De zomer was nu voorbij; het stille najaar kwam met korte, heldere
dagen en lange sterrenavonden.
En het was alsof alles nu beter en helderder was in dezen tijd.
Het volk werkte opgewekt; de groote grief van Georg’s dood scheen
vergeten en zij waren gewilliger, makkelijker te leiden dan lang te
voren.
Eli zelf was beter na den avond, toen hij Hester zijn angst had
toevertrouwd; zijn leed voelde hij verder van zich gaan, en het maakte
hem rustiger, blij weer onder den prikkel van den arbeid. Jong vroolijk
dikwijls in den dagelijkschen omgang met Hester en de Rossen.
Hester leek dien avond een booze droom toe, die zijzelf vergeten dacht:
maar diep in haar was iets gebleven.
Het was zóó geborgen, zóó bezonken, dat het zelden zich openbaarde;
maar het kon terugkomen, na dagen, weken,—plotseling, om een
kleinigheid: een even kwellende angst als hij wat later kwam,—een snel
getroffen opletten, als zij zijn naam hoorde noemen en niet wist in
verband waarmee,—het scherp opmerken van een kleine verandering in zijn
gezicht... En toch was het zoo zeldzaam, dat het feitelijk vergeten
scheen.
De zorg voor het geld bleef bestaan; maar in dezen tijd kon het Eli
niet verontrusten.
Eens vroeg Hester er naar; toen had zij zijn gezicht zien verduisteren,
en hij zei, langzaam, terwijl hij uitzag in den heerlijken frisschen
najaarsmorgen:
„Het geld—och, misschien komt alles immers nog terecht. Heb je ooit
zulke heerlijke dagen gekend, als deze prachtige Octoberdagen—ze zijn
als een bad na dien heeten zomer... en ik weet niet hoe ’t komt, maar
ik ben tegenwoordig zoo gelukkig, zoo rustig ook. En dat wou ik zoo
graag vasthouden, zoo lang mogelijk, daarom denk ik daar maar niet aan.
Zie je, ik wil ’t niet zelf moedwillig verkorten, ’t lijkt me haast
zonde toe, en dat moet jij ook niet doen,—als ’t komt zal ’t vroeg
genoeg zijn...”
Hester vroeg toen nooit meer; in dit was haar voelen wijzer dan haar
verstand, dat sprak tot haar van geluk laten leven, waar ’t zoo
moeielijk geboren werd; van niet ingrijpen, maar làten geschieden, tot
de tijd, die komen moest, gekomen zou zijn.
En zoo bleef het. Het was alsof in de menschen ook alles rustig wachtte
evenals de natuur.
Want nóg was de ruwe herfst, met zijn kouden wind en geeselende
regenvlagen niet daar. In de koele, blauwe lucht staken de boomen hun
gele bladerkruinen,—de zon bestraalde de oude kastanje, die stond in
gouden pracht, en om de huisjes der boeren wies de roode wingerd
weelderig. En in die windstille zonnedagen, als de blauwe nevels zich
weefden over het land, prijkte de roode en goudgele najaarsheerlijkheid
onverstoord.
„Het is mooier dan van den zomer”, zei Eli dikwijls, want het was alles
zoo koel en rustig en schoon, en telkens als hij dat zag, werd hij ook
rustig.
Maar Hester dacht terug aan dien blijden vroegzomer, toen alles jong
geluk was voor haar, en nog geen zorg om Eli was gekomen, en zij
behield dièn tijd als het dierbaarst in haar herinnering.
Tusschen Berend en Eli was een vriendschap ontstaan, een zonderlinge
sympathie van den zwijgenden, rustigen werker voor Eli, een intuïtief
begrijpen van dat rusteloos strijden en dien moeielijken arbeid, dat
smartvol falen van een eerlijken, goeden wil; Berend begreep dit beter
dan iemand anders.
Eli voelde dit; hij zat dikwijls bij Berend, en zag zijn werken aan—en
langzaam aan vertelde Berend iets van zijn illusies, van Foeko, zijn
zoon... Foeko die nu werkte om den grooten prijs te behalen, waarvoor
het onderwerp was: „Overwonnen.”
Hij wachtte elken nieuwen brief weer met brandend ongeduld; in den
laatsten schreef Foeko:
„Is ’t niet prachtig, vader? Ik heb ’t in mijn hoofd, ik zie ’t. Wàt
een onderwerp! Een man in de kracht van zijn leven, en de bittere
uitdrukking van het overwonnen zijn moet gebeiteld liggen in den
kop.—En ik denk, dat ik ’t zal kunnen;—maar vader, geef me meer geld,
ik heb ’t zoo noodig; dit leven van bekrompenheid en halve armoede
drukt me, ’t ontneemt me elke bezieling...”
De vader dacht lang over dien brief.
„Ja, ’t was waar, hij zou ’t volbrengen—hij kon ’t—o goddank, dat ’t
hem nog gegeven was iets bij te brengen aan ’t kunstwerk van zijn
zoon...”
In die lange dagen en avonden, als allen om hem heen waren, als alles
in de smidse was vertrouwelijkheid en onderling stil geluk, zat hij
erbij en dacht niet aan hen, hoorde of zag hen niet. Hij dacht slechts
aan wat zijn zoon hem geschreven had...
Overwonnen.
Voor hem dacht hij het uit, veranderde, verbeterde het honderden malen,
volmaakte het in zijn geest. Soms werd zóó hevig in hem de begeerte,
Foeko’s werk te gaan zien, dat hij bijna bezweek.
Maar hij beheerschte zich; het geld, zoo langzaam verdiend, zoo
moeielijk gewonnen, zou ook blijven waarvoor ’t bestemd was—en Foeko
had nog meer noodig.
En hij ging niet.
Hij vocht het in zichzelf, terwijl hij zoo rustig zat, alsof elke
begeerte in hem gestorven was.
Over de hei wachtte hij telkens den bode met hongerig verlangen; na de
eerste brieven, uitvoerig vol van het werk, schreef Foeko weinig meer.
De vader troostte zich; had hij zelf, als hij verdiept was in zijn
werk, ooit aan iets anders gedacht?
En hij wachtte.
Hij werkte onvermoeid den ganschen dag, tot ’s avonds zeer laat; zoo
dikwijls mogelijk zond hij de geldsommen naar Foeko.
De jongen mocht geen zorg hebben; hij moest alleen het werk wrochten in
éénige schoonheid.
Tine Ross zag haar zoon soms bezorgd aan, maar zij sprak er niet van,
hoe zij dikwijls angstig lag te wachten, tot zij hem ter ruste hoorde
gaan.
Met haar berustende, wijze kalmte zei zij tot zichzelf:
„Hij vindt, dat dit zijn plicht is tegenover zijn kind; dan is het
immers niet mogelijk iets anders te doen.”
En zij wist niet, hoe groot Berends strijd was; hij was begonnen het
werk uit te denken voor zijn zoon, en langzaam, langzaam overwon het
hem.
Terwijl hij het kuischte, volmaakte in zijn geest met onbegrensde
teederheid, werd het langzaam zijn eigen werk, was het, onbewust nog,
weer geworden het oude streven.
Hij dacht nog, dat hij het voelde voor zijn zoon, maar inderdaad had
hij het lief voor zichzelf. Hij zag het nu, heerlijk volmaakt:
Een man, niet jong meer, maar in den krachtigen leeftijd nog, forsch
van gestalte, het gelaat opgeheven met een trek van smart en bittere
ontgoocheling,—de hand gebald langs het lichaam als in machteloozen
opstand tegen datgene wat sterker dan hij, hem overwon; overwonnen door
machten, niets wetend van zijn strijden en droefheid, die vermetel
namen waarnaar hij heeft gestreefd en gewacht met levenslangen
honger...
Hij zag het—zàg het.
In stille nachten stond het voor hem, tartend, verleidend, hem
bindend,—zag hij het beeld volmaakt, zich uitdrukkend in elken trek van
het gelaat, elke spier van het lichaam.
Hij zag het, zooals hij nooit te voren een werk had gezien en
doorvoeld.
Hij smachtte te gaan naar Foeko en ’t werk te zien—ééns maar! Maar hij
deed het niet.
Den volgenden dag zat hij weer en werkte.
En niemand van allen, die dagelijks om hem waren, niet zijn moeder die
hem liefhad boven alles—vermoedde iets van dat vuur, dat laaide en
gedoofd werd, en weer oplaaide en wéér werd gedoofd—niemand wist iets
van dien waarlijk grooten en zwaren strijd.
Op een nacht hoorde de oude vrouw gerucht in de werkplaats.
Toen stond zij op, en sloop er heen, en zelf in ’t donker, zag zij in
’t flauw verlichte vertrek. Berend Ross stond bij het slecht brandende
lampje en in zijn hand was een kleine klomp klei, die hij langzaam
vormde.
Tine begreep; het was zijn gelaat, dat ’t haar zei...
Zijn gelaat, dat nu voor haar opleefde, zooals zij het vroeger altijd
gezien had.
De geduldige, zwijgende, berustende werker was weg—hij stond daar met
stralend gelaat, oogen wijd open, verloren—zalig. En zijn handen
arbeidden, vervormden met onzegbare teederheid de klei tot het heerlijk
beeld in zijn geest—het beeld, dat alleen voor hem bestond...
Daar was niets anders.
Er was geen nacht, geen kou en geen slecht licht; er was geen tijd,
geen plaats; er bestonden geen menschen, geen wereld, geen herinnering
en geen toekomst. Daar was alleen volmaakt geluk.
Tine Ross zag het, doorvoelde het plotseling met scherpe pijn. Zij had
gedacht, dat hij tot haar was teruggekomen, een droeve, maar tevredene,
die de hoogste levenswijsheid had geleerd; nu kon zij hem geven, wat
hij noodig had, liefde, troost—nu mocht zij het hem geven.
Maar dit was niet het gezicht van een, die geen begeerte meer kent, en
den eenigen vrede gevonden heeft.
Dit was het oude, dat altijd geleefd had; zij had het vernietigd
gedacht, en het was weer opgestaan, het had hem weer veroverd, vervuld
met algeheele zaligheid... Het rukte hem weer van haar weg. Het kon hem
niets anders geven dan leed, en toch was het sterker dan zij, het was
de vloek van zijn leven, met zijn vreemde macht van grootste zaligheid
en diepste ellende, en het was sterker dan zij met haar onwrikbare,
trouwe liefde.
Sterker dan zij...
Zij ging terug naar haar eigen, klein kamertje: er was iets bitters,
onbegrepens, dat haar weg deed gaan van hem éér hij haar zou zien; en
daar lag zij, en trachtte het uit te denken—maar zij kon het
niet—altijd stootte zij tegen dat ééne.
En zij schreide, in machtelooze droefheid, met langzame trage tranen,
zooals zij niet had geweend in de jaren, dat hij van haar weg was.
Eerst in den morgen hoorde zij hem ter ruste gaan.
Den ganschen dag zat hij en arbeidde geduldig, zwijgend.