PERSONEN.

De proloog.

De koning van Sicilië.

De koningin.

Esmoreit, hun zoon.

Robbrecht, neef van den koning.

De koning van Damascus.

Damiët, zijn dochter.

Meester Platus.

De Proloog:

God die van der maghet [3] was gheboren,

Om dat hi niet en woude laten verloren,

Dat hi met sinen handen hadde ghemaect,

So woude hi al moeder naect

Die doet sterven in rechter trouwen.

Nu biddic u, heren ende vrouwen,

Dat ghi wilt swighen ende hoeren [4].

Het was een coninc hier te voeren [5],

In Cecilien was hi gheseten--

Verstaet, so moghdi wonder weten [6]--

Ende ghecreech een kint bi sijn wijf;

Maer bi hem hielt hi enen keitijf [7],

Sijns broeder sone, hiet Robbrecht,

Die dat conincrike na recht

Alte male soude hebben verworven,

Hadde die coninc sonder oer [8] ghestorven.

Maer nu wert daer een cnecht [9] gheboren,

Dies Robbrecht hadde groten toren [10]

Ende int herte groten nijt.

Nu seldi hier sien in corter tijt,

Wat dat den jonghelinc ghesciet,

Ende hoe dat hem Robbrecht bracht in swer verdriet.

Ende enen Sarrasijn heft vercocht,

Ende in groten ellende brocht,

Ende oec die moeder, diene [11] droech,

Dat si daer na noit en loech

in twintich jaren, daer si lach

Ende noit soine noch mane en sach:

Dat beriet [12] her [13] Robbrecht al.

Nu swijt [14] ende merct hoet [15] beghinnen sal.

Een abel spel van Esmoreit, sconics sone van Cecilien · 第 7 / 22 题