Toch is het de moeite waard er een bezoek te brengen. Niet alleen om de
mooie hooge boomen, of om de smaakvolle verwildering, die er heerscht,
al doet het in deze opzichten zeker niet onder voor vele andere,
ongerept mooie plekjes van dezen ouden tuin. Maar vóóral verdienen de
grappige en merkwaardige vogels, die er met deftige passen door het hok
stappen, een bezoek. Hun kleine vinnige kop met de scherpe heldere
oogen steken zij nieuwsgierig boven het hooge hek. Zij kijken of de
bezoekers iets in het mandje hebben, dat van hunne gading is en rekken
hun langen hals daartoe tot op het uiterste.
Wie wel eens reisverhalen heeft gelezen, weet dat deze Loopvogels thuis
hooren in de woestijnen en steppen van Afrika, Australië, en
Zuid-Amerika. Zij behooren tot de grootste van alle levende vogels.
Ieder van deze werelddeelen bezit een eigen soort. Zoo is de
struisvogel karakteristiek voor Afrika, de nandoe voor Zuid-Amerika en
de emu voor Australië.
De naam van de groep: „Loopvogels” dankt deze aan ’t feit, dat z’n
vertegenwoordigers niet vliegen kunnen, zooals andere vogels, doch met
hunne lange pooten verbazend hard loopen. Zóó hard, dat een man te
paard soms moeite heeft hen bij te houden. Dat is nog zoo’n wonder
niet, want een hardloopende struisvogel kan passen van 2 à 2½ meter
maken.
Het jagen van deze dieren is dan ook lang geen gemakkelijk werkje.
Juist dáárom is het voor sommige menschen zoo’n groot genoegen, want
het geeft de trotsche voldoening iets moeilijks gedaan te hebben.
Dat struisvogel, nandoe, casuaris, emu en kiwi loopen in plaats van
vliegen, zooals de gewone vogels doen, wordt van zoo groot belang
geacht, dat men deze vogels, die eigenlijk geen familie van elkaar
zijn, heeft samengebracht tot één groep, die hier, in tegenstelling met
de vijf volgende groepen, een zoogenaamde „biologische eenheid” is. Men
bedoelt er mee: een vereeniging van dieren (of planten) met een zelfde
merkwaardige levenswijze, waardoor zij opvalland van hunne verwanten
verschillen.
Het vermogen om te vliegen, hebben de loopvogels geheel verloren,
hoewel hunne voorouders dit ongetwijfeld bezeten hebben en hunne
familieleden dit nog bezitten. Hoe het precies gegaan is en waardoor,
is moeilijk te zeggen. De makkelijkste manier om het te verklaren,
hebben de inboorlingen van Afrika voor hun loopvogel, den struis: zij
meenen, dat het een straf is.
Want eens, heel lang geleden, hadden de struisvogels vleugels, even
mooi en gaaf en sterk als alle andere vogels. In een vlaag van hoogmoed
verbeeldden zij zich met die mooie vleugels naar de zon te kunnen
vliegen en ondernamen dien tocht. Steeds hooger vlogen zij, al maar
hooger, tot ver boven de hoogste bergen en verder nog. Maar de zon, die
boos geworden was over hunne verwaandheid, besloot hen te straffen. Zij
verborg zich daartoe achter een wolk en liet de vogels heel dicht bij
komen. Plotseling echter kwam zij te voorschijn en scheen met volle
kracht. Haar stralen waren zoo heet, dat hen de vleugels verschroeiden
en zij terug vielen op de aarde. Door de snelheid van den val en de
kracht van de botsing verpletterden zij hunne borst, die daardoor tot
op dezen dag plat bleef. Hunne vleugels waren zoo verknoeid, dat zij er
nooit meer mee konden vliegen.
Wanneer we een vleugel van een struisvogel bijv., vergelijken met die
van andere vogels, valt die ongeschiktheid tot vliegen duidelijk op.
Bekijken we de vleugels als geheel, dan zien we, dat die van een
gewonen vogel zoo ingericht zijn, dat ze een zeer dicht en stevig
geheel vormen. Ze zijn in staat bij iedere vleugelslag de noodige
weerstand aan de lucht te bieden. En het is juist die weerstand, die
het vliegen mogelijk maakt.
Wanneer men het vliegen vergelijkt met roeien, is dit gemakkelijk te
begrijpen. Zooals door de kracht, waarmee de roeiriemen de weerstand
van het water overwinnen, de boot vooruit komt, zóó komt de vogel
vooruit, die door de kracht van z’n vleugelslag de weerstand van de
lucht overwint.
De vleugel van een struisvogel daarentegen is een zeer los en luchtig
geheel. De lucht gaat er aan alle kanten doorheen, waardoor het
weerstandsvlak aanzienlijk kleiner wordt. Wie wel eens gezeild heeft of
met aandacht naar zeilende schepen heeft gekeken, zal mij begrijpen als
ik zeg, dat een struisvogelvleugel is als een zeil vol gaten. De
vleugels van gewone vogels daarentegen zijn als zeilen van het
dichtste, fijnste weefsel, dat nergens de lucht doorlaat en aan den
wind het grootst mogelijke oppervlak biedt.
De oorzaak van de geschiktheid van de eene vleugel om te vliegen en de
ongeschiktheid van de andere hiertoe ligt in het verschil der veeren,
waaruit ze zijn samengesteld.
Neem maar eens een kippe of duiveveer en vergelijk die met de
struisveer van moeders hoed. Hoe stevig en vast zit de eerste in
elkaar, terwijl de laatste juist zoo mooi is door de zachte losse
krullen.
Die stevigheid heeft de kippeveer (fig. 1) in de eerste plaats te
danken, aan de sterke schacht, maar ook aan de vlag. Deze heeft n.l.
een inrichting, die de samenstellende deeltjes, de baarden, tot een
geheel maakt, dat ondoorlaatbaar is voor lucht. Deze baarden dragen
daartoe aan weerszijden de baardjes, die op hunne beurt voorzien zijn
van haakjes, die in elkander grijpen. (fig. 2)
De veeren van de loopvogels daarentegen, hebben een slappe en buigzame
schacht en de baardjes missen de haakjes, waardoor de veer los en
haarachtig blijft. Een andere verandering, die het gevolg is van het
niet-vliegen der loopvogels, is aan den levenden vogel niet te zien.
Maar wel aan zijn geraamte.
Vogels, die vliegen, hebben een grooten, naar voren uitstekenden
beenigen kam aan het borstbeen. (fig. 3a) Als er eens kip of eend
gegeten wordt, moet je er eens op letten. Die beenplaat dient om de
groote spieren, die noodig zijn voor de beweging der vleugels, vast te
hechten en ’t beste boutje van de kip wordt er door gevormd.
De loopvogels nu missen deze spieren en daarmee den kam. Hun borstbeen
is geheel vlak, (fig. 3b) ’t geen hun ook den naam van
Vlakborstbeenigen (Ratitæ) heeft bezorgd.
§ 1. DE STRUISVOGEL (STRUTHIO CAMELUS) (No. 1) is wel de meest bekende
van alle loopvogels. Een bekendheid, die hij voornamelijk dankt aan de
pracht van z’n veeren, welke die zijner groepgenooten in Australië en
Amerika ver overtreffen. De losheid en soepelheid van een struisveer is
dan ook zonder weerga. Zoowel de vrouwen van tegenwoordig als de
prachtlievende mannen uit de middeleeuwen gaven er gaarne veel geld
voor.
Hoewel oorspronkelijk te vinden in alle Afrikaansche woestijnen en
steppen, waar eenige plantengroei was, is deze vogel uit veel van zijne
woonplaatsen verdrongen door de komst der Europeanen. Ook zijn ze
schaarscher geworden door de jacht, die zoowel inboorlingen als blanken
terwille van hunne kostbare veeren op hen maakten. Al naar de
geaardheid van den mensch, die op jacht gaat, zijn de middelen, die hij
voor de jacht gebruikt. De Boer van Zuid-Afrika of de Bedouin van ’t
Noorden van dit werelddeel gebruikt zijn sterkste en snelste paard en
zijn beste geweer op de struisvogeljacht. De kleine zwakke Bosjesman
daarentegen, wapent zich met een bundel vergiftige pijlen en........
list. Hij is door slimheid sterk en weet er de groote vogel mee te
overwinnen.
Zoodra een Bosjesman een kudde struisvogels ergens ziet grazen, smeert
hij z’n beenen tot aan de heup in met kalk, terwijl hij een
struisvogelhuid op z’n rug bindt. In de hals van die huid steekt hij
een stok. Nu nadert hij voorzichtig de vogels, steeds zorgvuldig van
den wind loopend. Nam hij deze voorzorgsmaatregel niet en naderde hij
de vogels zóó, dat de wind zijn geur naar hen toevoerde, dan zouden zij
direct vluchten.
Bemerken de vogels z’n komst zonder dat zij iets verdachts ruiken, dan
zijn zij toch al onrustig en kijken den vreemden indringer wantrouwend
aan. Op een nieuweling in hun kudde zijn zij niet erg gesteld. De
Bosjesman, die de vogels in hunne gewoonten goed kent, loopt niet
regelrecht op z’n wild af. Hij bootst zooveel mogelijk een echten vogel
na. De kop met den stok brengt hij naar den grond en beweegt hem, alsof
hij voedsel zoekt. De andere verliezen hun achterdocht en gaan weer
rustig met grazen door. Eindelijk, als de zoogenaamde struis dicht
genoeg genaderd is, schiet hij z’n eerste pijl af. Wanneer de struizen
hun kameraad gewond zien, worden zij woedend en willen den vreemden
indringer te lijf. Rennend komen zij naderbij om hem met hunne lange
pooten omver te trappen. Zij hebben daartoe kracht genoeg. Een sterke
man valt van zoo’n trap al om, zeker dus de kleine Bosjesman. Deze
verandert nu gauw van plaats en gaat zoo staan, dat de vogels lucht van
hem krijgen. Zoodra deze merken, dat het een mensch is, in plaats van
een vogel, waarvoor zij hem hielden, draaien zij regelrecht om en
loopen zoo hard weg als zij kunnen. Vliegensvlug gooit de Bosjesman z’n
lastig struisvogelpakje af. Deze „geleende veeren” belemmeren zijn
bewegingen te veel, hij schiet hen alle pijlen achterna en als geoefend
jager, maakt hij op deze manier wel 4 of 5 vogels buit.
Vroeger had vooral het mannetje het zwaar te verantwoorden, omdat zijn
groote zwarte veeren zooveel mooier zijn, dan de bruine van ’t wijfje.
Sinds men tegenwoordig evenwel over een zeer volmaakte bleek- en
kleurtechniek voor veeren beschikt, is het verschil in prijs zoo groot
niet meer. De allermooiste zitten evenwel in de staart. Toch worden die
der vleugels ook veel verwerkt.
De Zuid-Afrikaansche Boeren zijn begonnen de vogels in gevangenschap te
houden, zoo ongeveer als onze voorouders eens met de wilde koeien
gedaan hebben. Langzamerhand, door zorgvuldige kruising en het
uitoefenen van „teeltkeus”, dat is, het voortteelen met de kalfjes van
koeien, die de beste eigenschappen (bijv. ’t geven van veel melk)
hebben, verkregen wij onze puike Hollandsche melkkoeien. De
Zuid-Afrikaansche Boer doet hetzelfde met z’n struisvogels. Hij laat ’t
liefst de eieren uitbroeden van diè ouders, die de mooiste veeren
hebben. Vooral in Kaapland is deze teelt een heel aparte tak van
bestaan geworden. De struisvogelboeren hebben ’t evenwel lang niet
gemakkelijk, daar de waarde van de veeren wisselt met de mode. En van
alle grillige en inconstante dingen is zij de meest grillige en
inconstante.
Zijn de veeren „mode” en is de vraag er naar groot dan zijn ze veel
duurder, dan in de tijden, dat de vrouwen naar iets anders grijpen om
zich op te sieren. Toch moeten ook in de slappe tijd de veeren
regelmatig „geoogst” worden. Vroeger werden ze daartoe eenvoudig
uitgetrokken. Dit was echter te wreed en bovendien te onvoordeelig,
daar de vogels na die behandeling vaak aan de bekomen wonden stierven.
Tegenwoordig knipt men de veeren dan ook vlak op de huid af. Het stukje
schacht, dat nog in de huid blijft zitten, de ziel, valt er na een
tijdje vanzelf uit. Gebeurt dat niet dan wordt het er voorzichtig
uitgetrokken. Deze bewerking hindert dan niet meer, omdat de veer tegen
dien tijd wel „rijp” zou geweest zijn en er met het ruien vanzelf
uitgevallen zou zijn. Het is heel verstandig van den Boer om de rui
niet af te wachten maar de veeren af te knippen, zoodra ze op het
mooist zijn. Veeren, die van zelf uitvallen, zijn lang zoo gaaf niet
meer. Ze zijn versleten in al die maanden, dat de vogel hen droeg. De
zachte fijne baarden en baardjes zijn dan verdwenen.
Ruien is het periodiek „verveeren” wat vogels doen. Iedere nazomer
verliezen zij hunne veeren, die dan oud en versleten zijn. Dan groeien
in ’t najaar nieuwe veeren in de plaats van deze oude. Maar vaak genoeg
zijn vogels er erg berooid aan toe, wanneer de oude veeren uitgevallen
zijn en de nieuwe er nog niet voor in de plaats zijn gekomen of nog
niet in voldoende mate groot zijn. Sommige van de later te behandelen
vogels kunnen zoo armzalig in hunne veeren zitten, dat zij niet eens
vliegen kunnen. Maar als de nieuwe veeren er zijn en ’t „winterkleed”
klaar is, zijn zij weer voor een jaar ingespannen. Struisveeren worden
leelijker van ’t voortdurend meedragen, doch veel andere veeren worden
er mooier van. Want door ’t afslijten van de veeren verdwijnt de
vaalheid er van en komen vaak prachtige glanzen over het dier, dat dan
in zijn zoogenaamd bruilofts- of prachtkleed is. Als dàt versleten is,
is ’t met de veeren gedaan; ze zijn dan op, en de rui gaat beginnen.
Het houden van struisvogels in gevangenschap, heeft gelegenheid gegeven
hunne levenswijs te bestudeeren. Dit was in de natuurstaat heel
moeilijk, omdat de vogels zoo schuw en wild zijn.
Struisvogels leven gewoonlijk in kudden, vaak in gezelschap van zebra’s
en antilopen, zij „grazen” van woestijn- en steppenplanten. Echte
vegetariërs zijn het evenwel niet. Als zij het krijgen kunnen,
vergasten zij zich zelf op vleesch. Menige kikker, jonge vogel en
woestijnrat, wordt door hen verschalkt.
Eens in ’t jaar, op bepaalde tijden, breekt er strijd los in de anders
zoo rustige kudde. De mannetjes vechten dan, elkaar met hunne lange
pooten trappend en krabbend, om de vrouwtjes.
Bij die gevechten gaat het warm toe. Menig mannetje, dat tegen z’n
sterken mededinger niet opgewassen is, druipt af, bloedend uit wonden,
die de scherpe nagels van z’n tegenstander gemaakt hebben.
Als een haan de uitverkoren hen veroverd heeft, verlaten zij samen de
kudde om een plaatsje voor hun nest te gaan zoeken. Zij zijn gauw
tevreden. Een stukje grond met wat steenen en struiken er om heen is
voor hen al goed genoeg. Het mannetje gaat op zoo’n plek met de borst
op den grond liggen en krabbelt met z’n pooten de aarde onder zich weg
totdat hij een ondiep kuiltje heeft verkregen. Het vrouwtje, dat vol
ongeduld en met levendige belangstelling naar ’t werk heeft gekeken,
legt er, zoodra het klaar is, een mooi groot wit ei in. Dit doet zij
geregeld om den anderen dag totdat er 15 of 16 eieren zijn. Dan gaat
zij aan het broeden. De eerste twee dagen blijft zij onafgebroken
zitten zonder aan eten of drinken te denken. Daarna komt het mannetje
haar aflossen en in het vervolg broeden zij om beurten. Het vrouwtje
zit overdag op de eieren, ’t mannetje ’s nachts. Geduldig blijft de een
zitten tot de ander er is om af te lossen.
Onbewegelijk, plat tegen den grond gedrukt, de lange hals recht voor
zich uit, zitten zij. En wonderlijk is het, dat het verschil in kleur
van zoo groote beteekenis voor hen is in verband met de tijd van het
broeden. De grauwe kleur van ’t vrouwtje doet haar lijken op een steen.
Overdag is zij van haar omgeving ook moeilijk te onderscheiden,
onbewegelijk als zij zit. Het mannetje in z’n pikzwart kleed lost zich
geheel op in de schaduwen van den nacht.
In zeer heete streken worden de eieren wel eens onder het warme zand
gelegd en door de zon uitgebroed. De vogels houden er evenwel trouw de
wacht bij tot de jongen zijn uitgekomen. Na 40 dagen zijn zij er:
grappige kleine diertjes, die naar men zegt, meer op een egel dan op
een jongen vogel moeten lijken. Hunne veeren zijn niets anders dan
breede, platte, driehoekige schachten, die ver van het lichaam afstaan
en als stroo ritselen. Na 2 maanden verliezen zij de nestveeren en
krijgen zij bruine veeren van dezelfde kleur als die van hunne moeder.
Na 2 jaar beginnen de mannetjes hun zwarte veeren te krijgen en na nog
eens 2 jaar is hun nieuwe zwarte pak klaar. Vol trots gaan zij daarmee
de wijde wereld in om zich een vrouw te zoeken.
§ 2. Andere vertegenwoordigers van de Loopvogels zijn de NANDOES (RHEA
AMERICANA) (No. 2), die in de steppen van Zuidelijk-Zuid-Amerika leven.
Zij vergezellen daar vaak de kudden herten. De naam „Nandoe” hebben de
inboorlingen (Gaucho’s) hen gegeven naar de klank waarmee ’t mannetje
z’n wijfje in ’t voorjaar roept. Dat voorjaar in Zuid-Amerika begint
evenals in alle landen van ’t Zuidelijk Halfrond als wij op de
Noordelijke aardhelft herfst krijgen.
Een nandoe haan leeft evenals de haan van onze kippen met meerdere
hennen. Gewoonlijk zijn ’t er een stuk of zeven. Zij hebben te samen
een bepaald gebied, waarin geen andere nandoe haan met z’n harem geduld
wordt.
Al de 6 of 7 hennen leggen hunne eieren in één gemeenschappelijk nest.
Dit is een kuiltje met wat stroo, dat de haan voor hen heeft
klaargemaakt. Soms liggen er 40–80 eieren in, maar meestal is het
minder. Zijn het er genoeg naar de zin van de haan, dan gaat hij ze
bebroeden. Soms leggen de hennen nog wel eenige eieren naast het nest,
die rolt de haan er dan voorzichtig in. Daar ’t mannetje van de
Nandoe’s alleen broedt, zijn de vrouwtjes niet meer noodig. Als zij
geen eieren meer leggen gaan zij weg. Zij blijven evenwel zorgvuldig in
’t gebied, dat aan hun haan behoort.
Na 6 weken broeden komen de eieren uit. Twee dagen blijven de jonge
vogels nog lekker warm onder „Vaders vleugels”. De derde dag begint hun
maagje te rammelen en gaan zij onder Vaders bescherming het eerste
voedsel zoeken. Zij worden dan heel gauw sterk en groot. Na 4 dagen
zijn zij zóó vlug, dat geen mensch hen meer in kan halen. Zoodra zij
groot genoeg zijn om op zich zelf te kunnen passen, verlaten zij met de
ouders hun gebied en vereenigen zij zich met de families uit de
naburige streken. Het verband in een dergelijke kudde is veel losser
dan in de familie. Allerlei toevallige omstandigheden snijden stukjes
van zoo’n kudde af. Maar die stukjes voegen zich weer rustig bij
vreemde kudden. Eén van die toevallige omstandigheden is bijv. de
jacht, die de Gaucho’s (spreek uit Ka-oe-tsjoos) op hen maken.
Deze Gaucho’s zijn een ruitervolk bij uitnemendheid. Zij komen haast
niet van hun paard af en zijn hartstochtelijke jagers. De nandoejacht
is dan ook een zeer geliefde sport. Ook al weer natuurlijk, omdat ze
moeilijk is en het hun eerzucht prikkelt, die moeilijke dingen te
volbrengen. Hun voornaamste wapen is de „bolas”, als men dat tenminste
een wapen noemen wil. In ’t gebruik doet een bolas aan een lasso
denken, omdat beide weggeslingerd worden. Waar de lasso altijd door de
hand van den mensch aan de zadelknop van den jager vast blijft zitten,
zoodat het gevangen dier door de kracht van het paard wordt
tegengehouden, blijft de bolas los.
Een bolas bestaat uit 2 of 3 zware ijzeren of steenen kogels (fig. 4)
in een leeren zakje gepakt en aan leeren koorden gebonden. Dit werktuig
wordt eenige malen snel om het hoofd geslingerd en dan plotseling los
gelaten. Met groote vaart vliegen ze door de lucht, regelrecht op hun
doel af. Ze vallen en verwarren zich om de pooten van ’t vluchtende
dier. Dit struikelt, de jager komt en doodt het hulpeloos slachtoffer
met z’n mes. Hoewel, voor zoover het het slingeren van de bolas
betreft, het vangen een groote behendigheid vereischt, is dit niet het
moeilijkste gedeelte van de jacht.
De nandoes, hebben evenals alle wild levende dieren de gewoonte om met
de kop in den wind te grazen. Ze vreezen vijanden—en de wind waarschuwt
hen door ’t meevoeren van geuren, wanneer er gevaar dreigt.
De Gaucho’s, die deze gewoonte natuurlijk kennen, doen er hun voordeel
mee en besluipen hen van achteren. Een ander gedeelte der jagers
verschuilt zich voor de troep, doch zorgt, dat zij zooveel mogelijk uit
den wind blijven.
Zoodra de nandoes de hen van achteren besluipende Gaucho’s in de gaten
krijgen, loopen zij weg zoo hard zij kunnen. En hardloopen doen zij
haast zoogoed als een struisvogel. Zij vluchten, zooals alle levende
dieren, in den wind. Plotseling treedt het andere gedeelte der jagers
in hun weg. De vogels zijn besluiteloos, weten niet meer, welke kant
zij zullen opgaan en loopen in de grootste verwarring door elkaar. De
Gaucho’s slingeren nu hunne bolassen en vangen een groote menigte
vogels.
Aan deze inboorlingen hebben de nandoes een verschrikkelijken hekel,
wat zij toonen door zoover mogelijk uit hunne buurt te blijven. De
blanken daarentegen mogen zij graag lijden en toonen hun dit openlijk.
Een nandoe, die aan hun woningen om voedsel komt vragen, is geen
zeldzaamheid. Sommige worden zelfs zoo tam, dat zij op bepaalde tijden
komen, net als bij ons ’t roodborstje of een musch wel gewend is, om na
het eten op ’t vensterkozijn kruimels te komen zoeken.
Behalve deze voorkeur van den blanke zelf, toont de nandoe nog een
uitgesproken voorliefde voor de gewassen, die uit Europa meegebracht
zijn. Op blijken van deze ingenomenheid is de blanke minder gesteld.
Want heeft hij ’t ongeluk gehad een gewas te planten, dat bij nandoes
in den smaak valt, dan blijft er geen spriet van staan, als de vogels
er langs zijn gekomen.
Toch wordt dit wel weer vergeven, als het niet al te vaak gebeurt. De
vogels maken zich aan den anderen kant ook weer verdienstelijk. Zij
eten n.l. graag de zaden van een lastig onkruid, een soort klit. Deze
klitten verwarren zich in ’t haar van ’t vee en zijn er heel moeilijk
uit te verwijderen. Hoe meer de nandoe er dus oppikt, hoe liever het
den veeboer is.
§ 3. In Australië leeft een loopvogel, ongeveer zoo groot als een
struisvogel (± 2 M.)
Vroeger inheemsch op ’t geheele vaste land van Australië en op de
omliggende eilanden, houdt de EMU (DROMAEUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 3)
zich tegenwoordig alleen nog staande in de groote vlakten van
Zuid-Australië. Heel gauw zullen zij ook daar zeldzaam of uitgestorven
zijn, want de blanke mensch is hun allergrootste vijand. Het Engelsche
gouvernement heeft de vogels in bescherming genomen en het dooden ervan
verboden. De Australische kolonisten lachen evenwel om die wet, sinds
er in de uithoeken waar de emu leeft, niemand is, om die wetten te
handhaven.
Daar emu’s gemakkelijk broeden in gevangenschap, is het niet onmogelijk
jonge emu’s te zien te krijgen. De emu-man besteedt meer zorg aan z’n
nest, dan de struis of nandoe. De kuil, die tot nest moet dienen,
bedekt hij met gras en bladeren, soms zelfs met boomschors. Het eenige
vrouwtje, dat de emu-haan heeft, legt in verloop van veertien dagen zes
à zeven eieren, die ’t mannetje netjes op een rij schikt. Zoodra het
leggen afgeloopen is, is het werk voor ’t vrouwtje gedaan, want ’t
broeden houdt het mannetje geheel voor zich. En dat is maar goed ook,
daar ’t wijfje ’t broedsel vernielt en de jongen doodt, wanneer zij er
kans toe ziet. Na 60 dagen trouw bebroed te zijn, komen de jongen uit
het ei. 3 Maanden blijven zij onder de hoede van hunnen vader. Dan zijn
zij half volwassen en kunnen voortaan voor zich zelf zorgen. Na een
jaar zijn zij geheel volgroeid.
Aan de emu nauw verwant is de CASUARIS, die in de dichte bosschen van
Australië en de omliggende eilanden leeft. Hij komt ook voor op
Nieuw-Guinea. Uiterlijk onderscheidt hij zich van de emu door de
kleurige kop met de haanachtige lellen, de zoogenaamde „bef”. Het is
een zeer kwaadaardige vogel. De exemplaren, die in dierentuinen
voorkomen, zijn alle zeer jong gevangen en tijdens hun ontwikkeling aan
menschen gewend geweest. Een volwassen dier, dat in gevangenschap werd
gehouden, zou niet te regeeren zijn.
Typisch, zoowel voor emu als casuaris is ’t verschijnsel, dat bij deze
vogels uit iedere spoel van de veeren twee schachten komen. Bij andere
vogels is die tweede veer de z.g. „bijveer” meest slechts in aanleg
aanwezig. Soms ook is hij veel duidelijker, hoewel hij klein blijft.
Nergens elders dan bij emu en casuaris vindt men ’t, dat deze bijveer
even lang wordt.
§ 4. De allermerkwaardigste van de Loopvogels is misschien wel de KIWI
(APTERYX MANTELLI) (No. 4), die op Nieuw-Zeeland voorkomt. Het is een
uitgesproken nachtdier. Overdag heel stil en haast nooit te zien, komt
hij ’s nachts te voorschijn om in den maneschijn naar wormen, insecten
en insectenlarven te zoeken. Z’n lange snavel graaft hij tot aan den
wortel in den grond. Heeft hij beet, dan trekt hij z’n kop met de
uiterste voorzichtigheid terug. Het is of hij er zich een eer instelt
zoo kunstig te werk te gaan, dat hij de worm niet schaadt. Misschien
ook is het alleen, omdat hij voor niets ter wereld iets van de
kostelijke versnapering verloren wil laten gaan.
Voelt hij evenwel geen worm, dan trekt hij z’n snavel driftig terug om
hem direct daarop weer op een andere plaats in den grond te steken.
De kiwi weet zich goed schuil te houden, zoo zelfs dat de inboorlingen
van Nieuw-Zeeland nagenoeg niets van z’n intieme leven weten. Een
enkele keer is er tusschen de wortels van een kauriboom een nest met
één ei gevonden. De ouders hadden zich dan nog dieper in de holten
verscholen en werden er uit te voorschijn gehaald.
Iets is er evenwel van hun broedgewoonten bekend, sinds de kiwi’s in de
Londensche dierentuin, waar zij vrij geregeld aanwezig zijn, daar ééns
gebroed hebben. Nadat ’t vrouwtje het eerste ei had gelegd, bleef zij
er twee dagen lang op zitten. Daarna nam het mannetje dien taak over.
14 Dagen later ging ’t vrouwtje weer op ’t nest en legde er een ei bij.
Zoodra zij daarmee klaar was, stond zij de plaats weer direct aan ’t
mannetje af.
Jammer genoeg zijn deze eieren niet uitgekomen. Na 6 weken broeden gaf
het mannetje het op. De eieren bleken werkelijk bedorven te zijn.
In hun vaderland hebben de kiwi’s een harden strijd om het bestaan te
voeren. Een strijd, die zij aan het verliezen zijn. Want de jacht, die
inboorlingen met honden en fakkels op hen maken, doet hunne gelederen
te zeer dunnen. En ’t eene jong per broedsel, dat groot gebracht wordt,
is niet in staat die leemten te vullen.
Zoo is de kiwi tot uitsterven gedoemd. Engelsche natuuronderzoekers
zijn daarom naar Nieuw-Zeeland gegaan, om nog zooveel mogelijk van deze
grappige en vreemde vogels te weten te komen. Dat een dergelijk
onderzoek niet gemakkelijk is, laat zich in verband met de nachtelijke
levenswijs, begrijpen.
Door de geheele wereld gescheiden leven aan de beide Polen der aarde
vogels, die opvallend veel op elkander gelijken. Toch zijn zij geen
familie, doch de overeenkomstige levenswijs in de koudste en
onherbergzaamste streken heeft op hen denzelfden stempel gedrukt en
heeft aan de verschillende, groote en kleine pinguïnsoorten van het
Zuidpoolgebied hetzelfde merkwaardige uiterlijk gegeven als aan de
alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het Noordelijke Halfrond. Dit
feit, dat men „parallelle ontwikkeling” noemt, is een zeer
belangwekkend biologisch verschijnsel, waarvoor men nog geen
bevredigende verklaring heeft kunnen vinden.
Toen eenigen tijd geleden heel Nederland de mooie film over de
Zuidpool-reis van Sir Ernst Shackleton ging bekijken, heeft iedereen de
gelegenheid gehad iets van de wonderlijke fauna van dit ontoegankelijk
gebied te leeren kennen. Veel beter dan door het lezen van de mooiste
reisbeschrijvingen kan men zich, door het zien van de bewegende
fotografiën, een beeld vormen van de wonderlijkste der vogels: de
pinguïn.
Hoe koddig veel leken deze vogels op menschen! Vooral wanneer men een
troep op een afstand zag, was het of een menigte menschen samenschoolde
om naar iets te kijken, dat hunne gemeenschappelijke belangstelling
had.
Deze gelijkenis is in de eerste plaats toe te schrijven aan het rechtop
loopen der vogels en komt voor een ander gedeelte op rekening van de
typische verdeeling van zwart en wit.
De afwijkingen in hunne lichaamsbouw staan in nauw verband met de
eigenaardige levenswijs van deze vogels. Ten gevolge hiervan nemen de
pinguïns, alken, zeekoeten en papegaaiduikers een eenigszins
afzonderlijke plaats in ten opzichte van de overige vogels. Evenals de
Loopvogels verleerden zij het vliegen, doch zij specialiseerden zich in
het zwemmen. Daar zij, evenals alle gewone vogels een kam op het
borstbeen hebben, worden zij ondergebracht tot de groote groep der