Als de avond stil was en schoon, kwam het volk bijeen onder de linden;
daar praatten en lachten en joelden de jongeren: maar dikwijls ook, als
ze vermoeid waren en afgemat na den langen, heeten dag, zaten ze maar
stil, en luisterden naar wat de ouden vertelden.
Daar was de oude Wirs; hij was een kleine, uitgedroogde man met scherpe
trekken, en hij kon vertellen met drukke gebaren en heftige stem van
den tijd, toen de vreeselijke ziekte woedde over het dorp, en de
doodsklok bijna voortdurend luidde.
Soms was daar ook, maar zeer zelden, Adam Feke, die ver op de hei
woonde in zijn eenzame hut... Op de lange zomerdagen zagen de boeren
hem rondzwerven over de hei, of stilzitten voor de deur van zijn hut,
spelend op zijn fluit... altijd dezelfde melancholieke wijs, klacht van
stil geleden smart. En de dorpers fluisterden—van wat zóó lang geleden
was—wat sommigen hun vaders en moeders hadden hooren vertellen—maar
niemand wist het rechte... het was lang geleden en vergeten...
Maar soms in den donkeren avond kon op den wind aanzweven over de
stille vlakte de toon van de oude fluit, als een klagende stem van
droefenis nóóit vergeten...
Daar was Jonas West, die altijd over zichzelf praatte; hij was soldaat
geweest, en had meegevochten in den grooten oorlog, en hij vertelde van
de landen, die hij had gezien, van de lange marschen, die hij had
meegemaakt, in sneeuw en kou, terwijl de soldaten op den weg
neervielen, stervend van uitputting...
Daar was ook Baats, die ééns zoo sterk was, dat niemand hem aandurfde,
en de jongeren luisterden met goedige toegevendheid naar den
machteloozen, suffen, ouden man, snoevend op zijn kracht...
Maar de jonge Georg Foks sprong ongeduldig op, want hij wist, dat hij
veel sterker was dan eenmaal Baats...
Een enkelen schoonen avond kwam Tine Ross uit de smidse, en zat bij
hen.
Zij was de oudste van het dorp, de grootmoeder van Maarten Ross, den
vroolijken, grooten smid: ’s avonds stonden de jonge meisjes en knapen
voor de smidse, en zagen toe, hoe de vonken spatten, en het harde ijzer
gewillig zich boog onder de sterke vuisten van Maarten Ross.
Zoolang de Rossen hadden gewoond in het dorp waren zij smeden geweest,
stoer en forsch, met den grooten kop en zware kaken, en eigenaardig
vooruitspringenden voorhoofdsbouw, waaronder helder uitzagen de rustige
blauwe oogen; hadden hun vuisten de zware hamers gezwaaid, en op het
aambeeld doen neerdreunen als een polsslag van leven in het stille
dorp.
Onder het volk waren de Rossen gezien en geëerbiedigd om hun helder
verstand, hun meerdere beschaving, die hen ver boven de overige
bevolking verhief, ondanks hun nederig bedrijf; ze hadden hun vrouwen
gezocht uit de meisjes van de streek, maar toch hadden zij hun
eigenaardige zelfstandigheid bewaard. Groot geslacht van kern-gezonde,
rustige, eerlijke menschen, verknocht aan elkaar met een zeldzaam
sterken band, de ouders en kinderen, de broeders en zusters; zich
getroostend, met hun stroeve zwijgzame naturen, elke opoffering, waar
’t gold het welzijn, het geluk van een der hunnen.
Er was één Ross geweest, die het oude bedrijf niet wilde uitoefenen,
die niet blijven kon in het stille dorp, temidden der zijnen... dat was
de oudste zoon van Tine Ross.
Lang, làng was ’t geleden, dat hij haar toevertrouwde zijn brandend
verlangen; wèg te gaan uit het dorp—en de mooie dingen leeren maken in
marmer, waarvan hij droomde, maar die hier zijn ongeoefende hand niet
wrochten zou.
Lang geleden—toen zij zichzelf had overwonnen, en haar eigen nederige
wenschen ten onder bracht voor zijn geluk...
En de avond, toen zij hem zeide, dat hij voortaan gaan zou waarheen hij
begeerde, en hem zag, zooals zij hem later altijd was blijven zien:
zijn jong gezicht naar haar toegewend, met den gloed der ondergaande
zon in zijn blijde oogen, als verloren in een heerlijk visioen.
En hoè lang geleden de dag, toen hij was heengetrokken uit de oude
smidse... toen voor ’t laatst zij hem had zien gaan langs den landweg
op den zonnigen voorjaarsdag...
Jaren en jaren waren gegaan—de jaren, dat zij haar man verloor, haar
twee andere zonen en alleen opvoedde hun kinderen; Hester en Maarten.
De jaren nu—dat de beide kinderen volwassen waren, en haar zorgen niet
meer behoefden,—nu zij een oude vrouw was, en alleen maar wachtte.
Daar waren niet velen meer in het dorp, die nog dachten aan Berend
Ross.
Maar zij wachtte hem.
Zij wachtte hem altijd, gedurende de lange, donkere nachten, en heldere
zonnedagen; als zij zat, de handen gevouwen in den schoot, de oogen
ziende over de verre heide als in rustig wijs weten; oogen, die zagen,
verder dan al het andere, die den indruk gaven, alsof zij al het
tegenwoordige ver van zich hielden....
Zij wachtte hem altijd, trouw, onwrikbaar in haar geloof dat hij
eenmaal terugkomen zou.
Dat wisten de menschen niet.
Daar was geen onder die allen, een woord van medelijden fluisterend,
als zij haar zoo zagen, die ten volle begreep, wàt haar leven was.
Van altijd nieuwe hoop—en altijd weer teleurstelling—en hoop opnieuw.
Een jaar is lang.
Als de dorpers het Nieuwe Jaar vierden, spraken zij van al wat was
gedaan en geleden in het Oude—maar geen besefte, wat het jaar was
geweest voor eene, die niets meer in dit leven kon doen—dan wachten....
Een jaar is lang.
Als de lente komt, dan is er een belofte in de zoelere luchten; dan
beven de knoppen onder de nadering van lenteadem, die hen wekt....
Dan zal hij komen.
Hij zal komen, als nog de avond guur en de lucht koud is, maar als
reeds de knoppen van den kastanjeboom zwellen.
Dàn zal hij komen in het lange, heldere licht van den vroegzomeravond.
Maar de hagels snerpen, de wind giert over de vlakte, en de landweg is
eenzaam en verlaten.
Nu niet—nu de lucht grijs is en de knoppen zich weer hebben
gesloten....
Hij komt nu niet.... Want de trilling van belofte, die door de luchten
ging, is verstijfd, en het hart met zijn warm verlangen sluit zich
huiverend.
Maar het zal zòmer worden.
Als de vlier geurt, en het blijde koren is rijp, als de knapen en
meisjes zingend loopen op den landweg—hand aan hand in den warmen
avond—dán zal hij komen.
— — — — — — — — — — — — — —
De vlier bloeit niet meer, en het koren ligt gemaaid; de lindebloesem
stuift over den weg, en over de hei begint te komen een paarse
gloed....
Daar zijn toch zoovelen op den landweg... maar niet de gestalte van den
man, die den weg zoekt naar zijn moeders woning.
Neen niet—nu niet—niet in den gloeienden zomer, die scheurt den harden
grond, en blaakt in onafgebroken zonnehitte over de hei.
Als het hèrfst is! als de koele luchten jagen over de hei, als de
avonden lang, maar de dagen nog helder en schoon zijn.
Dan zal hij komen mijn zoon.
— — — — — — — — — — — — — —
De heide wordt bruin al, en wèl zijn de avonden lang, maar de dagen
niet meer helder en schoon; de herfstregens vallen, en door de grauwe
luchten vliegen de trekvogels naar warme landen.
En de boomen worden kaal; en op de eerste sneeuw loopen krassend de
bonte kraaien, die eens het kind deden schaterlachen van pret...
Maar hij, de man ziet het niet, want hij is niet gekomen.
Maar de winter is dáár! De winter, bar en doodsch en grijs en dor; die
in ieder hart het verlangen wekt naar een thuis.
Nu zal hij komen, mijn zoon, kind van mijn hart; als de sneeuwstormen
woeden, en de ijzige noordenwind giert...
Dàn zal hij komen!
Hij zal moeite hebben het pad te houden, want de storm heeft de sneeuw
op hoopen gejaagd, en den weg versperd: maar hij kent den weg, hij
weifelt niet, de sneeuwstorm kan hem niet tegenhouden, want ik weet,
mijn kind is een krachtig man, en het verlangen in hem zal sterker zijn
dan weer of wind!
— — — — — — — — — — — — — —
Nu is de winter gekomen, de stille, witte winter, die doodsch en koud
ligt over het land...
Nu komt hij, en rust in het oude kamertje, op den ouden stoel...
Hebben de stormen geen mensch ontmoet op den eenzamen weg?
— — — — — — — — — — — — — —
De stormen hebben zich gelegd, maar hij is niet gekomen.
Het vuur heeft geknetterd in de stilte van den winteravond, waar alles
wacht—wacht...
Maar hij is niet gekomen.
Het vreemde land is ver, en nòg is niet sterk genoeg de stem, die eens
hem naar huis zal drijven.
Want sterker dan weer en wind, sterker dan verlangen naar roem, sterker
dan bitterheid van ervaren leed—is het verlangen dat stom spreekt in
oude oogen, die zwijgend staren den ganschen nacht, en zich niet
sluiten kunnen.
Sterker dan alles zal dit tot hem spreken.