Het dorp.
Eenzaam, onbeschut in de donkere norschheid van de verre heide; de
kleine hoeven, verspreid in de zon, en een enkele plek schaduw, waar in
den zomer de loome geur van den lindenbloesem bleef hangen onder de
zware boomen.
Op de warme zomeravonden, als de roode zon was gezonken in den nevel,
zat het volk bijeen, en praatte na den langen werkdag.
Het was een stil, gesloten volk, langzaam en moeielijk zich gevend, met
een vijandig wantrouwen tegen alles wat inbrak op hunne oude gewoonten,
moeielijk te leiden voor een vreemde. De mannen stoer en sterk, met
stugge, zongebrande trekken, de vrouwen mager, maar forsch van bouw,
met zware heupen en sterke schouders... En in hun gelaat zagen de oogen
met stugge onderworpenheid, gewend aan de verre vlakte, waarover ze
hadden zien lostrekken de hagelbuien uit loodpaarse luchten, die in één
uur konden vernielen het weinig gewas in hun kleine tuintjes, schrale
vrucht van veel arbeid; die eindelooze vlakte, de hei, die open en
effen daar lag, die niets kon verbergen, waarboven de heete zon stond
te branden in trillende lucht.
Bij dit volk, moeielijk zich onderwerpend aan vreemden dwang, spoedig
vertoornd in licht beleedigd zelfgevoel, had zich alles van oude tijden
bewaard; het waren de oude geslachten, die voor eeuwen in het dorp
hadden gewoond, de oude gebruiken en gewoonten, niet te vervangen door
nieuwe. Het was het volk, dat eenmaal Jelle Bag en zijn voorouders
aanhing, hen vreezend, hen toornend, maar altijd aan hen verknocht.
Daar waren de tijden, toen hongersnood en ziekte het dorp teisterden,
tot in de arme boerenhoeven geen kinderstem meer werd gehoord, en de
beroofde moeders weeklagend liepen op den verlaten landweg.
Dat scheen nu heel lang geleden.
Ook lang geleden de tijd, toen Eli Bag terugkwam uit het verre land, en
zich vestigde in het dorp; toen zijn gelaat was dat van een vreemdeling
temidden van hen, en zijn stem een onbekende klank.
Lang geleden, dat hij den grooten arbeid begon, de ontginning der hei,
waartoe hij hen opzweepte met zijn onbegrepen overmacht van mensch
alleen, tegen hen allen...
En de jaren waren gegaan, en de arbeid was hard en zwaar geweest, en
gering slechts de belooning.
Geen onder het volk van Lode had begrepen, welke de macht was van dezen
man, die het oude, vurige bloed der Bags in zich had: het ontembare
heerscherstemperament, den roekeloozen overmoed. Zij allen wisten als
gisteren den dag, toen hij was gekomen als een wervelwind, en hen
opjoeg uit hun ledigheid en droomerijen... Zij waren hem gevolgd,
weinigen uitgezonderd, en onder hem hadden zij den strijd aangevangen
tegen hun ouden vijand, de hei.
In den vollen zomer trilde de hitte meedoogenloos over de vlakte en
deed den grond barsten; die zomerhitte, die hun lichamen teisterde en
den arbeid verzwaarde; den grooten arbeid, die hun het geregeld bestaan
bracht, en hen ontrukte aan hun armoede; het monster, dat elk belang in
zich verzwolg, waarvoor alles moest wijken. Het was als een levend
wezen, dat zij bekampten, dat zij beurtelings zegenden en vervloekten,
dat hun allen het geregeld bestaan gaf, maar veel dat hun lief was, had
vernield. En om dit laatste was diep in hen een haat, een stille, bijna
onbewuste haat, die tijdenlang kon ondergaan en zwijgen, en plotseling
weer uitbarsten; haat tegen dien arbeid als iets nieuws, dat ingebroken
was op al het oude, die het oude, gemoedelijke leven had verstoord.
En toch kwamen zij er nooit toe, het werk neer te leggen, ronduit te
weigeren... er was, iets sterker dan zij, dat hen dwong in zedelijk
overwicht: Eli Bag.
Hij stond er boven.
In dit, in den dagelijkschen strijd schéén hij gebleven: onwrikbaar,
ongeschokt, met een moed en volharding, die nooit verslapten. Daar
waren de dagen geweest, dat zij hem haatten, de dagen dat zij hem
verwenschten, maar altijd hadden ze hem gehoorzaamd. En zij zelf
begrepen niet, wat hen tot hem deed terugkomen, altijd weer; het was
het zonderling tegenstrijdige in dezen Bag met zijn sterke
heerschzucht; bij oogenblikken een zachtheid als die van een vrouw,
oogenblikken, waarin hij hen weer aan zich bond, waarin zij zich aan
hem overgaven als aan een die was hooger en beter dan zij allen.
Daar was menige man en vrouw, wien een groot leed voor ’t eerst
dragelijk had geschenen, toen Eli Bag zijn hand op de hunne legde, en
zwijgend zat bij hun droefheid, waar anderen hadden gesproken....
En het waren zulke herinneringen, die hen aan hem hechtten. De uren
waren gekomen, dat als hij stond temidden van hen, en zijn stem
overdonderde toornig hun grieven—als hij zwoegde, harder dan een van
hen, onvermoeid in de moordende zon—dat zij dachten aan die andere
tijden, toen zij hem zoo geheel anders hadden gezien, en fluisterden
tot elkaar:
„Wat is hij, een engel of een duivel...?”