 't woeste roofgediert';
Of 't zwierf, met draagbre tent, en zuivelrijke lammeren,
De bergvalleien langs, te vreden in zijn jammeren.
Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd
In 't uiterst Oost omhoog, van d'ochtendgloed gestoofd,
En telde, als moederstad, van Land- tot Landgewesten,
Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten,
Tot waar de Hiddekel by d'avondgroet der zon,
Zijn' Westelijksten tak te rug boog naar zijn bron,
Om, dwars door 't steil gebergt', in slorpende aard bedolven,
Een' weg te zoeken ter ontlasting van zijn golven.
De middelvlakte was van Gihons kil besproeid,
Met Pizon, arm in arm, doorstrengeld en doorvloeid,
En zag, door cederbosch, en palmen, en olijven,
Den Frath zijn' sneller stroom naar de open zeekust drijven
Alwaar de middagzon zich spiegelde uit het Zuid,
En strekte een heuvlenrij naar Hanochs landpaal uit.
Het Noorden, door een' muur van hoog gebergt' omsloten,
Weêrhield den stormwind daar, die, 't aspunt afgeschoten,
Het landomvaâmend meir van uit zijn kolken joeg,
Om 't droog te omspoelen dat des aardrijks rug besloeg.--
Een koopren schild gelijk, dat zwellende uitgebogen,
Zich opheft uit zijn rand, met blaauwend staal omtogen.
En door 't geweld des krijgs met bult en bluts bedekt,
Lag daar 't bewoonbaar vlak, van oost naar west gestrekt.
Zijn bodem was graniet, met aardmulm overtrokken.
Men zag geen menigte dooreen geworpen brokken
Van rots 't eenvormig strand, of, midden in het meir,
De golven scheiden, of geen spits het hemelsch heir
Verbergen. 't Was één land, van éénen plasch omgeven:
Één eiland, in één zee; geen andre kust daar neven.
Één bergrij, vlak van kruin, omheinde 't voor het Noord,
En bracht den fieren pijn en statige olmen voort.
Geen heuvels, dan alleen waar zachte beekjens gleden,
Die, wellende uit den grond zijn bovenkorst doorsneden,
En in de vlakte zich verloren, of hun nat
Den stroomen huwden, eerst in Edens Hof ontspat.
Één hooger grond alleen, in nevelen en wolken
Gehuld, verborg dien Hof aan 't kortziend oog der volken,
Waar nog des Levens boom zijne appels, maar de tronk
Der Kennis, bladers en onvruchtbre bloesems schonk,
Sints 't doodelijk vergrijp der Oudren, door zijn vruchten
Verlokt. Een zoete walm van balsemige luchten
Doorwaaiden uit dien hoek de lager liggende aard,
By wijlen zoeter dan de Lenterozengaard
Waar 't bietjen honig puurt en dartle nachtegalen
In zwijmen van vermaak; maar de omgelegen dalen
Erkenden 't aan dit merk noch aan de onzichtbre wacht
Van Hemelingen die 't omzwierden dag en nacht.
De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten
Zich boven 't zaad van Seth. Door meerderheid van krachten,
Door yver, altijd schrap op voordeel, buit, of baat,
Niet sluimrend in de rust, noch zorgloos tegen 't kwaad,
En, door een' schrandren geest, by 't forsche lijf, gesteven,
Scheen de eerstling na den val nog in zijn kroost te leven:
Die zoon, dien Eva groette als nieuwgeboren' God,
Die de aard verzoenen zou van 't doodlijk proefgebod! [2]
Hoe blind in 't lot, helaas! Wat zaagt ge, ontroerde Moeder,
In hem den moorder niet van zijn' godvruchten broeder,
Gods lust en de uwe? Maar Gods goedheid spaarde uw hart
Het aaklig voorgevoel der grievendste oudrensmart;
Te vroeg nog trof zy u.--De wakkre Kaïnieten
Bedekten de aard weldra, sints Abels bloedvergieten
Hunn' stamheer, met den vloek geteekend van dien moord,
Naar 't diepst van 't Oosten dreef en Pizons slinkerboord,
Om aan der heuv'len voet, waar Ur en Ets zich voegen,
In eenzaam zelfverwijt een ledig erf te ploegen.
Dat erf werd eigendom, en dierbaar, zelfs door 't zweet
Dat druppelde op zijn zand; maar dierbrer nog om 't leed
Des zwervens, daar verpoosd; hoogst dierbaar, door de panden
Van 't vruchtbaar huwlijksbed. Met opgeheven handen
Riep Kaïn, toen zijn zoon, zijn Hanoch, hem gewierd,
Den God des zegens toe: "Gy hebt gezegevierd!
'k Verhard mijn borst niet meer, ik zink in tranen neder,
ô Almacht! ja 'k versmelt, mijn ziel werd week en teder,
Ze is menschlijk. 'k Ben, ô God, 'k ben vader, 'k voel het bloed
Van vader in dit hart, 't verandert my 't gemoed.
Twist' kinderlooze met uw Almacht! Vloek' verwaten
Zich-zelf' en U, en dwing' zijn boezem zich tot haten,
Die in 't aanvallig kind zich-zelven niet herteelt,
Geen hemel aanblikt in den aanblik van zijn beeld!
Ik kan niet langer.... niet verstokt zijn, Uw genade
Niet trotsen; neen, mijn God! Ik heb en kroost en gade;
ô! Wijt hun 't misdrijf niet van vader en gemaal!
Straf, straf me, ach! niet in die in wie ik ademhaal!
Dit: dit-alleen is straf, dit, lijden voor een' Vader!
'k Aanbid U, God! genâ voor d' eersten plichtversmader!
Mijn oudren zondigden; ik trapte in dollen zin
My-zelven, U ter spijt, het hart, de ribben in,
Ik doodde, in Abels dood, my 't leven van het leven.
ô! Zegen thands mijn kroost, en 'k zal, u dankbaar, sneven."
Hier zeeg hij spraakloos neêr, in tranen als versmoord.
Men zegt, een Engel stortte, op 't uitgesproken woord,
Een' hemeldaauwdrop op zijn voorhoofd, die het teeken
Des bloedvleks, als een schim by d'ochtend, deed verbleeken,
En 't uitgewischt had, had aan 't wraakgeschrei der aard
De vloek zijns vaders zich, by 't misdrijf, niet gepaard.
Hoe 't zij, hij rees verkwikt, en aâmde een ander leven,
Aan Hanochs voedstergrond werd Hanochs naam gegeven.
En 't uitgestrekte Nod, tot d'oever van den Frath,
Werd één vereenigd Rijk met Hanochs bakermat.
Sinds zette 't volkrijk land, tot aan den boord van 't Westen
Langs elken landstroom uit, in honderden van vesten.
Gelukkig, zoo hun ziel bij overvloed en macht
Geen' God vergeten had, geen zede en deugd verkracht;
Of zoo de dartelheid der ongebonden weelde
In gruwlen maat behield, noch snood- uit snoodheên teelde!
Het nageslacht van Seth, aan Abels spoor getrouw,
Was veeteelt meer geneigd dan straffen akkerbouw,
En plach, van erfgrond wars en vaste landverblijven,
Door 't onbeheerschte veld zijn kudden om te drijven;
Maar stond den Kaïniet, op zoetheid van 't bezit
Verslingerd, en weldra op roofgenot verhit,
Ten doel, wen deze, stout in 't aangeschoten wapen,
Den herder dolend trof, onweerbaar als zijn schapen,
En, als een wreede gier of havik, op zijn prooi
Geschoten, nederwierp in 't midden van zijn kooi,
En plonderde, of verdreef, of in zijn bloed deed baden,
En de opgevangen roof, den schouder opgeladen,
Zich eigende, als het recht der strijdkolf in zijn vuist;
Of wen hy, met een' troep van roovren, onbesuist,
In plaats van in 't gebergt den woudos af te jagen,
De velden afliep, kudde en manschap voor zijn slagen
Als slachtvee henendreef en omdeelde als zijn buit,
Wie drukt de onmenschlijkheid der dolle hebzucht uit,
Of schildert d' overmoed, als ze eenmaal, losgebroken,
De teugels afschudt? als in 't bruischend hart aan 't koken,
De drift zich uitzet en het zuizlend brein besmet!
Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed,
En holt zich-zelven blind, en stoot op post en wanden
Het hoofd te barsten, om den Hemel aan te randen,
Tot eens de Godswraak, door die gruwlen afgemat,
Den bliksem aangrijpt en het schuldig brein verspat!
Zoo heb ik Nederland, sints overmaat van weelde
Brooddronken moedwil en verdwaasden waanzin teelde,
En bandloosheid den klem der wetten had verkracht,
Zien opstaan in geweld, en moord, en broederslacht.
Zoo zag ik 't van zich-zelv', van plicht, en eer verbasteren,
Den God die 't steeds behield, verzaken, honen, lasteren,
Zijn dienst verschoppen en vertrapplen met den voet,
En hen door wie 't bestond, mishandlen in hun bloed:
Hem eindlijk, die 't, verplet, van 't wis verderf behoedde,
Voor weldaân wrevel biên en opgezette woede;
Tot de Almacht, afgetergd, het overgeve aan 't zwaard,
En wegvage uit den rang der volken van deze aard.
Zoo ging 't in Kaïns stam.--Om have en lijf te dekken,
Sethiet, bestondt ge ook u met wal en rest te omtrekken,
Of mengde uw afkomst met des broedermoorders tak,
En koost hun veiligheid voor 't zwervend herderdak,
Naamt in hun spelen deel, hunn' roof, hun dartelheden
En, werdt gelijk aan hen in inborst, hart en zeden;
Haalde op uw broedren buit, vergat u-zelv' en God,
En huwde aan Kaïns zaad uw smeltend overschot.
Het aardrijk walgde toen van 't menschenbloed te slorpen,
En torschte 't zwaar gevaart' van steden, sterkten, dorpen,
Met weêrzin: 't riep tot God.--Ook de Almacht hield altaar
Noch offer meer. Men zag verdwaasde schaar by schaar
Zich Goden zoeken in Gods dienaars, in de lichten
Des hemels, en voor hen de rookende outers stichten,
Die, afgevallen, God bestormden tot hun straf,
En wien de ontzinde mensch zich roekloos overgaf.
Doch hooger liep het kwaad. Een volksstam, breed van schouderen,
En meer dan menschlijk sterk, onkundig van zijne ouderen,
En als de distel, of de rups van 't dorrend blad,
Verschenen, onbewust uit wie het oorsprong had,
Stond op. De tederheid van vaderlijke zorgen,
De moederlijke zucht was dit Geslacht verborgen;
En, opgegroeid in 't woud, by berg- en boschgedrocht,
Was menschlijkheid hun vreemd en menschelijke tocht:
Verworpen bastaartkroost, met de intreê van het leven
Uit schaamte of wederwil 't verderf ten prooi gegeven,
Maar dat van wolf en beer, bewogen door 't gehuil,
De speen gezoogd had met de welpen in hun kuil,
Tot dat ze in rijper kracht, by wie zy deernis vonden,
Vermoordden, en verwoed hun voedsters zelfs verslonden;
En, vijand even zeer aan alles wat bestaat,
Niet leefden dan van roof, en moord, en gruweldaad.
Een volk, zoo gruwzaam, hief sints twee paar deinzende eeuwen,
Den stuggen nek omhoog, onbandig fier als leeuwen.
Des aardrijks bodem dreunt op 't bonzen van zijn' voet.
't Rukt eik en ceder om, en lescht met tijgrenbloed
De dorst van 't brandend hart; en, van één drift aan 't zieden,
Wil heerschen over de aard, wil al wat is, gebieden,
Verdelgen naar zijn lust, vertrapplen, nederslaan:
En wee, die voor hun bukt, maar meer, die durft weêrstaan!
Dit schrikbaar Reuzenvolk, uit Kaïns zaad gesproten,
Was over 's warelds vlak als veldkruid opgeschoten.
't Had lang in 't eenzaam Noord, aan 't steigren van 't gebergt',
Den boschstier in zijn hol, de tijgers uitgetergd,
De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen,
En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen:
Maar eindlijk tot één hoop, één legermacht vergaârd,
Verspreidde 't schrik en dood door heel de zuchtende aard
't Naburig Arbal zag hun benden nederzakken
Als stroomen, van 't gebergt' in onderscheiden takken
Afvlietend, maar omlaag hereenigd tot één vloed,
Die, door den wind gezweept, al buldrend zeewaart spoedt,
En herder, hut, en hond, en lamm'renkooi, en wolven,
Op 't hoofd stort, sloopt, en moordt en omkeert in zijn golven.
Het bloeiend Nod bezweek voor de overmacht en vlood;
't Omwalde Hanoch zwichtte, en niets, dat weêrstand bood!
Niets, dat het dol geweld in d' eersten schok betoomde!
Toen gold het Hemaths dal, waar 't bloed by beken stroomde.
De weerloosheid van Seth, de roof, op hem behaald,
Stond Kaïns trotschheid duur, en werd te wel betaald.
Nu was de dolle Krijg ontketend.--Kaïns Neven,
Eerst zenuwloos van schrik, en Westwaart heengedreven,
Vergaderden ter wraak, en vormden zich een heir.
Men strijdt; grijpt, strijdend, moed; en eischt zijn haardsteên weêr.
Van toen was 't staag gevecht. Men sneed ahornen bogen,
Gewiekte pijlen, die van 't drillend peeskoord vlogen,
En de arm trof verder dan hij reikte, met een vlucht
Van steenen, uit een snoer geslingerd door de lucht:
Men wapende de knots met ijzren spits of axten:
De list vervulde in 't kort de minderheid der zwaksten;
En 't grove Reuzenrot met moed en kunst bestreên,
Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen.
Die zege was behaald; het vaderland herwonnen!
De grond herbouwde zich! Een reeks van vijftig zonnen
Zag Kaïn bloeiender dan eertijds, als het dal
Op nieuw weêrgalmde van vijandlijk moordgeschal.
Vertalrijkt, rukt de Reus zijn bergkruin af naar onderen,
Om 't oud en vruchtbaar Nod te teistren en te plonderen,
Rooft vrouwen, kinders, vee, en moordt den Hanochiet,
En vestigt zich van de Esch tot daar de Nilho vliet.
Nu scheen een andre stand voor 't Wareldvlak geboren,
De zetel van het Rijk van Kaïn was verloren:
Een deel der landstreek lag in ijzren slaverny;
Het oovrig, leeg gevlucht, ten doel der roovery;
En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken,
Tot daar m' in 't neevlig West de dagtoorts zag verbleeken.
Thands stond het Reuzenvolk naar 's aardrijks Oppermacht,
Als afkomst van een grootsch, een hemelsch Voorgeslacht;
't Was thands dat volk niet meer, dat onbesuisde tanden
In wolvenspieren sloeg en runderingewanden,
Het zwangere ooi verzwolg met 't onvoldragen lam,
Of eikels zamelde op den omgeworpen' stam.
Het kende 't voedzaam graan, de vrucht van 't land beteelen,
Met Kaïns weelde, en lust, en feestvermaak, en spelen,
En wat de schrandre kunst, in dartlen bloeistand, schiep,
Of tot verderf van 't hart in samenzweering riep.
't Verslingerde op 't genot dier zoetheên van het leven,
Maar machtloos om zich-zelv' dat streelend lot te geven:
't Bood vrede; of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag,
Geschenken, cijnsbaarheid, en Opperstaatsgezag.
Wat, Dichtkunst, was die eisch? Vermeld hem op mijn smeeken.
Gy weet het. U geheugt, wat 's menschen geest ontweken,
In golven wegdreef, die geen oog vervolgen mag,
Geen kracht te rug brengt met den weggevloten' dag.
Men eischte 't meerderdeel van vee en akkergaven,
Ten jaarlijksch schattingrecht, en duizenden van slaven,
En maagden, hemelschoon, met trippelenden voet,
En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed,
Op luitspel afgerecht, en dartle schouwgebaren;
En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren;
Robijn uit Pizons kil; en hellen diamant;
En d' eêlsten roofschat van het parelvoedend strand.
Zoo klonk de wreede wet, der Wareld voorgeschreven!
Geen andre keus dan dit: te buigen of te sneven!
Tien stammen hadden reeds, onmachtig af te slaan,
Den nood gehuldigd, en hun vordring toegestaan.
Eén deel, besluitloos, rekte in radeloos beraden
De dagen, onbeslist, terwijl zy uitkomst baden
Aan Goden, doof voor hun. Argostan stond alleen
Onschokbaar, bracht een heir van strijders op de been,
En ging dien vijand op zijn' eigen grond bestoken.
Van Hiddekel en Frath naar Hemath opgebroken,
Zwoer al wat moed bezat en op zijn krachten fier,
Het juk versmaden dorst, Argostans krijgsbanier.
Het gloeide in dezen hoop van ijvergloed, van woede,
Van wraakzucht die in 't hart op stoute ontwerpen broedde;
En, zucht voor 't vaderland, voor Huwlijkskoets en kroost,
Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.
Verblindend Bygeloof, voor afgoôn neêrgebogen,
Dat monster, helsch van stam en bastaartvrucht van Logen,
Uit zinlooze Angst geteeld, stak middlerwijl den kop
In 't trekkend leger, met verschrikte blikken op.
Heur fluisterende stem, die muren door kan boren,
Die elken weêrgalm vangt en harder weêr doet hooren,
Verhief zich: mommelde eerst als zuizend bij'gebrom,
Maar zong weldra 't geluid der oorlogstrompen stom.
Zy eischte een plechtig feest ter eer der Hemellichten,
Als waarborg in 't gevaar. Flux gaat men de outers richten,
En stapelt zoden, of omhangt die met gebloemt'
En kruideryen, naar der starren naam genoemd,
En slacht by honderden, in 't ruischen der schalmeien,
De varren, 't juk nog vreemd, de vaars der klaverweien,
Het argelooze lam, van d' uier afgerukt,
En 't borstlig ondier, met den snuit in 't slijk gebukt;
Den dartlen geitenbok; en 't hoofd der runderstallen,
Den stier, na jaren dienst, voor 't kouter neêrgevallen:
Ontweidt ze, en wroet om strijd in 't lillende ingewand,
En smijt ze, druipende, in den sissende-outerbrand.
Men plengt er olie by, en melk, en kroont het offer
Met specery van Chus uit gouden wierookoffer,
Of lauwerbezie, en welriekend styraxblad,
En heft de handen op, van 't sprenklend bloed bespat.
Nu prevelt men gebeên terwijl de vlammen steigeren,
Roept vloek en neêrlaag uit op vijand en bedreigeren,
En smeekt het Englendom, dat ieder Licht beheert,
Bevestiging des eeds, dien Hemaths krijgshoop zweert.--
"Gy, Geesten (roept men), die uit de ongenaakbre sfeeren
Op stervelingen ziet wier invloên ons beheeren;
Wier glans ons toelicht! Gy, het zij ge in ruimer baan
Om 't wentlen van onze aard een trager kring moogt slaan,
Of nader aan de bron des vuurs, met meer bezieling
Van gloed, in sneller vaart herombruischt, in uw wieling!
En Gy vooral, die, met uw zilvren aangezicht,
Uw hoornen afkeert van uws broeders schitterlicht,
De tijden regelt, en de ontembre waterplassen
Waarheen gy de oogen wendt, heur boorden uit doet wassen:
Nachtfakkel, wie 't geheim der diepste duisternis,
Ja, 't hart des afgronds tot zijn binnenst, zichtbaar is:
Wier koude stralen de aard het gift der akonieten,
Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten,
En 't worgend Geestendom met aaklig nachtgerucht
Op vleêrmuisvlederen doen reien door de lucht!--
En Gy, wiens bloedig licht, met blaauwen damp omtogen,
Den bliksem van het zwaard doet schittren in onze oogen;
Verdelger!--En ook Gy, der starren middelpunt,
Die elk rondom uw' throon zijn eigen loopperk gunt,
Als wachters, nimmer moê op uwen wenk te zwieren,
ô Goddelijke Zon!--Aanschouwt onze offervieren!
Wy slachten u den keur van kudde, en kooi, en stal.
De vlam stijg' t' uwaart op! 't vereerend feestgeschal
Boor' door de wolken heen! de walm der wierookgeuren
Doorwaassem' en doorvloei' de onoverstijgbre scheuren
Des afstands, die ons van uw zetels scheidt! Verhoort!
Wy aâmen rust by wraak; de vijand, bloed en moord.
U wijden we onzen arm, wanneer wy monsters slachten,
Die zelfs uw Godheên in haar hemelloop verachten.--
Verzwaart de slagen van ons wapen! Trekt ons voor,
Gelijk ge, ô Morgenstar, op 't effen hemelspoor
Den blonden Dageraad, of 't heir der vaste starren
Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren:
En velt aan onze spits die Reuzen, wier geweld,
Uw grootheid zelfs te trotsch, aan alle boord ontzwelt!"--
Nu slingert men door een, en schaart, en scheidt zich weder,
Met staatlijk Kerkgebaar. Men werpt zich beurtlings neder,
En rijst, en zingt op nieuw: Geduchte Hemelgoôn,
Redt Kaïn en 't Heelal des aardrijks!--op een' toon
Van weemoed, of triomf, vertrouwen, hooploos smeeken;
Naar de outersmook zich heft, der Goden gunst ten teeken,
Of neêrduikt, in zich-zelv' gewenteld; of zijn bocht
Wordt afgedreven door der winden ademtocht.
Een rei van Maagden volgt, in linnen statiekleeden,
En zwiert door de outers heen met afgepaste treden,
Of huppelt, in een' kring, met zon- en maanlicht om,
En schudt de sisterroede of doffen rinkelbom,
En slaat, terwijl in 't rond de krijgers DOODSLAG galmen,
De uit angst gezonken borst met blanke handenpalmen.
De Veldheer ziet het aan, en jammert in 't gemoed
Om 't kwisten van een' dag, door 't morgen nooit vergoed.
Zijn ongeduld ontvlamt; hy steunt op heldenkrachten,
Geen hulp, geen' onderstand van ongeziene machten.
Zijn spijt verkropt zich; maar het zwellen van 't gelaat
Verkondt een hartsgeheim dat zich te wel verraadt.
Het offer is verricht.--Gy ook, Sethietsche schoonen,
Omgingt het in den rei, met bruine myrthenkronen
Gehuld? Gy ook, ô gy, tot beter dienst bestemd!
Uw zuivrer hand heeft meê den bedetak [3] geklemd,
Met bloed besprenkeld, God ten gruwelhoon vergoten!
Waar gaat gy thands?--Gy volgt uw feest--, uw speelgenooten,
Daar, waar de disch u toeft met dartle tafelvreugd
En kozeryen van een bandelooze jeugd.
Genoegens, waardig dat Afgodisch offerplegen!
Uw deel is met haar: gaat! wellustig aangelegen!
Haast zal de onkuische dans.... Uw oog reeds vangt haar aan,
En 't hart in 't hupplend oog verbiedt mij voort te gaan.
Ach, Seth werd Kaïn in zijne afkomst: uw vriendinnen
Gewenden u voorlang aan haar ontuchtig minnen,
En, zwoert ge uw' God niet af, voor 't minst, gy sloot Hem 't hart,
En blindling stort ge 't hoofd in 't net dat u verwart.
Maar wie ontbreekt hier by uw avondfeestvermaken?--
Elpine--Elpine-alleen, onvatbaar vreugd te smaken.
Elpine, uit Kaïns stam, maar opgevoed by Seth
En met geen godendienst, geen wulpsche lust besmet.
Zy, schoonste uit heel uw' kring; zy, wees; uit 's vijands banden
Verlost, wanneer hy week uit de ingenomen landen;
En, door Methuzalah tot tucht en deugd gekneed.
Haar lust was 't eenzaam woud. Maar 't algemeene leed
Deed thands haar kaken niet van tranen overstroomen.
Zy klaagt, dit oogenblik, aan 't lommer van de boomen
Den naam van oudren niet, haar veel te vroeg ontscheurd,
En daaglijks, maar haar hart nog nooit genoeg betreurd.
Helaas! de onnoozle zucht om andren kommer, wreeder
Dan kinderlijke smart om oudren dood, hoe teder!
Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis
Van 't geen haar dierbaarst bleef, maar onherroeplijk is:
Zucht, om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde,
Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde,
Daar na, door wonderkracht, der menschheid veel te hoog,
Haar overstelpte en dwong, en aan zich-zelve onttoog.
Zy zucht om 't geen ze in 't hart, en onder 't hart, voelt woelen;
Om, die dat hart de vlam der liefde deed gevoelen,
En nergens vindbaar is. Met doodschrik ziet zy uit
Naar 't vreeselijk uur dat haar den gordelriem ontsluit,
En moeder maken moet, om met een kroost te sneven,
Aan wie geen vader ooit den vaderkus zal geven,
En dat ze aan 't daglicht moet verbergen met zich-zelv'.
Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf,
Waar reeds de morgenkim 't gestarnt' schijnt op te jagen,
En gilt haar wanhoop uit, en heeft geen' moed tot klagen!
Nu zinkt ze in felle smart verbleekende op de kniên,
En wringt de handen, en vertwijfelt, waar te vliên:
Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken,
Vliegt op, en wil een eind aan 't foltrend leven maken
Of rent, als razende en met zweepen aangespoord,
Onwetend werwaart heen, in éénen adem voort,
Kwetst d' al te teedren voet aan struiken en struweelen,
En houdt op eenmaal stand, als siddrend voor het kwelen
Des nachtegaals in 't woud, of 't knappend uilgesteen,
Dat uit een' hollen tronk haar toeroept in 't geween.
Zoo ijlt ze en streeft in 't wild door duizend slingerpaden,
En wenscht de dood, en schrikt op 't ritslen van de bladen:
Tot ze op een' heuvelgrond, door heldere Ur omstroomd,
Zich raadloos nederwerpt in 't hangen van 't geboomt'.
Hier, spraakloos, rolt een traan uit de opgezwollen oogen
Heur' matten boezem langs. Het boomloof wordt bewogen,
Een adem, als een wind, met leliegeur bevracht,
Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte kracht.
Een zachte en teedre stem, gevoeliger voor 't harte
Dan merkbaar voor het oor, sprak: "Smoor uw boezemsmarte,
Wees kalm, Elpine: uw lot verandert. Wees gedwee,
Ik waak, ik zweve om u: ik, oorzaak van uw wee."
Ze ontzet. "Gerechte God!" dus roept ze, en kan weêr snikken,
Weêr woorden uiten, en weêr tranen die verkwikken.
"Wat hoorde ik? welk een stem! bedriegt mijn hart zich, of
Ontwaarde ik inderdaad de troosttaal die my trof?
Wat Geest, wat Engel huist of waart in deze bladeren,
En stort de onheilige dien hemeldaauw door de aderen?
Is dan 't onstoflijke ook gevoelig voor ons lot!
Vindt menschenbroosheid nog, verpletterd, heul by God!
Of, Hemel, zou ook hier een Paradijsslang wemelen,
En logen sissen op den waarheidtoon der hemelen,
Door 't schom'lend groen bedekt, verhuld in duisternis?
Aartsgoedheid, red me, ô red, zoo redding mooglijk is!
Is aan 't gevallen kroost, in nieuwen val verloren,
Is d' afval van het hart verdelging toegezworen,
Verplet me! of stort my in dien afgrond, dien mijn voet,
Met overwelvend zand omtogen, overspoedt
Zoo lang hy de aard betreedt. Ik kus uwe ongenade!
Maar wreek ook de onschuld van de uit slijk gekropen made!
Een nieuwe Satan.... Ach, wat zegge ik! Neen, ô neen,
Ik smeek geen wraak, ô God! ik smeekbarmhartigheên.
Vergeef, vergeef hem, kan uw Heiligheid vergeven,
Wat liefde en zwakheid (maar geen wrevelzucht) misdreven!
ô Breng hem weder voor mijne oogen! Toon my hem!
Wien ik, mijns ondanks, nog in 't bevend hart omklem!
Naar wien ik in den slaap nog de armen uitstrek, gloeiend
Van schaamte, en van een vlam....! Ja, door mijne aadren loeiend
En klaatrend overheert ze en volgt my waar ik 't pand
Van zijne omhelzing draag, met onuitdoofbren brand.
Mijn God! 'k ontsluit u heel mijn' boezem--zie my lijden,
My-zelf, mijn eigen ziel, mijn zelfgevoel bestrijden.
Geef, geef verademing, geef uitkomst! 'k kan niet meer."
Dus zegt ze, en zijgt op nieuw in matte ontroering neêr.