Was ’t Hester? Wàs zij gekomen? Hij stond bevend op en zag naar haar
met een vreemde weifeling in zijn oogen, waar zij stond in de deur, en
hem aanzag met die buitengewone liefde in haar gezicht.
„Eli!”
In ’t halfduister van de slecht brandende lamp was haar stem als een
roep in angst.
Hij was al bij haar; hij sprak niet, maar sloeg zijn beide armen om
haar heen, en kuste haar, haar bijna verstikkend in hartstochtelijke
ontroering.
„Hester—mijn schat—o Goddank...”
„Wat is er—wat is er, Eli?—ik was bang, dat er wat gebeurd was...”
„Niets—kom hier—kom alleen bij me—kind, je weet niet wat je hebt gedaan
met hier te komen—ik kòn niet meer buiten je—ik mòest je hebben...”
Zij zat stil naast hem, op haar eigen rustige wijze—haar hoofd aan zijn
borst, haar armen om zijn hals.
„Wat was er dan, Eli?”
„Ik wéét niet—niets dan ellende—altijd de laatste dagen—ik kan ’t niet
meer uithouden...”
„Eli...”
„Neen stil—blijf zoo zitten—ik—ik was op weg naar je toe—toen ben ik
weer teruggegaan...”
„Eli.”
Ze lichtte heftig haar hoofd op, en zag hem aan.
„Waarom?”
„Waarom—ik weet niet—ik kan geen reden geven voor wat ik voel... ik
zag, toen ik daar alleen liep, op weg naar jullie—hoe anders ik was dan
jullie allemaal—dat wist ik al lang—maar toen kreeg ik ’t gevoel, of ik
niet bij jullie hoorde—ik had nu geen moed—om—me daar zoo verlaten te
voelen.”
Ze knikte, als trachtend iets te begrijpen; ze was heel bleek.
„Ik heb ’t ook gevoeld—dat je zoo anders was—maar eigenlijk wist ik
toen nòg beter, hoe veel ik van je houd—en daarom kwam ik naar je toe.”
Er was een stil verwijt in haar stem. Ditmaal voelde hij het.
„Als ik je altijd bij mij kon hebben—maar je bent niet alleen voor
mij—je hoort dáár...”
„Eli—ik kan toch nooit méér van je houden—ik zou bereid zijn, om met je
mee te gaan, van iedereen weg als dat moest—ik dacht, dat je dat nu al
wist...”
Zij zag een verandering komen in zijn gezicht, één oogenblik van
overheerschende vreugde, terwijl hij zich naar haar overboog en haar
kuste.
„Het is—ik ben er niet aan gewend, dàt er iemand is, die zooveel van
mij houdt,—dat klinkt misschien gek—maar dat is nooit gebeurd...”
„En ik heb toch al zooveel jaren van je gehouden”,—zei ze zacht—„maar
dat wist je niet.”
Er was zoo’n rustige eenvoud in al haar zeggen dezen avond—of trof hem
dat nu voor ’t eerst?—dat plotseling, in een weeke ontroering, hij
behoefte gevoelde haar àlles te vertellen, toe te vertrouwen; àlles wat
hij tot dusver tegen haar gezwegen had.
„Hester—er is iets, wat ’t altijd zoo moeielijk voor me maakt...”
Even stokte hij—onbeholpen.
„Je weet wel, hoe mijn vader was...”
Zij zweeg en zag hem aan.
Hij ging nu door, gejaagd, moeilijk zijn woorden vindend—hortend, en
onzeker.
„Van kind af—als jongen—en later, heb ik ’t nooit
vergeten—afschuwelijk! en tòch moest ik er altijd aan denken. Begrijp
je dat?—het was een angst...”
Hij hield even op, en streek met zijn hand over zijn voorhoofd.
„Ik was bang dat ik zou worden—net als hij... en daarom zocht ik zwaar
werk, daarom kwam ik hier—en toen dacht ik, dat ’t hier wel over zou
gaan.—Ja—dat heb ik toch gedacht.”
Hij stokte weer; haar hand lag koud op de zijne.
„Toen—met al die moeielijkheden—is ’t veel erger geworden,—ik ging er
naar verlangen,—toen begon ik te drinken;—in zulke dagen, zie je, als
ik nou gehad heb,—dàt is me te erg, dat kan ik niet uithouden, dan moet
ik wat hebben, dat me opwekt—dan drink ik—en dan zou ik—ik hèb ’t niet
gedaan—maar dan zou ik maar door willen drinken, tot ik er bij
neerviel... En ik ben bang, dat ik ’t doen zal op een keer—tòch... nà
alles...”
Hij brak af—staarde voor zich uit, verloren in zijn bittere gedachten.
Na een poos keek hij op en zag naar Hester; zij zat gebukt, als onder
een plotselingen last, en zag hem aan met zware, doffe oogen.
Toen begreep hij wat hij haar aangedaan had; zijn woorden waren een
openbaring geweest van iets vreeselijks... de mogelijkheid van een
onafzienbare ellende.
Hij sloeg zijn armen om haar heen, zelf ontsteld door de uitwerking van
wat hij gezegd had.
„Hester,—ik heb ’t immers nooit gedaan,—liefje, ik zei ’t veel erger
dan ’t was,—nu ik jou heb, zou ik immers nooit zoo kunnen worden.”
Hij meende het, het leek hem nu plotseling zelf onmogelijk, dat hij er
ooit aan zou toegeven, als hij niet wilde. Het leek hem nu of de strijd
en de verzoeking niet zoo groot waren als hij wel gedacht en zooeven
gezegd had,—en hij verweet zich, het Hester te hebben gezegd; het zien
van haar smart deed hem de zijne minder voelen, hergaf hem zijn
veerkracht. Schijnbaar luchthartig wilde hij haar troosten.
„Liefje, kijk niet zoo bedroefd,—waar ben je nu bang voor? Ik zal ’t
immers niet doen! O, Hester, wat doe je...”
Ze viel voorover in zijn armen met een doffe klacht, gewond in haar
teerste, dierbaarste illusie, in wat zijzelf zoo onbevlekbaar hoog
hield; gewond in wat was geweest het mooiste in haar leven.
En hij had ’t zelf gedaan.
Dat was ’t erge.
Had een ander hem beschuldigd van ’t grofste, ’t laagste, zij zou het
nooit geloofd hebben, zij zou ’t vergeten als iets, te min om zich met
hem te vereenigen.
Zij zou ’t vergeten geweest zijn, den eersten keer dat zij zijn gelaat
gezien, zijn stem gehoord had.
Maar zijn eigen woorden, zijn eigen gebaar en oogen, toen hij dàt zei,
kon zij nooit vergeten.
En ze zat stom en staarde in een duisternis van wanhoop.
„Kòn dat, kòn dat, Eli, was hij bang dat hij...?”
Eli zweeg, hij trachtte niet meer haar te overtuigen—hij hield haar
stil in zijn armen, bewust iets te hebben gebroken in haar vertrouwend
geluk.
Maar Hester kon dit niet lang dragen.
Na haar eerste wanhoop kwam terug haar sterke liefde, die immers alles
dragen zou. Nu was dit gekomen.
En tegelijk het gewoon-menschelijke dat vroèg misleid te worden.
„Eli, ’t was niet waar, hé—niet zoo erg, als je zei,—dat meende je
niet,—je zei ’t maar in je...?”
Ze haperde, ze kon geen woorden vinden om zijn zwakheid te verdedigen;
zij had hem altijd zoo sterk gedacht.
En Eli voelde, dat zij rondtastte als een blinde, waar zij haar
algeloof in hem verloor; hij zag in met pijnlijke helderheid, dat als
hij eens vernietigde haar geloof in hem, hij haar leven zou gebroken
hebben.
Hij zag dat zij nog altijd een antwoord van hem wachtte, haar oogen
angstig naar de zijne, nog met dat iets gebukte in haar houding, alsof
zij opnieuw een slag vreesde.
„Nee—’t is niet zóó erg—maar ik kan dien angst nooit heelemaal
wegdenken, als ik me verlaten voel...”
„Zou je,”—vroeg ze zacht, „zou je ’t niet een beetje helpen, als je
bedacht, hoeveel ik van je hou—wat je voor mij bent—dat ik alles voor
je zou willen doen...?”
Ze zweeg, hulpeloos, smartelijk getroffen plotseling door haar eigen
woorden.
Dat hàd hem immers niet geholpen—dat wist zij nu toch...
Hij zag haar aarzeling, den pijnlijken trek om haar mond; hij zag haar
zoo liefde-bereid, zoo zacht en nederig, en zoo groot in haar zwijgende
kracht.
En in een stillen eerbied nam hij haar in zijn armen, en hield haar aan
zijn borst, en zei tot haar wat hij in dat oogenblik zelf waarachtig en
eerlijk geloofde.
„Ik zal deze laatste dagen tot niets maken en nòg eens opnieuw met
mijzelf beginnen,—ik weet nu dat ik ’t zal kunnen,—want vanavond ben je
me zooveel nader gekomen... het zal nu wel beter gaan—ik heb weer
moed.”
Zij geloofde hem; ze zei het hem herhaaldelijk, terwijl zij hem
hartstochtelijk aan zich klemde. Nooit kon ze zijn bleek gelaat zien en
zijn oogen, stralend in de hare, en niet gretig gelooven de woorden van
zijn mond.
Een poos zaten zij stil, niet sprekend.
Buiten was de wind hevig geworden; in bulderende vlagen loeide hij om
het huis.
Eli zag op, huiverend.
„Wat ’n weer! Dat dood-melancholieke van dien huilenden wind over ’t
vlakke land.”
Hester lachte zacht; voor haar was ’t niet melancholiek, zij hield van
dat geluid, dat hoorde bij ’t land, en de menschen, waarmee ze
vertrouwd was van kind-af.
„Misschien zal ik ’t ook eens goed vinden, als ik hier zit met jou als
mijn vrouw; dan zal mij niet veel meer hinderen.”
„Dat gebeurt immers—dat komt toch,—” zei ze met diezelfde vertrouwende
rust.
En onwillekeurig werd hij ook rustig.
„O Hester, ’t zal zoo’n groot geluk zijn.”
Ze antwoordde niet, maar zag hem aan; haar oogen straalden.
Samen liepen ze terug naar de smidse.
De wind was bijna een storm geworden, met moeite tobden ze er tegen in.
„Kom je niet binnen?”
„Nee.”
Maar er was geen smart meer in zijn stem.
„Dag lieveling.” Hij kuste haar.
Maar half onbewust hield ze hem vast, toen hij weg wilde gaan.
Voor ’t eerst was een angst in haar voor hem, voor ’t eerst had zij het
gevoel over hem te moeten waken.
„Wat is er?” lachte hij.
Zij liet hem plotseling los, en kuste hem snel en gleed naar binnen.
Maar Eli, toen hij alleen terugliep, was niet ongelukkig, maar zooals
de laatste dagen.
Nieuwe moed deed hem de dingen lichter zien; voor ’t eerst dacht hij
weer aan ’t werk, en zijn wanhoop was weer voorbij.
Hester lag lang te denken en sliep niet.
Wat is ’t, dat aansuist over de heide, dat zingt en klaagt in de toppen
der pijnen,—dat zwelt,—en zinkt—en zich verheft—en dat eindigt
nooit....?
Het is de wind.
Dat komt van verre—en zingt van zoo nabij—dat is in de dagen en in de
nachten?
Niets dan de wind....
— — — — — — — — — — — — — —
Over de landen, over de bergen en zeeën vloog de wind.
En van de landen, de zeeën zijn klanken gestegen—duizenden.
Het lied van den vogel, die in de luchten stijgt—en jubelt om het
zonnelicht, dat wijd uitstraalt over de wereld.
Het eerste stamelen van een kinderstem—een kinderlach—woorden van
liefde, blijde woorden van alles hopende, alles verwachtende zaligheid.
Het zachte zingen der moeder aan de wieg van het kind—het slaapliedje
zingend in trotsche blijdschap—slaapliedje zingend in smarten en angst.
Het liedje, waarmee de kleinste vogel zijn wijfje lokt—zingend van
wonder, onbekend geluk—dat komt, dat kòmt—in den zachten stillen
zomeravond.
Klanken, woorden van menschenverlangen, onbevredigd.
Klachten en tranen.
De smartkreet van het moederschepsel, dat zich haar jongen ziet
ontroofd.
De triomfkreet van den sterke....
Honderden smarten van het kwetsbare menschenhart.
Van rusteloos trachten—en wanhopig mislukken.
Gebeden van berusting—van bukken onder ’t Lot.
De machtelooze klacht van een stervende—een eenzaam verlorene, mensch
of dier op de groote aarde.
Vragen—eeuwige vragen.
— — — — — — — — — — — — — —
En de wind nam het alles in zich op, en droeg het voort als één groote
Stem—het Eeuwig Lied van de duizenden klanken—door de Oneindigheid der
Tijden.
Hoort! hoe het ruischt en zingt in de hooge pijnen—zoo zacht, nauw
hoorbaar.
Maar altijd door.
Liedeke van rust, van zachten weemoed—van teeder geluk.
Maar dan—kan het aanzwellen, plotseling.
Het is een kreet van kracht, een hartstochtelijke stem van strijd en
smart.
Hoort!
’t Is de storm! die uitbarst, en te pletter slaat, wat hem in den weg
is; die de sidderende pijnen rukt uit hun eeuwenouden bodem, en
neersmakt als riet.
Daartusschen klachten van eindeloos leed, die aangillen over de vlakte
met geween en gejammer.
Hoort!
In den zwarten nacht dondert hij voort, en zweept de hooge
wolkgebergten, en slaat neer op het oude bosch, dat de grijze eiken
beven in hun wortels....
Eindelijk—in den morgen trekt hij terug; langzaam, met korte bulderende
vlagen nog, woedt hij uit—en legt zich weer... Alleen in het bosch
ruischt het en suizelt nog ongedurig—en de pijnen schudden trillend hun
fiere kruinen, alsof een ruwe hand hen te forsch beroert.
Wat is het, dat klaagt en zingt in de hooge luchten?
Dat is in de dagen en in de nachten?—Dat zelfs niet rust in den
stilsten nacht...?
’t Is de wind.